Prinses

 

Er paste precies één vinger in de ruimte tussen haar hiel en de binnenzijde van de donkerblauwe mocassin. De prinses, ik noem haar zo omdat zij door de gietende regen bij ons binnen kwam en er nog een druppel van een sprookje in haar Oosters wezen school, zeeg neer op een stoel. De schoen was minstens één maat te groot, de top van mijn wijsvinger raakte de binnenzool. Het paar schoenen dat ze net uit een rommelmand bijeen had gezocht, kostte een euro en alles was beter dan de natte, afgedragen turnpantoffels en het schuren van de elastiek die zich over de wreef van haar voeten vastgezogen had. Ik kreeg een prop in mijn keel toen ik de barsten in de huid zag.
In haar kielzog keerden ineens, al de mannen, vrouwen en kinderen die op kapotte schoenen, slippers of blootsvoets het land waren binnengekomen, in één beeld terug.
Onder het stof van een weggevaagde stad, verloren lopend op de zandwegen van Calais.
De golven van de Noordzee klotsend tegen de wanden van hun verweesdheid,
aangespoeld op een vreemd en verlaten strand.
Ik hurkte naast haar neer en probeerde haar uit te leggen dat ze er misschien nog een zool kon in leggen, of enkele bolletjes watten om de ruimte in de neus van de schoen op te vullen. Een hielstrip aan de binnenkant tegen de rand zou nog beter geweest zijn, maar de prijs van zo een klever kostte meer dan het dubbele van de schoen.
We keken elkaar wat vertwijfeld aan, hoe moet je iets dragen wat jouw maat niet is.
Niets zo ergerlijk als schoenen die van je voeten vallen als je stapt.
De prinses antwoordde iets maar ik verstond haar niet. Amar die achter de kassa stond vertaalde het woord. Ze zou in een goedkope winkel in de stad wel een inlegzool vinden.
In haar ogen vonkte een sprankje hoop, een druppel parelde uit haar zijden haar.
Ik slikte de prop in mijn keel weg en hoopte dat ze in de jungle van de stad het sprookje in haar Oosters wezen niet zou vergeten.De prinses stopte haar turnpantoffels in een plastieken zak, schuifelde wat heen en weer, betaalde een euro, die ik met pijn in het hart, in de kassa zag verdwijnen en slofte met de blauwe mocassins de winkel uit.
Buiten regende het nog.

harquus-1-2

(2009 Cartwright-Jones)

Rozenadagio

 

Hij zat aan een tafel , de armen achter de rug gevouwen, de panden van zijn lange donkere jas raakten licht de vloer. Uit zijn jaszak hing een lint. De lakschoenen stonden naast de stoel waarop hij kaarsrecht zat te neuriën. Blootsvoets leek hij kwetsbaarder dan wanneer hij naakt zou zijn geweest, de aanblik van de voeten ontroerde mij onverwacht. Zo weerloos zag hij er zonder schoenen uit, als de Albatros van Baudelaire, gevangen op het dek van een schip. Nochtans wist niemand beter dan hij dat je zonder die schoenen nergens heen kon en voor altijd vleugellam was.
De avond dat iemand me voor het eerst van mijn schoenen had moeten ontdoen stond nog in mijn geheugen gegrift. Hoe ik mijn voeten in de pointes had gestoken, de linten rond mijn enkels vastgeknoopt, de blik op één punt gericht en dan plots een helse pijn had gevoeld. In mijn hoofd begon op het Rozenadagio van Tchaikovsky een ballerina mechanisch pirouettes te draaien, tot de muziek wegstierf, het mechaniek kraakte en de ballerina in een donkere trechter viel. Achter de coulissen scheurde als tule, een schreeuw. Het roze satijn van de pointes kleurde rood. De naald van Carabosse stak door de spitzen heen. De seringenfee trok voorzichtig mijn pointes uit. Het vermoeden dat de dood door het donker sloop en blootsvoets was, liet me van toen af aan niet meer los. Die nacht sliep ik met mijn voeten ingebonden, de pointes naast mijn bed. Onder het stof van honderd jaar ontwaakte ik.
Vanuit zijn ooghoeken keek hij me ontzet aan.
’Wat wil je dat ik doe, ik ben de dood niet.’
Tchaikovsky hief zijn armen op en haalde de pointes uit zijn jaszak.
De linten zaten aan de binnenkant van de voering vastgeknoopt.
In zijn hoofd begon een ballerina pirouettes te draaien.
Hij stond op en schudde het stof van zijn jas.
Door het oog van de naald stak Carabosse een roze satijnen draad.

20170218_093400_resized-2

(Voor Alexandra Cerceni 🌹)

Aldus sprak het biggetje

 

Een biggetje op weg naar het slachthuis stak zijn snuit zover het kon door de tralies van de halfopen veewagen en begon hartverscheurend te gillen. Het verkeer op de E19 stond stil en het geluid ging in de kilometerslange file door merg en been. Ik zette de knipperlichten aan en stapte uit om te kijken wat er met de roze krijsende snuit aan de hand was.
In de veewagen stonden een dertigtal varkens en biggen stil tegen elkaar gedrukt, alsof ze door het krijsen van hun medepassagier van hun stuk waren gebracht.
Hoe lang was het geleden dat ik nog een varken van dichtbij had gezien? Dacht ik eigenlijk ooit nog aan de schoonheid van een dier wanneer ik het in een geabstraheerde vorm zag. De schuine oogjes leken veel te klein voor de rozige kop die tussen de tralies zat geklemd. De oren hingen er als lappen onhandig bij. Het dier keek mij zo mistroostig aan dat ik in een poging hem te kalmeren mijn armen door de stangen stak en hem over de kop en rug aaide. Na enkele minuten bedaarde hij en begon zachtjes te knorren. Op het middenvak kwam het verkeer weer in beweging, passagiers reden mijn stilstaande auto voorbij en sommige staken verbaasd hun hoofd door het raam. Als de arme Friedrich Nietzsche die in Turijn huilend een stervend paard om de hals vloog, zag ik mij in een flits op de E19 met mijn armen rond de kop van een varken staan. Snel trok ik mijn armen terug en stak mijn duim naar de voorbijgangers op, als teken dat alles in orde was. Het dier begon onmiddellijk terug te krijsen en gillen. Wat had hij anders kunnen doen op weg naar het slachthuis? Varkens waren even intelligent als olifanten en dolfijnen, hij wist wat hem te wachten stond. De veewagen zette zich traag in beweging en ik moest het dier loslaten.
In een vlaag van zijns-verbijstering sprong ik in de laadbak, trok het big – de tranen drupten nu uit zijn ogen – met zijn kop van tussen de tralies, verborg zijn mollig lijfje onder mijn jas zodat het leek alsof ik zwanger was en liep er over de autostrade mee naar de wagen. Ik zette hem op de achterbank, schoof de veiligheidsriem over zijn buik en vertrok.

’Gegroet en dank u wel! Ik ben het varkentje uit de legende van Sint-Antonius. De heilige die met zijn staf van priemkruid in de hel een vuurvonk stal en het vuur, om de wereld van de ijstijd te redden, aan de mensheid gaf. Ik stierf in Egypte in het jaar 356 en keerde enkele maanden geleden in één worp van dertien in een varkenskwekerij terug.’Ik keek over mijn schouder, het varkentje lag behaaglijk uitgestrekt op de achterbank te slapen. Ik wou hem aanraken maar taste er doorheen. Nietzsche zuchtte opgelucht, en in de wasem van zijn adem verscheen op het raam van zijn kamer in Turijn, een biggetje en een steigerend paard.

autosnelwegsprookje-2

Pension Roma

 

Pension Roma,
169 Mohamed Farid ST.
Cairo, Egypt

Cara Signora Cressati,

Het is twee uur in de ochtend, ik lig uitgestrekt op een kingsize bed, mijn oor als een stethoscoop aan het kloppen van uw hart.

In een taxi op drie wielen, het vierde zo plat als een Egyptisch brood, rijden we in een roes van roekeloosheid door de hel van het Caireens verkeer. Van aan de luchthaven in Heliopolis banen eindeloze rijen auto’s zich onophoudelijk claxonnerend, naar alle richtingen een weg. Voetgangers en bromfietsen laveren er door heen.We zijn nog maar net het begin van de lange Azhar tunnel ingereden of de taxi valt stil. Woordloos blikt onze chauffeur in zijn achteruitkijkspiegel. Ik buig me licht voorover en vraag hem wat hij van plan is, de temperatuur in de auto bedraagt ongeveer 46°, het zweet stroomt langs mijn rug naar beneden. Hij hult zich in een nomadisch zwijgen en we stappen uit. Binnensmonds vervloek ik hem omdat hij ons voorstel de autoband onderweg te herstellen, vrolijk afwimpelde. God vervoert de mens ook op drie wielen, moet hij gedacht hebben. Als in de donkere tunnel de auto’s rakelings langs ons heen scheuren en het schril geluid van de claxons haast onze trommelvliezen scheurt, valt zelfs de laatste rede stil. We zetten onze handen op de bumper van de taxi en duwen uit alle macht. Een dodentocht van meer dan een uur. Bijna vergast, slaat aan het eind van de donkere tunnel de motor weer aan, als veren springen we in de Peugeot (bijoux car) en hobbelen alsof het vehikel werd opgeladen door de batterij van de zon, op drie wielen de Azhar tunnel uit. Een uur later komen we zonder bagage, want verloren gegaan op een transportband in Zurich, onder het vuil en het stof van de stad, in Pension Roma aan. Zoals altijd staat Mohammed ons met open armen aan de balie op te wachten. Welcome home.

Hier moet ik het schrijven onderbreken, uitstappen, aan de kant van de weg gaan staan en het onbedaarlijk snikken dat ineens in mij opkomt om wat nog wel bestaat maar er ook niet meer is, vrij te laten. Mijn vingers vormen blindelings woorden, toesten het leven af, het klavier waarop ik heb gespeeld. In het land waar het nooit regende en waar ik niet meer heen kan, beweegt de ruitenwisser van een taxi, het enige wat nog werkt, nu heftig heen en weer schuivend, voor het venster van mijn vlietende ziel.

Signora Cressati, nobele eigenares van het Italiaanse-Caireens pension, op koude avonden als deze, voor ik in de glorieuze kooi van de smeedijzeren lift stap, en opstijg naar het lapis lazuli van de hemel, denk ik aan u. Gehuld in gouden nevel, cirkelt een buizerd rond de stilte van de sfinx. Stralend voor het oog van Horus ontluikt de schoonheid van alle mysteriën, de geboorte van de zon. De buizerd zwenkt en duikt en daalt af, tot diep in de schachten van de piramiden van Chefren, en rijst weer op uit de schatkamer, als uit een heilig schrijn, verzengend van licht.

Precies vandaag herinnerde ik mij haarscherp, hoe je mij op de avond van ons eeuwig vertrek vroeg een brief voor je te schrijven, een schrijven waarin ik om een dringend herstel van je eer zou vragen. Een rondtrekkende hotelrecensent had in de toenmalige toeristenbijbel het Pension en jouw aanwezigheid botweg als „oubollig” omschreven en eigenlijk afgeschreven. Het had je diep gekrenkt. Ik had je gekrenktheid gehoord en beloofde eens ik terug thuis was, om een eerherstel te vragen. Je rekende op me en we spraken er verder niet meer over. De volgende dag vertrok ik met Kris in de rol van The English Patient en Mohsen Abd Al Moneam, gids van het Egyptisch godenrijk, voor een expeditie van enkele weken de woestijn in. De eindeloze stilte en de ophoping van zand in ons wezen, wiste dag na dag alle vragen uit. Onze geesten liepen leeg, als een lekke band, de goden vervoerden ons, wiegend op de rug van een kameel.

Nu Pharos’ zoeklicht zich op het opstuivend zand van mijn leven richt, hoor ik het jou opnieuw vragen. Wat gebeurde er met mijn eerherstel ? En in het schijnsel van de lamp, herleeft mijn wroeging over het eerherstel dat door de vergetelheid niet werd uitgevoerd. Ook al was ik van mening dat de toeristenbijbel, of wat er in mijn geheugen van overbleef, wat u en het pension betrof, nog minder dan een zandkorrel waarheid bevatte. Pension Roma was al zo lang een legende, het had geen aanbevelingen uit boeken nodig. Ik begreep toen niet waarom die misplaatste recensie je zo bezig hield. Ik meende dat de elegantie waarmee je alles tegemoet trad, ook daar boven uitsteeg. Doch met een ego onder het zand bedolven, schatte ik de diepte van de wonde niet juist in. Dit alles spijt me zeer. Ik had zo graag nog één keer thee met u gedronken, terwijl de geur van appeltabak boven het asfalt verdampt, voorgoed voorbij vliet, en ons Faraonisch wezen, als voor de eeuwigheid overvloedig parfumeert.

Grazie mille Signora Cressati.
Scrivimi Presto.
Daisy,

pensione-roma

De citroenen

 

In het holst van de nacht klom ik de flanken van de Etna op, om tussen de citroen- en sinaasappelbomen, voor enkele weken toegewijd te zwoegen aan het schrijven van een roman. Iets dat tussen wolken en nevelflarden van woorden en zinnen naar een lichtstraal in de Goddelijke Komedie van Dante, en de Ligurische zon in de gedichten van Eugenio Montale neeg. En als een epos niet meteen lukte, misschien toch enkele essays, sprankelend als in De vlinder van Dinard. Ik was niet van plan eerder naar beneden te komen. Vanbinnen in de berg borrelde de rode lava als in een distilleerkolf, een lichte huivering doortrilde de flanken, de berg beefde en de naschokken schudden mij wakker uit een koortsige droom. Het was ochtend en in de tuin tussen de bomen, met takken doorhangend en zwaar van het fruit hoorde ik in de verte het geknerp van een snoeimes naderen. Het geel van de citroenen schetterde luid.
 
Onverwacht, de lente was nog niet begonnen, rinkelde mijn mobiele telefoon. 
Het project waar ik mij de laatste jaren voor had ingezet, zou definitief worden afgerond. De geldelijke tekorten hoopten zich op, subsidies waren gehalveerd en sponsors kwamen er niet meer. Het waren hectische tijden en zoals het er voorstond, zag het er niet naar uit dat er in de toekomst veel tijd overbleef voor het schrijven van een roman. Misschien kon ik af en toe in de gauwte een gedachte neerpennen, flarden van een tekst. Maar wat deed je met te vroeg gesnoeide struiken. Met een verhaal, zonder de gelaagdheid als van een roos. Ik borg mijn schriften op en liep met mijn Valentino tas gehaast de berg af.
 
De volgende dag stelde een crisismanager aan een lange witte tafel mij de mogelijkheid van een andere baan voor. Ik voorvoelde meteen de moeilijkheid van zijn taak. Naast het afgerond project waren er nog enkele werkingen waar ik mij misschien ook nuttig kon maken. Als ik maar enthousiast genoeg was, zei hij. Enthousiast, bleef het in mij echoën.
Onrustig gingen mijn ogen heen en weer over de mogelijkheden op het uitgeprint blad :  Woon- en Verhuis, Het Frakske, Volkskeuken de Plataan, en als laatste, tussen de waaier van mogelijkheden zag ik in groene fluoletters Het Fietsatelier staan. Interessante projecten, maar ik kon niet verder denken dan de geur van een citroen.
 
Drie kwartier ging traag en frustrerend voorbij. ’Wat wil u eigenlijk graag doen?’. Gezucht en gekuch. Niemand had verwacht dat het zo moeilijk ging worden. 
’Het is eender’, antwoordde ik zo luchtig mogelijk. Al wat ik graag wilde doen was niet mogelijk. En sinds dat ogenblik, was het allemaal eender wat ik deed. Het hem uitleggen kon ik niet. Het stond niet bij de mogelijkheden op zijn blad. Ik was nog maar net terug beginnen schrijven, de blauwe hand van Fatima op mijn hart. Toen uit het duister, inktzwart een nieuw ogenblik ontstond. Het ogenblik waar ik op het punt stond gepromoveerd te worden tot het herstellen van een lekke band.
’Wat wil u graag doen ?’, luidde de vraag.
 
Op de flanken van de Etna tussen de citroen- en sinaasappelbomen met takken zwaar doorbuigend van het fruit, wachten op de vlinder van mijn neerstrijkende droom. 
 
De crisismanager keek van zijn Pontiac horloge op. ’Staat dat tussen de mogelijkheden op het blad?’ Zijn wenkbrauwen stegen als zwaluwen hoog in de lucht. Ik schudde het hoofd. 
Mijn bedenktijd was voorbij en als een veroordeelde die op het punt stond naar een cel te worden gebracht, riep ik enthousiast: ’Het Fietsatelier lijkt me wel wat!’ Tenslotte was ik in een autogarage grootgebracht, van lekke banden wist ik alles af. Mijn werkoverall lag nog gestreken in de kast. Een fiets herstellen kon ik niet, maar dat bleek geen probleem. Alles was mogelijk, als je maar zin had om het te leren, had hij nog gezegd. 
Iets met vlindervleugels zo licht, scheurde zich los van een tak.
 
Ik drukte mij tegen de boom van mijn dromen en staarde naar het vreemde wezen dat voortaan de vingers in plaats van met inkt, met kettingvet zou besmeuren. Ventielen en vijzen zou vastzetten, fietsbellen liet rinkelen. Spaken opspande als snaren, een vliegend wiel uitvond, wie weet. De grote finale van het ogenblik waar de balpen door de moersleutel vervangen werd was eindelijk begonnen. De Etna beefde. De distilleerkolf barste. De punt van het snoeimes naderde knerpend mijn hart. 
Het geel van de citroenen schetterde luid.

het-geel-van-de-citroenen-2

Lucienne Stassaert, vertaalde gedichten ~ translated poems

 

In één adem

Vier de lente, de liefde niet.
Verzoen mijn lippen, groei mij aan
als de lente vergeefs wordt en bitterder.

Weer koesteren bomen landhonger,
drijven vogels de winter uit
de baaierd van april.

Ook dit zout, oud zeer, kennen we.
En zoals minnaars en vleermuizen blindvliegen,
geven dromen zich zelden bloot.

Met dit vermoeden leefden we;
het vuur aan de schubben, de schuimlippen.
Ooftbomen gloeien wit.

Wij sterven langzamer af –
droesemig, meestal achter glas.
Of zoals bloesem, in één nacht.

In one breath

Celebrate spring, not love
appease my lips, grow on me
when spring turns in vain and more bitter.

Once more trees cherish hunger for land,
birds drive out the winter
into the hustle bustle of April.

Also this salt, this old pain, we know.
And like lovers and bats blindly fly,
dreams seldom bare themselves.

With these inklings we lived;
fire at the fins, the frothy lips.
Fruit trees glow white.

We slowly decline –
dregs of wine, usually behind glass.
Or like the blossom, in one night.

Wie geeft het geduld

Wie geeft het geduld een prooi om te verslinden
en tekent een verdrag met de ontijdelijke Tijd
achter welke mond
schuilt in reien van regen
verzegeld het woord
dat men voorbij de stilte hoort
of wordt het kermen van een dier in nood
van de verbaasde welp
uit de moederschoot
ergens verzacht verbonden en verhoord ?
Leer mij nu lopen zonder handen
verdring het doodsbeest dat mijn wachten hoort
want er kleeft zilver op mijn tong
die wit van weelde op gevlekte ribben zong
naakt is de liefde nooit
als men voorbij de aankomst is
en wat ment duister een verleden noemt
verbrandend in de nacht
een wassen bloesem dooft

Who gives patience

Who gives patience a prey to devour
and signs a treaty with untimely Time
behind which mouth
hides in rows of rains
sealed the word
one hears past the silence
or will the groaning of an animal in need
of the astonished whelp
out of mother’s womb
somewhere be softened, swathed up and heard ?
Teach me now to walk without hands
repress the animal of death that hears my waiting
because silver is sticking to my tongue
which white in wantonness sang on spotted ribs
never love is naked
if one is past arrival
and what darkly is called past
burning in the night
douses a wax blossom

***

Het heeft vogels nodig
om te zingen
mensen om te verdwijnen

zon en maanlicht
om kleur te bekennen:

hoe geladen het is
met betekenissen
in spiegelschrift –

Tekens om met hand en tand
te ontcijferen

want op het lijf geschreven
van wie je voorging
op de weg naar het einde –

It needs birds
to sing
people to disappear

sun and moonlight
to show one’s color:

How charged it is
with meanings
in mirror-writing –

Signs to decipher
with tooth and nail

because inscribed all over the body
of who before you took
the road to the end

***

Het orkest van de dood
vliegt over de stad:

een geronk in hogere sferen
dat ons naar de kelder jaagt.

Het klinkt eerst nog veraf.
Ononderbroken één, zoals God.

Gezichten, klam van schrik,
worden bij kaarslicht

nog eens zo wit. Ik volg
de schaduw van mijn vader

in beweging op de muur
tot de stilte voorbij is.

 

The orchestra of death
flies over the city:

a throbbing in higher spheres
chasing us into the cellar.

First the sound is faraway.
Uninterrupted one, godlike.

Faces, clammy with fear,
in candlelight turn

whiter still. I follow
the shadow of my father

moving on the wall
till silence is gone.

 

Uw leven

Uw leven, bol van morgenlicht,
een broeikas voor het gedicht.

De ingesloten pijn
tussen gedachtestreepjes

in vuur en vlam gebracht.

In de verte heuvels van Amherst
zo meteen buitenaardse wezens

sjirpende zwaluwen in de nevel
hiernaartoe, hiervandaan

in een pennentrek.

De weg naar een ander leven
met het blote oog te zien.

Your life

Your life, full of morning light
a glass house for poetic phrase

The included pain
between dashes

thought ablaze.

In the distance hills of Amherst
instantaneous unearthly beings

chirping swallows in the fog
here to, away from here

in one stroke of the pen.

The road to a different life
visible to naked eyes.

Lucienne Stassaert (Antwerpen)
Vertaald door Annmarie Sauer

20170121_160357_resized

Portret Lucienne Stassaert (Kris Vanhemelrijck)

Berggeiten

rocky-mountain-goats-albert-bierstadtMountain goats (Albert Bierstadt)

Soms hoor je mensen elkaar de vreemdste dingen toewensen. „Gelukkig nieuwjaar en veel melk gewenst dit jaar.” Ik zag zijn helderblauwe ogen verwondert oplichten. „Als er geen melk is hebben wij geen kaas, begrijp je ?”, voegde de wenser er ter verduidelijking aan toe. De blauwogige knikt. Ik ontwaarde zijn vermaarde onschuldige blik. Zoals iedere zaterdag sta ik in de lange rij aan het kraam van de Kempense geitenhoeder Polle aan te schuiven voor een stuk camembert. De geitenhoeder is een graag geziene marktkramer, en als je hem even observeert weet je waarom. Hij lijkt namelijk een beetje op een geit. Zo wit als de vacht van zijn geitjes en hun vacht nog witter dan de vacht van sneeuwgeiten, zo wit is zijn eigen krullenbol. Let wel, mijn vergelijking is absoluut niet denigrerend bedoeld. Wat ik bedoel is dat er een zekere verwantschap is. Als je voortdurend in een ravijn van beton leeft en buiten huisdieren en de dieren in de zoo, weinig contact hebt met de natuur, word je gevoelig voor zulke fenomenen. Van geiten herinner ik mij vooral de mengeling van koppigheid en verbaasdheid in hun blik. De vrolijkheid waarmee ze over hindernissen heen springen. Hun kalmte en beheersing, vooral bij de berg- en sneeuwgeit bekend. Hoe die op de steilste rotswanden weten te overleven. Sprongen van acht meter in de diepte maken, onbevreesd van richel naar richel springen.

Het was eigenlijk met die specifieke blik van Polle dat de vergelijking begon.
Hij haalde het zachte, de boter in de mens naar boven. Ook leek hij nooit aan stress onderhevig, hoe onrustig de in de kou trappelende rij zich ook voor hem bewoog, onverstoorbaar bleef hij met de jong-belegen en andere kaasbollen verder jongleren. Mild en met een afgeroomde vrolijkheid trad hij van tussen zijn wonderlijke kudde iedere zaterdag de wachtende mensheid tegemoet.

Enkele weken geleden stond er naast zijn dochter een meisje van ongeveer dezelfde leeftijd achter de toonbank. Het meisje droeg een hoofddoek. Hij stond tussen zijn dochter en het meisje in, bollen in kwartjes te snijden. Hoeveel handelaars in Antwerpen hebben een vrouw met een hoofddoek in dienst ? Hij steeg nog meer in mijn achting. ’s Avonds scrolde ik door de pagina’s van zijn website en las dat hij vorig jaar in februari een lammetjesknuffel-dag hield op de boerderij. Er weerklonk spontaan gemekker in mij. Op de recepten pagina trof ik een licht verlangen naar het zuiderse aan ; verfrissende limoncellocake met geitenyoghurt, Marokkaanse pompoensoep met verse geitenkaas van de Polle en proseccokaas. Zijn blik strekt zich verder uit dan de lokale markt. Nu begreep ik wat hij deze middag aan een van de klanten probeerde duidelijk te maken. Hij droomde ervan een project in Marokko op te starten, maar bij gebrek aan tijd lag het allemaal even stil.Wat een ondernemerschap, dacht ik. Een hoeder met internationale allure. Precies wat deze wereld nodig heeft ! Dappere geitjes die de sprong in de diepte durven wagen, onbevreesd van richel naar richel, over de grenzen heen springen. In onbekende ogen de werkelijke blik van de ander willen zien. En dan verder turen, voorbij de Toubkalberg en de toppen van de Arganbomen in de Sousvallei, het wonder van de opkomende zon aanschouwen. Broeders en zusters overal ter wereld, laat ons allen geitjes hoeden. Lang leve Polle, Kempense hoeder met de sneeuwwitte krullenbol. Gelukkig nieuwjaar en veel melk gewenst dit jaar !

 

Dichtershandschoenen

 

‘Ik mag mijn handschoenen niet vergeten’, zei ze nog, maar toen de taxi vijf minuten nadat ze hem had opgebeld, al aan de deur stond en we samen de trap af stormden bleven ze op de tafel achter. Toen ik wakker werd waren de handschoenen het eerste wat ik zag. Twee beige fleecejes waarmee de dichteres haar handen tegen de koude beschermde. Ik liep er mee naar de badkamer, vulde een kom met zeep en warm water en dompelde er de handschoenen in. Niet dat ze vuil waren, integendeel, hoe zou een dichter ooit vuile handschoenen kunnen hebben, het was gewoon de eerste gedachte die bij me opkwam toen ik ze als de laatste getuigen van het oudejaarsdiner roerloos op de tafel zag liggen.

Misschien hoopte ik dat er tijdens het wassen een soort wonder zou gebeuren, een magisch woord aan het wateroppervlak zou verschijnen, of er uit de naden een draadje los raakte dat vanzelf gedichten spon. Ik wist niet waarom. Misschien moest ik ze aantrekken.Voorzichtig stak ik er mijn handen in en rolde het stuk zeep om en om. Buiten een verstilde ontroering, kwam er in de warmte van het water niets los of bovendrijven. Ik zag Lucienne die oudejaarsavond ontredderd in het schijnsel van het haardvuur staren, een ogenblik in zichzelf gekeerd, het verdriet had bijna het licht in haar ogen gedoofd. Robbi de poes, was nog steeds niets teruggekeerd.
‘Het is alsof ik een kind verloren ben.’
Haar handen lagen leeg in haar schoot.

Haar nabijheid was toen zij nog in de Lange Lozanastraat woonde, altijd een grote geruststelling voor mij geweest. Gewoon te weten, dat er om de hoek een dichteres woonde, iemand die uitsluitend voor de dichtkunst leefde en iedere dag met woorden goochelde, zwoegde en worstelde, tot ze de juiste tonen vond. Want in de passionele ziel van de dichter huisde naast een poes ook nog, een schilder en een pianist.
Al die bezielde aanwezigheid was een troost in de duistere dagen van die tijd.

Maar wat mij eigenlijk in het verloop van die jaren steeds meer begon te grieven was hoe zij de tachtig naderend, nog steeds in oncomfortabele omstandigheden werkte. Ook al steeg zij daar met een fierheid, die aan het koninklijke grensde ver bovenuit, het bleef als een angel duwen in mij dat Lucienne Stassaert die naast haar oeuvre, gedichten van Sylvia Plath, Emily Dickinson, en andere dichters vertaalde, geen betere leefruimte bezat. Alsof het kunstenaarschap en schaarste een wetmatigheid was. Klagen deed ze niet. De muze bleef haar altijd trouw.

Met de handschoenen in het water, als in een bekken van tranen gedrenkt zag ik twee smaragdgroene kattenogen door mijn gedachten dringen.
Heel zacht trok ik die ochtend mijn vingers uit haar handschoenen terug.
Had ik maar zulke schrijvershanden. Een gedicht, als een poes op mijn schoot.

dichtershandschoenen

Het duel

 

Op zondag 25 december 2016, meende ik in het boek ‘Herinneringen en portretten’ van Marina Tsvetajeva, bij aanvang van het verhaal ‘Mijn Poesjkin’, een drukfout ontdekt te hebben. Het boek werd als 73ste telg uit de serie Privé Domein door uitgeverij De Arbeiderspers uitgebracht en het verbaasde me dat er op pagina 107 in de eerste alinea, aan het einde van de zesde zin, een aanhalingsteken verkeerd stond. Er stond namelijk : -‘Het duel’. Maar moest dit niet – ‘Het duel.’ zijn? Kwam het aanhalingsteken niet na de punt? Ik wandelde naar CronopiO, het boekenparadijs en legde mijn vraag voor aan Ine Schepmans, romanist en schatbewaarder van al wat literair kostbaar was. Haar antwoord gaf meteen duidelijkheid, van een drukfout was geen sprake en ik kon met een gerust gemoed verder lezen. Maar vanwaar die drukte in mijn hoofd, om een punt en een aanhalingsteken. Waarschijnlijk zou de punt na het aanhalingsteken mij niet eens opgevallen zijn, mocht het onderwerp niet zo zwaar beladen geweest zijn en mijn zintuigen van bij de eerste zin op scherp waren gesteld, alsof ik door een vizier naar ‘Het duel’ keek.

‘Duel of Alexander Pushkin and Georges d’Anthès’, een schilderij van Aleksej Naumov, verbeeldt de moord op de dichter Aleksandr Sergejevitsj Poesjkin. In een besneeuwd landschap ergens buiten Sint-Petersburg, daagt de dichter, de officier d’Anthès uit tot een duel, slechts tien passen van elkaar verwijderd treft d’Anthès, Poesjkin in de buik. Twee afgezanten brengen het gewonde lichaam in een slede naar het huis aan de Mojka nr. 12, waar hij op 29 januari 1837, zesendertig jaar oud, aan zijn verwondingen bezwijkt.

Aan de hand van het schilderij dat bij haar moeder in de slaapkamer hangt, beschrijft Marina Tsvetajeva het noodlot van de dichter en bezegelt daarmee het lot van alle dichters. Het pistoolschot in de buik van de dichter wordt voor de toen vierjarige Tsvetajeva een ijkpunt. Vanaf dat ogenblik is ’het grauw’ waar zij een deel van de mensheid in opsplitst‚ schuldig aan de dood van alle dichters.
‘Wij zijn allen door dat schot in de buik gewond geraakt.’

Want altijd kijkt er wel iemand als door een vizier, naar de dingen.
En raken wij gewond en staan op en lopen verder, bezweette haren, bevroren in de nek, het hoofd fier opgeheven, alsof in alle landschappen van de wereld, dat ene besneeuwde landschap van de dichter Poesjkin sinds eeuwen besloten lag en zijn hete tranen – witte vlokken in ons gezicht – , laten overal sporen na.

Marina Tsvetajeva in deze nacht, tekent jouw portret zich af, koningsblauwe contouren op de turkooizen achtergrond van een boekomslag. Een roos bloedend in de sneeuw. De navel van Sint-Petersburg.

943988ef95d9_468

Duel of Alexander Pushkin and Georges d’Anthès. (Aleksej Naumov 1885)

De nachtegaal en de geredde

 


Je gaf de indruk gered te zijn, maar je was niet gered. Je speelde de geredde. Een rol die je je uit het voorbije leven moeiteloos herinnerde. Zoals alle rollen die je niet altijd op het lijf geschreven stonden, maar toch tot de laatste noten uitgezongen had. Het leek geloofwaardig want je zag een zekere opluchting in hun ogen. Ogen die je lange tijd bezorgd en met een lichte paniek hadden gade geslagen. Verbaasd toekeken hoe je iedere keer, als na een Shakespeariaanse storm, ongeschonden weer tevoorschijn trad.
Ze hadden zich afgevraagd hoe je dat voor elkaar kreeg. Nu was er dus weer zo’n storm voorbij. En daar zat je dan. Ondergesneeuwd op de bergkam van het bestaan. Tsjilpend en kwetterend. In een nieuw veren pak. Wachtend tot iemand het goudbrokaten gordijn verschuift en de nachtegaal, gekooid tussen de rekwisieten, Siberisch verder zingt in jou.

thumbnail_20161227_085041_resized-2