Les yeux sont faits

 

Tessera © Vidy Roman museum

‘Alles komt goed!’ Hoorde ik hem door de telefoon zeggen. Het was iets wat voordien nog nooit over zijn lippen was gekomen. Toen ik de telefoon neerlegde wist ik niet waar hij het over had. Alles komt goed! Alsof de teerling geworpen was en er aan de schitterende uitkomst van de worp – een oog, oogluikend naar de sterren gericht – niet meer getornd kon worden. De dag raasde voorbij en het onschuldige, positief bedoelde zinnetje, dat door overdadig gebruik meestal zijn doel voorbijschoot, bleef nu als een koffieboon tussen de rest van het koffiegeruis in de molen van zinnen en uitspraken ronddraaien en ik kreeg hem niet geplet.

Waarom had hij, die zich nooit van banale uitspraken bediende, zich nu van deze onverteerbare koffieboon bediend? Wat komt er goed? Bleef ik me afvragen en waar sloeg het eigenlijk op? Was er dan iets dat hoogdringend goed moest komen? En was datgene – alles – wat zich op dat moment aan ons voordeed en onze houding daartegenover, verhoudingsgewijs niet goed, of niet goed genoeg? Moest het dan nog beter worden? Waarom was alles niet goed zoals het nu was? Ook wanneer het helemaal niet goed was of zelfs uitermate slecht, op sterven na dood?

Ik vroeg het hem maar niet. Zoals gewoonlijk zou hij dan over de stoïcijnse weg beginnen waar geen hindernis als goed of slecht beschouwd wordt. Je alleen maar moest beseffen dat je onderweg zomaar pal op je gezicht kon vallen en je tijdens de val vooral moest proberen je neus niet te beschadigen, ‘want wie zijn neus beschadigt, beschadigt zijn gezicht’.

Daar was hij erg beducht voor omdat hij een prominente, grote neus had. Die neus stond hem overigens wel. Hij had er naarmate hij ouder werd, het gezicht voor gekregen. Dit bewees eigenlijk dat alles goed kwam, en zelfs zoiets als een neus, zich na verloop van tijd aan de omstandigheden van de mens aanpaste. Net zoals drie miljoen jaar geleden de menselijke schedel een eerste, drastische verandering onderging omdat de hersenen van het geslacht Homo begonnen te groeien en het gezicht verhoudingsgewijs verkleinde, waardoor de neus, eerst twee reukholtes, om ruimte te maken voor de groter geworden hersenen, in zijn huidige vorm naar buiten werd geduwd.

Gezien de omvang van zijn neus had hij wel erg veel plaats voor zijn hersenen nodig gehad. Ik belde hem opnieuw en vroeg om mij ervan te verzekeren dat ik hem juist begrepen had, nogmaals hoe het met hem ging. ‘Goed’ zei hij ‘dat heb ik je toch net gezegd. Wat wil je nog meer weten? Scheelt er wat?’ ‘Nee hoor. Alles komt goed, toch?’ Alsof ik door het oog van de geworpen teerling naar een wereld keek die eeuwig bloesemroos bewasemd was.

Sonia Gaskell & Rudi van Dantzig

index.php

 

Een boek moet je traag inademen, zin na zin, als tijdens een meditatie.
Zo zat ik dus na een turbulente dag, vol ongecontroleerde bewegingen, in- en uitademend, roerloos met het boek van Rudi van Dantzig op mijn schoot.
‘Een eeuwig opnieuw beginnen. Een persoonlijke zoektocht naar Sonia Gaskell.’

Met een diepe liefde en bewondering schetst Van Dantzig de levensloop van danseres, balletpedagoog en choreograaf Sonia Gaskell die als kind van Joods-Russische ouders na de Tweede Wereldoorlog via Parijs in Amsterdam belandt en er een van de eerste balletstudio’s opricht. Met een kleine groep van enthousiaste dansers trekt zij in de naoorlogse jaren in Nederland rond en geeft er lezingen over de geschiedenis van de dans die door haar leerlingen uitgebeeld worden. Langzaam bouwt ze een internationaal repertoire op en veel van haar leerlingen groeien onder haar hoede uit tot belangrijke dansers die zowel het klassiek romantische als het moderne repertoire beheersen

Gaskell was erg beïnvloed door de Ballet Russes van Serge Diaghilev en gaf haar eigen lessen in de Frans-Russische stijl zoals ze het tijdens haar verblijf in Parijs bij Ljoebov Egorova (Mariinski Ballet) en de Franse choreograaf en danser Léo Staats geleerd had. In haar dansgezelschap gaf ze ook ruimte aan de creativiteit van jonge choreografen en ze was de stuwende kracht achter veel vernieuwingen in de danswereld. Met de oprichting van Balletrecital I & II en het Nederlands Ballet dat in 1961 Het Nationale Ballet werd en waar zij tot 1969 de artistieke leiding over had, ontwikkelde Sonia Gaskell de dans tot wat het hedendaagse Nederlands ballet intussen is geworden.

Het boek is tevens een poëtisch relaas van de band tussen een leerling en ‘Mevrouw’ zoals zij door iedereen werd genoemd. Met de openingszin: ’Een vrouw die schreed alsof ze nooit zou sterven’, neemt Van Dantzig de lezer mee in een werveling, een ballet blanc, dat aanvangt wanneer hij als zeventienjarige aan de deur belt van Gaskells balletstudio aan de Zomerdijkdstraat 26 in Amsterdam en eindigt op het ogenblik van haar overlijden in Parijs.

Tijdens het verloop van dit ooggetuigenverslag, laat hij Sonia Gaskell in haar zo eigen taalgebruik aan het woord en zet hiermee een levendige, door de dans gepassioneerde vrouw neer. Aan haar karakteristiek accent en haar uitspraken kan je bijna horen wie ze moet geweest zijn: ‘Ik ga wel niet met een gezonde hoofd in één zieke bed liggen.’ ‘Nee, liefje, frappé is wel niet van die borsten, frappé gaat met die voeten!’ Rudi wordt Roeti en wanneer ze tijdens de lessen haar geduld met zijn gestuntel verliest, wordt het Roeti ‘verdomme’, ‘alsof het zijn familienaam was’. De geladenheid tussen de dansers en de choreograaf is bijna tastbaar. Een knetteren dat doorheen het boek verder loopt. Ondanks Van Dantzigs blijvende twijfel of hij wel met dansen verder moet gaan blijft Gaskell hem steunen, tot hij zich als een van de belangrijkste Nederlandse balletchoreografen ontwikkelt en haar later als artistiek leider opvolgt.

Een leven naast de dans bestond er niet voor Gaskell: ‘Ik geloof, de enige mogelijkheid om het leven eeuwig te maken is die, het in een kunstvorm te gieten en dat is de grootste taak van een kunstenaar. Als het hem werkelijk lukt, een bepaalde grote belevenis of gebeurtenis in een kunstvorm om te zetten, dan is zijn leven al gerechtvaardigd’. Terecht zag ze in dat ‘je naar het onbereikbare moet streven om het redelijke te halen’. Van haar leerlingen eiste ze dezelfde inzet, een volledig en altijd voor de dans aanwezig zijn. Het idee van een privéleven moesten zij voor hun vak opzij zetten en zou door de jaren heen tot een bron van conflicten, onbegrip en verwijdering leiden. Jarenlang weigerde ze de dansers uurroosters te geven. Gaskell wilde dat iedereen steeds aanwezig was tijdens de lessen, de verdeling van de rollen bleef vaak heel lang onbekend.Het was haar manier om hen alert en bij het gebeuren te houden, maar voor de nog jonge dansers leidde het vaak tot wanhoop en uitputting.

Een eerste breuk tussen Gaskell en Van Dantzig ontstaat wanneer hij zich van het Nederlands Ballet afscheurt en met de oprichting van het Nederlands Dans Theater een eigen weg inslaat. In het boek wordt de aanleiding van dit pijnlijk gebeuren – een nachtelijke confrontatie tussen een hulpeloze Gaskell en een delegatie van dansers die letterlijk met de voet tussen de deur in haar hotelkamer binnendringt tijdens een tournee in het Duitse Passau – uitvoerig beschreven, en is een van de meest ontluisterende passages uit het boek.

Net als collega Jaap Flier ervaart Rudi van Dantzig de afscheuring als een moedermoord. Na een jaar keert hij echter terug, omdat hij haar ‘en haar poelen van ogen’ mist, ‘die arendsblik waarmee ze dansers tijdens de les volgde, hypnotiserend en steeds het beste uit hun lichamen probeerde te halen’. Het is inderdaad die magnetische blik die ook mij ertoe aanzette iets over haar te schrijven. Er stonden nog heel wat personages op mijn lijstje waarover ik iets wilde vertellen, maar zij leefden nog en konden wachten, de doden hadden minder tijd.

Uit de brieven die ze naar Rudi Van Dantzig en andere dansers schreef en op het einde van het boek vertaald worden, blijkt hoeveel ze van haar dansers hield. Toch zal de opeenstapeling van onuitgesproken conflicten en ruzies in 1969 uiteindelijk tot het definitief vertrek van Gaskell uit het Nederlands Ballet leiden. Een doek dat op het einde van het boek treurig en bitter over haar leven valt. In een van haar brieven uit ze zich over haar diepe droefheid ‘nergens meer gevraagd te worden in Nederland, terwijl ze met niets liever dan met de dansers en de dans wilde bezig zijn’. Na haar afscheid vestigde ze zich in Parijs waar ze tot haar overlijden op 9 juni 1974 verder les bleef geven. Niettemin groeide het Nationale Ballet door de zaadjes die zij van in het prille begin met de groep van Ballet recital I en II plantte, uit tot een gezelschap dat het academisch ballet naar het allerhoogste niveau bracht.

Tijdens het lezen kon ik me niet losmaken van die blik, wilde de zeggingskracht ervan begrijpen, alsof ik dromend tussen de struiken in een tuin, alleen op een tak, een wondere, nooit geziene vogel met mensenogen ontwaarde. Ogen die de mensheid betoverden, begeleid door een uit de tuin opstijgende nooit eerder gehoorde melodie. Over haar dood heen maakte ze nog een beweging in je los.

In de witte spaties tussen de woorden zie ik steeds het beeld van een in de ruimte uitgestrekte arm, een vloeiende lijn, een energie die ergens van boven het hoofd vertrekt, als vanuit een onzichtbaar draadje, en over het profiel van het gelaat langs de hals, de schouders, de armen tot in de topjes van de vingers loopt. De sierlijkheid van een hand die naar iets reikt dat ontastbaar is. Een pas-de-deux die doorheen de golvende lijn van het boek blijft ontroeren, je vasthoudt tot de laatste pas, de laatste zin waarin Sonia Gaskell, letterlijk en beurtelings in een rol van verering, onbegrip en liefde opgetild en gedragen wordt tot zij in de ruimte verder stroomt. Het boek is niet enkel het resultaat van een zoektocht naar wie zij werkelijk was. Het is het relaas van een door de jaren heen, nauwkeurig genoteerde reeks van bewegingen, een pas na pas opgetekende choreografie. Een nooit ophoudende dans. ‘Een altijd opnieuw beginnen.’ Een ontroerende en beklijvende ode aan ‘Mevrouw’.

Archieffoto GDP@UNKNOWN 2-1bfc677b6f35
Archieffoto GDP@Unknown
hetnationaleballet5_kl
Het Nationale Ballet

Kerstpup

 

Sea Life 25 december 2018

 

Terwijl ik op de website van vubtoday.be over een pas gepubliceerd onderzoek van bioloog Andrea Ravignani, over de communicatie tussen zeehonden, gebogen zat, werd ik mij ineens bewust van het gevoel dat mijn lichaam als een wilg waarvan de takken over een rivier bogen, millimeter per millimeter, aan het scheefgroeien was. Alleen stroomde er geen rivier onder mij, maar slechts de nerven van een kersenhouten tafelblad.

Dit was een eigenaardige gewaarwording omdat ik altijd dacht heel soepel te zijn geweest, het werd tijd iets met mijn vreemde, vertakkende ledematen te ondernemen. Een duik, een overtocht langs het kanaal, een plons ergens tussen de koralen, voor ze volledig gebleekt en uitgedroogd waren. In plaats van aan een tafel van kersenhout, waar een zee van tijd zich voor mij uitstrekte, tussen de letters te zwemmen, en de nerven te tellen, kon ik evengoed naar de kust trekken en de nieuwste bevindingen die ik zonet in het artikel had gelezen aan de werkelijkheid toetsen.

Het onderzoek van Dr. Ravignani toonde aan dat vier weken oude zeehondenpups al een complex communicatiegedrag vertonen. Om de aandacht van de volwassen dieren te trekken maken ze namelijk om de beurt geluid, dit om elkaar tijdens hun roep niet te overlappen. Een beetje zoals mensen tijdens een gesprek om de beurt het woord nemen. De roep van de pups bleek ook afgestemd op het ritmische geluid van een andere soortgenoot. Dit leek een eenvoudige stelling, maar ‘het organiseren van geluiden in de tijd, op een interactieve manier met soortgenoten’ werd nooit eerder wetenschappelijk aangetoond. Uit het onderzoek bleek dat ‘de ritmische dimensie in de communicatie tussen de zeehonden even belangrijk, zo niet belangrijker was dan de toonhoogte of de aard van de voortgebrachte klank’.

In Pieterburen ten noorden van Groningen, waar Ravignani zijn onderzoek deed, bevond zich het grootste revalidatiecentrum voor zieke en verweesde zeehonden, ongeveer op vijf uur reistijd vanuit Antwerpen. Nu voelde ik mijzelf ook een beetje als een zeehond die de uitputting nabij was en dringend opvang zocht. Na enkele overwegingen van praktische aard, wendde ik mij tot Google maps, dat het opvangcentrum voor zeehonden in Blankenberge in kaart bracht, que reistijd drie uur dichterbij en nog net in één dag haalbaar. Sea Life bood eveneens een online korting van vijf euro aan. Ik nam de tijd niet om te lezen waaraan de bezoeker de korting te danken had, downloadde mijn treinticket, ontving een Happy Ticket, heen en terug naar de zee in ruil voor tien euro, en vertrok. Met het gemoed van die dag gelijk een natgeregende krant onder mijn arm, repte ik mij naar de trein, plofte neer en stapte twee uur later in het station van Blankenberge uit, benieuwd naar de communicatietools van een zeehondenkolonie.

Aan de kassa van Sea Life begreep ik dat de mij verleende korting niet seizoensgebonden was, maar verband hield met de omstandigheid dat er in het centrum tijdelijk geen zeehonden aanwezig waren. Hun verblijf, zo vertelde de kassajuffrouw, werd op dit moment gerenoveerd. Ze overhandigde mij een nieuw ticket waar ik vanaf april 2019 mee zou kunnen terugkeren. Ik stapte het opvangcentrum binnen en de enige zeehond die ik te zien kreeg was net op kerstdag aangespoeld. De verzwakte pup keek mij vanuit de verzorgingsbox zielig en ontheemd aan. Het diertje begreep natuurlijk niet dat het gered was en binnen enkele weken door de nobele strandjutters van Sea Life weer vrij zou worden gelaten. Ik probeerde wat geluiden te maken en tokkelde met mijn vingertoppen ritmisch op het glas. Zoals de studie van Ravignani had aangetoond zou de pup zijn roep op het ritme van dit geluid baseren, maar ik hoorde niets. De verzorgingsbox liet weinig of geen geluid door. Ik probeerde het wat harder. Oink Oink Oink. Toink toink toink. Het leek alsof ik een astma-aanval kreeg en de verzorger die over mijn schouder naar de pup kwam kijken vroeg geschrokken of ‘alles wel in orde was’. Ik schraapte mijn keel en zei dat er niets aan de hand was en besloot mijn pogingen om Ravignani’s bevindingen te toetsen even te staken. Ik verliet het opvangcentrum voor zeehonden en liep over het duinpad, dat verscholen tussen zeegrassen, duindoorns en vochtige duinvalleien lag, van Blankenberge naar Zeebrugge en terug.

Het strand was verlaten en lag bezaaid vol prachtige, perfect gevormde schelpen. De jodiumlucht was als een zuurstoffles, maar dan op het droge.

Tussen enige rotsen en de golfbreker vond ik hem, op een zandbank aangespoeld. Het leek of hij gewond was want hij bewoog niet. Voorzichtig hurkte ik naast hem neer en rolde hem zachtjes langs beide zijden om. Over gans zijn olieachtige witgrijze huid was geen schrammetje te zien. Ik hoorde een zwakke ademreflex en wreef hem over zijn kop. Hij sperde zijn zwarte bolle oogjes open en maakte een huilerig geluid. Misschien had hij honger, of leed hij aan zeemeerminnen-pijn. Had hij vanuit de diepte van de zee voor het eerst het zingen van de Sirenen gehoord en was hij door het onwerelds gezang, steeds dichter bij de kust genaderd en in zijn onachtzaamheid door een sterke stroming tegen de rotsen gegooid?

Of had hij nu al teveel plasticsoep gedronken en zat er een stuk onoplosbaar vissersnet van polytheen rond zijn maag? De pup bleef huilen. Ik probeerde hem gerust te stellen door zijn roep na te bootsten, en na enige tijd maakten we om de beurt hetzelfde soort geluid: Oink Oink Oink. Gelukkig was er niemand in de buurt. Hij lag op zijn buik te schommelen, maar raakte op eigen kracht niet van de zandbank af. Nergens was er aan de oppervlakte van het water een zeehondensnuit te bespeuren. Alleen zou hij het niet overleven. Ik tilde hem op, rolde mijn jas om hem heen en liep een enkele kilometers verder, langs de kuststrook van Zeebrugge naar Cadzand, tot ik uiteindelijk, na lang zoeken, een kleine kolonie zeehonden vond. Buiten adem, legde ik hem neer en duwde hem tegen de brekende golven, het water in. Zijn gladde, grijze lijfje werd weer één met de kalme Noordzee die hij op zijn rug tegemoet zwom. Hij zwaaide nog net niet. Oink Oink Oink. Een wonderlijk ritmisch geluid! Ik trok mijn jas terug aan en verdween in een olieachtige glans en met ogen zo waterachtig als ze nog nooit eerder geweest waren, alsof de zee er was doorheen gestroomd.

 

20181229_114252

Anna Karenina

 

 

Maria Pushkina-Hartung (I.K.Makarov)

 

 

Door het geluid van een goederentrein die ‘s nachts onder het openstaande raam van mijn slaapkamer over de sporen denderde werd ik uit het prentje van mijn droom gescheurd. Ik stond op en wandelde naar buiten, in de richting van het treinstation.

Op het perron zetten de treinen zich een na een in beweging. Onbekende personages kwamen op de toppen van hun tenen dichterbij getrippeld. Eleganter dan de wereld van de verbeelding kon de realiteit nooit zijn. Ik weet niet hoeveel levens op deze manier de wegen van mijn wezen hebben gekruist. Hoeveel uren aan het verschijnen zijn vooraf gegaan, alleen op een bank doorgebracht.

Zoals vorige winter toen ik opnieuw, voor de vierde keer vanaf de eerste bladzijde, Anna Karenina begon te lezen. En weer niet verder raakte dan de passage waarin graaf Vronksi tijdens een race zijn renpaard de dood injoeg. De rest van de dag bracht ik met het boek, dichtgeslagen op mijn schoot, op een bank in het station door. Kijkend naar de treinen die het station in en uit reden. Heen en weer lopende mannen, vrouwen en kinderen, kruiers met bagagerekken en rolkoffers, verkopers van gepofte kastanjes, spoorwegarbeiders in fluorescerende hesjes en geoliede regenjassen. Gefronste voorhoofden, onverstaanbare dienstmededelingen over treinen die omwille van technische redenen op een ander spoor zouden vertrekken. Of op een ander uur rijden, of helemaal niet. Ik wachtte zoals iedereen het fluitsignaal van de stationschef af. Altijd het ogenblik voor de sprong in het boek vooruitschuivend. Zo liep ik jaren met Anna Karenina van station naar station, en was zij nog steeds springlevend in mijn leven aanwezig.

Toen ik vorige maand hoorde dat er een nieuwe vertaling van Hans Boland was verschenen, dacht ik die onmiddellijk te moeten lezen. Opnieuw beginnen, vanaf de eerste bladzijde, de iconische openingszin door Tolstoj in het dorp Jasnaja Poljana in 1888 neergeschreven. Boland had de zin van Tolstojs meesterwerk nu als volgt vertaald:

‘Gelukkige gezinnen lijken allemaal op elkaar, maar een ongelukkig gezin is altijd ongelukkig op zijn eigen manier’.

In plaats van het reeds lang gekende: ‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.’

(‘Zo kon je ook je hele leven aan Tolstoj wijden’.)

De trein sneed door een lappendeken van velden langs plekken met namen als Le Haut Clocher, Waremme, Ans en Luik-Guillemins, het eindstation. Zonder reden voelde ik bij mijn aankomst een kortstondig geluk, zoals bij iedere aankomst. Boven een berg steenkolen fladderden vlinders in de lucht. De wind vervoerde warmte vanuit een onuitputtelijke bron.

Tijdens de terugreis hoorde ik een meisje dat in de overvolle coupé naast mij kwam zitten, zeggen dat het treinverkeer verstoord werd omdat er net iemand onder de trein was gesprongen. Ze zei het alsof het een dienstmededeling betrof.

Ik zag hoe de treinbestuurder de dood niet kon verhinderen en hoorde de trein verder denderen. Ik zag hoe een vogelverschrikker, in het midden van een veld, zijn armen hopeloos op en neer bleef slaan, tot hij vervaagde, hoe de trein gierend tot stilstand kwam, alsof iemand die er niet meer was aan de noodrem had getrokken, hoe de mensen rondom mij de wagons verlieten en te voet door het bevroren stoppelveld verder liepen, hoe Anna Karenina, in het licht van de naderende koplampen, uit de mist en de stoom, als een prentje uit een boek gescheurd, naar voren stapte.

 

 

(…) Citaat van Hans Boland.

 

 

 

 

Oumuamua

Punta del Mesco

 

 

************************** Waiting for E.T

 

Op 20 oktober 2017 werd met een STARRSS1- telescoop van op de berg Haleakala op het Hawaïaanse eiland Maui, een object ontdekt dat zich met een snelheid van vierenveertig km per seconde voortbewoog. Hiermee vergeleken was de dagelijkse vooruitgang op de aardbol zeker een slakkengang te noemen. Het object kwam vermoedelijk uit de richting van het sterrenbeeld Lier, passeerde op vierentwintig miljoen kilometer afstand (zestig keer de afstand tussen de aarde en de maan) van de aarde en zette vervolgens koers richting het sterrenbeeld Pegasus.

Halverwege november 2018 keerde het object terug in de vorm van een galactische baguette die zo maar in het donker, uit het zwarte gat van het universum, vers gebakken, uit de oven van het melkwegstelsel, een baantje rond de aarde trok en voorbij het ontwakende oog aan de horizon van de aarde zoefde. Een voorwerp waarvan verondersteld werd…

View original post 473 woorden meer

Oumuamua

 

Oumuamua 2018

 

************************** Waiting for E.T

 

Op 20 oktober 2017 werd met een STARRSS1- telescoop van op de berg Haleakala op het Hawaïaanse eiland Maui, een object ontdekt dat zich met een snelheid van vierenveertig km per seconde voortbewoog. Hiermee vergeleken was de dagelijkse vooruitgang op de aardbol zeker een slakkengang te noemen. Het object kwam vermoedelijk uit de richting van het sterrenbeeld Lier, passeerde op vierentwintig miljoen kilometer afstand (zestig keer de afstand tussen de aarde en de maan) van de aarde en zette vervolgens koers richting het sterrenbeeld Pegasus.

Halverwege november 2018 keerde het object terug in de vorm van een galactische baguette die zo maar in het donker, uit het zwarte gat van het universum, vers gebakken, uit de oven van het melkwegstelsel, een baantje rond de aarde trok en voorbij het ontwakende oog aan de horizon van de aarde zoefde. Een voorwerp waarvan verondersteld werd dat het al honderden miljoenen jaren in alle eenzaamheid door de Melkweg zwierf.

Wat betekende het eigen eenzame zwerven nog tegenover deze rondvliegende rotsblok in het uitdijende heelal?

Het menselijke handelen, denken en voelen bleek meestal even ondoorgrondelijk, onmetelijk en complex als het melkwegstelsel zelf. Soms werd je overmand door een gevoel van metafysische ontreddering. Een onoplosbaar raadsel. Een gevoel dat je van kindsbeen af ervoer, nog voor je wist dat het in filosofische termen als existentieel werd omschreven. Het leek dan alsof er geen andere wezens meer op de planeet rondwaarden waarmee je gelijk de sterren, in hetzelfde spreken ook kon zwijgen.

Was de komst van de Oumuamua een metafoor die in een rots-zwarte baguette was geëmaneerd en de odyssee van de mensheid naar dat wat in het verborgene verborgen blijft enigszins verbeeldde? Of was het wat professoren van de Harvard universiteit in november 2018 ineens bedachten toen het object ineens merkbaar versnelde: een buitenaards ruimteschip dat ons zonnestelsel bezocht?

Op het internet is een filmpje te zien van de tocht van Oumuamua door ons zonnestelsel. Ontroerend en mysterieus. Een rotsblok die veroordeeld is tot miljarden jaren alleen door het heelal te zwerven. Zonder het vooruitzicht op een landing of contact, en zich met een snelheid voortbewegend die het astronomen moeilijk maakte het pad te traceren dat hij sinds het verlaten van zijn voedster, de moederster, had gevolgd. Stofkorrels in ons zonnestelsel uitstootte in plaats van druppels melk. Had een leven zonder enige vorm van zulke poëzie wel zin?

De voorbij week meldden drie verschillende piloten dat ze langs de zuidwestkust van Ierland ondefinieerbare bewegende lichten en vreemde objecten in het luchtruim hadden gezien. De objecten hadden een snelheid die twee keer de geluidssnelheid bedroeg. De lichten konden hun snelheid controleren en waren volgens een van de piloten niet uit op een botsing met een vliegtuig. Was er dan toch sprake van buitenaards leven? Leven uit een ander zonnestelsel dan het onze? Zouden we binnenkort met buitenaardse wezens kunnen praten? Het was nu allemaal al zo ingewikkeld.

Zoals toen je je laatst tijdens een gesprek ineens bewust werd van de immense verwijdering, die in de plaats van een verhoopte toenadering kwam. Je in dezelfde kleine ruimtecapsule van die iemand waarvan je dacht dat het een naaste was, geruisloos als een jeton in een kermis-ruimtetuig wegschoof. Een kosmonaute zonder missie werd die plots de baan om de aarde verliet, onbereikbaar en stuurloos door de ruimte suisde. Wiens tuimelende woorden als gassen verdampten in het heelal en er ruimtepuin in de plaats kwam van een taal die voorheen verstaanbaar was. Je het gekras van het aards geruis niet meer kon beschrijven en doof werd voor de wereld om je heen. De galactische baguette een rood licht uitstraalde dat uit de hemel druppelde en je voedde als melk uit de borst van een onbekende moederster.

O skelet

 

Permeke 30.10.2018

 

Het was om een of andere ongrijpbare reden, of louter wegens een zeldzame, gelukkige samenloop van omstandigheden in het bestaan zelf, een begeesterde herfstdag geworden. Ondergedompeld in een goud- en koperrood sprookjesachtig licht.

Je vroeg je zelfs af of je in dit huidige klimaat nog wel een winterjas nodig had.

De memorabele dag gisteren, toen het overal stormde en er in de Ardennen zelfs sneeuw viel was van bij het opstaan al weggewaaid met de afgevallen bladeren.

De donker wordende dagen hadden plaats geruimd voor een warmte, opgeroepen door gedachten en gevoelens, en niet van deze wereld. Je adem stokte als je er aan dacht, als van iemand die heel lang gehuild had, en dan abrupt stoppen moest. Het naschokken ervan tussen de ribben bij het middenrif als bij onuitgesproken verdriet. Het bladgoud van gevels weerspiegelde in de achtergebleven regenplassen, een langzaam wegzinkende stad. O skelet!

De levenden en de doden. Je moest ze nog groeten. En zonder er verder over na te denken deed je het. Bij het binnenkomen in de Permeke bibliotheek stond een Mexicaans dodenaltaar opgesteld waar je onmiddellijk een foto van wilde maken. De aanwezigheid van de figuren en schedels in papier-maché brachten al je reizen naar Mexico in herinnering. Die begonnen waren bij het Labyrint van eenzaamheid van Octavio Paz en eindigden met een blik op de oudste varens van de wereld, waarvan je een steeltje bewaarde tussen de bladzijden in het Mexicaans dagboek van Oliver Sacks dat je van een vriend cadeau had gekregen. Daartussen bewoog zich een optocht van allerlei goede geesten. Mannen, vrouwen en kinderen in felle kleuren, die uit een hoofdstuk van De lessen van Don Juan waren ontsnapt. Alsof ze allemaal afgesproken hadden om op hetzelfde tijdstip samen te komen aan de ingang van de bibliotheek. Een adelaar vloog er in wijde cirkels omheen.

Je ging voor het Mexicaanse altaar staan en uit je jaszak nam je je gsm, die meteen op de grond viel. Je werd nog eens gek van al dat vallen. En terwijl je je bukte om de mobiel op te rapen, leek het alsof je diep voor het altaar en zijn geesten van papier- maché boog. Er kwam een meisje met amandelvormige ogen naast je staan dat bezorgd vroeg of de mobiel stuk was, maar hij deed het nog. Ze lachte opgelucht. Je knipoogde naar haar. Een ogenblik later zag je door de lens, tussen de maskers van de doden, een lachend gezicht en een wuivende hand opduiken. Je klikte en de vrouw stak haar duim op. Misschien was ze Mexicaans en bracht dit feestelijke tafereel van kleuren ook bij haar, in een korte belevenis, een overvloed aan herinneringen terug. Een en al vrolijkheid straalde ze uit. Achter jou hoorde je ook een zeer herkenbare stem. Een stem die je al lang niet meer gehoord had, maar die toch zeer vertrouwd klonk. Je had er jaren naar geluisterd, de stem die woord na woord geduldig een nieuwe taal in je hoofd had gekerfd. Je draaide je om en zag de mens die niet op je foto stond, maar hoorbaar aanwezig was: Farhan Althawabi, je voormalig docent Arabisch, die net op dat ogenblik een groepje nieuwe burgers een rondleiding in de Permeke bibliotheek gaf. Verbaasd zwaaide je naar hem boven hun hoofden. De groep week wat uiteen. Hij onderbrak zijn helder en vermoedelijk poëtisch betoog. Zo verbaasd als hij was, vroeg hij meteen: Wanneer kom je terug naar de Arabische les?

Het was lang geleden dat je nog Arabisch had gesproken. Je keek naar de nieuwsgierige gezichten om hem heen en voelde plots tot je eigen geluk, zoals in het prille begin, bij je aankomst in deze stad, dat het nog altijd de aanwezigheid was van al die verschillende culturen, de mengelmoes van mensen en talen die de leefbaarheid, de schoonheid en de rijkdom van deze stad bepaalde. En voor het eerst in lange tijd kon je je opnieuw verzoenen met je tijdelijke verblijf in deze even tijdelijke en van oorsprong mooie plek. Tenslotte wist je dat je met wondermensen als Farhan Altwabi en al de docenten die je niet kende, maar iedere dag voor een klas met nieuwkomers stonden om hen de beginselen van het Nederlands bij te brengen, je je geen zorgen hoefde te maken. De meesten zouden zich uiteindelijk ook in de nieuwe taal als in een tweede thuis welkom voelen. Ook al was het nog geen thuis maar een bibliotheek waar zij woorden kwamen ontlenen om te ontcijferen, en het kerven nog moest beginnen.

Je wilde het in die enkele seconden allemaal zeggen maar de woorden bleven in je keel steken en uiteindelijk wenste je Farhan en de nieuwe burgers heel veel succes. Toen je weer buiten stond kwamen de woorden, oeroud en sinds mensenheugenis zwervend van tent naar tent – op de dag van de levenden en de dag van de doden, op de dag van de eeuwige inburgering – toch nog uit het altaar van je mond gerold: Ahlan wa sahlan ya musafir ¡ Ahlan wa sahlan dayman. Welkom O reiziger!
.