Aquamarijn

Aqua Maris
water van de zee 
blauwe edelsteen, 
die volgens de legende 
uit de schatkist van 
een zeemeermin kwam, 
en hielp tegen zeeziekte of 
tegen het ziek worden 
van de zee niet te zien,
 
oog van een kalme zee 
als een amulet, 
Soms welde ze op
deinde uit in mij
als een getij,
een blauwe vlek
onuitwisbaar
loepzuiver
als iets uit een droom
dat er bij het 
ontwaken nog is




Foto door Emiliano Arano op Pexels.com

Wolfburn

De avond viel als een gouden muntstuk en ik zat met mijn rug tegen het kelderraam van het Poesjenellentheater in de Repenstraat te wachten op ik weet niet wat. Er was altijd wel iemand in mijn gedachten waar ik op kon wachten, zonder dat ik mij moest afvragen of de persoon in kwestie ooit zou komen. Niet dat het er iets toe deed. Ofwel bestonden ze niet meer in de hoedanigheid waarin ik ze had gekend ofwel bestonden ze nog maar waren ze belet. Zo zat ik uren wachtend naar de Schelde te turen alsof het een geliefde betrof. Betoverd door het Antwerpen van Wannes Van de Velde dat overdag niet meer bestond, maar ’s nachts, als iedereen sliep en alleen de dolenden van geest, de hongerigen en de wolfmensen naar buiten kwamen weer levend werd. Wanneer de dingen onder de pas aangestoken lantaarns, een eigen leven begonnen te leiden, in een schimmenspel van schaduw en licht, een eeuwig theater. Tot de eerste trams en bussen voorbijreden, het koor van de stadsmussen aanving, iemand de touwtjes van Pulcinella losliet en ik weer huiswaarts ging.

Het vroor in de kamer zonder verwarming en om mij warm te houden tijdens het schrijven had ik uiteindelijk de vacht uit de kast moeten halen. Ik had het nog altijd niet over mijn hart gekregen om hem weg te doen en wist ook niet waar ik met de zware vracht naartoe moest. Mijn overgrootmoeder had er de winter van 1944 mee overleefd. Ik moest er zorg voor dragen had ze gezegd, want de ziel van mens en dier huisde er nog in, en toen ze de deur van haar huis voor het laatst dichttrok nam ik de Canadese vacht in een dry bag overal met mij mee. Doortrild van de tijd en de gebeurtenissen moesten er wel krachten in schuilen waar ik mij ondanks de weigering de pels te dragen, niet zomaar kon van ontdoen. Dat hij ooit nog van pas zou komen had ik nooit gedacht en toen de gasprijzen het plafond bereikten was de wolvenhuid het enige wat me warm kon houden zonder dat ik tijdens het werk de deur uit moest om warmere oorden op te zoeken. 

Zoals vorige week toen het nog kouder was dan vandaag en ik een solarium had bezocht. Ik was er om te zeggen in een vlaag van regen en wind binnengewaaid. Het meisje aan de balie bood hemels van zon aan waar je voor de prijs van een koffie en een croissant, twintig minuten kon gaan onder liggen. De entree was moeilijk geweest, zoals alle entrees. Het meisje vroeg om te beginnen al meteen mijn rijksregisternummer, om mij als klant te kunnen inschrijven. Mijn antwoord was beslist en definitief geweest; ik dacht er niet aan om haar mijn rijksregisternummer te geven. Heel even ging ze in verweer, mij erop wijzend dat we ons in het Schipperskwartier bevonden en iedereen zich om veiligheidsredenen diende te identificeren voor hij onder de hemel ging liggen. ‘Ja, ik weet wel waar ik ben,’ had ik geantwoord. ‘Ik groeide op in de schaduw van het neonlicht en ken hier in de buurt bijna iedereen… zonet was ik nog in de Falcon Seamenshop hier om de hoek, de winkel bestaat al honderdachtentwintig jaar. Wist u dat? De schippersfamilie Everaert verkocht er honderdvijftien jaar zeemanskledij. Het was er altijd wat duister, want ze hadden alleen maar een oude olielamp om de winkel te verlichten. Tegenwoordig is de zaak in handen van Landmeters Naval Stores Group. Er brandt nu heel veel licht overdag. Vraag me niet waarom, maar het lijkt er een baken van licht en de winkel staat nu in schril contrast met de vitrines van de meisjes. Dat is geen goede zaak. De naaktheid van hun bestaan steekt te fel af tegen de gele regenjassen in de etalage. Het is asociaal, ongepast en klimaatonvriendelijk. En een beetje discretie is tenslotte voor iedereen goed. Kijk maar naar de mannen hier, hoe ze verscholen onder hun kappen door de straten lopen. De meeste zijn huisvaders natuurlijk, dat zie je zo. En hebt u Eddy Tattoo nog gekend? Het aantal matrozen dat hij van een tatoeage heeft voorzien is niet te noemen, bootladingen vol. Van over gans de wereld kwamen ze naar hem toe. Er waren toen ook veel zeelui die niet konden zwemmen, bij hen moest hij een haan en een varken op hun voet tekenen. De dieren zouden ervoor zorgen dat de mannen bij schipbreuk toch veilig aan wal geraakten, maar de meesten kozen uiteindelijk toch voor een zeemeermin. Ik ging destijds bij Eddy voor een anker, het symbool voor standvastigheid en vertrouwen en kreeg er gratis een kompas bij. Je zet koers en je kijkt niet meer om. Een wonderlijk man. Intussen heeft zijn zoon Levi de zaak overgenomen, maar de haven bevindt zich nu meer noordwaarts. De boten worden in zes uur tijd gelost en geladen, geen matroos die nog tijd heeft om tot hier te komen en wat rond te kuieren, of ze moeten een taxi nemen. U ziet: ik ken de buurt en haar klandizie, geen reden om mijn rijksregisternummer te noteren.’ Ik haalde mijn identiteitskaart boven en toonde mijn foto. ‘U lijkt niet meer op uzelf,’ zei het meisje. ‘Ja dat klopt, daar kan ik ook niets aan doen. Maar zo weet u tenminste hoe ik er ooit heb uitgezien toen het leven nog rooskleurig en zonder zorgen was. En daarbij, ziet u, ik ben wel degelijk een burger van dit land.’ Ze printte een blad dat ik voor ons beider veiligheid moest ondertekenen en ik zette er een krabbel onder. ‘Hier hebt u nog een brilletje om uw ogen tegen het licht te beschermen en in de cabine staat een flesje deo om uzelf na afloop op te frissen. Iets om te drinken misschien?’ ‘Ja, graag, een whisky.’ ‘We hebben Wolfburn Highland Scotch Single Malt Whisky.’ ‘Perfect.’

Andreas Lie

Een half uur later stond ik gloeiend als een boei, weer buiten. Goed opgewarmd en met een teint die de Canadese vacht evenaarde ging ik thuis terug aan het werk en toen ik enkele uren later de vacht wilde uitdoen was het alsof mijn huid opengeritst werd. Misschien was de lamp te fel geweest en was ik verbrand. Ik taste naar mijn borst en voelde ter hoogte van de kraag een zware poot. Iets beet zich vast in mijn nek en ik was bang dat ik verscheurd zou worden maar ik kreeg de rits niet meer dicht. Roerloos bleef ik zitten, de koude lucht vulde zich met een energie die haast tastbaar werd. Ik voelde een nabijheid van iets wat ik niet kon omschrijven en elke vezel van mijn lichaam doordrong. Mijn keel was kurkdroog en het werd zo warm onder de vacht dat het leek of ik opnieuw onder de hemel lag. De kamer rook naar sparren en salie, ik sloot mijn ogen, over de vlakte zag ik de opgejaagde wolvin. Haar krachtige kop, de kaken opeengeklemd, de schuwe, pure blik, hoe ze doelgericht door de sneeuw liep, de donkere zadeltekening op haar rug, een rossig bruin, wondermooi stipje in het onmetelijk, oneindig wit. Ik probeerde haar spoor te volgen maar hoe hard ik ook rende, ze liep steeds een honderdtal meter voor me uit. Ik weet niet hoe lang we zo door het landschap liepen maar in het westen begon het licht te dagen en toen klonk er in de ijle, koude lucht een enkel schot. Ik hoorde een zacht gejank, een hijgen in mijn nek. De poot gleed van mijn borst en met de wolvin op mijn rug liep ik verder door het witte landschap tot ik niet meer kon. Toen ik uren later met mijn hoofd op de tafel wakker werd zag mijn huid rood en verbrand, de vacht lag naast me op de grond. Ik liep naar het venster, keek door de ijskristallen naar buiten en net toen ik dacht dat ik het allemaal gedroomd had zag ik haar pootafdrukken in de verse sneeuw.

Asago, Hirugao,Yugao 

De Maanbloem of Ochtendglorie werd vermoedelijk tijdens de Nara-periode voor het eerst door rondreizende Chinese boeddhistische monniken, priesters en studenten naar Japan gebracht. De Japanners schonken de bloem bij haar aankomst drie gedichten: Ochtendgezicht (Asago) Middaggezicht (Hirugao) en Avondgezicht (Yugao). Het cultiveren en perfectioneren van de schoonheid van de maanbloem benaderde in Japan het schrijven van dat ene, sublieme gedicht. Meester Suzuki, een befaamde Asagoa-kweker uit Tokio, vond dat andere bestaande variëteiten van de ochtendglorie, zoals de Koreaanse en Amerikaanse variëteit, slechts ‘kleine, wilde dingen waren, eerder onkruid, zonder schoonheid en niet de moeite waard om te groeien’. Zijn verdere leven wijdde hij aan de maanbloem met drie gezichten zoals een zen-meester zijn ware geest in het raadsel van een koan zoekt.

Een Chinese priester schreef over de bloem het volgende: ‘The asagao blooms and fades so quickly, only to prepare for tomorrow’s glory.’ De verbinding tussen het sacrale en het vluchtige, het snel verwelken, maakte de bloem gelukkig ongeschikt om feestelijkheden mee op te luisteren, zodat ze steeds onttrokken bleef aan de aandacht van plukkers en in al de pracht van haar eenzaamheid en fragiliteit weelderig kon bloeien.

Het was dus deze wildgroeiende trompetvormige bloem met hartvormige bladeren, volgens Meester Suzuki het bekijken niet waard, waarvan ik tijdens een zomer waarin de grasperken door de grote droogte niet meer besproeid mochten worden, zwembaden leeg bleven, de gewassen verdroogden en iedereen op het middaguur verkoeling zocht in de buurt van ronkende airco-installaties, de verbluffende schoonheid ontdekte. Terwijl de zon in het zenit stond en gans de wereld sliep, ging ik met mijn zus aan de hand, langs bermen begroeid met frambozenstruiken en weilanden waarin het vee moedeloos en tam in de hitte stond te dampen, op zoek naar planten en bloemenvariëteiten, ter uitbreiding van mijn herbarium.

In een magische bol van concentratie en ernst, eigen aan de kindertijd, slenterden we vervuld van mythische verwachtingen langs achteraf-weggetjes en plukten alle planten en bloemen die we tegenkwamen. Mariadistel, knopjeskruid, weegbree, leeuwenbekjes, zevenblad, paarse dovenetel, wilde orchideeën, geen onderscheid makend tussen wat als onkruid, wilde bloemen en planten werd gesorteerd. Het resultaat— een collectie verdroogde, saploze bloemen en planten tussen papier geperst, kon me uiteindelijk maar matig bekoren. Het verzamelen van planten leek veel weg te hebben van het verzamelen van vlinders. Met een netje achter vlinders aanhollen om ze vervolgens met spelden op het ledikant van de dood te prikken, een onbegrijpelijk beroep. ‘Yet each man kills the thing he loves… Some do it with a bitter look, Some with a flattering word, The coward does it with a kiss, The brave man with a sword!’ Ik echter, nog geen tien jaar, doodde de schoonheid in één ruk en met de blote hand. En wist niet eens waarom.

Het geloei van een losgebroken stier doorbrak het gemijmer en de stilte. Op de erven van het uitgestorven dorp begonnen de honden aan hun kettingen te blaffen. De boeren, uit hun middagrust gewekt, kwamen met hooivorken naar buiten, hun gestalten zinderend in het licht, alsof zij van zichzelf illusies waren. En wij twee, uit onze dromen opgeschrikt, zetten het op een lopen.

Tot het vallen van de avond bleven we die dag in de schaduw van een schuur, tussen de schapen wachten tot het vee was gedrenkt, en de kudde terug naar de stal werd gebracht. De zon ging onder op een witgekalkte muur, die door het mengen van stierenbloed in de kalk, een lichtroze weerschijn, met rode spikkels had. De winde slingerde zich langs de schapendraad omhoog en in de laatste stralen van de zon vouwden de zijige maanbloemen hun wit-rozige blaadjes open. Het ondoordringbaar blauw van de hemel verdonkerde, en een parfum zoeter dan acaciahoning, verspreidde zich in de avondlucht. De aanblik van de bloemen zoog zich met al haar napjes op de kanalen van mijn nog naar planten zoekend wezen vast, en bleef daar in de avondwarmte als door een mysterieuze substantie gevoed, verder groeien. Voor het eerst in mijn leven zag ik een bloem die te mooi was om te plukken. Een vaag besef van wat sublieme schoonheid betekende ontpopte zich in mijn denken en tussen de hartvormige bladeren van de winde streken de maanbloemen als een zwerm koolwitjes neer. Bij elke vleugelslag weer andere gevleugelden beroerend, tot zij in de geest een Ochtend-, een Middag- en een Avondgezicht vormden.


Morning Glories, Utagawa Hiroshige (Japan, Tokyo (Edo) 1797–1858
Woodblock print (32.9 x 11.1 cm) Edo period (1615–1868)

This poem is signed “Gyokō,” a name used by the female poet Sonoda Suejo (ca. 1818–1888). The evanescence of the morning glory (asagao) blossoms, which open in the morning and wither by night, is suggested by this haikai poem:

見るうちの 寿命のばしや 艸の花


Miru uchi no
jumyō nobashi ya
kusa no hana

Even as we watch,
their entire lives transpire—
the flowering plants.

(Trans. John T. Carpenter)

https://www.metmuseum.org

The blue basin

I wanted to shake it all off
like drops of water from my skin
but it just kept raining and raining
on the jade blue face within

 Utagawa Kunisada (Toyokuni III) 1786-1865
A Pictorial Commentary on One Hundred Poems by One Hundred Poets: no. 48, Egyo Hoshi(Hyakunin isshu esho: Egyo Hoshi)signed Kochoro Toyokuni ga with red Toshidama seal, numbered print 48 in the series in the pink placard-shaped cartouche, published by Sanoya Kihei, ca. 1845

De hond van Giorgio Morandi

 

„I believe that nothing can be more abstract, more unreal, than what we actually see. We know that all we can see of the objective world as human beings, never really exists as we see and understand it. Matter exists, of course, but has no intrinsic meaning of its own, such as the meanings that we attach to it. Only we can know that a cup is a cup, that a tree is a tree…“ —  Giorgio Morandi

🐾

De omslag van Het boek der rusteloosheid, het magnum opus van Fernando Pessoa(1888-1935) dat ik tijdens omzwervingen altijd bij me droeg, leek met hetzelfde pigment gedrukt als waarmee Giorgio Morandi (1890-1964) de aquarel Paesaggio (Landschap) in 1959 in Grizzana had geschilderd. De twee mosgroene huizen uit de reeks ‘Casa della Sete’ (Huizen van de dorst) waren wazig en met veel water en weinig verf neergezet. De lijnen vloeiden uit in het niets, zoals de dagelijkse, poëtische bespiegelingen van de Portugese dichter. Het meesterwerk van de hooggevoelige en onwereldse dichter, zou als een literaire blauwdruk van Morandi’s werk beschouwd kunnen worden. Maar ik vermoed dat Morandi het werk van Fernando Pessoa niet kende. Op zijn nachtkastje lag het boek Saper Vedere (Kunnen zien) van Matteo Marangoni (1876-1958), de kunsthistoricus die tijdens de restauratie van de Bacchus van Caravaggio ontdekte dat de afbeelding van het klein hoofd in de reflectie van de karaf wijn, het zelfportret van Caravaggio was — en een verrekijker. Toen zijn vriend en kunstcriticus Cesare Brandi (1906-1988) hem in zijn buitenhuis bezocht en de verrekijker zag liggen waarmee de schilder vanuit zijn ateliervenster het landschap bestudeerde had hij het gevoel een geheim geschonden te hebben. Maar voor Morandi was het mysterie een kwestie van observeren en de juiste afstand tegenover zijn onderwerp te vinden. Hij paste toe wat hij bij Marangoni gelezen had, die zich tijdens het schrijven van zijn boek op een aantekening van Leonardo da Vinci had geïnspireerd. Da Vinci noemde het concept van de visualisatie ‘sapere vedere’ (weten hoe te zien). Een proces dat uit twee elementen bestond: iets goed genoeg kennen om het uit het hoofd te visualiseren of te tekenen, en vervolgens een diepgaand begrip van het onderwerp ontwikkelen door er al tekenend de essentie van te onthullen waardoor nieuwe ideeën en creaties konden ontstaan.

Wie weet hoe lang Morandi naar de huizen gekeken had voor hij ze, in een oogwenk, had neergezet.

Ik nam de verrekijker en speurde door het raam van waaruit Morandi de Huizen van de dorst gezien had het landschap af. De huizen zouden zich op een berghelling bevinden die hij precies vanuit het raam in de verte kon zien staan. Ik schoof met mijn voeten over de vloer maar kon in de met was geboende planken geen spoor van zijn voetafdrukken terugvinden. Sinds 1996, na de dood van zijn jongste zus, waren in het huis alle dingen, tot het kleinste stofje, op dezelfde plaats blijven liggen. De grijze fiat 850 stond in de garage te blinken alsof hij net gewassen was, klaar om te vertrekken, alleen nog even de sleutels zoeken. Vijftig jaar bracht Morandi hier de zomers door, in het gezelschap van zijn drie ongehuwde zussen, Anna, Dina, Maria Theresa, en Pluto een loebas van een hond die hij nooit geschilderd heeft, en waar nergens een foto van te vinden was. Maar wat een leven! Nooit meer koken, afwassen of boodschappen doen, iedere dag schilderen, roken (Morandi rookte vijf sigaretten per uur), gaan en staan waar en wanneer je maar wilde, bij nacht en ontij met de wilde dieren door de verlaten heuvels van de Apenijnen zwerven zonder je ooit zorgen te hoeven maken dat je lastig gevallen werd, en met slechts het geblaat van een kudde schapen op de achtergrond. Als de mogelijkheid bestond om in een volgend leven terug te keren als iemand anders, dan zou ik graag als Giorgio Morandi terugkomen en hier in Grizzana herboren worden.

Op het dressoir stond, tussen enkele andere flessen, de grote gecanneleerde witte fles die vanaf 1916 regelmatig in zijn stillevens gebruikt werd en steeds terugkeert, als was het een muze, geschilderd naar een levend model, voorbij de naaktheid van haar wezen. Ik vraag aan de suppoost van het museum of ik de fles mag lenen en beloof haar later terug te brengen. Zonder de blik van zijn gsm op te richten knikt hij me toe. Ik neem de witte tulbandfles van het dressoir, blaas het stof eraf en vul de dikbuikige kruik aan de enige kraan waar nog water uitkomt. Van onder de rand van Morandi’s zwarte hoed die ik bij het buitengaan opzet, zie ik de wolkenloze blauwe lucht en prijs me gelukkig dat ik de zomer kan doorbrengen in de rustige nabijheid van de schilder die over de gave beschikte in de lijnen van zijn landschappen te kunnen verdwijnen. Wat voor een man die boven alles en iedereen uitstak, een haast dwingende opdracht geweest moet zijn. Voortdurend en onverstoorbaar reikend naar het oneindige. Elke fles, kan, kruik, ieder potje tot aan de rand gevuld met zijn dorst. 

Het was veertig graden Celsius. De zeventig soorten groen, waarvan de schilder beweerde dat hij ze alleen in het landschap van Grizzana kon zien, waren vroeger dan andere zomers beginnen te verdorren, alsof in volle zomer ineens de herfst was ingetreden. De bedding van de Po had nog nooit zo laag gestaan, radeloze boeren begonnen uit de zijrivieren illegaal water te pompen om hun risottovelden te besproeien. De strijd om water was begonnen maar ik wist toen, een sigaar opstekend in het grote niets, nog van niets. Buiten het koeren van de duiven, een geluid dat in dit landschap vanuit een andere dimensie leek te komen, het diepste wezen van de dingen bereikte en dan weer verdween, was er volstrekt niets te horen. De stilte trilde van leven en verwachting, een wachten op iets dat nooit zou komen, op dit middaguur, wanneer de zon in het zenit stond en de luiken van de huizen in het dorp gesloten werden, behalve de luiken van het huis van Giorgio Morandi. Een kurkdroge stilte die na een lange en intense aandacht in de geest een vacuüm ruimte trok, als bij de uitkomst van een koan. Het zware vleugelgeklap van de opvliegende duif. Een leegte waarin plots het geblaf van een hond weerklonk. Ik doofde mijn sigaar en haastte mij met de fles onder mijn arm, in de richting van de huizen van de dorst, de heuvels in. Een zwarte rookpluim kringelde in het westen boven de bossen.

De hond stond in het midden van het dal aan één stuk door te blaffen. Het blaffen was net geen gejank. Ik wist niet of hij uit radeloosheid, woede of ongeduld blafte, of alles tezamen.  Zijn geblaf scheurde de stilte als een linnen doek en klonk alsmaar schriller alsof zijn stembanden op het punt stonden het te begeven. De temperatuur overschreed de veertig graden, de schapen lagen op hun zij in het dorre gras en schenen zich nergens meer om te bekommeren. Ik speurde met de verrekijker het dal af maar zag niets dat onrustwekkend had kunnen zijn. Alleen de rookpluim in het westen en de wind die de geur van brandend eikenhout meevoerde. Toen de hond mij zag naderen begon hij, als werd hij dol, rond te tollen. Ik liep verder het dal in, zette de schapen op hun poten en hurkte naast de hond die met zijn leiband aan een stalen haak in de grond vastgebonden lag. De halsband snoerde zijn luchtpijp dicht. Het schuim stond op zijn bek, wie wist hoe lang hij in deze hitte vastgeketend te blaffen stond? Ik goot wat water in de kom van mijn hand en voor ik er erg in had was de fles leeg. Toen ging hij liggen, stak zijn kop in de lucht en begon te huilen. De schapen die nog maar net op hun poten stonden keken verschrikt op. Ik streelde de loebas over zijn ruige kop waarna hij zo onbedaarlijk begon te janken dat ik van ontzetting onder de mat van het gras had willen kruipen. De lucht kleurde verbleekt geraniumrood aan de horizon en voor het eerst die dag begreep ik wat er op ons afkwam en wist helemaal niets te bedenken. Het werd zwart voor mijn ogen, het Paessagio van Morandi waar ik dagen naar gekeken had, was nog slechts een herinnering, geen zeventig schakeringen van groen zoals de schilder had gezien, maar zover mijn blik reikte, een brandend landschap, een naderende zee van vuur. Berustend in het lot en verlamd van angst legde ik mij naast het dier neer, en begon met mijn neus in de lucht, luid met hem mee te janken. Zo zaten we op die heuvel tussen de schapen die, bijeengedreven door het gehuil van mens en hond geen kant op konden, tot diep in de nacht blaatten, tot het vuur ging liggen, de hond van uitputting neerzeeg en ik hem eindelijk van zijn touw kon los knopen, en aan de horizon De huizen van de dorst, als gapende monden hun mosgroene deuren en luiken openden en de schilder van Pluto, uit zijn kannen, kruiken en flessen (maar nooit meer aan onze aandacht) ontsnapte en als een opvliegende, groene vlek aan het open venster verscheen. Alles weer stil werd, als was er buiten het laven van de dorst van de hond nooit wat gebeurd.

Afbeelding Cat 19. Paessagio (Landschap), 1959 Aquarel op papier, 16 x 21 cm. Gesigneerd aan achterzijde ‘Morandi’. Privécollectie. (Giorgio Morandi – Een retrospectieve, Maria Christina Bandera. © 2013 Silvana Editoriale. Bozarbooks)

Ode aan een vriend

Studio in Antwerpen – Foto: Philippe Tas 1987

Beste broer Staf,

Twee zomers geleden zittend op de bank onder de eeuwenoude rode beuk in het park van het zorgcentrum, heb je iets hartroerend tegen mij gezegd: “De tijd dat ik bij jou inwoonde, was de mooiste tijd van mijn leven.”
Ik dacht toen terug aan de kleine slaapkamer in het ouderlijke huis waar we samen sliepen in een antieke twijfelaar..
Als oudere broer vertelde jij me bij het slapengaan over Griekse mythes en helden: Achilles, Odysseus, Theseus en de Minotaurus. Ik luisterde ademloos van onder de lakens. Je brouwde verhalen uit de boeken van Streuvels en over de iconen van Timmermans en Claes: Pallieter, Karel en de Elegast en Suskewiet.
Over Winnetou en de wonderlijke wereld van John Flanders.
Ik voelde mij veilig toen.
Geluk bestaat voor een groot stuk uit het gevoel van geborgenheid.

Een grote verdienste van het warme nest waarin wij opgroeiden.
Toen je naar het seminarie vertrok was ik 9 jaar en mijn kleine wereld kapseisde.

Wij hebben onze eigen weg gevolgd.
Maar de felle vertrouwelijkheid tussen ons is nooit aangetast. Jij liet mij toe in de kring van jouw vrienden en artistieke omzwervingen. De ganse familie genoot van nonkel Staf, zijn artistieke exploten; zijn fratsen en zonnig gezelschap.
Nachten konden oeverloos worden, gedrenkt in poëtische ontboezemingen en wijn.

Je was zo gelukkig en fier toen ik je het eerste exemplaar van ‘The Blinding Fire’ meebracht uit China. JOUW boek waarin een selectie van jouw bierkaartjes was opgenomen.
De blindheid nam toe, ‘The Blinding Fire’ werd werkelijkheid. Hoe moedig heb je dit noodlot als kunstenaar gedragen en vertaald.

The seasons of Vivaldi, Summer 1998 gekleurde lino 50 x 40 cm

Je werd tachtig en na het prachtige feest in het Museum van Schone Kunsten in Antwerpen ben je naar mij verhuisd. Vrienden en familie klaarden deze klus en construeerden een nieuwe broedplaats. Heerlijke uren hebben we er beleefd aan de ronde tafel en op de witte bank in de schaduw van de té hoge Italiaanse populier. De boom die je betastte langs zijn verweerde bast terwijl je de ruisende taal van wind en bladeren liet binnenstromen.

Iedere morgen kwam je schuifelend en blij naar mij voor een accolade.

Na zeven innige jaren moest ik je uit noodzaak begeleiden naar jouw laatste onderkomen. De tijd vergleed daar in lange, mistige dagen. Tot de ogen zonder licht, de tong zonder woorden de metamorfose naar het eindspel aankondigden.

Nu ben je echt ribbedebie.

De prins met strohoed, purperen sjaal en Afrikaanse wandelstok heeft zich niet afgewend van de lokroep der Pleiaden.
Nu komt de tijd van herinneringen, sterke verhalen, anekdotes en veel werk om alles wat je hebt achtergelaten te bewaren.

Je hebt niet te klagen.
Jouw archief zit vol met foto’s van feestjes met vrienden waarmee je eenzaamheid op afstand hield en de volle kruiken van vriendschap en kunst kwistig vulde en ledigde.

Eigenlijk ben je levenslang een ‘pastor’ gebleven, groothartig, mild, luisterend en helend. En misschien wel boven al heb je letterlijk het virus van de kunst verspreid. Met eigen werk en dat van anderen die je steunden en bewonderden.

Volgens je eigen verhaal werd je de eerste maal overdonderd door de Kosmos op een bolle akker dicht bij Puitvoet. Tijdens een nachtspel was je verdwaald en staarde je naar de melkweg en miljoenen sterren.
Die fascinatie heb je in honderden miniaturen nagelaten en vormen wat mij betreft jouw uniek testament!

Het toont de schitterende getuigenis van een mens die in de ondoorgrondelijkheid van het bestaan zijn vrijheid en bestemming heeft hervonden.
Laat ons daarom genieten zolang de lente duurt.

Raf
15 Oktober 2021

OLYMPUS DIGITAL CAMERA (Raf en Staf De Smedt)

Lieve Tovenaar,

Hoe vaak heb ik je zo niet aangeschreven sinds we elkaar begin jaren negentig in het jazzcafé The Blue Moon leerden kennen. Ik had net mijn studio geschilderd, jij vroeg of ik al een kunstwerk had om aan de muur te hangen. Ik woonde nog maar pas in Antwerpen en had nog niet eens vrienden gemaakt. Ik zie je nog de deur uitgaan, om even later uit je atelier in de Graaf van Hoornestraat, met die prachtige lino, To heavy blues, onder je arm terug te komen. In het geroezemoes van The Blue Moon verstomden toen de dingen zoals in Van Gogh’s nachtcafé en kreeg ik mijn eerste kunstwerk van jou cadeau.

In werkelijkheid kwamen die avond de negen muzen samen, en werd mij voor de rest van mijn leven een onvoorwaardelijke vriendschap aangereikt. 

Fred Bervoets en Staf, Antwerpen 1990 (foto uit eigen archief)

Het was het begin van een grootse, verrijkende en onvergetelijke tijd. Als kunstenaar was je verbonden aan galerie de Zwarte Panter van Adriaan Raemdonck. Je nam me mee naar de vernissages en de zondagse bijeenkomsten in de bar van de Zwarte Panter. Ik leerde er alle vrienden kennen van de kunstenaarskring waarin je was opgenomen. Het waren niet de minste, een prachtige groep gelijkgestemden, die hetzelfde doel nastreefden, namelijk de muze dienen. Iedereen, al wie jou kende droeg je op handen en je had voor elk van hen een bijzondere betekenis. Je begeestering, je geloof in de ander, je toewijding aan de kunst en het leven, waren een voorbeeld voor ons, voor sommigen letterlijk van levensbelang.

Genesis, Tentoonstelling Galerie De Zwarte Panter, Antwerpen 1990 (foto uit eigen archief)
Staf, door Jan Cox, Antwerpen 1981, acryl op doek

Enkele weken geleden vond ik als bij toeval een reeks kaartjes terug waar ik fragmenten van een gesprek had genoteerd, dat eind jaren zeventig tussen jou en de schilder Jan Cox met wie je bevriend raakte, na diens terugkeer uit Boston, had plaatsgevonden. Jan Cox verbleef in die periode in het Koekoeksnest, waar hij voor de behandeling van een depressie was opgenomen. Iedere zaterdag ging jij hem tussen half drie en drie uur bezoeken. Jan Cox stond dan al voor het venster op jouw komst te wachten. Tijdens een van die bezoeken vertelt Cox jou dat hij ‘achter de horizon wilde verdwijnen’. Jij, die de betekenis van die woorden, of eerder, de bekentenis, maar al te goed begreep, antwoordde vanuit je feilloze mensenkennis, ‘Goed Jan, maar voor je verdwijnt kan je toch nog een portret van mij maken, en, wanneer kom je naar huis Jan, om het portret te maken?’ Een week later, de eerste zaterdag na zijn thuiskomst begon Cox aan het portret van Staf, het werd uiteindelijk een reeks van 49 portretten van de Antwerpse vrienden en kennissen. Jan Cox was er weer bovenop.

Staf De Smedt en Jan Cox, Antwerpen 1975 (foto uit eigen archief)

Jouw aanwezigheid was een ankerpunt in de Scheldestad. Hoe we ook dwaalden en verdwaalden, er was altijd de zekerheid dat jij ergens was. We wisten waar we je konden vinden; overdag in je atelier en tegen de avond, nadat je van de Academie van Lier terugkwam, waar je les gaf, zat je meestal nog in Den Artist te tekenen en te dromen met de grandeur van de echte meester.

Staf, door Walter Goossens

Staf, door Fred Bervoets, 1974 olie op canvas 100 x 80 cm

Staf, door Marc Kennes, 1995, pastel 90 x 70 cm

Staf, door Kris Vanhemelrijck, 2021, potlood op papier 15 x 10 cm

Ook nu ben je nog steeds in het straatbeeld aanwezig. Als ik door de Predikherenstraat aan de Kloosterstraat loop, en voor het beeldhouwwerk ‘De Indiaan’ van Wilfried Pas blijf staan, zie ik niet enkel de beeltenis van Black Eagle, maar jouw beeltenis; het beeld werd door Wilfried Pas en zijn vrouw Vera Candael naar jou gemodelleerd. Zo sta je ook als hoeder van de aarde, voor altijd, vereeuwigd in de stad.

Black Eagle – Wilfried Pas (Foto Vera Candael)

Je was de sterrennacht boven het museum,  en onder de maan de gele lichtjes van café Patine, er recht tegenover, en de lichtjes boven en naast de rivier, de lange rivier en de uitgelezen wijnen, de plechtig voorgedragen gedichten, luister…

Mijn vriend vis
is rood
met vinnen van oranje

Hij droomt 
mijn woord
in stilte
tot het nieuw openspat
in mij

Al wat stil en rood is
mijn vriend vis.



Vincent

Gij verschildert
geel verdriet
tot zonnebloemen
waarachter sterren
gloeien op ultramarijn

Zonnen verschroeien
korenvelden
Het nachtcafé bloedt rood

Vingers voelen de mistral
in het bed der lege stoelen
Kreten van kranken
omwoelen gangen
van het lustoord Saint-Rémy.

Hoe dikwijls schoven we niet mee in je kano naar zee langs ‘Den Hopper’ langs de ‘Chatleroi’ of ‘Café de Paris’ …de honderd gedichten onwaarschijnlijk mooi met een ondeugende tinteling in je ogen en een glimlach onder je hoed met de honderd kaarsen. 

En…dan de geïmproviseerde reis met Julien Schoenaerts, Marc Kennes en je toenmalige geliefde Sabine, naar het graf van Van Gogh in Auvers-sur-Oise. Julien die in het holst van de nacht op de trappen van de Place des Moineaux van Pontoise van Gogh’s broer Theo aanriep. Of was het ‘Raf’? Een echo die de nacht en ons wezen doorkliefde. Achter de vensters gingen de lichten aan. Als kleine stipjes zaten we roerloos in de eeuwigheid van het moment. ‘Cold shudder’ zei je, toen we ons dat wonderlijk ogenblik later in Antwerpen ontelbare keren opnieuw voor de geest haalden. 

Den Artist, Antwerpen, Inkt op papier

Staf was All That Jazz. Come on why don’t we paint the town? In al zijn prachtige lino’s, litho’s en etsen. Een muze aan al zijn vingers waar tussen een kalligrafische pen, zwierig en sierlijk…De geur van inkt, olieverf terpentijn and white spirit. 

De zalen van de musea kon hij doorwandelen en de schilderijen bewonderen en omgekeerd eender wanneer
hij kon dwalen doorheen zijn geheugen en genieten van zijn lievelingskunstwerken.
In zijn eigen kunst was hij een mysticus, evenzeer in zijn gedichten en in zijn kosmos waar het einde van zijn tijd samen vloeit met het einde van alles daarom schuiven de maan en de man…

To heavy blues gisteren, vandaag en morgen…maar ook, wat een immens geluk dat we jou mochten leren kennen. Goede reis lieve tovenaar, we zien elkaar tussen de sterren terug.

Daisy, 15 oktober 2021

Jam session (Staf De Smedt) 1985, Lino 45 x 35 cm
Toetanchamon

Toe dan Amon mijn kind
leid mij naar het oud Egypte
want ik lijd het zelden verdriet

Duizend oude pijnen bouwen
piramiden en dekken farao's
gouden klacht

Het is nacht
Ik geloof niet in de macht
van adelaar en slangen zijn
niet heilig

Alleen de vruchten van het zand
zijn veilig en aan de Nijl het riet
in uw ongerimpeld licht

Laat mij schrijven vruchtbaar
in de grond
trouwe papyrus
over steengewonden stilte
van uw sfinx
staren in de wortel
van de tijd

Dan kunnen eindeloze woestijnen 
toedekken deze wilde erosie.
Zonder titel (Staf De Smedt) Lino 14 x 19 cm
Eurydice

Mijn handen
als zwervende vogels
verzamelen dromen
in uw haren
van volkomen stilte

Gij slaapt
in uw naam
Paarse sterren
kleven uw mond

Mijn zangen 
jagen hartstocht
door de nacht

Ik wacht.




(Gedichten uit de bundel Mijn vriend vis is rood.
Voorgesteld ten huize Philippe en Magda Baekelandt op 2.10.2000
Een initiatief van de vrienden van Staf De Smedt)

Lopen

Vannacht droomde ik dat een onbekende weldoener mij een gouden mantel, een soort trenchcoat, cadeau had gedaan. De jas paste me als gegoten, maar hoe duur en schitterend hij ook was, toch bleef ik er als een drenkeling uitzien. In mijn nieuwe jas liep ik haastig en ongemakkelijk door de straten en zag de verbaasde blikken van de voorbijgangers die allemaal hetzelfde leken te zeggen: ‘wat doet die stakker in een gouden jas?’ Straks dachten ze nog dat ik hem gestolen had en kwam er een meute op me af die de jas in stukken van mijn dunne lijf zou scheuren. Gelukkig kende ik uit een ver verleden enkele verdedigingstechnieken. Kneepjes die ik mij met het bekijken en herbekijken van YouTube filmpjes had aangeleerd en hoopte mij daarmee enigszins te kunnen verdedigen wanneer de meute eraan zou komen. De mantel schitterde en schetterde in het zonlicht, ik leek wel een reflector. Nee, een cadeau was het niet geweest. Ze hadden mij beter een camouflagejas geschonken.

Hoezeer had ik ervan kunnen genieten vermomd als een wandelende tak, een molshoop, blad tussen het gebladerte, volledig op te gaan in het niets. De vijand kon me gestolen worden. Natuurlijk zou ik onvermijdelijk ook in deze hoedanigheid een soort deserteur worden, want eenmaal één met de natuur vergeet je de vijandelijke linie, die bestaat dan eenvoudigweg niet meer of is zozeer vervaagd dat je wie jou niet meer ziet, ook niet meer kan zien. Een plotse confrontatie of gevecht, zoals nu op handen was, zou dan niet meer nodig zijn. Doch in iedere krijgskunst kwam het er tenslotte op neer het gevecht uit de weg te gaan, en als er dan toch gevochten moest worden, volgde je nog steeds een oud-taoïstische methode waarbij de overwinnaar de overwonnene in een soort van verlichte toestand probeert te meppen. Ondertussen stond de zon op haar hoogste punt, de gouden jas scheen de voorbijgangers te verblinden en de meute die steeds dichterbij kwam wendde bij het zien van zoveel geschetter hun blikken uiteindelijk af zodat ik kon doorlopen tot ik een schuilplaats gevonden had, een grot misschien, waar ik mij van de schittering kon ontdoen.

Lopen. Je wilde alleen maar blijven lopen. Naast jou de geest van de hond van Goya die in Verviers verdronk en aan de horizon de oranje bol die steeds ronder wordt tot hij in een teerblauw licht opgaat, de kop van de god van de hond verdwijnt en verschijnt. Lopen, tot het lopen ergens ophoudt, maar je weet nog niet waar, je bent nog aan het lopen. Je hebt honger noch dorst, je voelt geen pijn aan je voeten of je benen, je romp is licht, je ademhaling gelijkmatig. Eindelijk de zee! Schepen varen af en aan, iets kapseist in het voorbijgaan maar je kan er niet bij. Het spartelt tussen de golven, je roept, je huilt en struikelt, je tolt en loopt verder, je loopt tot alles, elk geluid, behalve het blaffen in het water, is weggeëbd.

Het is donker, je denkt aan je familie, je vrienden en degenen die je nooit hebt leren kennen. Wat zouden ze aan het doen zijn op dit uur? Waarschijnlijk slapen ze, opgerold onder hun deken, of de armen wijd uit elkaar, als gekruisigde lichamen. Je denkt aan al wie al lang buiten slaapt, aan hen die nog maar net, voor het eerst buiten geslapen hebben en aan hen die nooit meer in een bed, onder de warmte van een deken zullen slapen. Je denkt aan de vloot bij nacht varend op een donkere zee, het donkere klotsen weerklinkt in het schommelen van het water in de warmwaterkruik tegen je buik, een donkere maan. De fuik waarin niets zwemt. Woorden spoelen aan als doorzichtige, blauwe kwallen op het strand. Wat wegen ze nog? Skeletten. Walvissen van veertig miljoen jaar oud. Ergens glinstert de Grote Beer. Als het gezang van de zee de nacht gladstrijkt, houdt je hart even op met kloppen. Je ademt stokt en je zou je willen neerleggen, eeuwig luisteren. Maar je moet verder lopen. Alles stroomt.

The Drowning Dog, Francisco Goya(1746-1828)
@Museo Nacional del Prado

Roland

Zoals de meeste muziekliefhebbers kende ik Roland van Campenhout als blueslegende met een uitgebreid assortiment aan hoeden, petten, rasta mutsen en een paar schoenen met een zebraprint waarmee hij in sommige landen niet binnen mocht. Nochtans zou elke douanebeambte met een beetje muziekkennis en enig zelfrespect deze man desnoods, als was het op een paar sponzen hotelslippers of barrevoets, de grens moeten over dragen, ten eerste omdat hij het verdient en ten tweede omwille van de vele mensen die op zijn muziek zitten te wachten. Roland is trouwens, zo leerde ik vorige week, niet enkel een muzikant, de man is ook een sjamaan die met de geesten weet te communiceren, met of zonder schoenen. Een vrije geest, rondzwervend over de wereld die hij, de dingen bezwerend met zijn instrumenten, tot zijn dorp heeft gemaakt.

Zaterdag 3 juli. Het goot pijpenstelen, het was de eerste dag van de openluchttentoonstelling Composte 2021 in het landelijke Steenhuize waar mijn partner Kris Vanhemelrijck als een van de exposanten een grassculptuur had gemaakt. Roland zou het evenement met een concert openen. Ik zat toen net voor de tweede maand thuis, geveld door uitputting. Op een ogenblik moet ik zo hard gelopen hebben dat mijn benen mij niet meer konden volgen en iets dat te lang schroeide onder mijn voeten vuur begon te vatten. Zo zat ik dus als een zielige, naar adem happende, goed gecamoufleerde vogel in een lange trenchcoat die mijn steeds toenemende zwaarte moest verbergen, met sneakers doorweekt van het lange, beregende gras onder onze voeten, aan een tafeltje met mijn zus Wendy, Kris, Roland en zijn vriendin Truitje, onder een kanariegele parasol. Het regende onophoudelijk dacht ik. Mijn sneakers waren binnen het half uur volledig doorweekt, mijn voeten voelden zompig aan, mijn skelet verkleumde, maar de wijn was fruitig, de risottoballetjes krokant en het gezelschap verfrissend. Ik praatte zo weinig mogelijk omdat ik wist dat ik behoedzaam met mijn energie moest omspringen wilde ik het concert van Roland bijwonen en daar keek ik na twee jaar stilte erg naar uit. In het mistige landschap zag ik Luc Vrydaghs, gastheer, organisator en eigenaar van de site vrolijk rondspringen. Hij had een titanenwerk verricht en was volgens mijn kennersoog, dringend aan rust en enkele vetrijke maaltijden toe. 

Even later liep Roland schouders omhoog tegen de striemende regen naar het podium en begon te spelen. Ik weet niet of het een combinatie was van de muziek met de groene, gezonde dampen die uit het gras opstegen en de warme, zwoele lucht die rijk aan zuurstof was, maar ineens begon er door een soort tunnel, een kanaal dat vermoedelijk was dichtgeslibd in mijn gestalte, vanuit mijn kruin tot aan mijn staartbeentje een stroom op gang te komen. De trilling van de gitaarsnaren en de mondharmonica, de zowel rauwe als tedere nasale klanken van Roland rolden als een golf over de tuin en de toehoorders. (De echte golf moest echter nog komen, de dag nadien, toen de hemelsluizen opengingen, de parasollen en stoelen wegdreven, Steenhuize volledig onder water kwam te staan, en alleen de kunstwerken overeind bleven.) Er zijn nooit woorden voor de beschrijving van een magisch moment. Het is alleen de begeestering van de muziek die het moment vertaalt, verklankt en een muzikaal universum schept dat even niet van deze wereld was, of net, de enige, echte wereld was. Ik hoorde Roland tussen de liedjes door mysterieuze woorden prevelen die niemand verstond en in geen begrijpelijke taal te vatten was, maar hun uitwerking niet misten. Toen hij The Cuckoo zong verscheen er, alle goden nog aan toe, een koekoek in de grote treurwilg in de tuin, maar de vogel hield wijselijk zijn bek. Hier waren andere krachten aan het werk, moet hij gedacht hebben en luisterde stil naar de man die zijn vlucht bezong. Zo werd de koekoek in de boom eerst toehoorder en naarmate het zingen zich verder zette werden de zanger en de vogel één. Bij tijden brak de zon door de regenwolken en lag er over de tuin een gloed die van een paradijselijke schoonheid was. Na twee fenomenale sets die tot vandaag nazinderen, voegde Roland zich weer bij het gezelschap. Kris was erg ontroerd, mijn zus een vat van enthousiasme, Truitje stak een sigaar op en bestelde een fles Jack of Diamonds, want Roland moest toch ook iets eten, en ik nog steeds spaarzaam met mijn woorden en gebaren voelde in het zompige gras onder mijn voeten mijn wereldlijke vermoeidheid wegtrekken en wist nog minder dan voorheen wat te zeggen. Er was een soort mirakel gebeurd; ik kon weer lopen. Het was bijna the 4th day of July.

Verhalen vlogen als kleurige, kwetterende vogels heen en weer tussen de rinkelende glazen, die door de ondergaande zon, een goudroze schijn hadden gekregen. Roland bleek een groot dierenliefhebber, dat kon welhaast niet anders, hij koesterde een grote liefde voor zebra’s maar hield toch het meest van katten. Onlangs was er een zieke kat voor de drempel van zijn deur komen liggen, het beestje had zich nog tot op de tweede verdieping van zijn flat weten sleuren om er zich dan, nadat het een rondje door alle vertrekken had gemaakt, te nestelen. Hij had zich over de zieke kat ontfermd en het dier bleek ondertussen weer helemaal hersteld. Er was ook nog een hond, zo groot als een kalf, voor de deur komen liggen, maar het dier was iets te groot bevonden en de bluesman kon niet anders dan de arme hond in handen van de dierenbescherming achterlaten. Honden, katten, duiven, alle verlaten, verwaarloosde en zieke schepsels schenen hun weg naar het huis van de muzikant te vinden. Het werd een avond van verhalen, herinneringen en vooral absurditeiten. Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik zo hard gelachen heb dat de tranen over mijn wangen rolden. Het was nog licht toen we van onze gastheer Luc Vrydaghs afscheid namen en met een blinkend gevoel in onze borstkas huiswaarts reden. Roland en Truitje reden ons onderweg in hun rode auto gezwind voorbij. Mijn zus kon zoals gewoonlijk niet ophouden met zwaaien. ‘The last thing we can do is wave at each other’ dacht ik toen ik haar in de frambooskleurige jas op en neer zag springen, de armen zwaaiend in de lucht.

De volgende ochtend werd ik wakker en voor het eerst in twee, lange beklemmende jaren waarin ik dacht dat het leven nooit meer normaal zou worden, voelde ik mijn krachten langzaam terugkomen. Roland had als sjamaan, in de wereld van klanken en geesten, zijn magisch werk gedaan. Vanaf die dag ging het steeds wat beter met mij, ik begon terug wat rond te scharrelen op mijn erf. Ik had van Roland als de mythe die hij is, een glimp opgevangen, maar dat er in deze prachtige mens ook een sjamaan huisde die zijn bezwerend klanken over de golven stuurt, zelf een deel van de Mississippiblues is geworden, waarin alle stromen samenvloeien, was een ontdekking. Ik zie het zeeblauw van zijn heldere, indringende blik waar al dat water doorheen is gestroomd. Hoeveel levens verborg hij, deze man die heel lang en intens naar al dat stromen en opborrelen gekeken en geluisterd moet hebben, een goudkoperen druppel, ontsproten uit de Rupel, befaamd en berucht tot in New Orleans.

Aan mijn schrijftafel met uitzicht op de altijd bulderende, beton uitbrakende muil van de stad, luisterde ik opnieuw naar het nummer Pack Up Your Sorrows, dat een totaal andere dimensie had gekregen en mij voor de rest van de zomer zou begeleiden. Keep on rolling Roland.

https://www.composte2021.com

Nieuw Zuid

Vrijdagnamiddag is rond drie uur op het Nieuw Zuid in Antwerpen de basisschool in opbouw waar ik op 1 september vermoedelijk zou beginnen werken ingestort. Vijf arbeiders kwamen om het leven, drie Portugezen en twee mannen van Moldavische origine. Acht mannen waren zwaargewond. De ganse nacht was er in stilte, in een poging om de vermisten te horen, naar de mannen gezocht. Een Portugese vrouw was naar de werf gekomen om te wachten. Het enige wat ze wilde, had ze aan de hulpdiensten verteld, was haar man in haar armen houden. Ik voelde haar angst en haar pijn, zag waar ze stond, ik kende de plek omdat ik er de afgelopen maand bijna wekelijks was langsgefietst. Op weg naar een nieuw leven. De werf was toen nog een plaats van vernieuwing, de mannen op stellingen bouwden aan een toekomst van velen. Ik zag het puin, de witte gebouwen errond en de vrouw, alleen, wachtend op een teken van leven, op haar man die samen met de andere bouwvakkers misschien nog levend onder het puin zat. Ook het wachten op een teken van leven kende ik. Toen uiteindelijk de speurhonden geen signalen konden opsporen vreesde ik voor het leven van de mannen en keerde geschokt en verdrietig naar huis. 

De zwaluwen scheerden laag door de lucht, twee kraaien voerden een eigenaardig gesprek in de top van een populier, het gekras kende zoveel toonhoogten dat het bijna vocalen werden. De stam van de amandelboom op mijn balkon bleek aangevreten te zijn door mieren. Ik wist niet goed hoe ik hem moest redden. Het was dertig graden in de schaduw en ik strekte mij uit op de brede reling van het balkon en luisterde naar het geluid van de sirenen. De hitte verdampte het verdriet dat op mijn huid parelde. De dichter, Eugenio Montale, kondigde zich vroeger dan anders aan, de zomer was nog niet eens begonnen maar toch stond hij nu op deze verpletterende namiddag aan de trap die naar het balkon leidde. Een roos in zijn colbert. De roos die uit het puin van die nacht was gegroeid. 

L’opera in versi. Ik sloeg het boek op een willekeurige bladzijde open en las het gedicht over een schildpad die al zoveel jaren in zijn tuin woonde dat zelfs de tuinier en de eigenaar niet wisten hoe oud ze was. Ze miste een deel van een voorpoot en bewoog zich traag wiebelend over het tuinpad. Zo kroop ik tegenwoordig ook voort, met een verminkte voorpoot op het balkon tussen de bloempotten. Alsmaar dromend om naar Siracuse, waar ik op een overvolle houten vissersloep tussen het klotsen van de golven geboren werd, terug te kunnen keren. De Ionische zee in te duiken en mijn kreupelheid te vergeten. Een te worden met het water, mijn groen geworden schild onder te dompelen in het blauw, het stof van me af te spoelen, het puin te vergeten, alleen maar zwemmen alsmaar verder zwemmen, vredig tussen de sonore wereld van alles wat onder de grote, glinsterende spiegel leeft. In een zee die geen drenkelingen kent. Aanmeren op het strand waar iedereen een mens is, uit de zee geboren.

Siracuse was nog een heel eind van het balkon vandaan, met die poot van mij zou ik er nog in geen halve eeuw geraken. Ik strekte mijn nek uit en stak mijn hoofd over de reling. Ik hoorde de sirenes van de brandweer en de ambulances die van de werf van het Nieuw Zuid kwamen. Een Portugese vrouw had er gans de nacht gewacht. De zee, die de baarmoeder van de wereld is, begon voor haar te zingen. 

De oude schildpad loopt moeilijk, wiebelt

omdat ze ooit een stuk voorpoot verloor.

Als een groene mantel in beweging komt

is zij het die onzichtbaar door geometrische klaverperken waggelt

en weerkeert naar haar hol.

Sinds hoeveel jaar? Hierover blijven tuinman en eigenaar 

in het ongewisse

een halve eeuw al of meer. Of moeten we terug

naar de tijd van generaal Pelloux…

Zij kent geen leeftijd: alle verminkingen

zijn nieuw.

Uit L’Opera in versi (Eugenio Montale, vertaling Michel Bartosik)


Foto: shutterstock_521678305-1000×675.jpg

Het portret van Herman Teirlinck

Maybe someday, without knowing it,
we’ll trash the masks that hide our faces.
It’s because we’re masked that it’s so hard
to identify the men we meet.
Maybe among so many men, among millions,
there is one whose face and mask coincide,
and only he could utter the word
we’ve always been waiting for. But no doubt
even he knows nothing of his privilege.
The man who knew, if any man ever did,
paid for his gift with stuttering or worse.
Finding him wasn’t worth the trouble. His name
could never be pronounced, and not only
for phonetic reasons. Science
has other agendas or non-agendas.

Eugenio Montale (Poetic Notebook 1974-1977) 
Vertaling: William Arrowsmith

Ik had mij nog maar net in de maïsgele sargie opgerold en mijn hoofd op het hoofdkussen te rusten gelegd, toen ik aan de andere kant van de papierdunne wand een ontstellend geluid hoorde. Er moest iets van de muur gevallen zijn, maar ik kon aan het geluid niet opmaken wat het was. Ik trok de klamboe opzij, die met de komst van de tijgermug winter en zomer over het bed hing, schoof in mijn slippers en deed in de belendende kamer het licht aan. Op het eerste gezicht was er geen enkel schilderij van de muur gevallen. (Iets anders dan schilderijen hing er trouwens niet.) Tot mijn blik op de etstafel viel, waar het gipsen gelaat van Herman Teirlinck met het aangezicht naar beneden op het glazen blad van de tafel lag. 

De haak in de muur waar het gipsen portret aan ophing was krom getrokken, de kalk brokkelde van de muur. Met pijn in het hart tilde ik het zware hoofd op, vreesde het meest voor de neus, die kon het zo recht naar beneden vallen niet overleefd hebben. Maar het gipsen hoofd dat mij in het maanschijnsel ongenaakbaar aankeek bleek volledig ongedeerd. Opgelucht legde ik mijn handen rond zijn slapen, bevoelde voorzichtig het gezicht en toen ik nergens een barst kon ontdekken, legde ik zijn oosterse hoofd op de enige voor hem bestemde plaats: de Japanse tatami, waar de altijd aanwezige geest van Herman Teirlinck zich voortaan zou kunnen uitstrekken op het gedroogde en gebundeld riet.

Ergens in de jaren vijftig van de twintigste eeuw boetseerde Jozef Cantré het originele portret van Herman Teirlinck in klei en maakte er een plaasteren afgietsel van dat later als model gebruikt zou worden om het portret uit hout te kappen. Er waren ter voorbereiding overal potloodkruisjes aangebracht. Het originele afgietsel bleef echter jaren onaangeroerd in een glazen toonkast in het huis van Herman Teirlinck gestaan. Toen Kris Vanhemelrijck zijn intrek in het huis nam, besloot de bronsgieter Eduard Troucheau van het gipsen portret een siliconen mal te maken en in brons af te gieten. Kris gebruikte de mal van het plaasteren afgietsel en reproduceerde het aangezicht in gips op 30 exemplaren, ter gelegenheid van 30 jaar HTH: ‘De onmogelijke tentoonstelling’. 

In de lente van het jaar 2009 liet de toenmalige interieurverzorgster van het HTH, het gepatineerde en verniste plaasteren origineel van het portret van Herman Teirlinck tijdens het afstoffen uit haar handen vallen. De brokstukken waren niet meer samen te voegen en het beeld was onherstelbaar beschadigd. De neus was van het aangezicht gebroken. De mal van Eduard Troucheau was verdwenen en een reproductie was dus niet langer mogelijk. Het ebbenhouten portret verhuisde na de sluiting van het Herman Teirlinckhuis in 2013, samen met de wandelstok en Teirlinck’s hoed, naar het AMVC-Letterenhuis in Antwerpen. 

Er is iets eindeloos fascinerend aan een portret dat een mens van zijn medemens maakt. Of het nu een schilderij, een tekening, een foto of een illustratie is. De poging die iemand onderneemt om vanuit een adoratie, liefde, begeestering of wat dan ook, een glimp van het mysterie van een mens in olie, pastel, zwart-wit of technicolor te vangen is altijd een wonderlijke gebeurtenis. Het oplossen van een raadsel zoals in de Japanse koan ‘Toon mij je oorspronkelijke gelaat nog vóór je ouders geboren werden’. Vaak denk ik aan het schilderij (een kopie) van Degas dat mijn moeder zichzelf voor haar achttiende verjaardag cadeau had gedaan: zij zag niet alleen de dansende figuren, maar begon na verloop van tijd deel uit te maken van het schilderij enkel door ernaar te kijken. Het schilderij van de gracieuze in tule dansende meisjes was het eerste kunstwerk dat ik te zien kreeg. Het hing in de woonkamer boven mijn wieg. Ik groeide op onder dit werk. Het reisde overal met me mee. Degas maakte vanaf het prille begin deel uit van mijn leven als een nooit ophoudende dans.

Soms hangt iemand met één zin een portret in de galerij van je geheugen op. Zo vertelde Julien Schoenaerts mij ooit dat ‘Herman Teirlinck rook als een god’. Tijdens de toneellessen in de Studio zat hij vaak naast Teirlinck die dan zijn pink vasthield. Heel lang heb ik geprobeerd om mij daar een voorstelling van te maken, hoe ze daar zaten, de pinken in elkaar gehaakt. Uiteindelijk zag ik hen wanneer ik aan die uitspraak dacht, altijd samen, vereeuwigd in één fotoframe. Julien Schoenaerts, zwijmelend in de geur van zijn god. Tijdens het lezen van Zelfportret of het galgenmaal ontdekte ik dat de geur waarschijnlijk een parfum van de Franse ontwerpster Jeanne Lanvin was.

Soms krijg je ook een portret te zien van een leven dat er niet is of niet meer is. Een portret van een soort afwezigheid van leven. Op een zomeravond een eeuwige tijd geleden, wandelden Julien en ik door de stad en zagen tegen de zijmuur van de kathedraal een vrouw zitten. We keken een ogenblik naar de vrouw en toen naar elkaar en ik merkte geschokt hoe doorgroefd het gelaat van de vrouw was. Het was misschien iemand die veel had meegemaakt, had ik geopperd. ‘Of misschien net niets heeft meegemaakt’, vulde Julien mij aan. Zoveel jaren later spreekt zijn antwoord nog steeds tot mij. Bestaat er een mens die niets heeft meegemaakt? En hoe ziet die er dan uit? Hij bedoelde dit natuurlijk in overdrachtelijke zin. Als iemand die niet langer meer de bereidwilligheid bezit zich aan het leven in al zijn facetten bloot te stellen, geen geluk noch verdriet wil ervaren. Zich in een soort van monotonie geweven heeft, langzaam onverschillig is geworden en ’s nachts de ziel prijsgeeft aan een slaap zonder dromen. Het dagen van de dag ontwijkt. Zo zat die avond daar misschien een mens die de dingen aan zich voorbij liet gaan, zonder ze te willen voelen, in het midden van het leven, als een verdroogde wijnstok tegen de muur van de kathedraal, en zagen wij haar eenzaamheid, met de onze verweven, tussen de spleten verder groeien.