Battagliaanse kronieken

 

Letizia Battaglia: Passion, Justice, Freedom–Photgraphs of Sicily

 

Op een koude winteravond in januari 2011 stapte ik tijdens een van de Nocturnes in Antwerpen de Maes & Matthys Gallery in de Pourbusstraat binnen en maakte toen voor het eerst kennis met het werk van Letitiza Battaglia. Het was de vernissage van haar tentoonstelling. De fotografe zat aan een bureau in de galerie, omringd door mensen en keek, voortdurend rokend, intens om zich heen. Aan de witte muren hingen foto’s van in bloed gedrenkte lichamen, door de Cosa Nostra op straat vermoord. Ik was verbijsterd en tegelijkertijd gefascineerd. Hoe was het mogelijk dat deze vrouw dit had gefotografeerd?

Haar loopbaan als fotografe begon in Milaan in 1972 toen ze voor een tijdschrift schreef waar ze haar journalistiek werk zelf van foto’s moest voorzien. Vanaf 1974 werkte ze voor de linkse krant l’Ora. Haar foto’s zijn stuk voor stuk met rouw omrande aanklachten. Zonder het te willen bouwde ze ‘een archief van bloed’ op. Naast de dagelijkse wreedheid fotografeerde ze ook de vrouwen en kinderen van Palermo, en de extreme armoede van de mensen die in de buitenwijken in flatgebouwen woonden, waar geen water of elektriciteit was. Negentien jaar lang begaf ze zich dag en nacht op een Vespa met een fototoestel om de hals naar het slagveld dat Palermo tijdens de jaren tachtig en negentig, onder de dictatuur van de maffia, geworden was. Ze was de eerste vrouwelijke fotojournaliste in Sicilië en het eerste jaar moest ze zich, schreeuwend tegen agressieve agenten die haar wilden tegenhouden, een weg banen om haar werk te kunnen doen.

Het was moeilijk om tussen de bijeen gedrongen menigte bij haar te raken en te vragen wat die tijd voor haar betekend had. De vonkjes die uit haar blik sprongen en de nervositeit die ze bij iedere trek aan haar sigaret, als een rookwolk uit de krater van een vulkaan leek uit te blazen, verhaalde het eigenlijk allemaal. Haar blik liet me niet meer los, maar om door de blik te kijken waarmee ze de misdaden op het Siciliaanse eiland om haar heen had vastgelegd, was enige moed vereist. Het waren geen vrijblijvende foto’s. Ze bleven onuitwisbaar aan je kleven, als een bloedvlek op een wit hemd.

Haar liefde voor het ‘vermaledijde Sicilië’, zoals ze het eiland noemt waarop ze geboren is, bleef gelukkig als een witte schaduw tegenover het zwarte oeuvre overeind. Een levendige schaduw die zich op tweeëntachtig jarige leeftijd nog steeds gedreven en strijdbaar voortbeweegt.

Haar moed twee decennia lang ondanks de verschillende doodsbedreigingen aan haar adres, haar werk toch verder te zetten, lag ver buiten het referentiekader van wat ik tot nog toe in de wereld van de fotografie had gezien. In de kern toonde haar intense betrokkenheid bij het lot van de medemens paralellen met het werk van fotograaf Koen Wessing, die in de jaren zeventig het geweld en de armoede in Zuid-Amerika fotografeerde en het documenteren van onrecht als een ononderbroken levensmissie en revolte zag.

Letitzia Battaglia slaagde erin zowel het gezicht van de maffia te tonen als de gezichten van de slachtoffers die voorheen in een vlug toegedekte dood verdwenen. Sinds enkele jaren is aan het openbaar moorden in de straten van Palermo een einde gekomen. De maffia is geïnfiltreerd in de politiek om haar economische belangen te dienen. De leden zijn hoog opgeleid en dragen witte hemden. Onzichtbaar voor de buitenwereld. Gezichtsloos. Hun bedrijven strekken zich uit over heel Europa: het uitvoeren en verkopen van groenten en fruit dat op zwaar vervuilde, ongecontroleerde grond geteeld wordt en op de internationale veilingmarkt aan dumpingprijzen verkocht wordt, het verwerken van gevaarlijk afval, het witwassen van misdaadgeld, de bezigheden van betonboeren en vastgoedbedrijven.

November 2017. Er gingen intussen zeven jaar voorbij en ik liep nog steeds met de fotografe en haar foto’s in mijn gedachten rond. Eén keer had ik contact opgenomen met Ron Lang Art gallery waar reeds de derde tentoonstelling van haar liep, maar het was toen net de laatste dag.
De catalogus was uitverkocht en Battaglia, bij elke opening aanwezig, was al teruggekeerd naar Palermo. Misschien moest ik naar Palermo reizen? Maar wilde ik haar wel ontmoeten, was het noodzakelijk haar te zien of te spreken om mijn portret over haar te schrijven? Kon ik met wat ik op video’s gehoord en gezien had, de geraadpleegde artikels en interviews, en tot slot een oeuvre met 600.000 foto’s die niemand ooit allemaal zou zien, een tekst schrijven die een blik zou werpen op het innerlijk van de vrouw achter de foto’s? Ik wist het niet, maar ik bleef de noodzaak voelen om de indruk die haar ‘Siciliaanse kronieken’ op mij nalieten te verwoorden en de onverschrokkenheid van deze wonderlijke vrouw onder de aandacht te brengen. In een recensie op de website van Ron Lang Art Gallery las ik dat haar werk wordt vergeleken met Caravaggio, de tovenaar van schaduw en licht, er een nevelzucht van Francesco Petrarca omheen hangt en Ragazzi di Vita van Pier Paolo Pasolini op de achtergrond speelt. Voor mij als toeschouwer was de meest onwaarschijnlijke ontdekking uiteindelijk, ondanks de hardheid, toch een vorm van poëzie.

Soms lag er over de foto’s een donkerte die de beelden een onbeweeglijkheid gaf als van geronnen bloed. Een residu van het ogenblik waarop de fotograaf alleen in de donkere kamer zijn of haar negatieven ontwikkelt en dan pas de impact van de beelden ziet, die met volle kracht terug in het open blikveld van de fotograaf als toeschouwer geslingerd worden. Geleidelijk ging ik beseffen dat iemand die zo’n archief opbouwt uiteindelijk geheel alleen komt te staan. Ongeacht de mogelijkheid die een galerie of een tentoonstellingsruimte biedt om de foto’s als een verhaal met een publiek te delen. Haar oeuvre baart een eenzaamheid die nergens toonbaar is en de fotografe waarschijnlijk nog amper kon dragen. Ik herinnerde mij een gedicht van János Pilinszky waarin hij schrijft: ‘…in al zijn poriën kon je zijn eenzaamheid zien.’ De dichter zag ik een close-up datgene wat je alleen maar kon zien als je onmenselijk lang alleen was geweest.

Tijdens het beluisteren van verschillende recente gesprekken met Letitzia Battaglia voelde ik de worsteling met de eenzaamheid waartoe ze eerst veroordeeld werd als aanklager van de maffia en later als maakster van een reusachtig, onzichtbaar geworden oeuvre. Waardoor ze tenslotte zelfs een afschuw van haar eigen werk ontwikkelde. Er waren foto’s uit haar archief die ze in brand wilde steken. Opdat ze niet meer zouden bestaan, of om ze niet meer te moeten zien. Het opnieuw bekijken van de beelden maakte haar triest. Zelfs verklaarde ze dat het heel gevaarlijk was om alleen te zijn, zonder precies uit te leggen waarom.

Het waarom was in de korte stilte tijdens de opname heel even in haar opengesperde ogen te zien.

In 1987 wordt haar leven gemarkeerd door de moord op de tienjarige jongen Claudio. Het kind wordt op straat neergeschoten nadat hij een getuigenverklaring tegen een maffialid heeft afgelegd. Het schokte haar zo erg dat ze de filmrol tot op heden niet ontwikkeld heeft.
Vijf jaar later, op 23 mei 1992, betekent de moord op de onderzoeksrechter Giovanni Falcone, zijn echtgenoot en drie lijfwachten opnieuw een onvermijdelijk keerpunt in haar leven als mens en fotograaf. De massa van ‘eerlijke mensen’ die naar de plechtigheid in de kathedraal van Palermo was gekomen stond tot ver buiten de kerk samengedromd. De inslag van de bom, een halve ton TNT die onder het wegdek verborgen zat, blies de auto en het half wegdek op en bracht een schok teweeg als na een aardbeving. Een naschok die door Sicilië en Italië trok en de mensen in diepe verslagenheid en verdriet achterliet. Het was een nooit eerder gezien machtsvertoon, een oorlogsverklaring aan de staat. Zevenvijftig dagen later werd Borsalino, de opvolger van Giovanni Falcone in het centrum van Palermo in zijn auto opgeblazen. Op twee maand tijd verloor ze twee van haar dichtste vrienden en ‘de hoop op een schoon Sicilië’.

Ook de begrafenis van Falcone fotografeerde ze niet. Hij bleef bewaard in de geheugens van miljoenen Italianen. Zoals ze in de documentaire van Jos van Put verklaart ‘… was het genoeg geweest’. Tussen de eerste foto van de vermoorde jongen Claudio en de niet gemaakte foto’s van de uitvaartplechtigheid, lag een leven van dagelijks fotograferen, revolte en strijd.

Het portret dat Battaglia maakte van Rosaria Schifani, de weduwe van één van de lijfwachten, is ondanks de diepe droefheid die erachter schuilt een van de meest beklijvende die ik zag. In verschillende interviews vertelt ze hoe moeilijk het was geweest, om oog in oog met Rosaria Schifani, een portret te maken. De eenentwintigjarige weduwe die zich in de San Domenica rechtstreeks tot de maffia had gericht en hen in haar toespraak ter verantwoording had geroepen, iets wat niemand ooit had durven doen, had sinds die dag een woedende uitdrukking in haar blik gekregen. Een uitdrukking die niet meer overeen stemde met de manier waarop Battaglia haar in de kathedraal had ervaren. Daarom vroeg ze Schifani om naast de gesloten blinden voor het raam te staan en haar ogen te sluiten. ‘Ik wilde dat ze haar ogen sloot, om niet alles aan de buitenwereld prijs te geven,’ vertelt ze in de documentaire ‘Speeches’.

Op de voorpagina van het boek ‘Passion, Justice, Freedom: Photgraphs of Sicily’ staat het portret van Rosaria Schifani verdeeld in schaduw en licht. De gesloten ogen en de naar binnen gerichte blik, ‘waar zich de waarheid bevindt,’ symboliseren voor mij als toeschouwer ook de innerlijke blik van de fotograaf. Het oog dat door de lens kijkt en het oog dat zich achter de gesloten oogleden bevindt, zijn één geworden. Als zij beiden weer de ogen openen valt het licht al elders en staat in een ander landschap een andere schaduw op.

Batagglia bleef voor het blad l’Ora foto’s maken tot het in 1992 moest worden opgedoekt.
Daarna richtte ze het vrouwenblad Mezzocielo op, zetelde in de gemeenteraad van Palermo en was plaatsvervanger in het regionaal parlement van Sicilië. Tijdens die jaren kwam het fotograferen op een lager pitje te staan. Het altijd beschikbaar moeten zijn, had onvermijdelijk een tol geëist. Haar samenwerking met Leoluca Orlando, de huidige burgermeester van Palermo, beschouwt ze als een gelukkige tijd omdat ‘ze het beste van zichzelf kon geven’. In de verpauperde delen van Palermo legde ze perken aan, beplant met palmbomen en bloemen.
Later moest ze constateren dat de palmbomen omgezaagd werden omdat ze zogenaamd ziek waren. Het verhaal van het ‘vermaledijde Sicilië’ kende geen einde.

Op 27 november 2017 post Ron Lang Art Gallery in Amsterdam op zijn facebookpagina het volgende bericht: Update about Letizia Battaglia: she is still in a hospital in Palermo but she quit smoking and all our positive thoughts help her to get better soon. Ik ga naar de facebookpagina van haar dochter en fotografe Shobna Angela Stagnatti en zie foto’s van Letizia Battaglia in een zwartzijden hemd op een ziekenhuisbed in Azienda Osperdaliera liggen. In het onderschrift staat dat ze onophoudelijk hoestend, samen met andere patiënten op een gang in het ziekenhuis op hulp wacht die niet komt: ‘Nog slechter behandeld dan iemand in een hospitaal voor leprozen.’
Het ziekenhuis is nochtans eén van de grootste in Palermo. In een daaropvolgende post lees ik dat ze uiteindelijk naar een privé-ziekenhuis is gebracht en aan de beterhand is en haal opgelucht adem. Battaglia strijdt, zoals haar naam zegt, zelfs van op een ziekbed in een vermaledijd ziekenhuis nog elke seconde van haar tweeëntachtig jarige leven verder, met de kracht van een vulkaan. Enkele dagen later, 4 december 2017 bericht Sobha Angela Stagnitta dat La Battaglia weer thuis is. Het begin van een nieuwe Palmeritaanse Odyssee vangt aan.

Forza Signora Letitzia Battaglia! Felice Anno Nuovo 2018!

 

 

 

Droombomen

 

Tegen sluitingstijd ging hij de winkel binnen en kocht enkele boeken. Het winkelmeisje aan de kassa vroeg of hij een tas nodig had.
‘Nee dank u, een tasje heb ik niet nodig, want ik weet niet of u dit weet maar een schrijver kan met zo’n papieren ding niets aanvangen. Iedere schrijver van formaat draagt namelijk zoveel creaturen van alle maten en gewichten in zich, dat zelfs de geringste gedachte aan al die overbevolkte boeken die de schrijver elke dag met zich mee troont, alvorens ze op papier ter wereld te brengen, gelijk welke tas onmiddellijk zou scheuren. Begrijpt u? Trouwens, denkt u ooit wel eens aan al die gesneuvelde bomen?’ Hij boog zijn lichaam over de toonbank en zijn neus kwam vervelend dicht bij de hare.
De winkeldeur ging open en er wandelde een eland binnen met een gewei als een takkenbos. ‘Kijk eens aan, al die droombomen!’
‘Bent u dan zelf ook een schrijver?’ vroeg het winkelmeisje.
‘Kent u mij dan niet?’
Het winkelmeisje schuifelde ongemakkelijk heen en weer op haar stoel. ‘Nee, het spijt me, ik ben nochtans al tien jaar werkzaam in het boekenvak en herinner mij niet dat er een foto van u op een achterflap van een boek door mijn handen is gegaan, en het waren er duizenden, tienduizenden misschien. Mocht er ooit een boek van u verschenen zijn, dan had ik het toch geweten. Uw gezicht zegt me werkelijk niets.’
‘Gelijk hebt u’, antwoordde het mannetje. Mijn portret staat op geen enkele boekenflap, mijn rug verschijnt in niet één edele boekenkast, maar ik ben dan ook geen schrijver van gewone boeken als het dat is wat u wil weten. Ik schrijf alleen stationsromans, in de trein op weg naar mijn baan, als rijtuigen na elkaar. En tenslotte slingeren ze overal rond. Vergeten en natgeregend op banken van natuurreservaten en pretparken naast een half verorberd lunchpakket. Achtergelaten in vertrek- en aankomsthallen van luchthavens en treinstations zonder ooit op hun bestemming te raken.
Maar misschien gaat u nooit op reis, of neemt u nooit een trein, en kent u daarom mijn boeken niet. Maar ik verzeker u dat ze over gans de wereld tot in de dutyfree shop van Guantanamo verkrijgbaar zijn. Ziet u, het is erg eigenaardig allemaal. Ik ben de best betaalde auteur ter wereld, maar niemand kent mij omdat ik in wat de mensheid het echte leven noemt, een gewone man met een gewone baan ben. Maar kijk nu eens naar mijn ogen. Het is zo dat bij schrijvers het ene oog altijd groter of kleiner is dan het andere, beide ogen zijn nooit gelijk. Het beste is als het ene oog wat loenst, dan weet je dat er een heel goede schrijver voor je staat. Vandaag loenst het mijne nu net niet, op andere dagen weer wel, afhankelijk of ik een goede nachtrust had of niet. Het is een eigenschap als iedere andere, zoals een pianist lange vingers nodig heeft om het klavier zo breed mogelijk te bestrijken en polsstokspringers lange benen moeten hebben om hen moeiteloos over de stok te zwieren. Nu begon mijn rechteroog op een bepaald ogenblik zodanig te loensen dat ik mijn baan als machinist moest opgeven en dus een schrijver van stationromans werd.
Zo eenvoudig is het. Je moet dan vanzelfsprekend een andere, geschikte machinist vinden, dan ga je meteen weer overal heen en kom je als vanzelf waar je zijn wil. Of misschien niet, maar dat doet hier nu niet terzake.’
De winkeljuffrouw gaf te kennen dat ze de winkel wou sluiten. Hij beëindigde zijn betoog, nam de boeken van de toonbank en sloot hen in zijn armen als waren het kinderen.
‘U houdt in ieder geval toch wel erg van boeken,’ zei de winkeljuffrouw nog.
‘Meer papieren hoofden gekust dan echte!’ riep hij uit.
‘Toch geen tasje dan?’
De winkeldeur vloog open en het mannetje en de eland verdwenen er in een wervelende sneeuwvlaag doorheen.

Foto: Stacy Hamilton

 

Archery

Het eerste woord dat vanochtend tijdens het scrollen op mijn scherm voorbijkwam was ‘archery’. Boogschieten. Heel toepasselijk en bijna wonderlijk leek dit woord te zijn ontsproten aan de samenkomst de avond ervoor, in het Herman Teirlinckhuis in Beersel, waar de voorstelling van de biografie van Stefan Van Den Bossche over Herman Teirlinck had plaats gevonden. Om praktische redenen, er waren meer genodigden toegestroomd dan het huis kon herbergen, was het nog naar drukinkt geurende boek, ‘Gij zijt zoveel mensen geweest’, in De Drie Fonteinen, het stamcafé van Herman Teirlinck, boven de doopfontein gehouden. Naar aloude streekgewoonte werd de turf van zeshonderdachtenzeventig bladzijden tekst en honderdvijftig bladzijden eindnoten, duizendvierhonderd grammen wegend, overvloedig besprenkeld met ambrozijn. Om de literaire honger te stillen die onder de genodigden was ontstaan, droegen dertien koorknapen terstond enkele dozijnen pareloesters, pasteitjes, truffels uit het Zoniënwoud en knapperige gouden kaaskroketjes op zilveren schotels aan. De gasten begonnen als bij toverslag gelijk opengebroken parelmoeren schelpen te blinken en te glanzen. Een waar Breugheliaans feest barst los. In het midden van de zaal sprong uit een kubieke muziekdoos ter opluistering van het feest de laatste prima ballerina van deze eeuw en danste in het midden van de pracht en praal, onder een kristallen kroonluchter uit de tijd van Louis XIV, tweeëndertig fouettés en tournant achtereen. Uit de glazen trompetten die voor het raam hingen parelde hemelse kerstmuziek. En in de kerktoren op het plein begonnen de klokken te luidden alsof het een aankondiging van een geboorte betrof. Herman Teirlinck, bedreven boogschutter als hij was, spande zijn boog hemelwaarts en een feestelijke vuurpijl zweefde vanuit zijn weidse ziel geruisloos door de klankvolle nacht. De pijlpunt, gesmeed in een heilig woudvuur en in een honingraat van de zon gedrenkt, raakte lichtjes de staart van een komeet, die in een fonkelende sterrenregen naar beneden stortte. De meester blies het glinsterend stof van zijn hoed en keerde met de regenjas over zijn arm, naar zijn huis, tussen de goden en godinnen, op de Uwenberg terug. De Uwenberg die opnieuw van u is en van ons. Onzen berg en Uwen berg.

‘Gij zijt zoveel mensen geweest’. Gefeliciteerd!

 

images-2

Het Kindje

 

Over Vulkanen, kraters en het Kindje zwalpend op een oceaan van Hokusai-golven.

Wij lopen rondjes op een kokende, kolkende vulkaan die op uitbarsten staat of welks grommend gerommel in stil stromende lava gesmoord zal worden en wij weten nog niet waarheen. Het wordt met de dag kouder en wij lopen rondjes om ons warm te houden. Want eens je stopt met lopen, zo vertelden de mensen die al lang rondlopen zonder eens een keertje neer te kunnen zitten, en je voelt ineens een klein vuurtje in je tenen, dan is het te laat en met de tenen, de voeten en het lopen gedaan.

Op de flanken van de vulkaan hangen de sinaasappels te koken aan de bomen.
De heilige man kon dit jaar, ginds niet komen, omdat hij nog geen nieuwe kolonie zwarte, witte of anders gekleurde knechten gevonden had.

De hemel zij geprezen moesten wij ons hier niet druk over maken want buiten het gekrioel van alle dagen, ontstond ineens een plein, een open vlakte, waar het voor de armen onder ons, vol met gratis knuffelberen lag. Er waren waarachtig nog heidenen.

En wie nog benen had die konden lopen en voeten om die benen te dragen,
liep voorbij het gekrioel, tot aan het plein, tot aan de Venus zonder armen, die behalve zij die uit de zee herrezen waren, niemand meer kon omarmen, en bleef onder een amethisten hemel staan, op de bodem van een ziel verzonken, tussen de doden, de levenden en een aangespoelde knuffelbeer.

Wij lopen rondjes op een kokende, kolkende vulkaan, onze voeten vol blaren liggen open van het lopen, op die hoogte en in een hitte, de negen hellekringen van Dante gelijk. En onze harten koken over en in onze hoofden smelten de gedachten, als ijsblokjes in een lavastroom.

Aan alle kanten door de Zee ingesloten, klotsen kleine stipjes in gevlochten manden tegen de golfbrekers, en spoelen blauwe en roze schelpen, tussen palmbomen en vissersloepen, in netten gevangen op het strand aan.

Over vulkanen, kraters en de lamp van Lampedusa, Pietro Bartolo en het zoeklicht dat een eeuwigheid lang over het lot van de mensheid scheen.

Wie zal volgend jaar het Kindje redden, duizend blauwe en roze stipjes, geboren op de schuimende Hokusai-golf van de Middellandse Zee?

 

The night sky over Lampedusa, August 2016. ©Marco Panzetti

Merel op een tak

merel closeAan de overkant van de parkvijver stond een groepje gesluierde vrouwen met gele plastieken handschoenen en een stok die op een bezemsteel leek, aan de afrastering van de vijver, rond een tamme kastanje bijeen. Het was niet duidelijk wat ze precies gingen doen. Wilden ze bladeren harken, noten rapen of was hun bijeenkomst een hymne aan de herfst? Twee orthodoxe joodse mannen, liepen alsof ze net het bericht hadden ontvangen dat de langverwachte plots gekomen was, de vrouwen in hoge snelheid vanuit de andere richting tegemoet. Regendruppels vielen op hun ronde bonthoeden in plastiek verpakt. De zwarte panden van hun zijden jassen wapperden als zwaluwstaarten achter hen aan. Meeuwen scheerden over de leeggelopen vijver die nu een tuin van onkruid, wilde bloemen en lange grashalmen geworden was. In het midden sprong er een kolonie witte, zwarte en bruine konijnen rond. Mussen, mezen en vinken hipten op zoek naar broodkruimels tussen het bladertapijt op de grond. Van onder de taxus met rode bessen waaronder ik schuilde voor de regen zag ik, tussen de roestbruine en groene weerschijn van de naaldtakken, een merel als een muzieknotatie tussen de lijnen van een notenbalk, op gedempte toon fluiten.
Al wat werelds was dwarrelde op en vloog weg. De vrouwen met hun gele handschoenen en de twee orthodoxe joodse mannen kruisten elkaar aan de overkant van de vijver en verdwenen tegen het blauwe licht van de lucht. Witte meeuwenvleugels klapwiekten tussen het gouden en vuurrode van de esdoorn. Heel even was het stadspark een impressionistisch schilderij waar ik op een bank onder een taxus met rode bessen, tegenover een merel op een tak, een steeds lichter geschilderd personage werd. Een schouwspel dat in een heldere droom ontstond en in een oogwenk weer was opgelost. Boven mijn hoofd rekten de naaldtakken zich uit en omsloten mij, gelijk de stilte achter een zacht gesloten kloosterdeur.

 

 

 

Insomnia (over Marina Tsvetajeva)

 

Het was vier uur in de nacht toen ik gewekt werd door het gezang van een mezzo sopraan. Het hoeft niet iedere nacht het lawaai van een generator te zijn. Ik hield mijn ogen gesloten tot ik hoorde dat het gezang niet van buiten kwam maar van binnen. Iemand zong vanbinnen in mijn middenrif. Het was een aria die ik niet kende of herkende. Soms klonk het als een oefenen van toonladders, hoge en lage tonen. Het zingen continueerde zonder dat ik er vat op had en zong zich door alles heen. Te wakker om nog te kunnen slapen, ging ik aan de tafel bij het raam zitten en luisterde naar de aria die zich in stanza’s met af en toe een adempauze steeds in hoger tonen verder zong.

Ik sloeg het boek open dat voor mij lag en las de eerste zin: De avondrook steeg op boven de stad. Zevenhonderddrieënzestig bladzijden, meer dan 650 gedichten, gedrukt op 70 grams Delphi dundruk papier. De ivoorkleurige bladzijden van mijn zopas verworven tweedehands exemplaar, Werken van Tsvetajeva geurden naar tabak als waren het vloeitjes van een net gerolde sigaret. Ik liet de bladzijden open waaieren en rook hoe het boek van het begin tot het einde van tabak doordrongen was. De vorige eigenaar moet net als Tsvetajeva een kettingroker geweest zijn zoals er waarschijnlijk geen meer bestaan. Ik probeerde mij iemand voor te stellen die hartstochtelijk van deze gedichten hield en zoveel tijd aan ieder gedicht had gewijd, dat er tussen elk blad van het 763 pagina’s tellende boek, een vleugje tabak was blijven kleven. Een andere benadering van de poëzie van Tsvetajeva, dan een totale overgave, was ook niet mogelijk. Je kon niet anders dan er in opgaan, tot er geen verloop van tijd meer was. Een zucht ontsnapte mij en ik begon te lezen in het besef dat wanneer de gedichten op een ander, nog onbekend tafelblad zullen liggen, zowel de geur van tabak, als beide eigenaars, uit het boek zullen verdwenen zijn.

In het huis waar Marina Tsvetajeva de laatste dagen van haar leven doorbracht, had mevrouw Brodelsjtsjikova haar getoond hoe zij van krantenpapier een sigaret kon rollen. Samen hadden ze de sigaret opgerookt. De hospita kon van de grijs geworden dichteres die met haar zestienjarige zoon Mur bij haar was ingetrokken geen hoogte krijgen en de armoedige dichteres stond haar eerst niet aan. Haar kleren waren afgedragen maar in de bloemensjaal rond haar hals hing nog de sfeer van Parijs. Het had mevrouw Brodelsjtsjikova verbaasd dat Tsvetajeva niets kon. Tussen haar bagage zaten enkele zakken bloem, zout en suiker maar ze was niet in staat geweest om te koken, of om eender wat te doen. Eén keer per dag ging ze met Mur in een gaarkeuken wat te eten halen.

Enkele dagen na hun aankomst in Yelabuga vertrok Tsvetajeva  met de rivierboot naar Tsjistopol waar ze een verblijfsvergunning wilde aanvragen en hoopte, met een baan als afwasser in de schrijverskantine, in hun onderhoud te kunnen voorzien. In Yelabuga kon ze niet blijven, er woonden geen mensen volgens haar en er was alleen een wodkafabriek. Al van bij haar aankomst was ze door een lokale agent van de NKVD, de voorloper van de KGB, benaderd en verzocht informant te worden. Haar vertrek naar Tsjistopol was een zoveelste vlucht.

De schrijfster Lydia Chukovskaya getuigt in The double beat of Heaven and Hell dat Tsvetajeva bij haar aankomst in Tsjistopol een verloren indruk maakte. Ze was angstig en gedesoriënteerd. Ze sprak zonder intonatie, haar ogen hadden hun glans verloren, haar huid was vaal en opgezwollen. Ze had overal hulp bij nodig en was ervan overtuigd dat de raad van de Schrijversbond haar geen verblijfsvergunning zou geven. Als aan een laatste strohalm klampte ze zich aan Chukovskaya vast. Toen de verblijfsvergunning haar mede door de aanwezigheid van Chukovskaya werd toegekend en ze alleen nog maar een kamer voor haar en Mur moest vinden, zag ze plots van alles af. Ze vroeg Chukovskaya of het nog wel zin had verder te leven. Haar gedichten werden niet meer gepubliceerd. Ze schreef niet meer. De pogingen van Pasternak om in Moskou een bundel van haar te publiceren waren op niets uitgedraaid. Ze werd politiek als onbetrouwbaar aanzien. Haar man Sergej Efron was als Sovjetagent ontmaskerd en kort na zijn aankomst in Moskou samen met hun dochter Alya gearresteerd en opgesloten. Sindsdien had ze niets meer van hen vernomen. Er was niemand meer, zelfs haar zoon niet, die haar nog nodig had.

Terwijl ze door de straten wandelden, op zoek naar een kamer, vertelde  Chukovskaya dat ze blij was dat Anna Achmatova niet in Tsjistopol ingekwartierd was. Ze zou het niet overleefd hebben want ze was tot niets praktisch in staat. Tsvetajeva, met alleen nog een baan als afwasser in de schrijverskantine voor ogen, ontstak in woede. Zij moest kunnen wat Achmatova nooit gekund of gedaan zou hebben: de vuile borden van collega’s afwassen in de schrijverskantine. Ironischer kon een lot niet meer worden. Alsof ze tegenover Achmatova, de mindere dichter was, in staat tot praktische dingen. Alsof er tussen de twee dichters een verschil in grootsheid en dus een andere maatschappelijke verwachting kon bestaan. Reeds in 1922 schreef ze aan de Berlijnse uitgever Visjnjak: ‘Zodra ik probeer te leven, voel ik me een armzalig naaistertje dat nooit iets moois zal maken, dat alleen de boel kan verknoeien en zichzelf verwonden, dat alles – schaar, lappen, garen – erbij neergooit en gaat zingen. Voor een raam waar het voor eeuwig regent.’

De laatste draad die haar nog met het leven verbond, knapte onverwacht.

Chukovskaya had haar niet met opzet willen kwetsen, maar het kwaad was geschied. De opmerking moet een diepe wonde geslagen hebben. Tsvetajeva wilde plots in geen enkele straat van Tsjistopol meer wonen. Ze vond alles angstwekkend en lelijk. Chukovskaya bracht haar naar het huis van vrienden waar ze met open armen ontvangen werd. Ze kon in hun huis overnachten, de volgende dag zouden ze haar verder helpen met het zoeken van een woning en werk. Even flakkerde zij terug op, droeg nog enkele gedichten voor, vertelde over de arrestatie van haar man Sergej Efron en hun dochter Alya en eindigde de avond met het gedicht Homesick. Halverwege stopte ze met lezen, zei dat ze weg moest, en vertrok. Ze beloofde dezelfde avond nog terug te komen maar kwam niet meer terug. Ze overnachtte in een slaapzaal van een Sovjetpension en keerde, van alle dromen en illusies ontdaan, op 27 of 28 augustus 1941 naar Yelabuga terug.

Voor het raam waar het eeuwig zou regenen rookte, ze een laatste sigaret.

Op zondag 31 augustus 1941 terwijl de bewoners van de Tataarse stad Yelabuga ontwaakten verhing Marina Ivanovna Tsvetajeva zich aan een henneptouw. Het jaar ervoor had ze al geschreven dat ze niet wilde doodgaan maar er eenvoudig niet meer wilde zijn. Het touw was waarschijnlijk het touw dat Boris Pasternak haar geleend had om bij haar vertrek uit Moskou haar bagage mee samen te binden.

Tussen de verschillende briefjes die ze naliet, was er één voor haar zoon Mur:

‘Murlyga! Forgive me, but to go on would be worse. I am gravely ill, this is not me
anymore. I love you passionately. Do understand that I could not live anymore.
Tell Papa and Alya, if you ever see them, that I loved them to the last moment and
explain to them that I found myself in a trap.’

Bij het afleggen van haar lichaam vond de kistenmaker in een binnenzak van haar kleed nog een klein boekje waar één woord in geschreven stond: de naam van het goelagkamp waar haar dochter Alya vermoedelijk opgesloten zat. De man hield het boekje tot het einde van zijn leven bij zich en gaf het daarna aan de familie van Tsvetajeva terug.

Buiten schoof een wolk voor de kastanjekleurige maan, een eekhoorn sprong tussen de opgekrulde bladeren, van tak naar tak. Ik legde mijn hoofd op het boek en hoorde als van iemand die achter de schutting van een verlaten tuin, zacht te snikken staat, het laatste geluid. Haar stem verhief zich in de ruimte tot een lichte, allesomvattende noot. Een ziel barstend uit de bolster van de tijd. De koperen samovar borrelde dag en nacht.

foto35-1

 

 

Geraadpleegde bronnen

Marina Tsvetaeva: The Double Beat of Heaven and Hell (Lily Feiler)
1994 Duke University Press

Tsvetajeva: Victoria Schweitzer 1994. Nederlandse vertaling Yolanda Bloemen 1996.
Uitgeverij De Bezige Bij 1996

Wegen naar Insomnia. Elegieën voor Marina Tsvetajeva: Johan de Boose 1996
Uitgeverij Poëziecentrum VZW

Tsvetajeva: Werken. Vertaling Margriet Berg, Marko Fondse, Anne Stoffel en Marja Wiebes. Uitgeverij G.A.Van Oorschot 1999

Foto Marina Tsvetaeva. Moskou, juni 1941. (Nasledie Mariny Tsvetavy: website, archief)

 

 

 

Een gouden steppenpaard

 

‘… Dus jij zoekt iedere dag naar woorden? Zit daar niet iets onnatuurlijks in, in het altijd met woorden willen bezig zijn? Sta jij ‘s ochtends nooit eens op met het gevoel dat je er geen zin in hebt?’ We zaten over onze sandwich gebogen en ik wist even niet wat ik moest antwoorden. We kenden elkaar bijna vier jaar en elk gesprek was zowel ontspannend als een uitdaging voor mij. Haar afwisselend melancholisch en sprankelend wezen, de altijd wakkere zin voor rechtvaardigheid en humor waren in de poel van mensen waar je gemakkelijk in verdronk, een verademing geweest. In de nazomer van 2012 stapte ze langs de keukendeur voor het eerst mijn in rijstmelk overkokend leven binnen. Om haar te verwelkomen had ik mijn Frida Kahlo T-shirt aangetrokken. Het T-shirt had ik al veel gelukkige dagen gedragen, en toen haar glimlach de ruimte binnenstroomde, wist ik dat zij de uitkomst van een voorspelling was. Haar vader moest een smid geweest zijn, ze straalde zijn warmte uit in het aambeeld van haar ogen. Van haar moeder, een paardenmenster, had ze een lange zwarte staart mee gekregen, waar ze op het einde van de dag, een dikke elastiek uittrok zodat het haar weer vrij tot op haar heupen kon hangen. Snel en vurig bewoog ze zich achter het fornuis, soms dromend onder de damp van de koperen koepel, die een versluierde sterrenhemel werd. Met een nieuw mes, stond ze ineens naast mij, de dagen van de week als een groot rond brood in fijne sneden te snijden. Haar aanwezigheid was als het Turks oog, het kwade en het boze weerde ze met een oogopslag af. Haar naam was Elif Özer. Een goudkleurig steppenpaard.

Bij het kraaien van de haan stond ik op, dronk koffie, at een geroosterde boterham en hoopte dat, voor ik het huis verliet, de doos met woorden zich in mijn hoofd zou openen en misschien iets nieuws zou tonen. Iedere ochtend koos ik een ander pad, speurend naar een plaats die nog onaangeroerd, verborgen lag. Soms vond je, als je de tijd had om ver te wandelen en diep te graven, tussen de aarde en het zand wat potscherven en fossielen, heel af en toe raapte je iets levends op. Een nieuwe vondst was waar je bij aanvang altijd op hoopte. Zoals die keer toen je langs een pad dat, hoog in de duinen, de ene duin met de andere verbond, een melanistische das in zijn hol aantrof.
Uit de droogte van het zand groeiden wilde roosjes in de volle bloei van hun zomer.

Ik slikte het laatste stuk sandwich door, nam een slok koffie en antwoordde dat het mij sinds ik kon lezen nog nooit overkomen was dat ik eens geen zin in woorden had. Je kreeg eenvoudigweg nooit genoeg van de mogelijke magie die uit de naast elkaar gezette woorden kon ontstaan. De variaties waren eindeloos. De levens die zich op het papier afspeelden verveelden nooit. Het waren tijdloze verhalen, meeslepend als de zangen van een Slavisch koor. Boeken en muziek waren reddingsboeien op een altijd woelige zee. Naar de oevers van het woord en de klank kon je altijd terugkeren. Zolang een leven duurde en misschien nog een leven daar voorbij.

We verlieten de sandwichbar in de regen en stapten om te schuilen de Groene Waterman binnen. In de stad is een droge ruimte altijd binnen bereik. Elif betreurde het dat ze te weinig tijd had om te lezen of om met iets anders bezig te zijn dan de kunst van het koken en wat we gemeen hadden: het overkoken. Tegen de avond als de kinderen alle drie in bed lagen kon ze van vermoeidheid, de armen uitgestrekt op bed, alleen nog maar de slaap omvatten.

Ik zag haar ogen nerveus over de bladzijden dwalen, haar dunne vingers ritselden door het papier. Dan keek ze van het blad op en hield ze haar hoofd schuin. De paardenstaart op de kruin vastgespeld viel opzij. ‘Wat een mooi liedje!’ Ze richtte zich tot de boekenverkoopster en vroeg haar of ze even kon nagaan wie dit zong. De boekenbediende keek verrast op en zocht in de playlist van haar Ipod naar het liedje. ‘Marco Farracio, heet de zanger en hij zingt Paris je t’aime’. ‘Fantastisch! Dank u wel. En hebt u ook nog een koffietje misschien?’
Ik zag de verbazing van de verkoopster boven het omzetcijfer van die dag uitstijgen. Glimlachend boog ik mij over de Verhalen van Tsjechov. De schrijver hield stevig vast aan de revers van mijn jas. Een paar minuten later stonden we zonder koffie met onze boeken opnieuw in de regen op de stoep. ‘Zullen we dan nu iets gaan drinken?’
Dit was helemaal Elif. Het één was altijd met het ander verweven. Felgekleurde knopen vormden over de dag en de nacht uitgespreid, de tekening van haar Smyrnatapijt.
Het verhaal verbeeldend van een Trojaans meisje dat uit het verbond tussen een Oud-Griekse smid en een paardenmenster uit Hisarlik werd gesmeed. Schat van Priamus. Wonderlijk Turks Oog!

Pascal Mouawad
Akhal Teke (foto: Pascal Mouawad)

 

Mya

 

In de stad wonen heeft af en toe zijn voordelen. Aan de overkant van de straat zie ik soms, als het licht ’s avonds brandt, de overbuurvrouw in haar kamerjas vanuit de keuken naar de woonkamer struinen. De overbuurvrouw heet Mya en omdat zij mij door deze aanblik aan mijn grootmoeder laat denken, sturen deze avondlijke beelden een soort van huiselijk gevoel naar mijn hersenen waar ik rustig van word. Mya en ik waren maar zeven meter van elkaar gescheiden. Naast haar woning lag nu het braakland waar net een rij huizen afgebroken was en de leegte gaapte.
Vanmiddag stond ik met mijn sleutel in de hand op het punt het huis binnen te gaan toen ze mij van op haar balkon met een gekromde vinger wenkte. ‘Kom even naar boven, ik heb een taartje gebakken.’ Ineens kreeg ik een licht Roodkapje in het betonnen bos gevoel en antwoordde wat ongerust dat ik niet zoveel tijd had. ‘Het duurt maar een minuutje,’ riep ze terug. Ik zette mijn fiets binnen en ging met de trap naar de tweede verdieping van het flatgebouw waar ik iedere dag vanuit mijn schrijfkamer op uitkeek.
Hoe het mogelijk was weet ik niet, maar toen ik in haar woonkamer stond bleek dat ze mijn lievelingscake had gebakken: citroencake!  Ik kon haar wel omhelzen maar hield me wijselijk in, het was de eerste keer dat ik bij haar op bezoek kwam en wilde nu ook niet te enthousiast overkomen. Ik keek door het raam van haar woonkamer naar buiten en zag wat zij zag als ze naar buiten keek. Aan de overkant zat Kris, de meester-portretschilder achter het brede raam van zijn atelier aan zijn vijfentachtigste portret te werken, een grote lamp verlichtte de tekening en zijn hoofd. Daarnaast lag mijn werkkamer, de gordijnen aan één kant gesloten. Mya wou heel graag eens op atelierbezoek komen, want ze had altijd de indruk dat ze, als ze naar buiten keek, kunstwerken in een museum zag. Of dat ik, als ik heel vroeg in de ochtend mijn licht aanstak en voor het scherm van mijn laptop schoof, als in een sneeuwdoosje zat. Je moest er alleen nog maar mee schudden. Ze vroeg of we onze telefoonnummers konden uitwisselen want Mya verzamelde graag mensen die om haar heen leefden om hen, als ze ergens heen moest, van haar afwezigheid op de hoogte te stellen. Dat vond ik een mooi idee, in een stad waar je eigenlijk amper je buren kent: toch de moeite doen ‘om mensen om je heen te verzamelen’. Aan tafel zat haar kleinzoon Tanguy een knutselwerk te maken, op een voetbankje lag het boek dat ze aan het lezen was: ‘Een verwend nest’, van een onbekende schrijver.
Ik stelde haar voor enkele boeken uit mijn bibliotheek te komen lenen.

Een week later vond het burenfeest in de Haantjeslei plaats. Ik tikte haar nummer in en vroeg of ze zich al ingeschreven had. Ze had van het feest gehoord maar als nieuwkomer geen inschrijvingsstrookje ontvangen. Haar zangerig stem sleepte wat na. Ik reserveerde een vegetarische paella voor haar en om zes uur schoven we aan lange tafels naast elkaar aan. Links van mij namen haar Roemeense buren plaats, een jong gezin met twee kinderen dat na Berlijn in Antwerpen een nieuwe thuis had gevonden. De man die zich aan mij voorstelde en wiens naam ik niet begreep omdat hij iets te ver van mij verwijderd zat, voerde in een onberispelijk Nederlands zacht het woord. Zijn accent was grappig, maar absoluut niet om te lachen.
Met een ongelooflijke vastberadenheid om de taal zo zorgvuldig mogelijk te spreken vertelde hij ons duidelijk articulerend de laatste weetjes wat het wonen in Antwerpen betrof. Zijn vrouw herinnerde ik mij sinds ze bij hun aankomst in een perkje dat door de groendienst van de stad was aangelegd en waar een bonsai groeide, bloemen had geplant. Een week later gooide een andere stadsdienst het perkje met de zware voet van een verkeersbord volledig plat. Toch schoten de korenblauwe bloemen en de bonsai samen de hoogte in. Charmante doorzetters waren onze nieuwe Roemeense buren.

Aan de overkant van de tafel was een koppel Nederlandse duifjes neergestreken. Op het einde van WO II, geringd en weggevlogen, nog steeds op de vlucht. Het meisje had blond haar, een beige baret schuin op het hoofd, grijsblauwe ogen en rode gestifte lippen in een licht abrikoos bepoederd gelaat. Een beige trenchcoat, gecentreerd in de taille, nylons en pumps. De jongen ontbeerde een deukhoed en een regenjas en droeg gewoon sneakers, een jeans en een slobbertrui, maar kende zijn klassiekers. ‘We will always have Casablanca’, mijmerde hij en knipoogde naar de deejay: ‘Play it Sam… When time goes by, for old times’ sake!’ Naoorlogse rook verblindde onze ogen. Ik dronk mijn Tangueray gin met rozenwater en een takje verse rozemarijn zo traag mogelijk op en keerde in de laatste zwoelte van de avondwind met mijn woestijnvos aan de leiband terug naar huis.

De volgende ochtend stak Mya aan de overkant van de straat om zes uur haar lichten aan. Ik maakte koffie en ging aan mijn schrijftafel zitten. Om tien uur rinkelde zij mij met haar mobiel uit mijn dromen wakker en vroeg of ze mij in mijn inspiratie stoorde en of ik iets nodig had. Ze ging naar de bakker, die nog tot twaalf uur open was. Ik herinnerde mij het lijstje dat ik haar onlangs doorstuurde met, naar mijn smaak, de beste bakkers van de stad. Daar wou ze nu even langsfietsen. Ik bedankte haar uitgebreid en wist ineens wat mij volgende week rond tien uur te wachten stond: ‘Meidje,’ want zo noemde ze mij en in haar dialect betekende dit liefje, ‘ik stoor je toch niet in je inspiratie? Kan jij voor mij misschien een brood halen? Bakker Aldo is tot twaalf uur open vandaag!’

 

20171005_200249

 

Koktebel

 

Waar bevindt zich het hart van de zomer? (Het waait en regent alsof het een herfstige oktober- in plaats van een septembermorgen is. De roep van de eerste trekvogels, in hun lange vlucht naar warmere oorden, kondigt een te vroeg ingetreden herfst aan. Buiten houden de merels en stadsmussen die van verenkleed veranderen, zich al dagen stil.)

In Levend over levend schrijft Marina Tsvetajeva dat 11 augustus het middaguur van het jaar is. Het hart van de zomer. De dichter, schilder en criticus Maximilian Voloshin overleed die dag in Koktebel om twaalf uur ‘s middags. ‘…Met zijn leeftijd in jaren minder verbonden dan met de seizoenen en de uren van de dag.’* Sinds het in het hart van de zomer op een van de warmste uren van 2017 voor de duur van een andante cantabile herfst en vervolgens winter werd, had ik het gevoel dat naarmate de uren van de dag of de nacht, ook de seizoenen konden wisselen. De sfeer en de intensiteit van enkele minuten, elk seizoen kon oproepen en je de warmte of de koude van een innerlijk seizoen gewaar kon worden, dat onafhankelijk van een aan temperatuur gebonden tijd bestond. Een verschuiving die ook langs het literaire gebied trok. De Russische schrijvers, die ik voorheen alleen tussen 21 november en 21 april las – want in maart begon na de dooi de eerste bloei, en al wat ontdooide kon onmogelijk Russisch zijn -, kondigden zich die dag, tegen het wit uitspansel van mijn gemoed, onmiskenbaar aan.

De zomer verdween in de kleur van een ginkgoblad en door het vooruitzicht van een sneeuwstorm voortgestuwd keerde ik nog voor de herfst begon, met de seizoenen op een slede gebonden, over de Alma rivier naar het Koktebel van Maximilian Voloshin en Marina Tsvetajeva terug. De handen op de rug gevouwen, schaatsten hun levende zielen in capes, helderrood als de vruchtdozen van de kardinaalmutsenboom, over het licht krakende ijs voorbij. De seizoenen schommelden heftig heen en weer.

Levend over levend was een ode aan Maximilian Voloshin, die alles voor Tsvetajeva betekende. Zij vereerde hem als een mythologisch wezen.Voor de dichter was zij de rode toermalijn die hij tussen de stenen op zijn berg gevonden had. ‘Later zou zij nooit, hetzij als emigrante, hetzij in Sovjet-Rusland, zoveel diep en oprecht medegevoel ondervinden.’* Maximilian Voloshin, de eeuwig stralende zon, die haar dichterlijk wezen, die dolende ziel oplichtte, was in al haar seizoenen aanwezig. Daarom kon ik zoals op de dag dat ik dit stuk begon te schrijven en op het internet naar een foto van hem zocht, en tot mijn verbazing 8 november 1932 als de datum van zijn overlijden vond, niet geloven dat hij op een grijze dag in november overleden zou zijn, maar eerder die dag als een heldere ster na een donkere augustusnacht, opnieuw verschenen was. Zijn toermalijn schitterend op de berg, waar hij als een versteende reus te slapen lag.

 

 

marina_tsvetaeva-0-11
Elena Voloshina (Pra), Maximilian Voloshin, Sergey Efron, Ariadna (Alya) en Marina Tsvetajeva. Foto GLM archief, internet

 

132252347_RRSRyoRR_RRRSRRRR_Ryo_RRSRRR_RSSRR_RR_SRRRSR_SSRRRR_R_RRRR_RRRSRyoRRyoRRyoRRR_RRRRSRyoRR_R_RRRSRRRRR
Marina Tsvetayeva, Lilya Efron, Sergey Efron,Vladimir Sokolov, Vera Efron, Yelena Voloshina. Koktebel’, 1914 g. Foto GLM archief, internet

 

 

Noten:

Marina Tsvetajeva. Levend over Levend. Vertaald uit het Russisch door Anne Stoffel (Voor- en nawoord Irina Grivnina) Uitgeverij: De Bezige Bij, Amsterdam 1996

* Marina Tsjevatjeva, p.13
* Irina Grivnina, voorwoord, p.8

Kikker

Op vrijdag 14 september 1597 werd Josijne van Vlasselaer, geboren in Kampenhout en gehuwd met Aert van Beethoven, op de Grote Markt in Brussel tot de dood op de brandstapel veroordeeld. Deze ongelukkige vrouw, door haar buren beschuldigd van hekserij omdat ze haar tegen een kikker hadden zien praten, bleek een voorouder van Ludwig van Beethoven te zijn. Ik legde het boek waarin de geschiedenis van de vermeende heksen uitvoerig beschreven stond (Heksenprocessen in de Nederlanden) verbouwereerd opzij en luisterde van op het dakterras tussen de kamperfoelie, het kaasjeskruid en de jonge ginkgo-, amandel- en olijfbomen naar de kikker die op de parking van uitgeverij De Vries-Brouwers woonde en zonet één keer had gekwaakt. Luid en duidelijk. Kwaak!

Hij kwaakte nooit meer dan één keer en, met een interval van tien minuten, soms een tweede en een derde keer.

Daarna viel elk geluid op de parking stil zoals in het weekend altijd het geval is. De kikker wilde vermoedelijk laten horen dat hij er nog was. En ondanks het snoeien van de treurwilg en de populier in zijn buurt, het neerhalen van de decennia oude gevels en het stof dat iedere dag op ons neerdwarrelde alsof we in een bombardement terecht gekomen waren, was hij niet van plan een poot te verzetten van de plaats waar hij had post gevat, alsof hij net uit een onder het stof bedolven verhaal van een van de boeken uit het magazijn van de uitgever was ontsnapt.

Het magazijn stockeerde sinds de oprichting van de uitgeverij in 1946, duizenden boeken. Elke week zag ik Patrick, de magazijnier, nieuwe paletten vol boeken het magazijn binnen rijden en de ruimten puilde steeds verder uit. Kinderboeken, jeugdromans, proza, poëzie, geschiedenis, sprookjes, esoterie, kookboeken, filosofie, dier- en plantkunde, dieetboeken, psychologie, sport en spel, mythen en sagen, uitgever Isy De Vries: liet in zijn bestaan weinig onderwerpen ongemoeid.

Het magazijn liep van aan de parking in een L-vorm onder ons huis door en mondde langs een nauwe kruipgang, terug op de begane grond, aan de voorkant van de straat uit in een boekenantiquariaat. Het was onmogelijk in de lange gang nog ergens een lege vierkante meter te vinden. Op een herfstige avond van een onbekend jaar deed Isy De Vries om 18 uur het licht uit, liet de rolluiken naar beneden en trok de deur van het antiquariaat voorgoed achter zich dicht. Sindsdien was alles wat in het antiquariaat hing, stond of lag onaangeroerd gebleven. Zelfs het potlood waar hij die dag de prijs van een boek of iets anders mee had genoteerd, lag nog scherp geslepen op het blad van zijn bureau. Als een stilleven dat nog geschilderd moest worden en waarop, als kaftillustratie, alleen nog een kikker of een prins zou ontbreken.

Eenmaal in de buitenlucht, had de kikker zich buiten het blikveld van Isy De Vries en zijn personeel een nieuw leven aangemeten. Gans de lente en de zomer hield hij mij tijdens het schrijven gezelschap. En liet zich nu vanuit zijn grote ommuurde put, bij het opkomen van de halve maan in de heldere zomerhemel, nog één keer horen. Donker en droevig. Kwaak! Ik legde een afgevallen blad van de ginkgo als bladwijzer in mijn boek, opende de laptop, en zette onder het zachte schijnsel een lied op voor de kikker: Beethovens Piano Sonata No. 14 in C sharp minor Op. 27 No. 2.
De volgende ochtend zouden bulldozers en grijpkranen hem uit zijn traag barstende, paradijselijke put verdrijven.

 

(Heksenprocessen in de Nederlanden, Fernand Vanhemelryck,
Davidsfonds Leuven, 1982)