Berestologie

 

Speaking Birch_154056

 

Als een onontcijferbaar teken aan de herfstgetinte okeren wand, had ik week na week, de golven uit mijn Venetiaans roodgekleurd haar zien verdwijnen. Haren die nooit terug zouden komen, vielen tijdens het kammen op de witte tegels van de badkamer, ontworteld en naderhand overal in de woonvertrekken verspreid. Toen mijn moeder mij na het laatste bezoek belde met de boodschap dat ze ’s avonds overal had moeten stofzuigen omdat het tapijt en alles eromheen, alle plaatsen waar ik had rondgelopen, vol haren lagen, begreep ik dat er een oplossing moest worden gezocht. Ik was er erger aan toe dan een hond in de rui. Uit een krantenbericht dat recentelijk was verschenen, meende ik mij te herinneren dat de Brechtse Trappistinnen een wondershampoo hadden gebrouwen. De shampoo, op basis van Westmalle Trappist Dubbel, scheen een balsem voor de haren en je kreeg er volgens de abdis, zuster Katharina, ook nog krullen van. 

Ik klapte de schelp van mijn laptop dicht en vertrok om het haar van mijn hondenziel met deze ambrosia te redden. Een half uurtje later stond ik in de sobere, moderne winkel, gelegen in een voorportaal van de immense abdij, omringd door uitgestrekte landerijen, weilanden en vruchtbare heidegrond. Een nooit eerder gezien aantal eikels, vroeg gevallen door de hitte van de afgelopen zomer, lag langs de oprijlaan en onder de bomen in tapijtjes bijeen, paddestoelen met rode hoeden schoten tussen de grassprieten even ongebreideld en onstuitbaar uit de grond, de herfst lag er voor het rapen. Een van de kloosterzusters die zich met de verkoop van de producten bezighield kwam mij, anders dan in de muffe wereld van de winkelketens, met een frisse welwillendheid tegemoet. Een levend bewijs van de werkzaamheid van hun producten. ‘Je haren zullen er hoe dan ook wel bij varen,’ verzekerde ze mij. Over mijn ziel sprak ze niet. 

‘Vroeger waste mijn moeder ons haar altijd met bier, zo behielden de papillotenkrullen veel langer hun vorm. Het is in feite niets nieuws.’ Ik keek tersluiks naar het dikke zwarte haar dat halverwege haar kruin onder het zwaluwkapje zat weggestoken. Ze had ‘een goede draad’, zoals dat heet. Ik moest de geur maar eens proberen. Ze duwde mijn handen in een porseleinen kom met licht verzeept water en liet een paar dikke druppels van de shampoo in mijn handpalmen vallen. Ik wreef de gouden emulsie open en rook aan het licht geparfumeerde schuim. Een oude wereld waarin moeders het hoofd van hun kinderen met bier en papillotten bewerkten ging terstond voor mij open. Het goud was verpakt in een beugelfles van 33cl en bevatte 10 procent Westmalle Dubbel. In mijn brein begon iets rijkelijks te gisten. Ik neem ineens een kratje mee dacht ik, dat gaat er met Kerstmis zo door.

De Trappistinnen produceerden al sinds 1964 afwasmiddelen, kaarsen en zeep en hielden daarmee een lange traditie in stand. De ongeschreven regel luidde nog steeds dat ‘je pas een echte kloosterling bent als je kan leven van het werk van je eigen handen.’ In de drie verzorgingslijnen, stijlvol uitgewerkt in zwart en wit, zoals de kleuren van hun hemd en overjurk, waren zowel shampoo, bodylotion, douchecrème als handzeep te verkrijgen. Kwaliteitsvolle fairtrade producten op basis van lavendel, aloë vera, heidebloemen, rode jeneverbes en goudsbloem. Allen voorzien van de merknaam Trapp, handgeplukt uit hun eigen tuinen.

Nadat ik mijn aankopen had afgerekend, vroeg ik de zuster of het domein toegankelijk was. Haar armen, vlerken in een zwarte-witte hapijt, openden zich weids. ‘Je kan van hier tot in de heide wandelen.’ Gods wegen waren even onmetelijk als ondoorgrondelijk. Een decennium lang door lesgevende zusters opgevoed, die zich bijeen gepropt in een Dafje of naargelang het aantal kinderen dat naar school moest worden gebracht, in een aftandse, geblutste stationwagen verplaatsten, bleek mijn nieuwsgierigheid voor de levenswijze van kloosterlingen in de huidige tijd, geheel intact. Bovendien waren kloosters nog steeds oorden van de stilte en inkeer waar ik als stadsbewoner een chronisch gebrek aan had. Meestal werd ik in die staat van nood door iets buiten mezelf vanzelf naar een bepaalde plek gezogen, zonder een idee te hebben waaruit de aantrekkingskracht van die plek precies bestaat. Soms was het iets doodgewoons als een berkenboom die me vanuit de plek waar hij stond, als een soort godheid riep.

 De Brechtse heide bleek een krachtplaats van de natuur te zijn. Een magische plek, waar druïden, geesten, elfen en andere efemere wezens onzichtbaar rondwaarden. Buiten verraste mij opnieuw de hoeveelheid eikels die in de tuin en de oprit van de abdij donker gewelfde tapijtjes vormden. Ik wilde mijn schoenen uitdoen en er met mijn blote voeten overheen lopen, maar zag langs de boog van een kloosterraam een van de bewoonsters voorbijlopen en bedacht dat dit bij een eerste bezoek enigszins ongepast was. Langs een van de zijmuren die de abdij omsloot probeerde een man met een konijn onder de arm, over de omheining in de kruidentuin te klauteren. De omgeplooide tippen van zijn schoenen schampten af van de natuurstenen muur. Na enkele pogingen gaf hij het op en liep met het konijn langs de poort die al die tijd open stond, de kloostertuin binnen. 

 Ik stapte het weiland in en liep naar de witte berk die achter de abdijtuin eenzaam in het landschap groeide. De shampooflesjes klingelden in de bruine papieren tas lichtjes tegen elkaar. De ruimte schuimde. Toen ik voor de berk stond drukte ik mijn handpalmen tegen de met mos begroeide witte bast en liet mijn gewicht in de armen van de boom vallen. Licht als een wilgenkat aan een tak voelde ik meteen een innemende kracht. En meende een zacht gezoem te horen. Een energie die vanuit de aarde doorheen de boom stroomde, rond de takken en het gebladerte hing en waar geen thermometer voor bestond. Misschien alleen gevoeld kon worden met een seismograaf voor de zintuigen, op scherp. Aan de rand van het bos, zag ik twee paarden elkaar achterna galopperen, hun staarten zwiepten in de lucht. Zonder ergens anders aandacht aan te besteden bleef ik naar de paarden kijken die in de weide aan de horizon als in een soort dans, achter elkaar draafden. Ik hield mijn handen tegen de berkenbast en voelde de stam traag voor mij uit schuiven. De weide was afgezet met een lint, maar de bewegingsvrijheid van de dieren op hun afgeboorde strook, trof mij als een diep gemis. Het bovenste deel van berk waartegen ik volop leunde schoof in de ruimte verder voor mij uit, terwijl ik zelf geen millimeter bewoog. Het was een onbekende gewaarwording, een metamorfose van een hoogst, immateriële soort. Zonder dat hij zijn wortels verplaatste, was er iets in de boom dat in de ruimte verschoven was of verschoof slechts de ruimte het bovenste deel van de boom? Voorzichtig haalde ik mijn handen van de berk en liet mijn armen in een slingerbeweging naast mijn lichaam vallen. 

 Vier eeuwen lang, van 1050 tot 1450, werd de bast van deze boomsoort door de inwoners van de stad Novgorod, tweehonderd kilometer ten zuiden van Sint-Petersburg, gebruikt om teksten op te schrijven. Dit ging van juridische en literaire teksten tot dagdagelijkse kattenbelletjes en liefdesbrieven. Eeuwenoude boodschappen die tot op heden, in strookjes berkenbast gekrast en door de zuurtegraad van de bodem geconserveerd, uit de Russische klei naar boven blijven komen. Jos Schaeken, docent Slavische en Baltische talen en expert in de Berestologija of Berkenbastkunde schreef er een boek over: ‘Voices on Birchbark’. Een hoogstmerkwaardig, uniek boek dat voornamelijk geënt is op het jarenlange onderzoekswerk van zijn Russische voorgangers waarvan ‘Het Oudnovgorodse dialect’ van Andrej A. Zaliznjak, een boek uit 2004, de essentie van de Berestologie bevat. Helaas is dit bronwerk enkel in het Russisch verkrijgbaar. 

 Ik nam nog enkele foto’s van de boodschappen producerende berk en wandelde terug, zonder te kijken wat ik gefotografeerd had. Pas wanneer ik thuis was en de foto’s van de berk bekeek zag ik wat er gebeurd was. Peinzend en turend in de spleten en kieren van mijn dichtgepekt wezen, begreep ik eindelijk dat wat zich in de ruimte vooruit had geschoven (terwijl de wortels van de boom geen millimeter hadden bewogen en de takken hun armen verder in lucht strekten) zich terzelfdertijd met al zijn kracht uit mijn onderbewuste, als uit de klei van Novgorod, naar boven had getrokken, en het onontcijferbare, door het verschuiven van de dingen, uiteindelijk leesbaar werd. 

 Uren later, lang na middernacht, besefte ik ten volle wat het was, wat het was geweest dat verschoven was, en plengde bitterzoete tranen. Gelouterd stapte ik met het heidebadschuim van rode jeneverbes dat mij diezelfde dag door een zuster, waarin verleden en heden samenkwam, cadeau was gegeven, in de plensende regen naar buiten en liet vanop de kruin van mijn hoofd, waar ooit de fontanel was geweest, tot de puntjes van mijn haren, de goudgele druppels van de wondershampoo in de regen verschuimen en bleef daar tot de ochtend wachten, om in het gloren van de dag, een nieuwe haardos te ontwaren. Uiteindelijk was ik geen ruiende hond meer, maar een wilgenkat die boodschappen verspreidde, hangend in een berkenboom.

 

Het Rome van Pier Paolo Pasolini in muurschilderingen (II)

Diavu-Pasolini-Rome

 

Op de voorgevel van de voormalige Cinema Impero aan de Via dell’Acqua Bullicante in de wijk Torpignattara schilderde David Vecchiato, beter bekend als Diavù, een zeer gedetailleerd portret van Pier Paolo Pasolini in Pop-Art stijl. De felle, contrasterende kleuren en sterke omlijningen benadrukken de krachtige blik van iemand die zoals Pasolini het zelf benoemde over een ‘hopeloze vitaliteit’ beschikte. De peilende, waakzame ogen van iemand die ‘anders was’, zoals zijn beste vriend Alberto Moravio hem omschreef. Iemand die al vroeg wist dat hij op zijn hoede moest zijn. Pasolini werd voor zijn essays en schandaalverwekkend cinematografisch werk ongeveer drieëndertig keer voor de rechter gedaagd. Ondanks de vijandigheid waarmee hij vaak bejegend werd, bleef hij een buitengewone artistieke productie en onverschrokkenheid aan de dag leggen. De moed van deze man moet enorm geweest zijn en weerspiegelt zich in de veerkracht van dit portret.

Het portret zou een geschilderde close-up van een fragment uit het laatste interview ‘L’ulitma intervista a Pier Paolo’ van 31 oktober 1975 kunnen zijn. Het was de laatste keer dat de wereld het gelaat, de altijd elegante verschijning, de ogen verscholen achter een getinte bril in levende lijve zou zien. In dit interview dat op youtube onder dezelfde titel terug te vinden is, herken ik dezelfde krachtige blik. Het is echter ook de blik van iemand die voorvoelde dat er iets te gebeuren stond. Net uit Stockholm teruggekeerd, waar de beruchte film Salò, of de Honderdtwintig Dagen van Sodom aan de pers werd voorgesteld, moet hij zich aan iets verwacht hebben. Naarmate de conversatie verder loopt, zie je Pasolini’s ademhaling steeds onregelmatiger, hortend, schokkerig worden. De ogen achter zijn bril vernauwen tot spleetjes. De openheid is van zijn gelaat verdwenen. Je leest de ongerustheid op zijn gezicht, alsof hij zich in het nauw gedreven weet.

De zin waarmee hij de conversatie besluit en later de titel van het interview zal worden, komt niet uit het ongewisse: ‘We lopen allemaal gevaar. Ondanks het voorvoelen van de dreiging die tot op de vooravond van zijn dood een rode draad was die door gans zijn leven liep, kon hij aan het noodlot niet ontsnappen. Enkele uren later zou in de nacht van 1 op 2 november 1975 op het strand van Ostia de gruwelijkste moord op een kunstenaar ooit worden gepleegd. Zijn gelaat werd onherkenbaar kapot geslagen, een oor was half van het hoofd afgescheurd. Verdere details over deze slachtpartij opsommen vind ik om voor de hand liggende redenen onnodig, die werden namelijk in alle krantenartikels na 2 november 1975 verschenen, uitvoerig beschreven. Het kapotgeslagen gelaat van de dichter is door het werk van al deze kunstenaars in zijn oorspronkelijke waardigheid in ere hersteld. De schokgolf die de manier waarop hij werd gedood teweegbracht en mij steeds is bijgebleven in de vorm van een bevroren verbijstering en onbegrip is uiteindelijk de reden van dit schrijven.

In Diavù’s portret schemert vooral ook de ‘vreemde zachtheid’ door, die volgens Alberto Moravio, als Pasolini’s voornaamste karaktertrek gold. De blik die tevens de rauwe realiteit overstijgt.  Een realisme dat tegensteld aan de visie van Antonin Artaud over het portret, voor wie ieder gezicht een dodenakker was, een bron van kleur en levendigheid is. Van ‘een hopeloze vitaliteit’.

 

©Vincenzo de Franscesco / La Repubblica

 

Op de trappen van de Nuovo Mercato Trionfale (aan de Via Andrea Doria, in de wijk Prati) vereeuwigt Diavù de filmdiva Anna Magnani, bekend van Mamma Roma. Beide portretten van Anna Magnani, voluit lachend met een kat in haar armen en dromerig een hond omhelzend, komen je van op de trappen, in een sfeer van onschuld en speelsheid, met een bijna tastbare tederheid tegemoet. (In een voorafgaande, denkbeeldige scène, verbeeld ik me het elegante getrippel van dierenpootjes die de brede, beregende Romeinse trap afdalen net voor Magnani ze optilt en in haar armen sluit. Diavù schildert zijn personages met dezelfde poëtische, sensualiteit, die ook bij de personages in Pasolini’s films terug te vinden is.

 

Foto: Vincenzo de Franscesco / La Repubblica

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

pigneto-ppp-600x450

In de Via Luchino in Pigneto bevindt zich op de muur van een school de schildering van Andrea Gardia. Het tafereel van een voetballende Pasolini (met de acteur Toto aan zijn zijde) verwijst naar de bekende foto van Federico Garolla waarop Pasolini in Quarticiolli voetbalt met de buurtkinderen. Deze afbeelding is een onderdeel van een zestig meter lang werk. Het voetbalspel was voor de Italiaanse meester even belangrijk als gedichten schrijven. Naar aanleiding van de wedstrijd België-Italië op het EK 2016 in Frankrijk vertaalde Piet Joostens een tekst van Pasolini over voetbal. ‘Elk doelpunt is een vondst, een subvertering van de code. Elk doelpunt is onverbiddelijk, een flits, een wonder, iets onherroepelijks. Net zoals een gedicht.

Federico Garolla.roma_big
©Federico Garolla

 

In een reeks werken herbekijkt de Franse kunstenaar Zilda enkele scènes uit de film Salò. De film is een bewerking van de achttiende-eeuwse roman van Markies De Sade en representeert Mussolini’s Republiek in 1944. De film wordt als een aanklacht tegen het fascisme in de jaren zeventig beschouwd. (Het was de eerste en enige keer dat ik kokhalzend uit een film ben weggevlucht en buiten op de stoep, het overgrote deel van de toeschouwers, onder  heftig tumult, verbijsterd de filmzaal van Cartoons zag verlaten.) De personages uit de huwelijksscène in Via di Porta Portese ogen strijdvaardig en hun houding staat in schril contrast met hun ontmenselijkte rol in de film. Salò is omwille van het gruwelijk en schokkend karakter in een groot aantal landen waaronder Italië zelf, nog steeds verboden.

Zilda-Salo-via-di-porta-portese

 

 

De scène uit de film Mamma Roma is eveneens van Zilda. Moeder van Rome en tegelijk prostituee. Moeder van Ettore, de zoon die niets van haar verleden mag weten. Wanneer hij er echter achterkomt wie ze is geweest, kan ze ondanks alle inspanningen hem een ander leven te geven geen ‘echte moeder meer voor hem zijn. Haar verleden haalt hen beiden in wanneer de aanbeden zoon, verkeerde vrienden ontmoet en zelf verliefd wordt op een jonge prostituee. Deze personages uit de klassieke Italiaanse Neo-realistische cinema kaderen in het project Io sono una forza del passato. (‘Ik ben een kracht uit het verleden’) een gedicht uit La risotto 1963, door Orson Welles voorgedragen.  Zilda werkt vaak met paste-ups die hij thuis voorbereidt. De geschilderde figuren worden later op zorgvuldig uitgekozen plaatsen opgeplakt. Bijna zijn het uitgeknipte afbeeldingen van heiligen die in het licht van een schijnwerper in een iconenhoekje of een nis (ter aanbidding) werden ondergebracht waardoor de omgeving als vanzelf, door de kleur en de lichtinval, een driedimensionaal centrum wordt.

 

Mamma Roma street art Rome Zilda
Mamma Roma & Ettore

“Don’t you realize that the world of which I am the blind and loving son was not your son’s joyous possession, soft with dreams, armed with goodness but an ancient land of others that to life imparts the anxiety of exile?”

 

(Uit het gedicht The Discovery of Marx vertaald uit het Italiaans door Arianna Bove and Michael Hardt.)

 

 

Schermafbeelding 2019-09-23 om 14.40.10
Susanna Colussi Il vangelo secondo Matteo’.

Omdat, naar mijn gevoel, het gelaat van Sussana Colussi, de moeder van Pasolini in dit gedeelte ontbreekt, nam ik deze video still uit Il vangelo secondo Matteo (1964) waar zij de rol van Maria op latere leeftijd speelt. Het verhaal wordt verteld vanuit een episch-mytisch, religieus oogpunt. Zoals in veel van zijn films koos Pasolini ervoor om met ‘echte mensen te werken, wiens ‘psychologische essentie, echt en oprecht is, in plaats van met acteurs wiens technische kennis, in het natuurgetrouwe karakter van zijn films onnodig zijn.  De foto van Pasolini’s moeder refereert op een bevreemdende manier aan de beschrijving van het ogenblik waarop zij op 2 november 1975 verneemt dat haar zoon dood is aangetroffen. In de biografie Pasolini, Requiem verwoordt Swartz eigenlijk de still uit Il vangelo secondo Matteo. De ijselijke gil van de moeder die haar zoon aan het kruis genageld, ziet sterven. Pasolini koos zijn moeder voor de rol omdat hij wist dat haar lijden niet gespeeld zou zijn, maar ‘oprecht. De mystificatie van moeder en zoon vindt hierin een filmische werkelijkheid die alle andere mogelijke werkelijkheden overstijgt.

 

Nicola-Verlato-Hostia-2015-Ostia-Helga Marsala696x461
Mercato Appigliatore, Ostia ©Nicola Verlato

Op de Mercato Appigliatore, de oude markt van Ostia schildert Nicola Verlato het ogenblik van de moord op Pasolini, niet door één, maar door meerderen gedood. Het verhaal van de zeventienjarige Giuseppe Pelosi met wie Pasolini de avond had doorgebracht en hem uit zelfverdediging zou vermoord hebben is intussen lang achterhaald. Was het een toeval dat het lichaam van de atheïstische, marxistische, homosexuele schrijver, precies in de nacht van Allerheiligen op Allerzielen tussen zakken vuilnis op een verlaten strand met prikkeldraad omspannen, verbrijzeld en van zijn ziel beroofd in Ostia werd achtergelaten? De vermoedelijke opdrachtgevers, machtige mannen en figuren uit de onderwereld, zijn intussen bejaard of overleden. Het gerecht heeft er vijfenveertig jaar lang alles aan gedaan om de ware toedracht niet te hoeven achterhalen.

In een essay verschenen in 1944 in de krant Liberta, beschreef Pasolini, tijdens een bezoek met zijn vader aan Rome met een voor zijn nog jonge leeftijd, frappante luciditeit, in een dagdroom zijn eigen einde. Ik bevond me ergens met mijn vader. Toen begon ik een angstaanjagend kloppen van mijn hart te voelen; ik sprong overeind en draaide me om om naar de stad te kijken: rood, immens, verlaten. Ik werd overvallen door duizeligheid en tegelijkertijd door een enorme kalmte. Mijn zicht werd verduisterd en alles toonde zich aan me met die mengeling van buitengewone helderheid en verwardheid die voorwerpen aannemen vlak nadat je bericht van een niet terug te draaien ongeluk hebt gekregen. En toen begreep ik dat ik dood was, ik begreep dat ik die brug, dat huis, die stad niet met mijn ogen zag. En er klonk ook muziek, een treurige en hoge muziek waaruit de beelden voortkwamen.’ (Pasolini Requiem, Barth David Schwartz, p199)

De eeuwige strijd van Pasolini tegen de corruptie in zijn land, het conformisme, het consumentisme, het geweld en het machtsmisbruik wordt in deze kunstwerken opnieuw in beeld gebracht en in vraag gesteld. Zijn passie voor het menselijk gelaat, de zoektocht naar authentieke figuren, zijn pogingen om de menselijke psyche te doorgronden, het gelaat in al zijn facetten en emoties weer te geven, zijn kenmerkend voor zijn filmisch en literair werk en vind je naar mijn mening in deze muurschilderingen terug. In Pop-Art stijl of naar de Oude Meesters geschilderd, zijn de kunstwerken misschien wel een roep naar een hergeboorte van het humanisme dat in de 21ste eeuw meer dan ooit nodig blijkt. Pasolini kon zich met deze verzameling portretten al fresco geschilderd, als nieuw teken in de tijd, geen mooiere hommage wensen. 

Om te eindigen citeer ik de beklijvende afscheidsrede van Alberto Moravia, uitgesproken voor de menigte die zich op de Campo di Fiori op 5 november 1975 rond het lichaam van Pier Paolo Pasolini, voor de laatste keer verzameld had.

Pasolini was een kostbaar element voor elke samenleving en elke samenleving zou blij zijn om Pasolini als een van hen te hebben. Italië heeft een dichter verloren (en echte dichters zijn zeldzaam in elke samenleving). Slechts drie of vier dichters worden elke eeuw geboren en Pasolini was een van deze drie of vier. Aan het einde van deze eeuw zal Pasolini een van de weinigen zijn die nog tellen. Een dichter zou heilig moeten zijn en we hebben deze buitengewone dichter verloren. Het beeld van een man, te voet op de vlucht voor een wezen zonder gezicht dat hem heeft gedood, is een emblematisch beeld voor dit land.

 

Wijk Pigneto @Zilda

 

Het Rome van Pier Paolo Pasolini in muurschilderingen (I)

 

Sinds 2015 kan je met de app StreetArt Roma en een ouderwetse plattegrond in de voorsteden en steegjes van Rome ongeveer driehonderd muurschilderingen bezoeken. De kunstwerken zijn verspreid over de honderdvijftig straten van dertien districten en gemaakt door Italiaanse, Romeinse en verschillende buitenlandse kunstenaars.

Omdat mijn blik deze zomer niet verder dan de horizon van de Noordzee reikte, raakte ik enkele weken verdwaald in een zoektocht naar de nog steeds onopgehelderde moord op de dichter Pier Paolo Pasolini op 2 november 1975 op het strand van Ostia nabij Rome. Tijdens deze literaire helletocht maakte ik ter ontspanning en met de hulp van de StreetArt Roma app en google-maps, een uitstap naar het hedendaagse Rome van Pasolini, waar ik enkele prachtige muurschilderingen ontdekte. Picturale odes aan de dichter wiens oeuvre, vierenveertig jaar na zijn dood, blijft inspireren. De onophoudelijke strijd die hij met zijn films, polemieken, toneelstukken en gedichten (ongeveer tweeduizend bladzijden) tegen de politieke corruptie, de massaconsumptie en het neofascisme in de jaren zeventig voerde, zijn in de globale verrechtsing van deze tijd, waar macht en wreedheid steeds nieuwe verbonden sluiten, actueler dan ooit. Zijn bijna tastbare aanwezigheid in de volkswijken waar hij het liefst vertoefde werd een iconisch symbool in de Eeuwige Stad. Een wonderlijke hergeboorte van een van de grootste Italiaanse dichters van de tweede helft van de twintigste eeuw.

 

 

verlato2-1229945506
De Sixtijnse Kapel van Torpignattara © Nicola Verlato

 

In de wijk Torpignattara brengt de kunstenaar Nicola Verlato op de zijmuur van een flatgebouw met een tien meter hoge muurschildering een indrukwekkende ode aan de dichter. De stijl is zeer monumentaal en klassiek. Het werkelijkheidsgehalte is overrompelend. Het meesterwerk – een grisaille in witte en grijze tinten – werd door Verlato oorspronkelijk ‘Hostia’ genoemd. De lokale bevolking doopte het werk al snel om tot ‘De Sixtijnse Kapel van Torpignattara’. Verlato schildert Pasolini’s lichaam op het moment dat hij zijn dood tegemoet gaat. Een mytische beeld, als de val van Icarus. verlato6Bovenaan, aan de rand van een Dantiaanse hellekring, staat de vermeende moordenaar Giuseppe Pelosi met twee journalisten en een politieagent. Onderaan zit een jonge Pasolini op de schoot van zijn aanbeden moeder voor wie hij altijd ‘een dichter’ was.

 

 

torpignattara-street-art-romepasolini-3

 

verlato4-2401268517Omringd door Petrarca, de meester en gids die hem tijdens zijn prille, literaire zoektochten begeleidde en Ezra Pound. Hoewel Pound, Mussolini-aanhanger, antisemiet en collaborateur, een andere politieke overtuiging had dan Pasolini, was hij een van zijn inspiratiebronnen. Ezra Pound werd bij de bevrijding van Italië door de Amerikanen in een kamp in de buurt van Pisa geïnterneerd waar hij ‘The Pisan Cantos’ schreef. Hij zou na zijn vrijlating uit een psychiatrische instelling waar hij twaalf jaar verbleef uiteindelijk naar zijn geliefde Italië terugkeren. Voor hij stierf op 1 november 1972 deed hij alles wat hij gezegd en geschreven als onzin af, bewerend ‘dat hij nooit iemand gelukkig had gemaakt’ en, wijzend op zijn hart, ‘dat hij daar in volstrekte eenzaamheid woonde, midden in de hel’. Ondanks zijn politiek obscuur verleden behoort Canto 81, Pounds’ spirituele testament, tot een van mijn favoriete gedichten, door Pasolini onwerkelijk mooi voorgedragen tijdens een interview in 1967 met de auteur die toen reeds op hoge leeftijd was. 

Met dezelfde kracht waarmee de Pietà van Michelangelo in de Sixtijnse Kapel mij vandaag nog even veel weet te ontroeren als op het eerste ogenblik dat ik haar zag (er stond toen nog geen glazen stolp overheen zodat er geen barrière was tussen de onmiddellijke zintuiglijke en esthetische gewaarwording en de confrontatie met de bijna tastbare schoonheid van het werk) trof mij, de felle aanklacht van De Pietà Secondo. Deze muurschildering van Ernest-Pignon-Ernest werd in verschillende wijken, van Testacio tot Trastevere en het Tiberina eiland, in steeds andere kleuren meermaals gekopieerd (gedupliceerd). Pier Paolo Pasolini draagt zijn eigen dode lichaam. De donkere, zwarte blik richt zich naar de toeschouwer waardoor het lijkt alsof Pasolini uit de de muur naar je toe komt gestapt en tegelijkertijd gevangen blijft in het licht. Het dramatische, realistische effect wordt bereikt door het toepassen van licht-donkereffecten zoals in de schilderijen van Carravagio en Rembrandt, de meesters van het clair-obscur.

 

Pasolini-Pietà-Roma-2015-5-1
Pietà Secondo © Ernest-Pignon-Ernest

 

 

In de wijk Pigneto, die haar naam te danken heeft aan een lange rij pijnbomen, bevinden zich drie muurschilderingen. De werken werden in 2014 in het kader van een herontwikkelingsproject met de naam Light up Torpigna in de Via Fanfulla da Lodi aan Pasolini opgedragen. De wedergeboorte van de buurt wordt in krantenartikelen omschreven als een once-upon-a-time ‘microcosmo perduto’ (verloren microcosmos) waar etnische groepen ‘si strongono la mano’ (handen schudden). Deze plek was zeer geliefd bij Pasolini, hij nam er zijn eerste film Accatone op. De karakterisiteke acteurs vond hij in deze buurt. In de wijk bevindt zich ook de bekende Bar Necci dal 1924, het decor waartegen een deel van de film zich afspeelt.

 

I nomi 2019-08-14 om 11.25.24.jpg

 

De kunstenaar Omino71 schilderde zijn eerbetoon aan Pasolini “Io so i nomi” (2014) (Ik ken de namen) tegen de gevel van een oude carrosserie. Pasolini draagt het masker van een superheld, compromisloos, vechtend tegen het politieke systeem. De titel verwijst naar de openingszin van een beroemd artikel van Pier Paolo Pasolini in Il Corriere della Serra op 14 november 1974, geschreven tijdens de jaren van terrorisme in Italië.

Ik ken ze. Ik ken de namen van de verantwoordelijken achter deze zogenaamde coup – in werkelijkheid een hele reeks coups die gepleegd worden om de macht veilig te stellen.

Ik ken de namen van de verantwoordelijken achter het bloedbad in Milaan van 12 december 1969.

Ik ken de namen van de verantwoordelijken achter de bloedbaden in Brescia en Bologna in de eerste maanden van 1974. Ik ken de namen van de ‘top’ die de oude fascisten, de bedenkers van de coups, de neofascisten die de eerste bloedbaden hebben uitgevoerd, en de ‘onbekende’ materiële daders van de recentste bloedbaden heeft gemanipuleerd….’ Ik ken ze. Maar bewijzen heb ik niet. Ik heb zelfs geen aanwijzingen…’

(De roman van de bloedbaden, uit het Italiaans vertaald door Piet Joostens – Vaarwel en beste wensen Pasolini Poëzie en Polemieken.)

 

 

Omino-71-Io-so-i-nomi-2014-via-Fanfulla-da-Lodi-Roma-photo-Giorgio-Benni-480x320
Via Fanfulla da Lodi, Roma – Foto: Giorgio Benni

 

 

Een paar meter verder kijkt Pasolini’s oog in zwart en wit over Pigneto. Het is een werk van Mauro Pallotta of ‘Maupal’ (2014), getiteld ‘L’occhio è l’unico che può accorgersi della bellezza’ (Het oog is het enige dat schoonheid kan zien), uit Lo Sguardo. Een uitspraak van Pasolini over het gevoel van een levende schoonheid en het mysterie van het kijken. Het is een oog dat alles ziet, een alziend, wakend, waakzaam oog. Palllota schilderde het werk in één dag, met enkel zwarte verf en vuil water.

 

-l’unico-che-può-accorgersi-della-bellezza-2014-via-Fanfulla-da-Lodi-Roma-photo-Giorgio-Benni-480x320-1
Via Fanfulla da Lodi, Roma – Foto: Giorgio Benni

 

 

 

Punta del mescoAan de overkant van de straat schilderde de kunstenaar Mr. Klevra, ‘Piccola Maria’ geïnspireerd door Pasolini’s film ‘Il vangelo secondo Matteo’ (Het evangelie volgens Mattheus, 1964). Het portret is van Margherita Caruso, de actrice die de rol van een jonge Maagd Maria speelde in de film. De tragisch, open blik en de bezwerende, vreemde tekens achter haar in een gouden aureool, magnetiseren de ruimte. De vermiljoenrode sluier geeft het realistisch geschilderd gezicht een Byzantijnse uitstraling. Het mystieke vloeit over in een symbolische weergave van de realiteit. Het beeld refereert mijn inziens aan een uitspraak van Pasolini over zijn cinematografisch werk: ‘Wat ik in mijn hoofd heb als visueel veld zijn de fresco’s van Masaccio, Giotto en Piero Della Francesca, de schilders van wie ik naast bepaalde maniëristen zoals Pontormo het meest houd. Ik ben niet in staat beelden, landschappen of figurencomposities te creëren in welke vorm dan ook zonder mijn passie voor de schilderkunst van de 14de eeuw erbij te betrekken, die de mens als middelpunt heeft.’

 

Piccola Maria – Foto: Giorgio Benni

 

 

(Wordt vervolgd)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bianca

 

‘Kan u om te beginnen even een cijfer selecteren dat uw energiepijl zou weergeven op een schaal van nul tot tien. Tien betekent dat u in topconditie verkeert.’

Ik keek even nadenkend naar de punten van mijn schoenen en zei toen: ‘dat zou drie zijn dokter.’

‘Ah, dat is niet veel,’ antwoordde zij.

‘Ik weet het dokter, daarom ben ik ook naar u gekomen, om te voorkomen dat ik binnen enkele weken bij nul zou eindigen. Nul is geen getal zoals u weet.’

‘Inderdaad, enig idee waar die daling  vandaan zou kunnen komen?’

‘Tja, het lawaai van slijpschijven dat elke dag van zes uur ’s ochtends uit een aanpalende bouwwerf boven het gekwetter van de vogels uitstijgt, mijn twee hersenhelften elke keer vierendeelt, door mijn nog slapend lijf slijpt, is na zes jaar om te zeggen, onhoudbaar geworden dokter. Het houdt hier nooit op. Zijn ze langs de ene kant van de straat klaar met een werf dan staat er al een gapend gat aan de overkant te wachten om met beton te worden volgestort. Daarnaast wordt de luchtkwaliteit in deze stad zo abominabel dat ik buiten haast niet meer durf te ademen. Eigenlijk adem ik zo weinig dat het een wonder is dat ik nog leef. De stadse, westerse omgeving doet me geen deugd meer zoals weleer.’

‘En dan die mensenstroom dokter, al die personages met hun schubbige koppen en vissenogen, die je leeg en koud aanstaren, hun te nauwe kieuwmonden waar niets dan geblubber uitkomt. En ook, ja sinds het resultaat van de verkiezingen bekend werd en Vlaanderens lelijkste er met kop en schouders uitschoot, het uitschot, lijken deze gelijkgestemde koppen steeds vaker een soort van bruin slootwater, blubber, uit te borrelen in plaats van mooie regenboogbellen. Het lijkt of iedereen na die zondag, ongebreideld zijn of haar vissengal, zijn blubber moet spuwen. In de bus, de tram, de straat, aan de kassa van de supermarkt, het lijkt hen niet eens iets uit te maken, het doet er niet toe naast wie ze staan als ze maar hun gal kunnen spuwen. Zoals vorige week, toen ik van de hel van de Herentalsebaan en de Turnhoustebaan, langsheen de Plantin-Moretuslei op weg naar huis fietsend, even aan een strookje rust, een laatste streepje avondzon toe was, het vijf meter brede voetpad van de Britse Lei opreed en prompt door een voetganger in maatpak – waar ik twee meter vandaan fietse – nijdig tot de orde geroepen werd.

“Het voetpad is voor voetgangers madame!” Alsof ik een idioot was en hij de zonnekoning van de stad.

Toen ik omkeek zag ik dat het de zoon van een overleden, bevriend acteur was. De zoon had zich in de loop der tijd, behoorlijk naast zijn schoenen flanerend, tot een pedante confrater ontpopt, zodat het voetpad, vijf meter breed, nog steeds niet breed genoeg was voor zijn ego. Een ego dat hij vergeefs opgepoetst, in de vensters van deze stad bij gebrek aan elegantie, overal dacht te moeten etaleren. De schoonheid van zijn vader daarbij mateloos ontberend.

Dit alles dokter, het gedoe van sommige lieden, de nepheid van hun innerlijke en uiterlijke wereld, hun wezen, dat zij als een vuile, natte dweil, overal met zich mee slepen om het tegen de avond, als een mens moe gewerkt even over het voetpad scheert, in je nek te gooien, waardoor je je plots in het licht van de avondschemer, tussen de touwen van een bokskring bevindt.

Gelukkig was er ook die ene magische dag, toen ik langs dezelfde weg, ter hoogte van de Marie-Henriettalei, plots Spaans gekwetter hoorde en een van mijn vriendinnen met twee Spaanse dansers op één step zag staan. Paula, Charo en Martina. Lachend en gierend, achter elkaar balancerend op die step. Dat maakt dan alles weer in één keer goed. Dan stijgt het cijfer op de schaal van drie naar negen, breekt de zon van het Zuiden door, gaan de vensters van de ziel open en de stemmen van de vrouwen vliegen als zangvogels uit hun kooien en in de straten beginnen de dingen vanzelf Sevillanas te dansen en te zingen.

Maar dan komt de avond, wanneer het stilaan donkerder en eindelijk stil wordt, je de regen kan horen tikken op de laatste rode pannen van het dak van het laatste puntdak van de laatste buren die hun huis nog niet aan het monster van de immobilien hebben verkocht. En in het langzaam deemsteren raak ik zo uit mijn doen, dat ik de verdere nacht geen oog meer dicht doe. Alleen nog aan de maan van Pavese denk. De Maan en het vuur. Het laatste boek dat hij schreef, voor hij zijn leven in hotel Roma in Turijn, met een overdosis pillen en een laatste zin zijn dagboek sloot.

‘Ik vergeef iedereen en vraag iedereen vergiffenis. Zo goed? Klets niet teveel.’

‘De schrijver benam zich van het leven? U hebt toch geen vreemde gedachten?’

‘Nee dokter, de meeste van mijn gedachten zijn vrienden, en als ze al vreemd waren zou ik er alles aan doen opdat ze in geen tijd vrienden zouden worden. Ze staan me na, ik hou van hen als van geliefden en zou de moed niet kunnen vinden hen in het ongeluk te storten, in triestheid achter te laten, hun levens te verpulveren door het moedwillig beïndigen van mijn onbenullig bestaan. Zoiets zou ik nooit doen. Daarbij hou ik ook teveel van mijn landschappen. De meesten onder ons herinneren zich de plaats waar ze gewoond hebben en waar je zoals in De zeeën van het Zuiden, een gedicht van Pavese, uiteindelijk ‘naar terug kan keren op je veertigste om te zien dat alles er nieuw is.’  Maar ik besta slechts uit vluchtige herinneringen van landschappen en plaatsen waar ik woonde, maar nooit thuis was, waardoor een terugkeer niet mogelijk is. Ik zie veel huizen maar weet mij nergens meer wonen. Wij leefden altijd al als sedentaire nomaden, wat onthechting maar evenveel ontheemding meebracht. Tot ik mij in de literaire landschappen van Montale en Pavese opnieuw iets herinnerde en het onbestemde een plaats kon geven in Jouw Land,…waardoor ik toch het gevoel had zonder een al te zichtbare eenzaamheid ergens te kunnen bestaan. (De eenzaamheid van een mens is van ver zichtbaar, ademt zich langs zijn poriën uit.) In het geruis van de wind over de zeeën, stranden, cipressen, rotsen, een inktvisgebeente op het strand achtergebleven, het zongeblakerde schild van de cicaden. Tussen de sloepen van de vissers op het Gardameer, waar ik op een romantische nacht geboren werd en in een wijnmand terug in het water gezet. Overal heb ik naar mijn plaats gezocht.

Vaak tot de ochtend wakker gelegen, denkend aan de vissers die de zeilen van hun slapende sloepen oprollen, zwijgend de netten schikken en uit de bodem van hun ziel, het anker lichten. Iets in mij dat onophoudelijk spartelt en bij het water niet meer is weg te slaan, speurt nog naar de spaan van wat ooit een roeiend paar moet zijn geweest, waar ik in het donkerst van een nacht, langs de rivier van de hemel naar de maan van Pavese en het vuur van Montale kan varen.

Voor al die slapeloze nachten dokter, en om de graden op de schaal te verhogen, had ik graag een briefje van u verkregen om mijn tijdelijke absentie te verklaren.’ 

 

 

 

 

Stof op de neus
van mijn schoenen
Verstrooid
loop ik terug in de tijd

Etruskische goden krimpen,
splinters
in de poriën van mijn huid

De zielevogel,
een vlek
Een handpalm groot
vliegt uit –
In de nestkast
van mijn grootmoeder
die een mystica was –
keren geluiden
als uilen
terug.

Een geur van regenwater
en oranjebloesem
doordrenkt
de vaasscherf,
waarin zij zich,
gezeten bij de Tiber,
van kruik naar kruik
in een waterval
van klanken
heeft uitgestort.

 

ma 143217

 

 

 

 

 

Shaman en de tapirdroom

Shaman and the tapir in the Amazone 20.20.06.jpg

 

In Florida is deze week een kweker van exotische dieren door een van zijn eigen vogels gedood. De kasuaris, een van de gevaarlijkste vogels ter wereld – al zou ik het geen vogel willen noemen want hij kan niet vliegen – kan tot een anderhalve meter groot worden. De soort, die tot de loopvogels behoort, begon zo’n 65 miljoen jaar geleden te evolueren en komt van alle dieren het dichtst bij een levende dinosaurus. Op de middelste teen van elke drietenige voet, groeit een dolkachtige nagel van tien centimeter, een vlijmscherpe klauw, waar de kasuaris met een enkele trap, het lichaam van elk wezen dat een bedreiging voor hem vormt kan openrijten. De ongelukkige eigenaar van de vogelachtige soort kwam vrijdag op zijn boerderij ten val en werd als een prooi door het dier aangevallen. De man werd nog overgebracht naar het ziekenhuis maar overleed uiteindelijk aan de gevolgen van zijn verwondingen.

Wat mijn eigen einde aangaat ligt, gezien de snelheid waarmee het klimaat opwarmt, alles al vast. Geen geworstel met exotische, vogelachtige soorten, komodovaranen, hongerige ijsberen, wilde rode termieten, waterboa’s of wat dan ook; ik zal vredig in mijn hangmat onder een versleten klamboe en een slapende Zuid-Amerikaanse tapir naast mij op een strooien mat, ten ondergaan aan de beet van een Aziatische tijgermug. Geen eenentwintigste-eeuws gevecht als tussen David en Goliath. Zelfs in het hartje van de winter wisten de muggen mij onder eender welk geïmpregneerd deken te vinden en overleefden de bitterste kou, dankzij de uitgestrektheid van mijn huidoppervlak en een overvloed aan warm, stromend bloed. Mijn boeddhistische gelofte om geen levende wezens te doden gaf ik noodgedwongen op, het karma kruipt waar het niet gaan kan. Ondertussen breidt de Aziatische tijgermug, naarstig zoals alleen insecten dat kunnen, haar leefgebied uit met 100km per jaar en zal deze zomer in onze contreien neerstrijken op plaatsen waar niemand het verwacht. In stilstaand water of in de kelken van bromelia’s hangend in pastelkleurige bloempotten op het balkon, in de opgestapelde autobanden aan de ingang van een bandencentrale of gewoon op een verlaten autokerkhof. Gedroomde broeiplaatsen voor deze gestreepte mug, die net voordat ze in het grootste geheim duizenden eitjes zal leggen, ook mij zal weten te vinden. Of u.

De westnijlziekte die mij enige jaren geleden, na een bezoek aan een vierduizend jaar oud koningsgraf in de Egyptische Nijldelta, als een vloek van Toetanchamon trof, overleefde ik maar net door liters tonic te drinken. Maar de tijgermug overleeft ondertussen alles, zowel hoge dosissen kinine als andere antistoffen waar je van gaat hallucineren zodat de muggen in je dromen duizend keer worden uitvergroot. Een sluw, loerend facetoog wordt, en een slurf in plaats van een zuigsnuit krijgt. Een lamentabel einde, aan een of ander ziekenhuisbed, ’s nachts tussen kraakwitte lakens vastgebonden, zal mij gelukkig gespaard blijven! Welkom O tijgermug! Met de dodende kracht van een Afrikaanse olifant.

Les yeux sont faits

 

Tessera © Vidy Roman museum

‘Alles komt goed!’ Hoorde ik hem door de telefoon zeggen. Het was iets wat voordien nog nooit over zijn lippen was gekomen. Toen ik de telefoon neerlegde wist ik niet waar hij het over had. Alles komt goed! Alsof de teerling geworpen was en er aan de schitterende uitkomst van de worp – een oog, oogluikend naar de sterren gericht – niet meer getornd kon worden. De dag raasde voorbij en het onschuldige, positief bedoelde zinnetje, dat door overdadig gebruik meestal zijn doel voorbijschoot, bleef nu als een koffieboon tussen de rest van het koffiegeruis in de molen van zinnen en uitspraken ronddraaien en ik kreeg hem niet geplet.

Waarom had hij, die zich nooit van banale uitspraken bediende, zich nu van deze onverteerbare koffieboon bediend? Wat komt er goed? Bleef ik me afvragen en waar sloeg het eigenlijk op? Was er dan iets dat hoogdringend goed moest komen? En was datgene – alles – wat zich op dat moment aan ons voordeed en onze houding daartegenover, verhoudingsgewijs niet goed, of niet goed genoeg? Moest het dan nog beter worden? Waarom was alles niet goed zoals het nu was? Ook wanneer het helemaal niet goed was of zelfs uitermate slecht, op sterven na dood?

Ik vroeg het hem maar niet. Zoals gewoonlijk zou hij dan over de stoïcijnse weg beginnen waar geen hindernis als goed of slecht beschouwd wordt. Je alleen maar moest beseffen dat je onderweg zomaar pal op je gezicht kon vallen en je tijdens de val vooral moest proberen je neus niet te beschadigen, ‘want wie zijn neus beschadigt, beschadigt zijn gezicht’.

Daar was hij erg beducht voor omdat hij een prominente, grote neus had. Die neus stond hem overigens wel. Hij had er naarmate hij ouder werd, het gezicht voor gekregen. Dit bewees eigenlijk dat alles goed kwam, en zelfs zoiets als een neus, zich na verloop van tijd aan de omstandigheden van de mens aanpaste. Net zoals drie miljoen jaar geleden de menselijke schedel een eerste, drastische verandering onderging omdat de hersenen van het geslacht Homo begonnen te groeien en het gezicht verhoudingsgewijs verkleinde, waardoor de neus, eerst twee reukholtes, om ruimte te maken voor de groter geworden hersenen, in zijn huidige vorm naar buiten werd geduwd.

Gezien de omvang van zijn neus had hij wel erg veel plaats voor zijn hersenen nodig gehad. Ik belde hem opnieuw en vroeg om mij ervan te verzekeren dat ik hem juist begrepen had, nogmaals hoe het met hem ging. ‘Goed’ zei hij ‘dat heb ik je toch net gezegd. Wat wil je nog meer weten? Scheelt er wat?’ ‘Nee hoor. Alles komt goed, toch?’ Alsof ik door het oog van de geworpen teerling naar een wereld keek die eeuwig bloesemroos bewasemd was.