O skelet

 

Permeke 30.10.2018

 

Het was om een of andere ongrijpbare reden, of louter wegens een zeldzame, gelukkige samenloop van omstandigheden in het bestaan zelf, een begeesterde herfstdag geworden. Ondergedompeld in een goud- en koperrood sprookjesachtig licht.

Je vroeg je zelfs af of je in dit huidige klimaat nog wel een winterjas nodig had.

De memorabele dag gisteren, toen het overal stormde en er in de Ardennen zelfs sneeuw viel was van bij het opstaan al weggewaaid met de afgevallen bladeren.

De donker wordende dagen hadden plaats geruimd voor een warmte, opgeroepen door gedachten en gevoelens, en niet van deze wereld. Je adem stokte als je er aan dacht, als van iemand die heel lang gehuild had, en dan abrupt stoppen moest. Het naschokken ervan tussen de ribben bij het middenrif als bij onuitgesproken verdriet. Het bladgoud van gevels weerspiegelde in de achtergebleven regenplassen, een langzaam wegzinkende stad. O skelet!

De levenden en de doden. Je moest ze nog groeten. En zonder er verder over na te denken deed je het. Bij het binnenkomen in de Permeke bibliotheek stond een Mexicaans dodenaltaar opgesteld waar je onmiddellijk een foto van wilde maken. De aanwezigheid van de figuren en schedels in papier-maché brachten al je reizen naar Mexico in herinnering. Die begonnen waren bij het Labyrint van eenzaamheid van Octavio Paz en eindigden met een blik op de oudste varens van de wereld, waarvan je een steeltje bewaarde tussen de bladzijden in het Mexicaans dagboek van Oliver Sacks dat je van een vriend cadeau had gekregen. Daartussen bewoog zich een optocht van allerlei goede geesten. Mannen, vrouwen en kinderen in felle kleuren, die uit een hoofdstuk van De lessen van Don Juan waren ontsnapt. Alsof ze allemaal afgesproken hadden om op hetzelfde tijdstip samen te komen aan de ingang van de bibliotheek. Een adelaar vloog er in wijde cirkels omheen.

Je ging voor het Mexicaanse altaar staan en uit je jaszak nam je je gsm, die meteen op de grond viel. Je werd nog eens gek van al dat vallen. En terwijl je je bukte om de mobiel op te rapen, leek het alsof je diep voor het altaar en zijn geesten van papier- maché boog. Er kwam een meisje met amandelvormige ogen naast je staan dat bezorgd vroeg of de mobiel stuk was, maar hij deed het nog. Ze lachte opgelucht. Je knipoogde naar haar. Een ogenblik later zag je door de lens, tussen de maskers van de doden, een lachend gezicht en een wuivende hand opduiken. Je klikte en de vrouw stak haar duim op. Misschien was ze Mexicaans en bracht dit feestelijke tafereel van kleuren ook bij haar, in een korte belevenis, een overvloed aan herinneringen terug. Een en al vrolijkheid straalde ze uit. Achter jou hoorde je ook een zeer herkenbare stem. Een stem die je al lang niet meer gehoord had, maar die toch zeer vertrouwd klonk. Je had er jaren naar geluisterd, de stem die woord na woord geduldig een nieuwe taal in je hoofd had gekerfd. Je draaide je om en zag de mens die niet op je foto stond, maar hoorbaar aanwezig was: Farhan Althawabi, je voormalig docent Arabisch, die net op dat ogenblik een groepje nieuwe burgers een rondleiding in de Permeke bibliotheek gaf. Verbaasd zwaaide je naar hem boven hun hoofden. De groep week wat uiteen. Hij onderbrak zijn helder en vermoedelijk poëtisch betoog. Zo verbaasd als hij was, vroeg hij meteen: Wanneer kom je terug naar de Arabische les?

Het was lang geleden dat je nog Arabisch had gesproken. Je keek naar de nieuwsgierige gezichten om hem heen en voelde plots tot je eigen geluk, zoals in het prille begin, bij je aankomst in deze stad, dat het nog altijd de aanwezigheid was van al die verschillende culturen, de mengelmoes van mensen en talen die de leefbaarheid, de schoonheid en de rijkdom van deze stad bepaalde. En voor het eerst in lange tijd kon je je opnieuw verzoenen met je tijdelijke verblijf in deze even tijdelijke en van oorsprong mooie plek. Tenslotte wist je dat je met wondermensen als Farhan Altwabi en al de docenten die je niet kende, maar iedere dag voor een klas met nieuwkomers stonden om hen de beginselen van het Nederlands bij te brengen, je je geen zorgen hoefde te maken. De meesten zouden zich uiteindelijk ook in de nieuwe taal als in een tweede thuis welkom voelen. Ook al was het nog geen thuis maar een bibliotheek waar zij woorden kwamen ontlenen om te ontcijferen, en het kerven nog moest beginnen.

Je wilde het in die enkele seconden allemaal zeggen maar de woorden bleven in je keel steken en uiteindelijk wenste je Farhan en de nieuwe burgers heel veel succes. Toen je weer buiten stond kwamen de woorden, oeroud en sinds mensenheugenis zwervend van tent naar tent – op de dag van de levenden en de dag van de doden, op de dag van de eeuwige inburgering – toch nog uit het altaar van je mond gerold: Ahlan wa sahlan ya musafir ¡ Ahlan wa sahlan dayman. Welkom O reiziger!
.

Spazzacamino

 

 

Spazzacammino

 

In het vooruitzicht van een winter waarin een zodanig dik pak sneeuw uit de lucht zou vallen zodat er geen auto’s meer door de straten konden rijden en alles stil, ongerept en wit werd, we een vorst zouden krijgen zo streng dat er alleen nog kristallen in plaats van vensters zichtbaar waren om doorheen te turen, de sneeuw tot de kerst op de dennenbomen bleef liggen en er op elke hoek van de straat een koor van engelen stond dat aria’s en cantates van Bach zong, klom ik op het platte dak om naar de schoorsteen te gaan kijken.

Klimop slingerde zich langs de dunne schouwbuis naar omhoog en was zich een weg naar binnen aan het banen. Ik hoopte dat de slinger nog niet tot beneden aan de haard reikte en besloot dat er een schoorsteenveger bij gehaald diende te worden. Een schoorsteenveger bellen was zoiets als een sprookje tot leven wekken. De mythe dat het schudden van de hand van een schoorsteenveger geluk zou brengen ontstond in het begin van de negentiende eeuw, toen de schoorsteenvegers nog kinderen waren en als ‘levende bezems’ werden gebruikt. Omdat ze door hun werk vaak rampen konden voorkomen werden de kinderen als geluksbrengers en beschermers tegen brandgevaar op kerst- en nieuwjaarskaarten afgebeeld. Het bezoek van een schoorsteenveger was intussen gelukkig iets waar je met een gerust gemoed mocht naar uitkijken want wat was er mooier dan iemand die je bij het binnentreden zomaar een handje geluk schonk?

De verfrommelde krant waarmee ik op een avond de haard wilde aansteken, terwijl de rook die zich daarbij vormde in zwarte wolken de woonkamer insloeg, en het tot diep in de nacht in de haard bleef roken zonder dat hij aangestoken was, lag nog steeds in mijn geheugen te smeulen. Alsook de gordijnen en de overgordijnen die ik de volgende dag allemaal moest wassen en het laagje roet dat zonder sporen achter te laten van de boeken moest verwijderd worden. Een helse klus. Er waren toen in de schouw zulke geheimzinnige krachten aan het werk geweest, zodanig duister dat ze alleen maar met daarvoor uitgeruste attributen uit de schoorsteen verjaagd konden worden. Sommige entiteiten kon je onmogelijk alleen bezweren. Ik bedacht dat het wat moeite zou kosten iemand te vinden die dit euvel ernstig genoeg nam en de roetgeest uit de schouw kon vegen. Een firma was geen optie, het moest een authentieke schoorsteenveger zijn.

Vaag herinnerde ik mij de man met de hoge hoed die ik vorig jaar googelend gevonden had. Hij was me bijgebleven omdat hij volgens eigen zeggen, ieder jaar naar Santa Maria Maggiori reisde om er De internationale bijeenkomst van de schoorsteenvegers bij te wonen. Een idyllisch dal omringd door de bergen van Piemonte, waar het eerste weekend van september, gedurende twee dagen ongeveer zevenhonderd schoorsteenvegers in een zwart pak en een hoge hoed bijeenkwamen, om ongeacht hun moedertaal, het lied van de schoorsteenvegers te zingen en in een feestelijke optocht eerbetoon te brengen aan de vallei waar het beroep ontstond. De plechtigheden begonnen op zaterdagochtend met een bijeenkomst bij het beeld van de laatste ruska Faustino Cappini. De jongen die in 1927 op 10-jarige leeftijd het leven liet toen hij uit de schouw klom, zich per ongeluk aan een elektriciteitsdraad vastklampte en geëlektrocuteerd werd. Het beeld stond symbool voor alle kinderen die op jonge leeftijd de schoorstenen inklommen en waarvan er velen het leven lieten.

Voor zover ik wist was Levende bezems het enige verhaal van een kind-schoorsteenveger dat op een historisch document gebaseerd was en door de schrijfster Liza Tetzler vanonder het zwarte stof van de geschiedenis werd gehaald. Het verhaal situeert zich in het begin van de negentiende eeuw toen kinderarbeid overal gebruikelijk was. Giorgio, een leerling-schoorsteenveger, loopt voor de eerste keer met zijn baas mee door de straten van Milaan.
Hij is een van de weinige jongens, in armoedige dorpen geronseld, die de tocht in een kleine boot over een meer dat hen naar Milaan moest brengen overleefde. Tijdens een storm kwamen er twintig kinderen om. Eenmaal in Milaan wordt hij doorverkocht aan een schoorsteenveger die hem voor een habbekrats een jaar in dienst neemt. Zijn nieuwe baas gebiedt hem hun diensten luid roepend kenbaar te maken. Schoorsteenvegers! Schoorsteenvegers! Wij vegen uw schoorsteen! Giorgio wil eerst niet meeroepen, zijn stem is na een half uur schor. Terwijl ze met hun borstels en doeken door de straten lopen openen zich in statige herenhuizen vensters, en roepen dienstmeisjes met witte voorschoten de zwarte mannen binnen.De volgende ochtend gaat het roepen beter en op het einde de week roept hij de ganse dag.

Spazzacamino! Spazzacamino! Wij vegen uw schoorsteen! Tijdens een van de schoonmaakbeurten blijft Giorgio met een zak over zijn hoofd in een schoorsteen steken en komt bijna door rookverstikking om. In het salon van het huis is een feest aan de gang waar een dokter aanwezig is die het leven van de jongen redt en hem zijn hulp aanbiedt. Wanneer ook zijn beste vriend aan de gevolgen van tbc en verwaarlozing overlijdt, besluit Giorgio om met een paar lotgenoten waar hij De bond van de Zwartgezichten heeft mee opgericht, die waarschijnlijk de eerste vakbond van kinderen in de geschiedenis was, hun miserabel leven te ontvluchtten. De jongens vluchten de Zwitserse grens over en leren onder de hoede van de dokter een ander vak. Giorgio wordt onderwijzer en keert enkele jaren later, zoals in alle mooie vertellingen, met een prinses naar zijn geboortedorp terug. Op koude winteravonden, ter nagedachtenis aan Alfredo die hij met De bond van de zwartgezichten in Milaan had begraven, zong hij nog vaak het lied van de schoorsteenvegers en dacht aan het ogenblik dat hij met rook in de longen en een zak over het hoofd, in de binnenkant van een schouw was blijven steken en zijn kleine, zwarte hand dat niet boven de rand van de schoorsteen uitkwam.

Uren speurwerk bracht in tegenstelling tot de andere keren geen soelaas. Het leek alsof de schoorsteenveger op het wereldwijde netwerk in rook was opgegaan. Het werd oktober, de festiviteiten in Laggio Maggiore waren voorbij. Het lied van de zevenhonderd schoorsteenvegers, door een koor van vierduizend dorpsbewoners gedragen, zou in het dal van Santa Maria Maggiore nog slechts de weerkaatsing van een echo zijn. Boven het meer waar twintig kinderen verdronken keek het beeld van Faustino Cappini, de laatste ruska, eenzaam in de mist rond de groene heuvels de verte in.

Alle Levende bezems waren uit het land waar hun haard zich bevond opnieuw vertrokken. De donkere dagen dienden zich aan, het was nu bijna tijd om het vuur aan te steken. De houtblokken lagen onder het afdak opgestapeld, maar ik was nog steeds niet in het bezit van de juiste krant en de roetgeest schuilde vermoedelijk nog in de schouw. Ik moest de schoorsteen in, voor het november werd en andere ter ziele gegane geesten van zich zouden laten horen om te worden herinnerd en herdacht. Met een plumeau tricolore, vastgebonden aan een bezemsteel, klom ik op het platte dak om naar de schoorsteen te gaan kijken. Op mijn schouders streken vier zwarte raven neer.

 

spazzacamino

 

 

 

 

 

Haute Baraque

Sonuma - Les archives audiovisuelle Foire de Liège 1962

 

Mijn visioenen waren niet langer betrouwbaar. Ietwat onder druk van mijn omgeving legde ik onlangs bij de Stad Antwerpen een examen af voor een aanstelling als loketbediende. Het examen verliep vlotjes, tot ieders opluchting, en er kwam in mijn gedachten zelfs een soort visioen voorbij waarin ik mij aan het stadsloket vanachter kogelvrij glas glimlachend stempels zag zetten op reispassen en rijbewijzen. Voor het gebouw stond een militair met een machinegeweer in de aanslag een sigaretje te roken. Kort na dit visioen kreeg ik een bericht van het selectiebureau met de melding dat ik geslaagd was en een uitnodiging voor een interview. Zowel mijn familieleden als dichte en verre vrienden waren buiten hun zinnen van geluk. Eindelijk zou ik opnieuw een vaste betrekking hebben en nog wel bij de stad, als ambtenaar. Het goede leven en een dito salaris lachte hen toe. Al vlug begonnen de eerste grapjes de ronde te doen en terwijl ik nog niet aangenomen was, gingen mijn familieleden ervan uit dat ik nog maar een stap van een levenslange, goedgevulde geldbuidel, veel vakantiedagen en iedere dag dezelfde collega’s aan het koffieapparaat, verwijderd was. Mijn moeder had me al een deux-pièces en een bijpassende, gestreepte blouse geschonken die volgens haar zeer gedistingeerd stonden achter een loket.

Op de dag van het interview nam ik, afgeborsteld in mijn deux-pièces en geföhnd, haar, de lift naar de zesde verdieping van het Bell gebouw. Het rook er naar regelgeving en bureaucratie en ik zocht de koffieautomaat waar ik in de toekomst veel tijd zou doorbrengen. Er stonden grote glazen op het aanrecht maar de waterkraan bleek kapot, mijn mond was droog van de zenuwen en ik zette mijn glas onder de koffiemachine en drukte op de hot-water knop. Het water begon rijkelijk te stromen, en over de rand van het glas, stroomde het verder over het aanrecht en kokend heet drupte het op mijn gloednieuwe pumps, rode vlekken achterlatend op wreef van mijn rechtervoet. Dit was geen goed begin. Het was eerder een veil teken aan de vaalgrijze wand. Ik verliet snel de puinhoop en ging naar het lokaal, een soort glazen bokaal, waar een driekoppige jury op mij aan het wachten was. In mijn rug spande zich een stalen kabel op in plaats van de grote mobilisatiespieren. Een schok van zevenduizend volt ging door die kabel heen, laserstralen schoten uit mijn vingertoppen en mijn molen begon te draaien. De jury keek mij welwillend aan en ik sloeg ik mij tamelijk goed door het interview. Toen kwam een van de dames met de finale vraag: wat die Carroussel in mijn curriculum vitae betekende en of ik daar de komende weken in mee zou draaien. Aan die vraag had ik me helemaal niet verwacht.

Door de panoramische ramen van de zesde verdieping zag ik de lucht betrekken en aan de horizon bewogen de woonwagens van de foor zich richting Luik.
Had ik twaalf jaar lang het hele jaar uitgekeken naar hun komst in de maand mei om nu een baantje bij de stad aan te nemen? Zes weken iedere avond oliebollen gebakken bij Max? Geduldig wachtend op het ogenblik dat ik eindelijk kon meereizen? De rode vlekken op mijn voet gloeiden en ik wilde mijn pumps verruilen voor mijn pluchen muiltjes, mes slaches die op de treden van la baraque, naast die van Annick, de meereizende leerkracht, te wachten stonden. De gedachte aan het weerzien van de kinderen van afgelopen zomer en aan de ontmoeting met de nieuwe kinderen, de mensen van de foor en het kermisleven, liet een glimlach op mijn gezicht achter die ook de jury niet was ontgaan. Al die schattigheid en spontane baldadigheid waarvoor geen woorden bestaan maar zo levendig in de woonwagenklas aanwezig zouden zijn. Daarbij was het nu herfst, de kinderen zouden in het Park d’Avroy kastanjes en okkernoten rapen, verwonderd zijn over het zien van een vallend blad, een noot in een bolster, een nog donzige zwaan aan de rand van de vijver, alles wat er te zien was, als voor de eerste keer. Van deze uit goud gesponnen ogenblikken zou ik zittend aan een loket voor altijd verstoken zijn. Het schuine licht en de eerste kilte van de avond, de obligate toer langs de attracties en de kramen, smoutebollen in suikersneeuw, roze en blauwe suikerspinnen, Lackemans, Brussels wafels, gaufres de Liège, appelbeignets, pommes d’amour en marrons chauds, die de ziel verwarmen van alle dingen, op weg naar huis.

‘Volgens mij zal u niet gelukkig zijn als loketbediende,’ besloot de dame terwijl ik nog steeds naar buiten keek. Met geluk alleen beleg je geen boterhammen, ging het nog door mijn hoofd, maar ik wist dat het te laat was. Zij had de molen in mij zien draaien en het flikkeren van de kermislichten dat niet uit te doven was en ik wist dat zij gelijk had. De kabel in mijn rug ontspande zich en ik voelde iets knetteren. Voor er ook nog een flard muziek aan te pas zou komen stond ik gedecideerd op en bedankte de driekoppige jury: ‘U hebt gelijk ik zal nooit gelukkig zijn aan het loket,’ en kon mij niet snel genoeg uit de voeten kon maken. Wegvliegend als een papieren lootje dat net uit de loterij was ontsnapt. Buiten scheen de stadslucht mij even zuiver toe als Zwitserse berglucht. De geur van regelgeving en bureaucratie was nog slechts een herinnering.

Twee uur te vroeg nam ik de volgende ochtend de trein naar Luik-Guillemins.

‘Reist u ieder dag zo ver?’ vroeg de conductrice mij toen we het eindstation binnenreden. ‘Qui madame, mes slaches m’attendent, dans la Haute Baraque’.

Septemberroos

 

20180924_201456

 

Maman nous disait : ‘Ah ! Surtout ne pas commencer à m’embrasser tous les jours
à la même heure, cela deviendrait une habitude.’ (Nadia Boulanger)

 

We namen het pad langs de velden waar ze iedere middag na haar lunch ging wandelen. Bontgevlekte koeien lagen als in een Oudhollands schilderij in de wei. Er was geen enkel geluid te horen behalve dat van de dieren die het gras herkauwden. De lucht rook fris en ik herademde zonder mij om het fijn stof en de uitlaatgassen van de stad te bekommeren. Het wekenlang hameren op de heipalen van de kaaimuur was eindelijk voorbij. Ik keek om me heen en mijn blik botste nergens meer tegenaan.

‘We kunnen niet ver wandelen vandaag’ zei ze, ‘want ik heb geen goede schoenen aan’, terwijl ze op haar slippers voortslofte. Omdat we dezelfde schoenmaat hadden deed ik snel mijn sneakers uit en wisselden we van schoeisel. Mijn blote voeten voelden zich in haar schoeisel plots bevrijd van een knellende ballast. En op haar slippers slofte ik verder in de hoop dat we toch een lange wandeling konden maken.

Halverwege het pad groeiden twee indrukwekkende wilgenbomen. Net tweelingen die hun weelderige, weidse takken tegelijk naar de hemel uitsteken. ‘Dit zijn waarschijnlijk al twee heel oude bomen’, zei ik. ‘Ja’, antwoordde ze, ‘die staan hier al heel lang, maar ik weet niet precies hoe lang. Ik kom hier iedere dag’. De wilgen waren altijd al in haar leven aanwezig geweest en met haar blik vergroeid. In een opwelling wilde ik de bomen omhelzen, maar uit verlegenheid tegenover mijn moeder durfde ik niet en besloot het formeler aan te pakken. Ik ging voor een van de wilgen staan en drukte mijn handen tegen de dikke, gegroefde bast van de stam en ademde luid in en uit, enkel lettend op de beweging van mijn buik. ‘Kijk’ zei ik, ‘als je voorbij de bomen komt kan je even stil staan en deze ademhalingsoefening doen.’

Ik deed de ademhalingsoefening een paar keer voor en hield het idee dat je een energetische verbinding met de trilling van de boom kon maken nog maar even voor mezelf. Mijn moeder keek aandachtig en een tikkeltje verwonderd toe.

‘Ik heb eigenaardige kinderen,’ zag ik haar denken, maar het deerde niet.
Het gebeurde zelden dat ze op een veroordelende manier over ons dacht.

Met haar beide handen tegen de stam drukte ze het gewicht en haar zeventig jaar tegen de wilgenboom en ik herinnerde mij een eerder beeld, veranderend in het licht. Het frêle, waterige ochtendlicht waarin haar vader, die mijn enigste grootvader was, ter aarde werd gedragen en zij heel alleen, nadat iedereen het kerkhof had verlaten, met haar hoofd tegen een boom te snikken stond, alsof de enige troost van de wind kon komen, die de takken van de wilgenboom boven haar droefheid, zachtjes heen en weer bewoog.

Ik zag haar borstkas op en neer bewegen maar haar ademhaling ging niet langs haar buik. ‘Probeer vanuit je diafragma te ademen en niet zo hoog.’ Ze probeerde het nog een keer maar ik zag dat het niet meteen zou lukken, na enkele pogingen gaf ze het op en wandelden we achter elkaar verder. ‘Nu zal ik iedere dag wanneer ik aan de twee wilgen voorbij kom aan je denken’ zei ze ineens.’ En toen begon de zomer opnieuw en ook ons leven tezamen dat maar kort was geweest en al omhelsden we elkaar niet elke dag, ‘en al helemaal niet op hetzelfde ogenblik’. Er waren nu twee wilgenbomen die als een identieke tweeling, deze omhelzing langs hun gebarsten schors tot in de wortels, de knoppen en topjes van hun takken zouden opnemen als een wonderlijke moedertinctuur. Midden in het schilderij van een landschap waar koeien in een wei lagen te grazen en de zomer vereeuwigd werd in de geur van de laatste septemberroos.

 

(Citaat uit ‘Mademoiselle, Entretiens avec Nadia Boulanger’, p.16, Bruno Monsaingeon)

Salva

 

ⓒLesimages Palermo, Maggio 2010 - Mercato della Vucciria - Venditori di baccalà
ⓒLesimages Palermo, Maggio 2010 – Mercato della Vucciria – Venditori di baccalà

 

De laatste tijd ging hij steeds vaker bij Salva langs. Hij koos dan een perzik uit zonder deuken of bruine vlekken, een die hij kon bewaren voor als hij niet langer trek, maar honger had. Niemand keek er van op als je bij Salva slechts een stuk groente of fruit kocht. De meeste klanten hadden er een boodschappenlijstje van wat ze tijdens de week hadden gekocht zonder het te betalen. Een stapel briefjes met lange kolommen onder elkaar geschreven woorden zoals courgettebloemen, radiccio, artisjokken, abrikozen, aubergines, renetten, mirabellen… in een stapel op een stalen nagel geprikt. Gedichten met een meisjes- of jongensnaam erboven en daarnaast het bedrag dat ze hem nog verschuldigd waren.

Op de markt werden de groenten en het fruit steeds duurder en hij kon er met niet minder dan een kilo van eender wat vertrekken zonder gezichtsverlies te lijden. Sinds hij in de neergeslagen blik van een groenteverkoper de vraag dacht gelezen te hebben of ze thuis werkelijk met twee van een courgette aten, kocht hij op de markt nooit nog iets per stuk. Er stroomden steeds meer mensen toe die tot laat in de namiddag aan de eetstalletjes bleven hangen, twee dozijn oesters tegelijk bestelden en er nog een halve kreeft bij aten, waardoor hij begreep dat het hen eigenlijk aan goede smaak ontbrak. Het ganse spektakel begon op een uur wanneer hij zich nog niet eens kon veroorloven om aan zijn honger te denken en het liep in de zomer steeds langer uit.

Slenterend tussen de kramen pikte hij hier en daar een aangeboden olijf of een stukje brood in olie gedoopt, en wachtte het einde van de markt af om dan de stokvis te halen die als laatste in het viskraam van Salva voor hem aan een draad bleef hangen. In ruil voor de kratten sinaasappels die hij hem in de ochtend had gebracht. Een droge stokvis was het allerbeste. De kop was er reeds af wanneer je hem kocht en hij kon je niet meer met zijn heldere ogen aanstaren. Als de ogen van een vis dof waren kon je hem maar beter laten liggen. Maar eigenlijk hield hij niet van vissenogen ook niet wanneer ze nog leefden. Je kon geen hoogte krijgen van die eeuwige, waterige blik. Af en toe gebeurde het dat wanneer hij zich ver in zee waagde er naast hem een bultrug zwom. Die hadden zulke aandoenlijke grijs-blauwe ogen dat je moest opletten er niet in weg te drijven en ergens midden op zee tussen de golven onder te gaan.

Soms droomde hij dat het leven elders was, zoals hij ergens had gelezen, maar hij wist niet meer bij wie. Pavese, Pessoa? Terwijl hij zwom leek het alsof de zee hem omsloot en opnam als was hij een nieuw waterteken in de cirkel van de zodiac. Een parelmoeren inktvis in blauw doorschijnend water. In gedachten zwom hij tot aan de overkant van het water, naar een ander eiland dan dat waarop hij woonde en nog nooit had verlaten. Terug op het strand trok hij zijn bundel droge kleren aan. De avondlucht kleurde oranjerood als de pel van een cactusvijg en het goud van de abrikozen.

Nog vers in zijn geheugen lag het ogenblik dat zijn grootmoeder de fruitplukker met een mes in de rug in hun boogaard had gevonden. Het land werd haar daarna onmiddellijk en zonder enige verklaring ontnomen. Zo raakte ze in een keer haar enige bezit kwijt. Daarna volgde haar lach, haar geheugen en zijn bezigheden tot ze ten slotte alles vergat en ze niets meer te eten hadden. De sinaasappels begonnen steeds bitterder te smaken, bitterder dan al de schillen van de vruchten van alle boomgaarden van het eiland tezamen. Terwijl iedereen op het eiland, behalve de vissers die hun netten binnen haalden, nog aan het slapen was, trok hij er op uit om in hun eigen boomgaard te stelen. Hij bracht de kratten naar de winkel van Salva, waarvan de rolluiken op dat uur nog naar beneden waren, die ze in ruil voor een stokvis en de optelsom van zijn boodschappenlijstje op de markt zou verkopen.

Zo verliepen zijn dagen. Overdag ging hij zwemmen en ‘s avonds trok hij in het halfduister met zijn mand op zijn rug naar de boomgaard en plukte wat hij nodig had. Wat je afgenomen werd nam je gewoon terug, tenzij je van ontbering wilde omkomen. Er heersten wetten op dit eiland, ongeschreven, waar hij tenslotte als bewoner een monopolie op had. Dat hij hun eigen vruchten stal, wist intussen zowat iedereen. Het zou niet lang meer duren voor de moordenaar van de fruitplukker ook hem zou vinden.

Op een avond zag hij hem. Tussen de bomen stapte hij op hem toe. Zijn schaduw bewoog zich voort tussen de laatste zonnestralen. Hij zette zich schrap en plukte verder, de vruchten vielen een na een in de mand. De man naderde hem alsof hij een avondlijk praatje kwam maken, maar hij wist wat hem te wachten stond. Hij stapte van de ladder af en met de vastberadenheid van een twaalfjarige ging hij hem onder de boom waar hij gans de zomer avond na avond op hem had gewacht tegemoet. Toen de man nog maar enkele meters van hem verwijderd was trok de jongen een mes uit zijn achterzak en stak hem neer. De man viel voorover, trok de mand met zich mee, de sinaasappels rolden over de grond. De jongen sleepte het lichaam tot op de plek waar het bloed van de fruitplukker de aarde had doordrongen en keerde die avond zonder vruchten naar huis terug.

Cyclopen

 

Duende, Ivo Hermans / Panamarenko  A Book by Hans Theys

 

Drieduizenddriehonderdvijfentachtig boeken en honderden authentieke muziekmanuscripten stonden netjes naast elkaar in de open kasten met hun rug naar mij toegekeerd. Het was een heiligschennend moment want ik verkeerde in de troebele noodzaak om enkele zeldzame exemplaren uit mijn bibliotheek van de hand te moeten doen. Ik wilde geen opkoper laten komen en vond dat ik de vreselijke klus zelf moest klaren. Niet zonder wroeging begon ik naar het boek te zoeken dat het minst weerstand zou bieden maar vond er geen. Eén boek sprong er uit, omwille van het buitenissige formaat dat in geen enkele boekenkast paste. Het boek was net als het automatisch pistool dat op de kaft afgebeeld stond. Het had zichzelf in een onbewaakt ogenblik in de voet geschoten, en was gedoemd om eeuwig gewond, altijd bovenop een rij van minstens tien andere boeken te moeten liggen. Maar een wapen verkopen dat deed je natuurlijk niet, stel je voor dat iemand de trekker overhaalde.

Het was het duurste boek dat ik ooit had gekocht. Na enkele minuten gepeins draaide ik me om en liep weg zonder een boek uit de kast te nemen. Het volgende ogenblik ging ik opnieuw voor de bibliotheek staan, sloot mijn ogen en nam een willekeurig exemplaar. Als oefening en zonder aan het bedrag te denken dat het me moest opleveren. Het bleek Duende van Ivo Hermans te zijn, een eerste druk. Ik keek naar het gelaat van de flamenco danseres die op het omslag afgebeeld stond en zuchtte quasi opgelucht. Het was me gelukt een boek te selecteren. Een boek per dag en na een week was de klus geklaard. Gesterkt in mijn pogen waagde ik me aan een tweede selectie toen ik plots een heftige rilling over de ruggen van de boeken zag lopen. Mijn hart sloeg een tel over. Hoe was het mogelijk. Ik joeg hen angst aan, en de angst van hen die op het punt stonden het huis te moeten verlaten, nam ook ineens van mij bezit.

De laatste tijd was ik voorbij de boeken gelopen als was hun aanwezigheid iets vanzelfsprekend geweest. Ik had nauwelijks aandacht geschonken aan hun zacht gejuich, wanneer ik ’s ochtends de gordijnen openschoof en het zonlicht op hun dichtgevouwen lichamen viel. De gouden en rode zijden lintjes doorgaans blinkend van geluk, lagen nu tussen de lege bladzijden van een woordeloos verdriet. De rilling liep over de bergkammen van hun opgetrokken schouders, door de duizenden woorden en verstoorde voorgoed de rust van hun huiselijk geluk.

Met het boek in mijn handen keek ik in de loop van het pistool als was het de loop van een rivier die over de andere boeken stroomde en zag in de neergeslagen blik van de flamenco danseres die op de omslag afgebeeld stond, een helse woede ontvlammen. Razender dan een Griekse cycloop stond zij stampend uit de bladzijden op en veroorzaakte een lawaai als duizend donderslagen met het hameren van haar schoenhak. Dit was de duende die probeerde te ontsnappen voor ik haar ziel en de ziel van de schrijver op het internet te koop aanbood. Zij wist het en was door mijn verraad tot in haar kleinste vezels gealarmeerd. Mijn vingers trilden heftig toen ik het boek tussen de anderen duwde, de woede van de duende zich als een lopend vuur verder over de bevende boekenruggen verspreidde. En ik vanuit de inktzwarte diepten van deze neergeschreven levens een zo troosteloos snikken hoorde, als van kinderen die aan de deur waren gezet, en de gedachte, die de zielen van mijn kinderen wilde verkopen, voorgoed liet varen.

 

 

 

 

 

Graceland

Pink Cadillac, Graceland

 

In een van de vele sociale huurwoningen die de stad rijk was woonde lange tijd een man die op Elvis Presley leek. Of beter gezegd, een man die heel erg op Elvis Presley wilde lijken. Zoveel dat hij hem zelf wilde zijn, en hoewel het had gekund, een Elvis-imitator werd hij niet. Hij speelde geen covers in een achterafzaal of voerde geen nummers op in een karaokebar. Hij leefde zijn idool, zo goed en zo kwaad als het kon. Met al wat hij aan fysieke gelijkenissen had gekregen; van de bakkebaarden tot de blue suede shoes, hij weerspiegelde The King van kop tot teen. De gelijkenis was frappant. In het weekend reed hij rond in een roze Cadillac coupe de ville, bouwjaar 1959. Een model met grote vleugels, van binnen en van buiten in roze en wit uitgevoerd, die vanzelfsprekend, ook de favoriete auto van Elvis Presley was.

Niemand wist waar hij die gigantische slee vandaan had gehaald. Op een mooie zaterdagochtend reed hij er een ondergrondse garage mee uit, schoof het dak open en toerde rondjes in de buurt. Onder de uitschietende vleugels lagen de achterlichten in elliptische units van blinkend chroom verpakt. Een uitlaat als een raket. In zijn wit kostuum, een adelaar op de rug, en de Napoleonitaanse kraag van zijn hemd opstaand tegen de wind, reed The King of Rock and Roll rond in de wijk. Door de autoboxen op de hoedenplank hoorde je van ver de warme baritonstem: ‘Love me tender, love me true’.
Een sfeer van grandeur zweefde tegen dertig kilometer per uur door de grijze en van armoede doortrokken wijk in een roze wolk voorbij. Nooit zagen we een vrouw naast hem. Hij reed zijn rondjes altijd alleen. Dat maakte het beeld van The King echter incompleet maar vergrootte het pathos des te meer. De zondagavond was het feest voorbij en parkeerde hij de roze Cadillac coupe de ville in de ondergrondse van zijn droom en keerde in het daglicht als havenarbeider terug.

Op een dag was hij verdwenen. Zonder een spoor achter te laten ontsnapte hij door een gat in het sleepnet van zijn dromen. Niemand wist waar hij naartoe was. Geen mens had hem tijdens die week of in het weekend, nog in één van zijn gedaanten, in de buurt gehoord of gezien. The King in zijn roze Cadillac zagen we nooit meer terug. Het werd van toen af aan heel stil op zaterdag. Soms op hondse dagen zoals vandaag denk ik aan hem terug, vraag me af wat er van hem geworden is en zie hem dan in gedachten, na een lange rit en een tocht overzee, in zijn wit kostuum, de Napoleonitaanse kraag van zijn hemd, opstaand tegen de wind, in zijn roze Cadillac de horizon van Memphis tegemoet rijden. Het schuifdak open ‘Love me tender, love me true’, trillend in een fluorescerend neonlicht.