Het Rome van Pier Paolo Pasolini in muurschilderingen (I)

 

Sinds 2015 kan je met de app StreetArt Roma en een ouderwetse plattegrond in de voorsteden en steegjes van Rome ongeveer driehonderd muurschilderingen bezoeken. De kunstwerken zijn verspreid over de honderdvijftig straten van dertien districten en gemaakt door Italiaanse, Romeinse en verschillende buitenlandse kunstenaars.

Omdat mijn blik deze zomer niet verder dan de horizon van de Noordzee reikte, raakte ik enkele weken verdwaald in een zoektocht naar de nog steeds onopgehelderde moord op de dichter Pier Paolo Pasolini op 2 november 1975 op het strand van Ostia nabij Rome. Tijdens deze literaire helletocht maakte ik ter ontspanning en met de hulp van de StreetArt Roma app en google-maps, een uitstap naar het hedendaagse Rome van Pasolini, waar ik enkele prachtige muurschilderingen ontdekte. Picturale odes aan de dichter wiens oeuvre, vierenveertig jaar na zijn dood, blijft inspireren. De onophoudelijke strijd die hij met zijn films, polemieken, toneelstukken en gedichten (ongeveer tweeduizend bladzijden) tegen de politieke corruptie, de massaconsumptie en het neofascisme in de jaren zeventig voerde, zijn in de globale verrechtsing van deze tijd, waar macht en wreedheid steeds nieuwe verbonden sluiten, actueler dan ooit. Zijn bijna tastbare aanwezigheid in de volkswijken waar hij het liefst vertoefde werd een iconisch symbool in de Eeuwige Stad. Een wonderlijke hergeboorte van een van de grootste Italiaanse dichters van de tweede helft van de twintigste eeuw.

 

 

verlato2-1229945506
De Sixtijnse Kapel van Torpignattara © Nicola Verlato

 

In de wijk Torpignattara brengt de kunstenaar Nicola Verlato op de zijmuur van een flatgebouw met een tien meter hoge muurschildering een indrukwekkende ode aan de dichter. De stijl is zeer monumentaal en klassiek. Het werkelijkheidsgehalte is overrompelend. Het meesterwerk – een grisaille in witte en grijze tinten – werd door Verlato oorspronkelijk ‘Hostia’ genoemd. De lokale bevolking doopte het werk al snel om tot ‘De Sixtijnse Kapel van Torpignattara’. Verlato schildert Pasolini’s lichaam op het moment dat hij zijn dood tegemoet gaat. Een mytische beeld, als de val van Icarus. verlato6Bovenaan, aan de rand van een Dantiaanse hellekring, staat de vermeende moordenaar Giuseppe Pelosi met twee journalisten en een politieagent. Onderaan zit een jonge Pasolini op de schoot van zijn aanbeden moeder voor wie hij altijd ‘een dichter’ was.

 

 

torpignattara-street-art-romepasolini-3

 

verlato4-2401268517Omringd door Petrarca, de meester en gids die hem tijdens zijn prille, literaire zoektochten begeleidde en Ezra Pound. Hoewel Pound, Mussolini-aanhanger, antisemiet en collaborateur, een andere politieke overtuiging had dan Pasolini, was hij een van zijn inspiratiebronnen. Ezra Pound werd bij de bevrijding van Italië door de Amerikanen in een kamp in de buurt van Pisa geïnterneerd waar hij ‘The Pisan Cantos’ schreef. Hij zou na zijn vrijlating uit een psychiatrische instelling waar hij twaalf jaar verbleef uiteindelijk naar zijn geliefde Italië terugkeren. Voor hij stierf op 1 november 1972 deed hij alles wat hij gezegd en geschreven als onzin af, bewerend ‘dat hij nooit iemand gelukkig had gemaakt’ en, wijzend op zijn hart, ‘dat hij daar in volstrekte eenzaamheid woonde, midden in de hel’. Ondanks zijn politiek obscuur verleden behoort Canto 81, Pounds’ spirituele testament, tot een van mijn favoriete gedichten, door Pasolini onwerkelijk mooi voorgedragen tijdens een interview in 1967 met de auteur die toen reeds op hoge leeftijd was. 

Met dezelfde kracht waarmee de Pietà van Michelangelo in de Sixtijnse Kapel mij vandaag nog even veel weet te ontroeren als op het eerste ogenblik dat ik haar zag (er stond toen nog geen glazen stolp overheen zodat er geen barrière was tussen de onmiddellijke zintuiglijke en esthetische gewaarwording en de confrontatie met de bijna tastbare schoonheid van het werk) trof mij, de felle aanklacht van De Pietà Secondo. Deze muurschildering van Ernest-Pignon-Ernest werd in verschillende wijken, van Testacio tot Trastevere en het Tiberina eiland, in steeds andere kleuren meermaals gekopieerd (gedupliceerd). Pier Paolo Pasolini draagt zijn eigen dode lichaam. De donkere, zwarte blik richt zich naar de toeschouwer waardoor het lijkt alsof Pasolini uit de de muur naar je toe komt gestapt en tegelijkertijd gevangen blijft in het licht. Het dramatische, realistische effect wordt bereikt door het toepassen van licht-donkereffecten zoals in de schilderijen van Carravagio en Rembrandt, de meesters van het clair-obscur.

 

Pasolini-Pietà-Roma-2015-5-1
Pietà Secondo © Ernest-Pignon-Ernest

 

 

In de wijk Pigneto, die haar naam te danken heeft aan een lange rij pijnbomen, bevinden zich drie muurschilderingen. De werken werden in 2014 in het kader van een herontwikkelingsproject met de naam Light up Torpigna in de Via Fanfulla da Lodi aan Pasolini opgedragen. De wedergeboorte van de buurt wordt in krantenartikelen omschreven als een once-upon-a-time ‘microcosmo perduto’ (verloren microcosmos) waar etnische groepen ‘si strongono la mano’ (handen schudden). Deze plek was zeer geliefd bij Pasolini, hij nam er zijn eerste film Accatone op. De karakterisiteke acteurs vond hij in deze buurt. In de wijk bevindt zich ook de bekende Bar Necci dal 1924, het decor waartegen een deel van de film zich afspeelt.

 

I nomi 2019-08-14 om 11.25.24.jpg

 

De kunstenaar Omino71 schilderde zijn eerbetoon aan Pasolini “Io so i nomi” (2014) (Ik ken de namen) tegen de gevel van een oude carrosserie. Pasolini draagt het masker van een superheld, compromisloos, vechtend tegen het politieke systeem. De titel verwijst naar de openingszin van een beroemd artikel van Pier Paolo Pasolini in Il Corriere della Serra op 14 november 1974, geschreven tijdens de jaren van terrorisme in Italië.

Ik ken ze. Ik ken de namen van de verantwoordelijken achter deze zogenaamde coup – in werkelijkheid een hele reeks coups die gepleegd worden om de macht veilig te stellen.

Ik ken de namen van de verantwoordelijken achter het bloedbad in Milaan van 12 december 1969.

Ik ken de namen van de verantwoordelijken achter de bloedbaden in Brescia en Bologna in de eerste maanden van 1974. Ik ken de namen van de ‘top’ die de oude fascisten, de bedenkers van de coups, de neofascisten die de eerste bloedbaden hebben uitgevoerd, en de ‘onbekende’ materiële daders van de recentste bloedbaden heeft gemanipuleerd….’ Ik ken ze. Maar bewijzen heb ik niet. Ik heb zelfs geen aanwijzingen…’

(De roman van de bloedbaden, uit het Italiaans vertaald door Piet Joostens – Vaarwel en beste wensen Pasolini Poëzie en Polemieken.)

 

 

Omino-71-Io-so-i-nomi-2014-via-Fanfulla-da-Lodi-Roma-photo-Giorgio-Benni-480x320
Via Fanfulla da Lodi, Roma – Foto: Giorgio Benni

 

 

Een paar meter verder kijkt Pasolini’s oog in zwart en wit over Pigneto. Het is een werk van Mauro Pallotta of ‘Maupal’ (2014), getiteld ‘L’occhio è l’unico che può accorgersi della bellezza’ (Het oog is het enige dat schoonheid kan zien), uit Lo Sguardo. Een uitspraak van Pasolini over het gevoel van een levende schoonheid en het mysterie van het kijken. Het is een oog dat alles ziet, een alziend, wakend, waakzaam oog. Palllota schilderde het werk in één dag, met enkel zwarte verf en vuil water.

 

-l’unico-che-può-accorgersi-della-bellezza-2014-via-Fanfulla-da-Lodi-Roma-photo-Giorgio-Benni-480x320-1
Via Fanfulla da Lodi, Roma – Foto: Giorgio Benni

 

 

 

Punta del mescoAan de overkant van de straat schilderde de kunstenaar Mr. Klevra, ‘Piccola Maria’ geïnspireerd door Pasolini’s film ‘Il vangelo secondo Matteo’ (Het evangelie volgens Mattheus, 1964). Het portret is van Margherita Caruso, de actrice die de rol van een jonge Maagd Maria speelde in de film. De tragisch, open blik en de bezwerende, vreemde tekens achter haar in een gouden aureool, magnetiseren de ruimte. De vermiljoenrode sluier geeft het realistisch geschilderd gezicht een Byzantijnse uitstraling. Het mystieke vloeit over in een symbolische weergave van de realiteit. Het beeld refereert mijn inziens aan een uitspraak van Pasolini over zijn cinematografisch werk: ‘Wat ik in mijn hoofd heb als visueel veld zijn de fresco’s van Masaccio, Giotto en Piero Della Francesca, de schilders van wie ik naast bepaalde maniëristen zoals Pontormo het meest houd. Ik ben niet in staat beelden, landschappen of figurencomposities te creëren in welke vorm dan ook zonder mijn passie voor de schilderkunst van de 14de eeuw erbij te betrekken, die de mens als middelpunt heeft.’

 

Piccola Maria – Foto: Giorgio Benni

 

 

(Wordt vervolgd)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bianca

 

‘Kan u om te beginnen even een cijfer selecteren dat uw energiepijl zou weergeven op een schaal van nul tot tien. Tien betekent dat u in topconditie verkeert.’

Ik keek even nadenkend naar de punten van mijn schoenen en zei toen: ‘dat zou drie zijn dokter.’

‘Ah, dat is niet veel,’ antwoordde zij.

‘Ik weet het dokter, daarom ben ik ook naar u gekomen, om te voorkomen dat ik binnen enkele weken bij nul zou eindigen. Nul is geen getal zoals u weet.’

‘Inderdaad, enig idee waar die daling  vandaan zou kunnen komen?’

‘Tja, het lawaai van slijpschijven dat elke dag van zes uur ’s ochtends uit een aanpalende bouwwerf boven het gekwetter van de vogels uitstijgt, mijn twee hersenhelften elke keer vierendeelt, door mijn nog slapend lijf slijpt, is na zes jaar om te zeggen, onhoudbaar geworden dokter. Het houdt hier nooit op. Zijn ze langs de ene kant van de straat klaar met een werf dan staat er al een gapend gat aan de overkant te wachten om met beton te worden volgestort. Daarnaast wordt de luchtkwaliteit in deze stad zo abominabel dat ik buiten haast niet meer durf te ademen. Eigenlijk adem ik zo weinig dat het een wonder is dat ik nog leef. De stadse, westerse omgeving doet me geen deugd meer zoals weleer.’

‘En dan die mensenstroom dokter, al die personages met hun schubbige koppen en vissenogen, die je leeg en koud aanstaren, hun te nauwe kieuwmonden waar niets dan geblubber uitkomt. En ook, ja sinds het resultaat van de verkiezingen bekend werd en Vlaanderens lelijkste er met kop en schouders uitschoot, het uitschot, lijken deze gelijkgestemde koppen steeds vaker een soort van bruin slootwater, blubber, uit te borrelen in plaats van mooie regenboogbellen. Het lijkt of iedereen na die zondag, ongebreideld zijn of haar vissengal, zijn blubber moet spuwen. In de bus, de tram, de straat, aan de kassa van de supermarkt, het lijkt hen niet eens iets uit te maken, het doet er niet toe naast wie ze staan als ze maar hun gal kunnen spuwen. Zoals vorige week, toen ik van de hel van de Herentalsebaan en de Turnhoustebaan, langsheen de Plantin-Moretuslei op weg naar huis fietsend, even aan een strookje rust, een laatste streepje avondzon toe was, het vijf meter brede voetpad van de Britse Lei opreed en prompt door een voetganger in maatpak – waar ik twee meter vandaan fietse – nijdig tot de orde geroepen werd.

“Het voetpad is voor voetgangers madame!” Alsof ik een idioot was en hij de zonnekoning van de stad.

Toen ik omkeek zag ik dat het de zoon van een overleden, bevriend acteur was. De zoon had zich in de loop der tijd, behoorlijk naast zijn schoenen flanerend, tot een pedante confrater ontpopt, zodat het voetpad, vijf meter breed, nog steeds niet breed genoeg was voor zijn ego. Een ego dat hij vergeefs opgepoetst, in de vensters van deze stad bij gebrek aan elegantie, overal dacht te moeten etaleren. De schoonheid van zijn vader daarbij mateloos ontberend.

Dit alles dokter, het gedoe van sommige lieden, de nepheid van hun innerlijke en uiterlijke wereld, hun wezen, dat zij als een vuile, natte dweil, overal met zich mee slepen om het tegen de avond, als een mens moe gewerkt even over het voetpad scheert, in je nek te gooien, waardoor je je plots in het licht van de avondschemer, tussen de touwen van een bokskring bevindt.

Gelukkig was er ook die ene magische dag, toen ik langs dezelfde weg, ter hoogte van de Marie-Henriettalei, plots Spaans gekwetter hoorde en een van mijn vriendinnen met twee Spaanse dansers op één step zag staan. Paula, Charo en Martina. Lachend en gierend, achter elkaar balancerend op die step. Dat maakt dan alles weer in één keer goed. Dan stijgt het cijfer op de schaal van drie naar negen, breekt de zon van het Zuiden door, gaan de vensters van de ziel open en de stemmen van de vrouwen vliegen als zangvogels uit hun kooien en in de straten beginnen de dingen vanzelf Sevillanas te dansen en te zingen.

Maar dan komt de avond, wanneer het stilaan donkerder en eindelijk stil wordt, je de regen kan horen tikken op de laatste rode pannen van het dak van het laatste puntdak van de laatste buren die hun huis nog niet aan het monster van de immobilien hebben verkocht. En in het langzaam deemsteren raak ik zo uit mijn doen, dat ik de verdere nacht geen oog meer dicht doe. Alleen nog aan de maan van Pavese denk. De Maan en het vuur. Het laatste boek dat hij schreef, voor hij zijn leven in hotel Roma in Turijn, met een overdosis pillen en een laatste zin zijn dagboek sloot.

‘Ik vergeef iedereen en vraag iedereen vergiffenis. Zo goed? Klets niet teveel.’

‘De schrijver benam zich van het leven? U hebt toch geen vreemde gedachten?’

‘Nee dokter, de meeste van mijn gedachten zijn vrienden, en als ze al vreemd waren zou ik er alles aan doen opdat ze in geen tijd vrienden zouden worden. Ze staan me na, ik hou van hen als van geliefden en zou de moed niet kunnen vinden hen in het ongeluk te storten, in triestheid achter te laten, hun levens te verpulveren door het moedwillig beïndigen van mijn onbenullig bestaan. Zoiets zou ik nooit doen. Daarbij hou ik ook teveel van mijn landschappen. De meesten onder ons herinneren zich de plaats waar ze gewoond hebben en waar je zoals in De zeeën van het Zuiden, een gedicht van Pavese, uiteindelijk ‘naar terug kan keren op je veertigste om te zien dat alles er nieuw is.’  Maar ik besta slechts uit vluchtige herinneringen van landschappen en plaatsen waar ik woonde, maar nooit thuis was, waardoor een terugkeer niet mogelijk is. Ik zie veel huizen maar weet mij nergens meer wonen. Wij leefden altijd al als sedentaire nomaden, wat onthechting maar evenveel ontheemding meebracht. Tot ik mij in de literaire landschappen van Montale en Pavese opnieuw iets herinnerde en het onbestemde een plaats kon geven in Jouw Land,…waardoor ik toch het gevoel had zonder een al te zichtbare eenzaamheid ergens te kunnen bestaan. (De eenzaamheid van een mens is van ver zichtbaar, ademt zich langs zijn poriën uit.) In het geruis van de wind over de zeeën, stranden, cipressen, rotsen, een inktvisgebeente op het strand achtergebleven, het zongeblakerde schild van de cicaden. Tussen de sloepen van de vissers op het Gardameer, waar ik op een romantische nacht geboren werd en in een wijnmand terug in het water gezet. Overal heb ik naar mijn plaats gezocht.

Vaak tot de ochtend wakker gelegen, denkend aan de vissers die de zeilen van hun slapende sloepen oprollen, zwijgend de netten schikken en uit de bodem van hun ziel, het anker lichten. Iets in mij dat onophoudelijk spartelt en bij het water niet meer is weg te slaan, speurt nog naar de spaan van wat ooit een roeiend paar moet zijn geweest, waar ik in het donkerst van een nacht, langs de rivier van de hemel naar de maan van Pavese en het vuur van Montale kan varen.

Voor al die slapeloze nachten dokter, en om de graden op de schaal te verhogen, had ik graag een briefje van u verkregen om mijn tijdelijke absentie te verklaren.’ 

 

 

 

 

Stof op de neus
van mijn schoenen
Verstrooid
loop ik terug in de tijd

Etruskische goden krimpen,
splinters
in de poriën van mijn huid

De zielevogel,
een vlek
Een handpalm groot
vliegt uit –
In de nestkast
van mijn grootmoeder
die een mystica was –
keren geluiden
als uilen
terug.

Een geur van regenwater
en oranjebloesem
doordrenkt
de vaasscherf,
waarin zij zich,
gezeten bij de Tiber,
van kruik naar kruik
in een waterval
van klanken
heeft uitgestort.

 

ma 143217

 

 

 

 

 

Shaman en de tapirdroom

Shaman and the tapir in the Amazone 20.20.06.jpg

 

In Florida is deze week een kweker van exotische dieren door een van zijn eigen vogels gedood. De kasuaris, een van de gevaarlijkste vogels ter wereld – al zou ik het geen vogel willen noemen want hij kan niet vliegen – kan tot een anderhalve meter groot worden. De soort, die tot de loopvogels behoort, begon zo’n 65 miljoen jaar geleden te evolueren en komt van alle dieren het dichtst bij een levende dinosaurus. Op de middelste teen van elke drietenige voet, groeit een dolkachtige nagel van tien centimeter, een vlijmscherpe klauw, waar de kasuaris met een enkele trap, het lichaam van elk wezen dat een bedreiging voor hem vormt kan openrijten. De ongelukkige eigenaar van de vogelachtige soort kwam vrijdag op zijn boerderij ten val en werd als een prooi door het dier aangevallen. De man werd nog overgebracht naar het ziekenhuis maar overleed uiteindelijk aan de gevolgen van zijn verwondingen.

Wat mijn eigen einde aangaat ligt, gezien de snelheid waarmee het klimaat opwarmt, alles al vast. Geen geworstel met exotische, vogelachtige soorten, komodovaranen, hongerige ijsberen, wilde rode termieten, waterboa’s of wat dan ook; ik zal vredig in mijn hangmat onder een versleten klamboe en een slapende Zuid-Amerikaanse tapir naast mij op een strooien mat, ten ondergaan aan de beet van een Aziatische tijgermug. Geen eenentwintigste-eeuws gevecht als tussen David en Goliath. Zelfs in het hartje van de winter wisten de muggen mij onder eender welk geïmpregneerd deken te vinden en overleefden de bitterste kou, dankzij de uitgestrektheid van mijn huidoppervlak en een overvloed aan warm, stromend bloed. Mijn boeddhistische gelofte om geen levende wezens te doden gaf ik noodgedwongen op, het karma kruipt waar het niet gaan kan. Ondertussen breidt de Aziatische tijgermug, naarstig zoals alleen insecten dat kunnen, haar leefgebied uit met 100km per jaar en zal deze zomer in onze contreien neerstrijken op plaatsen waar niemand het verwacht. In stilstaand water of in de kelken van bromelia’s hangend in pastelkleurige bloempotten op het balkon, in de opgestapelde autobanden aan de ingang van een bandencentrale of gewoon op een verlaten autokerkhof. Gedroomde broeiplaatsen voor deze gestreepte mug, die net voordat ze in het grootste geheim duizenden eitjes zal leggen, ook mij zal weten te vinden. Of u.

De westnijlziekte die mij enige jaren geleden, na een bezoek aan een vierduizend jaar oud koningsgraf in de Egyptische Nijldelta, als een vloek van Toetanchamon trof, overleefde ik maar net door liters tonic te drinken. Maar de tijgermug overleeft ondertussen alles, zowel hoge dosissen kinine als andere antistoffen waar je van gaat hallucineren zodat de muggen in je dromen duizend keer worden uitvergroot. Een sluw, loerend facetoog wordt, en een slurf in plaats van een zuigsnuit krijgt. Een lamentabel einde, aan een of ander ziekenhuisbed, ’s nachts tussen kraakwitte lakens vastgebonden, zal mij gelukkig gespaard blijven! Welkom O tijgermug! Met de dodende kracht van een Afrikaanse olifant.

Les yeux sont faits

 

Tessera © Vidy Roman museum

‘Alles komt goed!’ Hoorde ik hem door de telefoon zeggen. Het was iets wat voordien nog nooit over zijn lippen was gekomen. Toen ik de telefoon neerlegde wist ik niet waar hij het over had. Alles komt goed! Alsof de teerling geworpen was en er aan de schitterende uitkomst van de worp – een oog, oogluikend naar de sterren gericht – niet meer getornd kon worden. De dag raasde voorbij en het onschuldige, positief bedoelde zinnetje, dat door overdadig gebruik meestal zijn doel voorbijschoot, bleef nu als een koffieboon tussen de rest van het koffiegeruis in de molen van zinnen en uitspraken ronddraaien en ik kreeg hem niet geplet.

Waarom had hij, die zich nooit van banale uitspraken bediende, zich nu van deze onverteerbare koffieboon bediend? Wat komt er goed? Bleef ik me afvragen en waar sloeg het eigenlijk op? Was er dan iets dat hoogdringend goed moest komen? En was datgene – alles – wat zich op dat moment aan ons voordeed en onze houding daartegenover, verhoudingsgewijs niet goed, of niet goed genoeg? Moest het dan nog beter worden? Waarom was alles niet goed zoals het nu was? Ook wanneer het helemaal niet goed was of zelfs uitermate slecht, op sterven na dood?

Ik vroeg het hem maar niet. Zoals gewoonlijk zou hij dan over de stoïcijnse weg beginnen waar geen hindernis als goed of slecht beschouwd wordt. Je alleen maar moest beseffen dat je onderweg zomaar pal op je gezicht kon vallen en je tijdens de val vooral moest proberen je neus niet te beschadigen, ‘want wie zijn neus beschadigt, beschadigt zijn gezicht’.

Daar was hij erg beducht voor omdat hij een prominente, grote neus had. Die neus stond hem overigens wel. Hij had er naarmate hij ouder werd, het gezicht voor gekregen. Dit bewees eigenlijk dat alles goed kwam, en zelfs zoiets als een neus, zich na verloop van tijd aan de omstandigheden van de mens aanpaste. Net zoals drie miljoen jaar geleden de menselijke schedel een eerste, drastische verandering onderging omdat de hersenen van het geslacht Homo begonnen te groeien en het gezicht verhoudingsgewijs verkleinde, waardoor de neus, eerst twee reukholtes, om ruimte te maken voor de groter geworden hersenen, in zijn huidige vorm naar buiten werd geduwd.

Gezien de omvang van zijn neus had hij wel erg veel plaats voor zijn hersenen nodig gehad. Ik belde hem opnieuw en vroeg om mij ervan te verzekeren dat ik hem juist begrepen had, nogmaals hoe het met hem ging. ‘Goed’ zei hij ‘dat heb ik je toch net gezegd. Wat wil je nog meer weten? Scheelt er wat?’ ‘Nee hoor. Alles komt goed, toch?’ Alsof ik door het oog van de geworpen teerling naar een wereld keek die eeuwig bloesemroos bewasemd was.

Sonia Gaskell & Rudi van Dantzig

index.php

 

Een boek moet je traag inademen, zin na zin, als tijdens een meditatie.
Zo zat ik dus na een turbulente dag, vol ongecontroleerde bewegingen, in- en uitademend, roerloos met het boek van Rudi van Dantzig op mijn schoot.
‘Een eeuwig opnieuw beginnen. Een persoonlijke zoektocht naar Sonia Gaskell.’

Met een diepe liefde en bewondering schetst Van Dantzig de levensloop van danseres, balletpedagoog en choreograaf Sonia Gaskell die als kind van Joods-Russische ouders na de Tweede Wereldoorlog via Parijs in Amsterdam belandt en er een van de eerste balletstudio’s opricht. Met een kleine groep van enthousiaste dansers trekt zij in de naoorlogse jaren in Nederland rond en geeft er lezingen over de geschiedenis van de dans die door haar leerlingen uitgebeeld worden. Langzaam bouwt ze een internationaal repertoire op en veel van haar leerlingen groeien onder haar hoede uit tot belangrijke dansers die zowel het klassiek romantische als het moderne repertoire beheersen

Gaskell was erg beïnvloed door de Ballet Russes van Serge Diaghilev en gaf haar eigen lessen in de Frans-Russische stijl zoals ze het tijdens haar verblijf in Parijs bij Ljoebov Egorova (Mariinski Ballet) en de Franse choreograaf en danser Léo Staats geleerd had. In haar dansgezelschap gaf ze ook ruimte aan de creativiteit van jonge choreografen en ze was de stuwende kracht achter veel vernieuwingen in de danswereld. Met de oprichting van Balletrecital I & II en het Nederlands Ballet dat in 1961 Het Nationale Ballet werd en waar zij tot 1969 de artistieke leiding over had, ontwikkelde Sonia Gaskell de dans tot wat het hedendaagse Nederlands ballet intussen is geworden.

Het boek is tevens een poëtisch relaas van de band tussen een leerling en ‘Mevrouw’ zoals zij door iedereen werd genoemd. Met de openingszin: ’Een vrouw die schreed alsof ze nooit zou sterven’, neemt Van Dantzig de lezer mee in een werveling, een ballet blanc, dat aanvangt wanneer hij als zeventienjarige aan de deur belt van Gaskells balletstudio aan de Zomerdijkdstraat 26 in Amsterdam en eindigt op het ogenblik van haar overlijden in Parijs.

Tijdens het verloop van dit ooggetuigenverslag, laat hij Sonia Gaskell in haar zo eigen taalgebruik aan het woord en zet hiermee een levendige, door de dans gepassioneerde vrouw neer. Aan haar karakteristiek accent en haar uitspraken kan je bijna horen wie ze moet geweest zijn: ‘Ik ga wel niet met een gezonde hoofd in één zieke bed liggen.’ ‘Nee, liefje, frappé is wel niet van die borsten, frappé gaat met die voeten!’ Rudi wordt Roeti en wanneer ze tijdens de lessen haar geduld met zijn gestuntel verliest, wordt het Roeti ‘verdomme’, ‘alsof het zijn familienaam was’. De geladenheid tussen de dansers en de choreograaf is bijna tastbaar. Een knetteren dat doorheen het boek verder loopt. Ondanks Van Dantzigs blijvende twijfel of hij wel met dansen verder moet gaan blijft Gaskell hem steunen, tot hij zich als een van de belangrijkste Nederlandse balletchoreografen ontwikkelt en haar later als artistiek leider opvolgt.

Een leven naast de dans bestond er niet voor Gaskell: ‘Ik geloof, de enige mogelijkheid om het leven eeuwig te maken is die, het in een kunstvorm te gieten en dat is de grootste taak van een kunstenaar. Als het hem werkelijk lukt, een bepaalde grote belevenis of gebeurtenis in een kunstvorm om te zetten, dan is zijn leven al gerechtvaardigd’. Terecht zag ze in dat ‘je naar het onbereikbare moet streven om het redelijke te halen’. Van haar leerlingen eiste ze dezelfde inzet, een volledig en altijd voor de dans aanwezig zijn. Het idee van een privéleven moesten zij voor hun vak opzij zetten en zou door de jaren heen tot een bron van conflicten, onbegrip en verwijdering leiden. Jarenlang weigerde ze de dansers uurroosters te geven. Gaskell wilde dat iedereen steeds aanwezig was tijdens de lessen, de verdeling van de rollen bleef vaak heel lang onbekend.Het was haar manier om hen alert en bij het gebeuren te houden, maar voor de nog jonge dansers leidde het vaak tot wanhoop en uitputting.

Een eerste breuk tussen Gaskell en Van Dantzig ontstaat wanneer hij zich van het Nederlands Ballet afscheurt en met de oprichting van het Nederlands Dans Theater een eigen weg inslaat. In het boek wordt de aanleiding van dit pijnlijk gebeuren – een nachtelijke confrontatie tussen een hulpeloze Gaskell en een delegatie van dansers die letterlijk met de voet tussen de deur in haar hotelkamer binnendringt tijdens een tournee in het Duitse Passau – uitvoerig beschreven, en is een van de meest ontluisterende passages uit het boek.

Net als collega Jaap Flier ervaart Rudi van Dantzig de afscheuring als een moedermoord. Na een jaar keert hij echter terug, omdat hij haar ‘en haar poelen van ogen’ mist, ‘die arendsblik waarmee ze dansers tijdens de les volgde, hypnotiserend en steeds het beste uit hun lichamen probeerde te halen’. Het is inderdaad die magnetische blik die ook mij ertoe aanzette iets over haar te schrijven. Er stonden nog heel wat personages op mijn lijstje waarover ik iets wilde vertellen, maar zij leefden nog en konden wachten, de doden hadden minder tijd.

Uit de brieven die ze naar Rudi Van Dantzig en andere dansers schreef en op het einde van het boek vertaald worden, blijkt hoeveel ze van haar dansers hield. Toch zal de opeenstapeling van onuitgesproken conflicten en ruzies in 1969 uiteindelijk tot het definitief vertrek van Gaskell uit het Nederlands Ballet leiden. Een doek dat op het einde van het boek treurig en bitter over haar leven valt. In een van haar brieven uit ze zich over haar diepe droefheid ‘nergens meer gevraagd te worden in Nederland, terwijl ze met niets liever dan met de dansers en de dans wilde bezig zijn’. Na haar afscheid vestigde ze zich in Parijs waar ze tot haar overlijden op 9 juni 1974 verder les bleef geven. Niettemin groeide het Nationale Ballet door de zaadjes die zij van in het prille begin met de groep van Ballet recital I en II plantte, uit tot een gezelschap dat het academisch ballet naar het allerhoogste niveau bracht.

Tijdens het lezen kon ik me niet losmaken van die blik, wilde de zeggingskracht ervan begrijpen, alsof ik dromend tussen de struiken in een tuin, alleen op een tak, een wondere, nooit geziene vogel met mensenogen ontwaarde. Ogen die de mensheid betoverden, begeleid door een uit de tuin opstijgende nooit eerder gehoorde melodie. Over haar dood heen maakte ze nog een beweging in je los.

In de witte spaties tussen de woorden zie ik steeds het beeld van een in de ruimte uitgestrekte arm, een vloeiende lijn, een energie die ergens van boven het hoofd vertrekt, als vanuit een onzichtbaar draadje, en over het profiel van het gelaat langs de hals, de schouders, de armen tot in de topjes van de vingers loopt. De sierlijkheid van een hand die naar iets reikt dat ontastbaar is. Een pas-de-deux die doorheen de golvende lijn van het boek blijft ontroeren, je vasthoudt tot de laatste pas, de laatste zin waarin Sonia Gaskell, letterlijk en beurtelings in een rol van verering, onbegrip en liefde opgetild en gedragen wordt tot zij in de ruimte verder stroomt. Het boek is niet enkel het resultaat van een zoektocht naar wie zij werkelijk was. Het is het relaas van een door de jaren heen, nauwkeurig genoteerde reeks van bewegingen, een pas na pas opgetekende choreografie. Een nooit ophoudende dans. ‘Een altijd opnieuw beginnen.’ Een ontroerende en beklijvende ode aan ‘Mevrouw’.

Archieffoto GDP@UNKNOWN 2-1bfc677b6f35
Archieffoto GDP@Unknown
hetnationaleballet5_kl
Het Nationale Ballet

Kerstpup

 

Sea Life 25 december 2018

 

Terwijl ik op de website van vubtoday.be over een pas gepubliceerd onderzoek van bioloog Andrea Ravignani, over de communicatie tussen zeehonden, gebogen zat, werd ik mij ineens bewust van het gevoel dat mijn lichaam als een wilg waarvan de takken over een rivier bogen, millimeter per millimeter, aan het scheefgroeien was. Alleen stroomde er geen rivier onder mij, maar slechts de nerven van een kersenhouten tafelblad.

Dit was een eigenaardige gewaarwording omdat ik altijd dacht heel soepel te zijn geweest, het werd tijd iets met mijn vreemde, vertakkende ledematen te ondernemen. Een duik, een overtocht langs het kanaal, een plons ergens tussen de koralen, voor ze volledig gebleekt en uitgedroogd waren. In plaats van aan een tafel van kersenhout, waar een zee van tijd zich voor mij uitstrekte, tussen de letters te zwemmen, en de nerven te tellen, kon ik evengoed naar de kust trekken en de nieuwste bevindingen die ik zonet in het artikel had gelezen aan de werkelijkheid toetsen.

Het onderzoek van Dr. Ravignani toonde aan dat vier weken oude zeehondenpups al een complex communicatiegedrag vertonen. Om de aandacht van de volwassen dieren te trekken maken ze namelijk om de beurt geluid, dit om elkaar tijdens hun roep niet te overlappen. Een beetje zoals mensen tijdens een gesprek om de beurt het woord nemen. De roep van de pups bleek ook afgestemd op het ritmische geluid van een andere soortgenoot. Dit leek een eenvoudige stelling, maar ‘het organiseren van geluiden in de tijd, op een interactieve manier met soortgenoten’ werd nooit eerder wetenschappelijk aangetoond. Uit het onderzoek bleek dat ‘de ritmische dimensie in de communicatie tussen de zeehonden even belangrijk, zo niet belangrijker was dan de toonhoogte of de aard van de voortgebrachte klank’.

In Pieterburen ten noorden van Groningen, waar Ravignani zijn onderzoek deed, bevond zich het grootste revalidatiecentrum voor zieke en verweesde zeehonden, ongeveer op vijf uur reistijd vanuit Antwerpen. Nu voelde ik mijzelf ook een beetje als een zeehond die de uitputting nabij was en dringend opvang zocht. Na enkele overwegingen van praktische aard, wendde ik mij tot Google maps, dat het opvangcentrum voor zeehonden in Blankenberge in kaart bracht, que reistijd drie uur dichterbij en nog net in één dag haalbaar. Sea Life bood eveneens een online korting van vijf euro aan. Ik nam de tijd niet om te lezen waaraan de bezoeker de korting te danken had, downloadde mijn treinticket, ontving een Happy Ticket, heen en terug naar de zee in ruil voor tien euro, en vertrok. Met het gemoed van die dag gelijk een natgeregende krant onder mijn arm, repte ik mij naar de trein, plofte neer en stapte twee uur later in het station van Blankenberge uit, benieuwd naar de communicatietools van een zeehondenkolonie.

Aan de kassa van Sea Life begreep ik dat de mij verleende korting niet seizoensgebonden was, maar verband hield met de omstandigheid dat er in het centrum tijdelijk geen zeehonden aanwezig waren. Hun verblijf, zo vertelde de kassajuffrouw, werd op dit moment gerenoveerd. Ze overhandigde mij een nieuw ticket waar ik vanaf april 2019 mee zou kunnen terugkeren. Ik stapte het opvangcentrum binnen en de enige zeehond die ik te zien kreeg was net op kerstdag aangespoeld. De verzwakte pup keek mij vanuit de verzorgingsbox zielig en ontheemd aan. Het diertje begreep natuurlijk niet dat het gered was en binnen enkele weken door de nobele strandjutters van Sea Life weer vrij zou worden gelaten. Ik probeerde wat geluiden te maken en tokkelde met mijn vingertoppen ritmisch op het glas. Zoals de studie van Ravignani had aangetoond zou de pup zijn roep op het ritme van dit geluid baseren, maar ik hoorde niets. De verzorgingsbox liet weinig of geen geluid door. Ik probeerde het wat harder. Oink Oink Oink. Toink toink toink. Het leek alsof ik een astma-aanval kreeg en de verzorger die over mijn schouder naar de pup kwam kijken vroeg geschrokken of ‘alles wel in orde was’. Ik schraapte mijn keel en zei dat er niets aan de hand was en besloot mijn pogingen om Ravignani’s bevindingen te toetsen even te staken. Ik verliet het opvangcentrum voor zeehonden en liep over het duinpad, dat verscholen tussen zeegrassen, duindoorns en vochtige duinvalleien lag, van Blankenberge naar Zeebrugge en terug.

Het strand was verlaten en lag bezaaid vol prachtige, perfect gevormde schelpen. De jodiumlucht was als een zuurstoffles, maar dan op het droge.

Tussen enige rotsen en de golfbreker vond ik hem, op een zandbank aangespoeld. Het leek of hij gewond was want hij bewoog niet. Voorzichtig hurkte ik naast hem neer en rolde hem zachtjes langs beide zijden om. Over gans zijn olieachtige witgrijze huid was geen schrammetje te zien. Ik hoorde een zwakke ademreflex en wreef hem over zijn kop. Hij sperde zijn zwarte bolle oogjes open en maakte een huilerig geluid. Misschien had hij honger, of leed hij aan zeemeerminnen-pijn. Had hij vanuit de diepte van de zee voor het eerst het zingen van de Sirenen gehoord en was hij door het onwerelds gezang, steeds dichter bij de kust genaderd en in zijn onachtzaamheid door een sterke stroming tegen de rotsen gegooid?

Of had hij nu al teveel plasticsoep gedronken en zat er een stuk onoplosbaar vissersnet van polytheen rond zijn maag? De pup bleef huilen. Ik probeerde hem gerust te stellen door zijn roep na te bootsten, en na enige tijd maakten we om de beurt hetzelfde soort geluid: Oink Oink Oink. Gelukkig was er niemand in de buurt. Hij lag op zijn buik te schommelen, maar raakte op eigen kracht niet van de zandbank af. Nergens was er aan de oppervlakte van het water een zeehondensnuit te bespeuren. Alleen zou hij het niet overleven. Ik tilde hem op, rolde mijn jas om hem heen en liep een enkele kilometers verder, langs de kuststrook van Zeebrugge naar Cadzand, tot ik uiteindelijk, na lang zoeken, een kleine kolonie zeehonden vond. Buiten adem, legde ik hem neer en duwde hem tegen de brekende golven, het water in. Zijn gladde, grijze lijfje werd weer één met de kalme Noordzee die hij op zijn rug tegemoet zwom. Hij zwaaide nog net niet. Oink Oink Oink. Een wonderlijk ritmisch geluid! Ik trok mijn jas terug aan en verdween in een olieachtige glans en met ogen zo waterachtig als ze nog nooit eerder geweest waren, alsof de zee er was doorheen gestroomd.

 

20181229_114252