Parsifal, of het baren van een zwaan

Schermafdruk 2018-04-14 07.27.01

 

Het was een beeld dat voor veel vrouwen herkenbaar is: de omtrek van twee lippen in het autospiegeltje aan de binnenkant van de zonneklep. Mijn zus zat achter het stuur en vroeg, tussen het drukke verkeer laverend, hoe de voorstelling van Parsifal was geweest. Terwijl ik nadacht nam ik mijn lippenstift uit de toiletzak en stiftte mijn lippen rood.

Wagners Parsifal was de eerste opera die ik als bloemenmeisje bijwoonde en waar ik de microbe meteen te pakken kreeg. Op het einde van de eerste repetitiedag, door de wondermooie muziek betoverd, wenste ik niets liever dan in het operagebouw te blijven wonen en van op het eerste balkon, in een loge, tot het einde van mijn dagen, de wereld van de opera te aanschouwen. Desnoods tot rode pluche verwordend. Het was een ultieme droom waar abrupt een einde aan kwam toen de toenmalige artistiek directeur van de Vlaamse Opera besloot om Parsifal in concertante uit te voeren. Diep teleurgesteld verliet ik samen met de andere bloemenmeisjes het podium en liep de kans op een operacarrière of eeuwige toeschouwer grandioos mis. Het verhaal van de ridders en de reine dwaas op zoek naar de heilige graal liet ik met het bloemenkleed tussen de rekwisieten en andere operakleren, op een kleerhanger achter, in een naar kamfer geurende ruimte vol mottenballen. En keek naar Parsifal niet meer om.

Het was van bij de aanvang even wennen aan de strak gehouden regie van Tatjana Gürbaca. De hoefijzervormige scène met de witte wanden was fel verlicht. Net neonlicht in een ziekenkamer, of het koude licht van mijn computerscherm, dat in het donker oplichtte en na een tijdje pijn aan je ogen deed. De personages waren armoedig en sjofel gekleed. Waarom Gurnemanz in een rolstoel zat, wat de draagkracht van zijn stem op de proef moet hebben gesteld, begreep ik niet goed, maar bleek achteraf net als de volledige regie, beklijvende beelden op te leveren. Cürbaca’s interpretatie van Parsifal was iets totaal anders dan wat ik tot nu toe had ervaren. De orkestratie, het koor en het kinderkoor tilden de voorstelling naar een allesomvattende, dramatische hoogte. En mijn blik begon door de zinderende warme binnenkant van het gebouw te dwalen. De toeschouwers zaten stil als bijen in de honingraat van een gigantische rode korf vol magische geluiden te luisteren. Met de adem ingehouden hing het duizendtal luisteraars vijfentwintig meter boven de orkestbak van waaruit de muziek majestueus tot aan de koepel steeg.

Ineens zag ik het profiel van een vrouw die ik bij het binnenkomen al had opgemerkt en wiens aanwezigheid mij aan de cellist Olivier Ghislain herinnerde. Olivier was er niet meer maar haar aanwezigheid en de wetenschap dat zij van hem had gehouden bracht hem ineens levendig terug. Ik dacht aan ons eerste gesprek nadat hij tijdens de vernissage van Staf De Smedt, op uitnodiging van Julien Schoenaerts, in de kapel van de Zwarte Panter, de cellosuites van Bach had vertolkt. Hij was een van de meest belovende cellisten van onze tijd geweest. De gedachte aan de manier waarop hij gestorven was, en in de lente van zijn en ons leven, voor de dood had gekozen, zette onbewust de grondtoon neer die tijdens de opvoering en het verdere verloop van de avond weerklonk.

Van op het tweede balkon sloeg ik de vrouw tijdens de voorstelling af en toe gade. Als een Spaanse gravin in gedrapeerde, zwarte kleren zat zij omringd en toch alleen in de ruime loge op het eerste balkon. Het blonde haar boven de zwarte kraag, dat van ver zichtbaar was, accentueerde de dramatiek van haar wezen. Ik vroeg me af wat er door haar heen ging, terwijl het bloed tijdens de voorstelling letterlijk langs de wanden naar beneden drupte. Tweehonderd liter, om precies te zijn.

De voorstelling sleepte zich in bloed gedrenkt verder en ik voelde mij in plaats van bevrijd door het verhaal, steeds dieper wegzinken in een zwaarder wegend gemoed. Een verzuchting naar het sacrale moment, waar een mens van alle leed verlost zou zijn, en het aanschouwen van een dageraad op de scène bleef uit. Iets dat eeuwige rust zou brengen, daar snakte ik tijdens de opera naar. Eeuwige rust. Of iets, een beweging, een beeld om boven de zwaartekracht te kunnen stijgen. Als Icarus in een storm heen en weer slingerend, tussen de weergaloze grootsheid van het orkest, de stem van de sopraan, de tenor, het zang- en kinderkoor, en het bloed op het podium zat ik tussen twee gemoedstoestanden en een paar mannenschoenen die comfortabel op de leuning van mijn stoel, bijna in mijn nek lagen, met mijn vleugels als in een geboortetang vastgeklemd. Ik boog me lichtjes voorover, de man achter me tilde zijn voeten op, excuseerde zich en ik keek van op het balkon naar beneden, de diepte in en zag in de orkestbak de strijkstokken over de snaren van de violen strijken en het koper van de blazers blonk als goud in het donker. Mijn buik zwol op, een wonde scheurde open en ik verkeerde plots in barensnood. Een zwaan wrikte zich uit mij los en werd in de tang gegrepen. Kundry sneed haar armen open op de scène en viel stervend neer, het bloed droop van de muren en de wonde in mijn buik sloot zich alsof ze er nooit geweest was. Met de zwaan over mijn schouders trok ik weer verder, over de heuvels de horizon tegemoet. Als een blindenstok sleepte Amfortas de speer van de Graal achter zich aan.

Om half twaalf ‘s nachts strompelde ik met mijn gepijnigde voeten in veel te kleine pumps gekneld naar buiten en nam afscheid van Cara Siregar met wie ik de opera bijwoonde, en groette in het voorbijgaan Ria Pacquée van wiens hoofd een eeuwige sacrale beweging uitging en wiens oogopslag louter waarneming was.
In het donker van de nacht vlogen twee mandarijn eenden op.

De dagen die op de voorstelling volgden, was wat mij omhulde en onzegbaar was, zo dun als een eierschelp.

Ik stopte met praten. Mijn zus vroeg of er ‘nog iets kwam,’ en zei terloops dat ze al dat bloed niet zou kunnen verdragen. Keek me met de handen op het stuur een ogenblik zijdelings aan en zag de twee bloedrode strepen in mijn bleek gezicht en begon te roepen. ‘Wat heb je nu gedaan! Waarom laat je me zo schrikken, ben je gek!?’ Ik keek in de spiegel en barste in een onbedaarlijk lachen uit. De lippenstift was uitgelopen. De omtrek van Kundry’s lippen, heftig bloedend, in de spiegel van de zonneklep.

 

 

Het derde oor

vincent-van-gogh-verbonden-oor-detail
Vincent van Gogh (Zelfportret met verbonden oor, detail)

 

In het vijf verdiepingen tellende winkelcomplex waar je voordien enkel het onnavolgbaar geluid van de voorbij schuifelende, kooplustige mensheid kon horen was iets vreselijks gebeurd: er verspreidde zich sinds kort op alle etages een irritant geluid. Zoals bij het begin van ieder nieuw seizoen bezocht ik het complex om in een klimaat van stilte en rust, het lichaam in een recordtijd van het nodige textiel te voorzien. Maar bij het binnentreden werd ik deze keer op een vreselijk lawaai getrakteerd dat pretendeerde muziek te zijn. Meer dan een stompzinnig gehamer dat op een repetitieve, geestdodende elektronische beat was gezet, kon ik er niet van maken. Het was niet uit te houden en steeds geïrriteerder door de schelle slagen die in de cellen van mijn brein alsmaar pijnlijker klonken schoot ik tegen een stilstaande verkoopster uit mijn wiek. ‘Excuseer mevrouw maar vindt u dit geluid nog aan te horen?’ De verkoopster, hooguit vijfentwintig jaar, bracht haar fijne, gemanicuurde hand naar haar buste en rolde met haar zwart omlijnde Oosterse ogen. ‘Ah! Wat ben ik blij dat je dit vraagt. Je moet hier eens van de ochtend tot de avond staan. Soms sturen ze zelfs trompetten de ether in, trompetten!’ Beter dan hamers, dacht ik en vroeg haar wie ik voor deze exclusieve vorm van auditieve terreur ter verantwoording kon roepen.

‘De store manager zetelt in het servicecenter op de eerste verdieping. Helaas kan ik zelf geen opmerkingen omtrent de muziek maken want ik ben een shop assistent.’

‘Goed, ik ga er meteen heen’ zei ik.

Voor ik mij tot de shop manager wendde, besloot ik nog enkele steekproeven bij de andere verkoopsters uit te voeren en vroeg hen wat ze van het achtergrondgeluid vonden. Sommige reageerden gelaten en beaamden dat ze probeerden er zich voor af te sluiten. Eén verkoopster dacht er voor de eerste keer verbaasd over na. Het elektronisch gehamer had intussen mijn tolerantiedrempel overschreden en in plaats van naar de eerste verdieping te gaan liep ik de winkel uit belde van buiten naar de servicelijn, vroeg de verantwoordelijke aan de lijn en stak van wal. Eén niet te onderbreken woordenstroom schroeide vervolgens de lijn. Eerst verzekerde ik de shop manager ervan dat ik een trouwe klant was en de voorbije jaren fortuinen aan kleren, cosmetica, huishoudlinnen, schoenen en nylons die nooit laddervrij bleken, in hun kassalade had achtergelaten en beëindigde mijn betoog met het opeisen van het recht op wat ik ‘auditief comfort tijdens het winkelen en werken’ noemde. ‘Pardon?’ klonk het aan de andere kant van de lijn, ‘u houdt niet van muziek of begrijp ik het verkeerd?’ Stoom kwam uit mijn derde oor. ‘Nee u begrijpt het niet. Zou het kunnen dat uw muziek niet deugt en dat er meerdere verkopers in dit gebouw zijn die hieronder dagelijks lijden, maar uit angst hun baan te verliezen, over deze vorm van terreur met geen woord durven te reppen?’

‘Het spijt me mevrouw, antwoordde de shop manager, ‘maar u bent op één na, de enige klant die over de muziek in onze winkel klaagt. De andere klant lijdt aan een ziekte.’
‘Insinueert u dat ik misschien ook aan deze ziekte lijd?’ ‘Zeker niet mevrouw, maar al zou ik het wensen, helpen kan ik u niet want onze muziek wordt vanuit een kantoor in Brussel naar alle winkels gestreamd. ‘Dezelfde geest vervuilende brei bedoelt u,’ vulde ik aan, ‘de meeste mensen ondergaan dit gewoon, ofwel is hun brein zodanig murw geslagen door de beat dat de gedachte aan verzet niet meer in hen opkomt. Misschien is er al een soort gewenning aan de alomtegenwoordige lawaaivervuiling ingetreden en vinden de meeste mensen het al normaal, maar dit betekent niet dat iedereen dit zomaar moet ondergaan. Ik dien een klacht in. Wist u trouwens dat u louter met geluid iemand kan doden? U houdt eigenlijk een wapen vast. Ziet u het?’

‘Ik hoor uw klacht mevrouw en zal deze bij de eerstvolgende meeting aan de general manager voorleggen, die haar op zijn beurt aan de director officer zal voorleggen, en wie weet komt er dan een nieuwe streaming.’ ‘Het is te hopen’ zei ik nog. ‘Want ik maak mij toch wel ernstige zorgen over hoe uw hersenen en die van uw medewerkers er onder deze auditieve druk binnen enkele jaren zullen uitzien. Hoogstwaarschijnlijk leidt dit lawaai tot vroegtijdige dementie, seniliteit, of een nog erger onherstelbaar hersenletsel. Beeldt u daarentegen eens in welke winst u zou kunnen boeken wanneer u in plaats van dit tergende lawaai, een fris klassiek nootje of iets jazzy in de prille ochtend bracht. Wat een toestroom van klanten zou dit kunnen teweegbrengen. Verkoper en klant, even tevreden als grazende koetjes in een wei. Zoveel aangenamer dan die dolgedraaide termieten die zich door een berg kleren in een pashok proberen te werken, om onbewust, toch zo snel mogelijk weer buiten te staan. Stel u de stijging van de verkoopcijfers voor en de promotie die u en gans uw welwillend team te beurt zou vallen. Eventjes goed nadenken mevrouw voor u zich weer aan het streamen zet. En neem bij de eerstvolgende meeting aub mijn pleidooi voor een Algemeen Auditief Comfort gratis mee. Dank voor uw luisterbereidheid en nog een fijne dag gewenst.

Vaar wel,

 

Eerbetoon aan een vriend,
Frans Goetghebeur 13/04/1948 – 29/03/2018

Vaar wel Frans,
Bedankt voor alles
wat niet materieel of tastbaar was,
het ‘kostbare geschenk’ dat je door de poëzie,
de Tibetaanse taal en de ontelbare vertalingen
van de dharma tijdens het wekelijks onderricht
zo vloeiend en bijna moeiteloos kon overbrengen,
een ware overdracht van hart naar hart, van geest
naar geest, een overdracht waar geen kilheid kon
tussen komen maar louter warmte was, een overdracht
die voor jou een dagelijkse filosofie van mededogen,
menslievendheid, respect en vriendschap betekende.
Een pad dat je consequent en bewust bewandelde.
Met een onvermoeibare daadkracht schiep je steeds
weer de unieke mogelijkheid voor de medemens
om een ware spirituele vriend te kunnen ontmoeten,
zodat de ander zich in de beste omstandigheden
en in het volste vertrouwen kon ontplooien.
Zoveel mensen heb je nader tot elkaar gebracht.
Alleen dat al Frans, is een onnavolgbare verdienste,
het licht van het juweel in de lotus behoort je toe.

Vaar wel Frans,
bedankt voor alles
wat niet materieel of tastbaar was,
je grootmoedigheid, je eruditie, je optimisme,
je geloof en hoop tot in de laatste seconden van het leven.
Ik beschouw je heengaan als een groot verlies,
maar koester tot aan het einde van dit leven
de schat aan innerlijke rijkdom die je nalaat.
Een liefdevolle blik is wat ons rest, en woorden als
mantra’s door windpaarden gedragen.

Frans Goetghebeur, mantra.

Ah

Muurschilderij in Mascalucia, Sicilië

 

Waarschijnlijk, of tenminste zo bestond het in mijn herinnering, was één van de hoogtepunten uit mijn kindertijd, de dag waarop ik van mijn moeder een rieten mand cadeau kreeg. De sinaasappelpluk in de boomgaarden was nog niet begonnen maar de lente kwam er aan en ik wilde graag op de eerste pluk voorbereid zijn. Na maandenlang gejengel kondigde ze, terwijl mijn zus en ik in ons bad plonsden, onverwacht aan dat we na de middag naar de mandenmaker zouden gaan. Met een blik vol ongeloof keek ik haar aan, maar aan haar besliste gebaren zag ik dat ze het meende en begon als een dolle hond in het water rond te draaien. De golf die een deining in het bad veroorzaakte, klotste over de rand en stroomde over de blote voeten van mijn moeder die met een ingezeept washandje te wachten stond. ‘Het is lang geleden,’ zei ze, ‘dat ik je nog zo blij zag.’ Haar antwoord trof me onaangenaam. Emoties prijsgeven lag als tienjarige niet in mijn aard en ik hield me opnieuw stil zodat ze mijn gezicht kon inzepen en daarna handenvol water in mijn prikkende ogen moest plenzen vooraleer ik terug kon zien. De voormiddag duurde nog nooit zo lang. Eerst moesten er nog bedden verschoond en laken gewassen worden. Het was zaterdag, wasdag. Ik drentelde in huis rond en zag haar door het keukenraam met een hoop natte lakens op haar arm, haar rug naar mij gekeerd, langzaam met een doek van recht naar links, in een ononderbroken beweging de wasdraad schoonmaken. Een gebaar dat zij toen vasthing aan mijn denken zodat ik later altijd eerst het laagje mos van de wasdraad zou verwijderen. Even later wapperden de lakens in de wind en het geluid van haar houten slippers op het tuinpad, luidde als klepperende ooievaars de lente in.

Alle zaterdagse karweien zaten er nu bijna op en ik zuchtte opgelucht.
Er moest alleen nog gekookt worden. Zoals iedere zaterdag zette ik een grote pot met water op het vuur en legde op het aanrecht een pak Mama Miracoli klaar. Na een lunch die even lang als de voormiddag leek te duren, reden we gedrieën naar de mandenmaker en in minder dan vijf minuten vond ik mijn mand. Een niet al te groot exemplaar, handgemaakt van ineengevlochten wilgentenen en bovenaan overtrokken met een felrode stof met witte kleine bolletjes. Zodat het oog geen toegang had tot wat er aan geheimzinnigs in opgeborgen lag. Een mand die zo vrolijk oogde en waarvan de witte bolletjes als katoenbloesems leken open te springen als je ernaar keek. Ah, ik was in de wolken en in een wolkenloze hemel reden we van de mandenmaker naar mijn grootouders waar de mand, het sluitstuk van een kindertijd, met dezelfde luidruchtige uitbundigheid onthaald werd als mijn voort jubelend innerlijk gezang. Geuren van citroen, anijs en oranjebloesem hingen in de lucht. De mand werd door mijn grootmoeder tegen het licht gehouden en langs alle zijden gekeurd. En met haar ogen half dichtgeknepen zegende zij prevelend de nog onbekende loop van de rivier in het wilgenriet. Voorzichtig schoof ze daarna het bolletjes doek opzij en uit de zak van haar gebloemde voorschoot haalde ze een appelsien waarop ze wat kachelroet streek en legde hem plechtig in de mand. Ah! En ik hoorde hoe in het riet de rivier begon te stromen en boog mij over de mand en meende in het water de klank te horen waaruit de mensheid werd geboren. Op een verre oever, tussen het wilgenriet verscholen, braken kievietseieren in hun nest. En zij, die haar eigen kindertijd op een rivierboot tussen bergen steenkolen had doorgebracht en wist wat de geur, de kleur en het sap van deze vrucht waard was, bezwoer me dat de zwarte korrel van de steenkool en de poriën in de huid van een sinaasappel altijd al aan elkaar verwant waren geweest. En ah, in de boomgaarden was de sinaasappelpluk nog niet begonnen, maar toch lag de eerste vrucht al gezegend in de rieten mand.

Windmolens

Le Moulin de la Galette (Vincent Van Gogh)

 

‘Welke reuzen?’ zei Sancho Panza. ‘Die daar,’ antwoordde zijn baas, ‘met die lange armen, die bij sommigen wel bijna twee mijl lang zijn.’ ‘Kijk uit wat u doet, heer,’ antwoordde Sancho. ‘Die dingen in de verte zijn geen reuzen maar windmolens en wat armen lijken zijn de wieken, die worden rondgewenteld door de wind en de molensteen laten draaien.’

 

Gelijktijdig met de haan van Socrates, die bij het krieken van de dag begint te kraaien, vervuld als hij is van levensplicht, stapte je uit je bed.

De ene dag wat vreugdevoller dan de andere. Vandaag was alles echter anders dan de andere dagen. De haan kraaide niet en je voelde dat er op de rand van het bed naast hem iets anders was opgestaan. Iets dat rammelde en piepte en zich met getrokken degen in een Middeleeuws harnas door de kamer voortbewoog.

Je trok je loopschoenen aan. Wat wilde hij? Een duel? Nooit eerder was het bij je opgekomen dat je jezelf nog eens zou moeten verdedigen tegen de verschijning van een harnas. Verdedigen? Tegen wie of wat? Een leger van denkbeeldige en illustere vijanden geschapen in de illusies van de geest diende zich in colonnes aan.

Als kind was je ervan overtuigd geweest dat iedere mogelijke tegenstander, een woeste hond op de weg, een losgebroken stier, een bokkend paard, je onmogelijk konden raken, zolang je maar in de metafysische kern van de dromen verbleef, waar een fysieke vorm van verdediging of een gewapende interventie in de realiteit niet nodig was. Naderhand, met het opgroeien, bleek deze techniek niet waterdicht of je beheerste hem niet genoeg. En er ontstonden scheuren in het droom-membraan dat tussen jou en de wereld om je heen trilde, je afschermend van de wereld. Toch hield je vast aan het idee dat zowel ieder gevecht als de verdediging, volslagen nutteloos was. Net als de nobele ridder Don Quichote die met zijn knecht Sancho Panza tegen de windmolens van La Mancha ten strijde trok. Maar daar stond hij dan, uit het rijk der doden verrezen, in zijn rammelend harnas om je van het tegendeel te overtuigen Natuurlijk had je voor zijn gevecht in La Mancha een grote bewondering opgevat. Maar nog meer dan van het gevecht, hield je van de windmolens waartegen hij tekeer ging. Alleen, hoe kon je die dingen aan een harnas uitleggen? Terwijl je nadacht, trok je de veters van je loopschoenen strak en stapte in de auto voor een verre rit.

Op die late namiddag, keerde je na wat een lange dag was geweest langs weiden en akkers met maïskolven, suikerbieten en Van Gogh-stoppelvelden naar huis terug.
In het Westen ging een rode immense bol aan de horizon onder en langs de kant van de autosnelweg draaiden de zeilen van de immense windturbines zich om. De rotatie van de bladen wekten een stroom van energie in je op en je begon te neuriën. En met de voortgaande melodie voorvoelde je een overwinning op een materie die met het oog niet waarneembaar was. Een voorstelling van beelden drong zich op en flitste als dia’s op de roterende wieken voorbij: om hun as wentelende Tibetaanse gebedsmolens, windmolens vereeuwigd op het doek van Oud-Hollandse meesters, watermolens handgeschilderd op keramieken tegels in het Delfts blauw van Vermeer, papiermolens, een pepermolen in de vorm van een teerling, het Ex-libris van romanschrijver en volkskundige Isidoor Teirlinck waarop een molen in relief stond gedrukt, vergezeld van een geheimzinnige spreuk: ‘Met de winden draei ic – Met de seijlen swaei ic – Op een teirlinck stae ic’… En alsof het lot je een teerling toewierp, draaiden de witte bladen van de windturbines steeds sneller, schepten je op en bleven versnellen terwijl overal flarden muziek doorheen stroomden en je één moment lang als door een geluidsmuur een moment van eeuwigheid binnenreed.

Tot het stromen en de muziek verdwenen in de weiden, de korenvelden en de Delfts blauwe lucht achter de molens die alles, gans het leven op hun zeilen namen, als tedere, molenwiekende armen, en alsmaar verder draaiend stond Don Quichote de La Mancha op in zijn harnas en richtte de punt van zijn blikkerende lans in het sublieme radarwerk van de tijd.

 

Wees liever de troostende engel van mijn familie

Wanda Toscanini en haar vader Arturo Toscanini net gearriveerd in New-York op 23 februari 1933. (Foto: Gettyimages, Bettmann)

 

Als dochter van de wereldberoemde dirigent Arturo Toscanini was er merkwaardig genoeg geen muziekcarrière voor haar weggelegd maar een voetnoot in de geschiedenis van de muziek werd ze allerminst. Wanda Toscanini. Haar naam alleen al klinkt als muziek. Muziek die ze echter nooit zelf heeft kunnen maken. In haar jeugd speelde ze piano, maar haar vader, de grote Toscanini, kon geen enkele valse of verkeerd aangeslagen noot verdragen. Een valse noot was ‘als een dolk in zijn maag’. Als dirigent was hij gevreesd om zijn woedeuitbarstingen en stelde zowel aan zichzelf als aan zijn musicerende naasten de grootst mogelijke eisen. Van solisten en zangers vroeg hij het uiterste. Een absolute toewijding en passie voor de muziek waren zijn stokpaardjes en niet alleen wanneer hij als dirigent in alle grote operahuizen van de wereld, op de bok stond.
Zijn muzikale standaard, die het hoogst mogelijke belichaamde, gold voor alles en iedereen, en misschien nog het meest voor zijn eigen kinderen.Voor minder getalenteerde mensen was er in zijn omgeving geen plaats. Muzikanten die er niet in slaagden de juiste toon uit hun instrument te halen bedolf hij onder een salvo van schunnige beledigingen die hij uit de volksbuurt van Parma waar hij als kind opgroeide had geleerd. Uit angst of ontzag boden de onfortuinlijke musici, bedolven onder zijn door muzikale passie ontstoken vuurspuwende blikken en scheldpartijen, geen enkele tegenstand, maar bogen het hoofd en ondergingen deemoedig hun lot. Arturo Toscanini was ook een voorstander van de welbeproefde onderwijsmethode: ‘wie niet horen wil moet voelen’ en sloeg volgens ooggetuigen af en toe zijn dirigeerstok op het hoofd van een onwillige stuk.

Ook het omgekeerde gebeurde, dat de dirigeerstok niet op iemands hoofd brak, maar in tegendeel een onderdeel van het hoofd werd, als een soort verlengstuk van het geheugen dat een eigen leven begon te leiden. De getuigenis van de bariton Robert Merrill in ‘Toscanini, The Maestro’, een documentaire van Peter Rosen, is hiervan een beklijvend voorbeeld. Robert Merrill vertelt dat hij tijdens een repetitie van La Traviata waarin hij de rol van Giorgio Germont zingt, tijdens het duet met Violet in het tweede bedrijf, een terugkerend probleem ondervond met een tegenmaat in de zin ‘Siate di mia famiglia l’angiol consolator’. Toen Toscanini dit hoorde legde hij het orkest stil en riep Merril bij zich. En terwijl hij de bariton de frase opnieuw liet zingen, gaf hij met zijn dirigeerstok zachtjes op Merrill’s hoofd tikkend, de downbeats aan. Tot op heden voelt en hoort Robert Merrill als hij het duet moet zingen, en hij zong het ondertussen een honderdvijftig keer, Toscanini’s dirigeerstok, zacht het ritme tikken op zijn hoofd. ‘Siate di mia famiglia l’angiol consolator.’ (Wees liever de troostende engel van mijn familie.)

Wanda herinnerde zich van haar jeugd vooral het geschreeuw en getier van haar vader wanneer zij aan de piano zat te oefenen en de noten correct probeerde te spelen of te zingen. Ze bezat volgens eigen zeggen een mooie stem waar ze graag operettes mee had willen zingen en nam in het geheim zanglessen. Eén keer trad ze op onder een pseudoniem en bracht met succes de aria ‘Ah fors’ è lui’ uit La Traviata van Verdi. Jammer genoeg bestaat er geen opname van.Toen haar vader het vernam wilde hij niet dat een telg van Toscanini een tweederangszangeres zou worden en verbood haar het zingen. Zij gehoorzaamde hem omdat ze niet in haar talent geloofde en daarmee kwam aan de droom van Wanda om een operazangeres te worden abrupt een einde. Misschien kreeg zij sindsdien in haar gelaatsuitdrukking die kenmerkende gestrengheid die door de tijd heen iets onverbiddelijk weerspiegelde. Een verbeten en verborgen bittere noot die niemand ooit zou horen en door niets of niemand meer te kraken was. ‘Ah, fors’e lui’! ‘Addio il passato’, klonk het antwoord in mineur. Ze trouwde met Vladimir Horowitz, die de grootste pianist van zijn tijd werd genoemd, en werd zijn impresario, beschermer en toeverlaat. Ook toen Horowitz gedurende zijn leven, vier periodes, de laatste duurde twaalf jaar, niet meer kon of wilde spelen en hij in de lethargie van een depressie verzonk, bleef Wanda bij hem. In een documentaire over Vladimir Horowitz zag ik, tijdens een televisieopname in hun woonkamer, terwijl hij weer vrolijk en als herboren aan het spelen was, hoe zij zich schertsend achter de deur van hun woonkamer verborg. ‘Opdat ze niet volledig door hem betoverd zou zijn.’ Maar Wanda was toen al heel lang betoverd. Ondanks de turbulenties en het feit dat Horowitz van mannen hield bleven ze tot het einde van zijn leven samen.

Velen vreesden haar om haar temperament en soms bars, onbehouwen optreden. Maar er school ondanks een verbeten pijn, ook humor en speelsheid in haar voorkomen. Haar gezicht had de scherpe contouren van een Romeinse camee en in de uitdrukking van haar ogen was steeds een levendig steekspel gaande, zelfs wanneer ze niet aan het woord was. Iedere tegenstander, een ware of een vermeende, zou verbaal, bij voorbaat het onderspit delven. Er ging een grote scherpte in haar schuil die zich niet alleen in haar getraind en feilloos oor bevond, maar tekenend was voor haar. Ze werd door journalisten al even gevreesd voor haar bits optreden als haar vader wanneer hij met ijzeren hand een orkest dirigeerde. Had ze anders kunnen zijn? Ik geloof het niet. De tragiek van haar leven kwam nooit aan de oppervlakte maar ging als een peillood de diepte in. Over het overlijden van hun enige dochter Sonia in 1974 sprak ze nooit en kwam het wrede afscheid ook niet te boven. De muziek was haar redding. Het verdriet en de vreugde ondanks het spijt, vormde haar tot wie ze was. Het hoofd lichtjes afgewend, voor altijd gebogen onder het gebod van haar vaders dirigeerstok: ‘Siate di mia famiglia l’angiol consolator. ’ Even aanwezig als afwezig, onuitwisbaar als de pas geslepen punt van een zwart potlood drukkend op een onbeschreven blad. Wanda Toscanini overleed op 24 augustus 1998 op negentigjarige leeftijd. Moge zij rust gevonden hebben, als na de laatste noot van Verdi’s partituur.
‘Addio del passato! Ah, fors’e lui!’

De dame met de kersenrode laarzen

Foto: Henry Cartier-Bresson

 

Het had Charlotte Mutsaers kunnen zijn, de dame met de kersenrode laarzen, die zo gezwind de straat overstak. Ze leek een beetje op de schrijfster maar ze hield geen Fox Terrier aan de lijn. Toch bewoog zij zich voort alsof er een aangelijnde viervoeter voor haar uit liep. Alleen zag niemand wat het precies was dat haar voorttrok aan die lijn. Ze moet een jaar of zeventig geweest zijn en stak zo opvallend energiek het zebrapad over dat ze van haar leeftijd geen weet scheen te hebben. Kaarsrecht haastte ze zich met grote passen door het vizier van de stad. Gehuld in een zwarte jas, kersenrode laarzen tot aan de knie en twee touwtjes, de teugels van een papieren tas, tussen wijsvinger en duim geklemd. De wind golfde door haar in lagen opgeknipt kort ravenzwart haar. ‘Mevrouw,’ wilde ik haar vragen, ‘vanwaar die kersenrode laarzen, het elan van vrijheid dat u bij elke pas verspreidt, uw Louis Bourgeois jas? Vanwaar deze elegantie, zoals ik lang niet meer in het straatbeeld zag?’ Maar als een voorbode van de polar vortex stak de eerste gure windvlaag op, die haar in de rug nog sneller voorwaarts duwde, en mij aan de overkant van het zebrapad, voor ik haar kon inhalen, al in een andere richting blies. En voor ik haar daadwerkelijk kon vragen: ‘Mevrouw, waar gaan die laarzen met u heen? Wie heeft uw haar zo dreigend mooi geknipt?’ was ze met het aangelijnde dier alweer uit mijn gezichtsveld verdwenen.