Quarter Horse

Paint Horses in Texel, Eagles Ranch (Schermafdruk 18.05.2018)

 

Afgelopen week zag ik op de website van The Horsesense een filmpje dat de virtuele realiteit oversteeg. Iets wat normaal gesproken niet kon en waar iedereen sinds mensenheugenis altijd voor gewaarschuwd is. In één zin werd de omgang tussen mens en dier samengevat, een zin uit de prehistorie die ons door overlevering in het brein werd geprent, toen de dieren de mensen nog leerden praten. Een zin die van kindsbeen af in het geheugen als in een verse kleitablet was gekerfd: Nooit achter een paard gaan staan. En je wist onmiddellijk waarom.

De beelden in dit filmpje toonden echter iets anders. Een nieuwe waarheid. Een bontgevlekte Paint horse, zoals ik in spaghettiwesterns wel eens had gezien, en waar dus tot mijn ongeloof iemand achter ging staan. Die iemand was Cindy Handschoewerker. De naam alleen al, krachtig als de bron van Hippocrene die uit de hoefslag van Pegasus was ontstaan. Om de betrouwbaarheid van het dier te bewijzen nodigde ze vervolgens de reporter van het interview uit hetzelfde te doen. De interviewster aarzelde even maar ging toen achter de staart van het paard staan en legde ook nog haar hoofd op zijn rug. Het paard bewoog zich voor geen millimeter en ik was overtuigd. Zoiets had ik nog nooit gezien. Ergens in mijn brein schoof een voorouder naar voor, heftig met een verbodsteken zwaaiend, in een poging mij te herinneren aan wat er ooit was gezegd:

‘Nooit achter een paard gaan staan.’ Maar het was reeds te laat, ik was al op weg.

De zachtmoedigheid van het Quarter horse legde Handschoewerker uit, was eigen aan dit paardenras. Nadat haar zus een zwaar ongeluk kreeg met een volbloed ging ze op zoek naar een dier dat meer voorspelbare en zachtere karaktertrekken had.

De tocht leidde haar in 2016 naar Canada waar ze in de Chris Irwin oefenschool, tijdens een cursus mentorship voor zowel grondwerk als rijden, goud behaalde en met de titel van Ambassadrice van Irwin Insights naar huis terugkeerde. Sindsdien werkt zij met de basisprincipes van het Horsemanship van Chris Irwin aan haar eigen paardenverhaal in België verder.

In The American Paint Horse Journal wijdt Rebecca Overton vijf bladzijden aan haar. De Texaanse beschrijft België tevens als een schilderachtige, romantische uit haar oude voegen gebarsten Middeleeuwse stad. Nergens de zwavelgeur van een hel-hol te bespeuren, maar enkel wierook over een land dat tot in alle uithoeken van de wereld bekend is voor zijn exquise chocolade, de Schone Kunsten en Hercule Poirot. ‘Het epitoom van de oude beschaving en elegantie, een tijdloze kwaliteit die nooit vergaat’. Het was al even geleden dat ik door een buitenlandse auteur het land waarin we woonden zo positief beschreven zag. Ik kreeg het er warempel wat warm van, ondanks de buitentemperatuur die al de 27° bedroeg. Huizen met trappengevels uit de veertiende eeuw kenden ze in Texas natuurlijk niet. Trots plooide ik in gedachten een geruit paardendekentje open en legde het op de gewelfde rug van mijn pas verworven American Paint of Quarter horse, hees de half in flarden gescheurde Belgische vlag en reed met gepaste triomfantelijkheid mijn eerste virtueel rondje op de rug van dit fabeldier.

Kort na het videoverhaal van Cindy Handshoemaker over paarden waar men kon gaan achter staan was de droom met vier poten na een korte, pijnloze bevalling ergens in een Texelse weide opgestaan en dartelde nu op het Waddeneiland vrolijk rond. Ik moest hem alleen nog maar vangen. En daar school de moeilijkheid. Wat als ik hem gevangen had? Hij zou een weide, hooi, gras, twee kilo wortelen per week nodig hebben en elke dag fris water en een stal of een box om in te slapen. Want een paard slaapt rechtstaand. Allemaal dingen die ik niet had. Als een wortel die voor mijn neus bengelde ging ik de viervoeter onverhoeds achterna.

Bij manege Albertdienst probeerde ik mij ter voorbereiding alle geuren, geluiden en gedragingen van de kudde in het pension eigen te maken. Bokken, stampen, briesen, dampende neusgaten, het overweldigende gehinnik van een hengst dat soms uit een van de boxen kwam en gans de piste vulde en even aards en sterk was als het brullen van een leeuw of het trompetteren van een olifant. Maar het spannendste van alles bleef toch het steigerende paard. Weer schuimde ik het internet af om mij virtueel voor te bereiden, want een goede visualisatie was al de helft van het werk. Wetend dat een video natuurlijk niet met de realiteit vergelijkbaar is. Zoals het Franse gezin met kind dat vorige week in het safaripark van de Beekse Bergen uit hun auto stapte om tussen de luipaarden te picknicken, beslopen en omsingeld werd en ternauwernood kon ontsnappen, het verschil proefondervindelijk begreep. Het voorval maakte in elk geval duidelijk dat ondanks de toenemende virtuele realiteit waarin wij leven, het in de werkelijkheid wel eens ernstig de verkeerde kant op kon gaan.

Ondertussen had ik alweer een ander filmpje gevonden waarin een amazone een onophoudelijk steigerend paard onder controle probeerde te houden door iedere keer bij het steigeren naar voor te buigen en haar beide armen rond de hals van het dier te slaan. Mooi om te zien, het paard bleef met zijn voorste poten in de lucht graaien, en de amazone bleef zich geduldig voorover buigen en haar armen om de paardenhals slaan tot het dier bedaarde. Wat je wilde temmen, moest je omhelzen. Met al die wonderlijke virtuele voorbereidingen was ik de volgende dressuurles genoeg ontspannen om een nieuwe uitdaging met deze prachtige dieren aan te gaan. Aan de poort van de piste wachtte ik op het brave, geduldige paard Moustache. Naast mij stond een kersverse amazone van ongeveer tien jaar te wachten op haar allereerste rit. Ze nam de dieren met ontzag op, en deed onbewust een stap naar voor, in de hoefslag van de piste, waar de paarden van de vorige les nog rond draafden, alreeds de betovering in haar ogen. En in mijn brein schoven onze voorouders heftig zwaaiend met een verbodsteken naar voor en hoorde ik mij dezelfde prehistorische woorden herhalen, één zin sinds mensenheugenis doorgegeven, altijd opnieuw dezelfde woorden in de kleitablet van het geheugen gekerfd:

‘Nooit achter een paard te gaan staan want ze kunnen onverwacht hun achterste poten uitslaan.’ Het meisje knikte. En naast ‘…één verrukkelijke, nooit eerder vernomen waarheid, die van paarden dat ze rechtop slapen’, wat ik haar nog niet vertelde, stond intussen in mijn gedachten, bontgevlekt en hinnikend een nieuwe waarheid op, waar ik zorgeloos achter ging staan.

 

Paint Horses,Elans Choice x Okie Monas Monique (Schermafdruk

 

* Citaat uit het gedicht ‘Kroos’ van Ruth Lasters.
Gepubliceerd in een bloemlezing van Jozef Deleu & Lodewijk Deleu (foto’s)
Wij, Paarden (©Uitgeverij Lannoo, Tielt 2011)

Doyenné

SummerDoyenne

Alles aan jou verdween met de tijd.
Het begon met de kleur van je haar.
Eens was het heel lang tot aan je heupen
en had het de kleur van kastanjes in de zon.
Met de tijd werd het lichter aan de wortels
alsof het aan de kruin te lang aan het licht
was blootgesteld. Eerst stak je het nog op in een
hoge knot en later knipte je die af. Zou je gebeente
nu ook beginnen te verbleken zoals je huid
iedere zomer steeds donkerder werd?
En hoe zal je in je graf rusten?
Zo stil onder het gras. Voor altijd buiten slapen.
Onder een rode paardenkastanje misschien.
De tijd neemt alles weg wat tastbaar was.
Onze gezichten, zwijgzaam dromend
in de lome schaduw van de perenboom.
Het zoete sap van een vrucht dat bij de eerste
hap al langs de rug van je hand stroomt.
En in de rivier van je bloed meandert,
het perensap, dat zich iedere lente druppend
langs de rug van mijn hand in mijn poriën drinkt.
De tijd die zich hap na hap wegbijt
tot van de herinnering, alleen het klokhuis blijft

Uit sterren gesmeed

20180422_152542

Verbaasd zag ik dat mijn handen die de teugel lichtjes vasthielden, trilden als de flanken van een zenuwachtig paard dat voor een race werd opgetuigd terwijl het toch maar voor een ritje in de piste van de manege was. Het meisje dat voor mij haar rit had gereden keek me lachend aan en zei: ‘Hij begon net te bokken.’ Te bokken? Een lichte huivering trok door me heen en ik gooide me in het zadel. Zaten de stijgbeugels wel goed? Ik trok de riem naar beneden en voegde aan de stijgbeugel een gaatje toe, mijn been ging een centimeter naar omhoog. Ik trilde nog steeds en vroeg me af of het paard zou voelen dat ik op zijn rug zat alsof ik de Grand-Prix ging rijden en de adrenaline zodanig in mijn bloed voelde stijgen waardoor hij zelf niet meer ontspannen kon.

Een recent onderzoek van wetenschappers aan de universiteiten van Portsmouth en Sussex toonde aan dat paarden gezichten en gemoedstoestanden onthouden en zich er bij een volgende ontmoeting ook naar gedragen. Deze bevindingen zouden de week daarna al meteen bewezen worden wanneer het paard van het moment dat ik mijn voeten in de stijgbeugels zette en het licht de sporen gaf, ineens begon te galopperen. Ik had er de eerste minuten geen controle over en was opgelucht toen het vanzelf, vanuit galop weer in draf over ging, en ik bij de onverwachte snelle start niet over zijn hoofd was gevlogen.

Het Grand-Prix-syndroom overviel me zowat overal. Genetisch verworven onrust en het geluid van een klappende zweep gaven mij het gevoel dat je van alles een race moest maken. Of het nu een bord leeg eten was of even om de hoek een boodschap doen. Het maakte niet uit, als er maar geracet kon worden. Hiermee ontwikkelde zich in de loop der jaren echter geen toename van snelheid, maar eerder iets dat zich in tegenovergestelde richting bewoog.

Het paard aarzelde en ik gaf het opnieuw de sporen tot het van in draf naar galop ging en dan de grote sprong over het hek kon wagen. Even in de lucht zwevend terwijl de adrenaline door je lichaam giert. Niet het lopen, maar door het luchtruim vliegen was als vanouds nog steeds doel.

Gisteren las ik in een column van Coen Peppelenbos dat hij god had zien dansen.
Zijn uitspraak trok mijn aandacht want bij een dansende god dacht ik tot nu toe alleen maar aan Nijinsky of Noerejev. Nieuwsgierig naar wie die danser wel kon zijn las ik verder. De auteur had het geluk gehad op de eerste rij in de Martinuskerk in Groningen de afscheidssolo van de Oekraïense danser Sergei Polunin bij te wonen. Sergei Polunin was op negentienjarige leeftijd de jongste solist van het Royal ballet of Londen geworden om slechts vier jaar later, vereenzaamd en gedesillusioneerd het gezelschap weer te verlaten. Een jaar later kondigde hij met het nummer Take me to Church van Hozier, gefilmd door regisseur David Lachapelle, in een choreografie van Jade Hale-Christofi, tenslotte de zwanenzang van zijn danscarrière aan. Coen Pepellenbos begreep algauw dat hij tijdens deze laatste voorstelling geen ‘foto’s moest nemen maar echt moest kijken, ervaren in plaats van registreren.’ In een beknopt en kernachtig verslag beschreef hij vervolgens wat hij had gezien en ervaren had: ‘In vier intense minuten kwamen alle emoties langs: wanhoop, woede, eenzaamheid, levenslust, verdriet en nog lang nadat het applaus was uitgestorven kon ik niet praten omdat ik anders bij de eerste woorden meteen zou gaan huilen. Vier minuten, een heel leven.’

Onder de column stond een link naar de videoclip. Ik klikte de intussen al 23 miljoen keer bekeken clip aan waarin Polunin zich bijna letterlijk de ziel uit het lijf danst en zag meteen wat hier zo overweldigend aan was. De danser die in een paradijselijk, diffuus licht losbarst, als uit een knellend keurslijf dat openscheurt, waarna hij alle stadia van zijn leven doorloopt en uiteindelijk, na de laatste sprong, terug de aarde raakt. Opveert en in een overweldigende catharsis zijn verloren vuur hervindt. De studio-opname van de clip duurde negen uur. Alle kracht, van wat een afscheid van twintig jaar danstraining moest zijn, in vier minuten samengebald. In één dag, negen uur gedanst en naar Polunin’s eigen zeggen ook ‘negen uur geweend’. Om ondanks alles of dankzij alles, uiteindelijk de mythe waar te maken wanneer hij als een feniks uit zijn as herrijst en in sautés, pirouettes en verbluffende grandes jétés, en in een onvoorstelbare lichtheid, de zwaartekracht tart. De toeschouwer een spiegel voorhoudt waardoor je  tijdens de dans niet enkel de  worsteling, de demonen en de loutering van de danser ziet, maar ook je eigen kosmisch stuntelen.

Op de rug van het paard voort hobbelend vroeg ik me af hoe ik ooit zulke sprongen zou kunnen maken. Werd alweer enige nerveuze trillingen in mijn neusvleugels en benen gewaar en probeerde mezelf tot kalmte te manen voor het paard weer met mij aan de haal ging, en de kans dat ik de bodem zou raken veel groter werd dan de zweefvlucht van de vogel die uit zijn as verrijst. Diep ademhalend neuriede ik zacht Rachmaninoff’s etude in B-flat, en voelde mij alsof er traag een vleugel uit mijn lichaam werd gescheurd die mij op de rug van het paard, spoorslags wegdroeg naar een andere wereld. Mijn vingers trilden nog. Zijn linker paardenoog registreerde het en mijn uit sterren gesmede viervoeter hield aandachtig zijn oren gespitst.

Rode kolen

214-2013108175252_original 2

 

 

‘Er is onweer opkomst’. Haar ogen speurden de lucht af.
Een kwartier later kletterde en bliksemde het en vielen er dikke regendruppels op de parasol en vluchtten we met de pas open geplooide tuinstoelen weer naar binnen. De exactheid van haar weersvoorspellingen hadden iets magisch, net als de koekoeksklok in de keuken waar bij regen het mannetje, en bij zonneschijn het vrouwtje tevoorschijn kwam. Als het regende en tegelijkertijd de zon scheen, wat wel eens gebeurde was het zoals zij het noemde: ‘Kermis in de hel.’Toch verschenen er dan net regenbogen aan de hemel, wat niet overeenstemde met haar verwijzing naar de duivelse festiviteit in een donkere hellekring die ik enkele jaren later bij Dante uitvoerig zou beschreven zien. Het weervrouwtje stond dan aarzelend voor de deur, het mannetje dat niet goed scheen te weten, wie van de twee naar buiten moest komen, bleef in het half duister van het huis wachten tot de lucht opklaarde en het vrouwtje volop naar buiten trad. Het meest tragische aan hun bestaan was dat zij nooit eens samen binnen of buiten konden zijn. Daarom bestonden er geen weerkinderen en stelde ik me voor hoe een nijverige klokkenmaker in zijn chalet in het Zwarte Woud, het ene weerhuisje na het andere produceerde, en de weervrouwtjes en mannetjes, alsmaar heen en weer schuivend, gedoemd waren om alleen en kinderloos te blijven.

In het dak van het weerhuis zat ook een piepklein deurtje dat ieder uur open floepte en waar een koekoek aan een veer uitsprong die mechanisch de tijd aankondigde. Het eerste orgelpijpje, door een mini-blaasbalg aangedreven riep ‘koe’ en een tel later riep een ander orgelpijpje, een terts hoger ‘koek!’ Soms bleef de veer hangen en ging de koekoek uit zijn dak en zweeg niet tot zij hem weer achter het deurtje duwde. Wanneer bij dageraad de eerste koekoeksroep weerklonk, klom ze uit haar sponde en schoof in alle slaapvertrekken de gordijnen open. Het licht viel op haar witte kanten slaapjurk en ter hoogte van haar linkerborst zag ik een ontstellende, grote mauve vlek. Ik wist niet waarheen ik mijn blik moest richten. Ze zei dat ze met het blad van een rode kool op haar rechterborst had geslapen, opdat de zwelling van haar borst in het rode koolblad zou kunnen trekken. Ze hechtte evenveel geloof aan de werking van haar kruidenaftreksels en zalfjes als aan de voorspelling van het weerhuisje en de aankondiging van de tijd in de koekoeksklok. Haar kompressen van kamillebloemen, tegen windogen en andere aandoeningen van het oog, die volgens haar louter de ogen troffen van wie altijd alles wilde zien, genazen de meest vertroebelde blik. Terwijl ze het venster opende stroomde de frisse lucht van de appel- en perenboomgaard vrijmoedig binnen. Achteloos stak ze haar hand in haar boezem, trok het natte blad van haar borst, verklaarde dat het gloeien van de borst in het blad van de rode kool was getrokken en ze genezen was. Haar ogen speurden alweer de lucht af. ‘De zwaluwen vliegen hoog kind, het wordt een bloedhete dag. Ik zet meteen de parasol open.’

De koekoek zweeg na de laatste roep en het weervrouwtje schoof door de deur naar buiten. Op het nachtkastje lag het rode koolblad dat de vorm en de kleur van mijn grootmoeders borst had, met een gaatje in het midden, waar ik doorheen keek, en hoopte dat ik niet meteen een windoog kreeg.

cmd

Schermafdruk 2018-04-21 14.52.46

 

Het leek wel of je het niet wilde maar het lag nu eenmaal in je handen, en hoewel
je er niet om had gevraagd, had je het gekregen als de blauwe ijle lucht bij het begin van de dag. Het lint rond het inpakpapier kreeg je niet open gefrutseld en in de ogen van wie je omringde blonk iets verwachtingsvol. Want wie weet wat zat er verborgen in het goudkleurige inpakpapier. Je dacht aan een bom of een boobytrap waarbij je vingers er in één ruk afvlogen als je het opende en waarna je nooit nog iets vastpakken kon. Want hoewel het leek of je het niet wilde, stak je het na enige aarzeling toch ongeopend in de zak van je jas en haalde je het iedere ochtend boven en legde er zacht je vingertoppen op. Taste het oppervlak af, mijmerend of er nog iets onder zat. Je keek naar het cmd-klavertje dat bij iedere aanslag misschien eeuwigdurend geluk voortbracht. Je lichaam boog zich voorover alsof het iets beschermen moest, je armen en polsen vormden een rechte lijn op het klavier. De dag verdampte in een geur van bloeiende kamperfoelie en je hield je bij tijden zo stil als een hagedis op een witte muur. Zo hield je je schuil op een plek, waar je niet iedere dag aan de dood en de dreiging ervan moest denken en de angst voor al die dingen, je slechts heel af en toe werd toegediend. In kleine dosissen, als het gif van een onbekend dier. Want je moest hoe dan ook op een dag aan je einde komen. Of je het lint nu los frutselde en de inhoud ontplofte of niet. Je rechtte je polsen, je armen, je rug en vatte weer moed. Herinnerde je het ritme en wat het begin van alles was en tikte er op los en wist niet of er onder de oppervlakte nog iets anders, breekbaars lag. Buiten tikte de regen metronomisch stipt, je liep de straat op en zag de slak niet die het voetpad overstak en voelde verschrikt haar huisje breken onder je wegvluchtende voet. 

 

 

Parsifal, of het baren van een zwaan

Schermafdruk 2018-04-14 07.27.01

 

Het was een beeld dat voor veel vrouwen herkenbaar is: de omtrek van twee lippen in het autospiegeltje aan de binnenkant van de zonneklep. Mijn zus zat achter het stuur en vroeg, tussen het drukke verkeer laverend, hoe de voorstelling van Parsifal was geweest. Terwijl ik nadacht nam ik mijn lippenstift uit de toiletzak en stiftte mijn lippen rood.

Wagners Parsifal was de eerste opera die ik als bloemenmeisje bijwoonde en waar ik de microbe meteen te pakken kreeg. Op het einde van de eerste repetitiedag, door de wondermooie muziek betoverd, wenste ik niets liever dan in het operagebouw te blijven wonen en van op het eerste balkon, in een loge, tot het einde van mijn dagen, de wereld van de opera te aanschouwen. Desnoods tot rode pluche verwordend. Het was een ultieme droom waar abrupt een einde aan kwam toen de toenmalige artistiek directeur van de Vlaamse Opera besloot om Parsifal in concertante uit te voeren. Diep teleurgesteld verliet ik samen met de andere bloemenmeisjes het podium en liep de kans op een operacarrière of eeuwige toeschouwer grandioos mis. Het verhaal van de ridders en de reine dwaas op zoek naar de heilige graal liet ik met het bloemenkleed tussen de rekwisieten en andere operakleren, op een kleerhanger achter, in een naar kamfer geurende ruimte vol mottenballen. En keek naar Parsifal niet meer om.

Het was van bij de aanvang even wennen aan de strak gehouden regie van Tatjana Gürbaca. De hoefijzervormige scène met de witte wanden was fel verlicht. Net neonlicht in een ziekenkamer, of het koude licht van mijn computerscherm, dat in het donker oplichtte en na een tijdje pijn aan je ogen deed. De personages waren armoedig en sjofel gekleed. Waarom Gurnemanz in een rolstoel zat, wat de draagkracht van zijn stem op de proef moet hebben gesteld, begreep ik niet goed, maar bleek achteraf net als de volledige regie, beklijvende beelden op te leveren. Cürbaca’s interpretatie van Parsifal was iets totaal anders dan wat ik tot nu toe had ervaren. De orkestratie, het koor en het kinderkoor tilden de voorstelling naar een allesomvattende, dramatische hoogte. En mijn blik begon door de zinderende warme binnenkant van het gebouw te dwalen. De toeschouwers zaten stil als bijen in de honingraat van een gigantische rode korf vol magische geluiden te luisteren. Met de adem ingehouden hing het duizendtal luisteraars vijfentwintig meter boven de orkestbak van waaruit de muziek majestueus tot aan de koepel steeg.

Ineens zag ik het profiel van een vrouw die ik bij het binnenkomen al had opgemerkt en wiens aanwezigheid mij aan de cellist Olivier Ghislain herinnerde. Olivier was er niet meer maar haar aanwezigheid en de wetenschap dat zij van hem had gehouden bracht hem ineens levendig terug. Ik dacht aan ons eerste gesprek nadat hij tijdens de vernissage van Staf De Smedt, op uitnodiging van Julien Schoenaerts, in de kapel van de Zwarte Panter, de cellosuites van Bach had vertolkt. Hij was een van de meest belovende cellisten van onze tijd geweest. De gedachte aan de manier waarop hij gestorven was, en in de lente van zijn en ons leven, voor de dood had gekozen, zette onbewust de grondtoon neer die tijdens de opvoering en het verdere verloop van de avond weerklonk.

Van op het tweede balkon sloeg ik de vrouw tijdens de voorstelling af en toe gade. Als een Spaanse gravin in gedrapeerde, zwarte kleren zat zij omringd en toch alleen in de ruime loge op het eerste balkon. Het blonde haar boven de zwarte kraag, dat van ver zichtbaar was, accentueerde de dramatiek van haar wezen. Ik vroeg me af wat er door haar heen ging, terwijl het bloed tijdens de voorstelling letterlijk langs de wanden naar beneden drupte. Tweehonderd liter, om precies te zijn.

De voorstelling sleepte zich in bloed gedrenkt verder en ik voelde mij in plaats van bevrijd door het verhaal, steeds dieper wegzinken in een zwaarder wegend gemoed. Een verzuchting naar het sacrale moment, waar een mens van alle leed verlost zou zijn, en het aanschouwen van een dageraad op de scène bleef uit. Iets dat eeuwige rust zou brengen, daar snakte ik tijdens de opera naar. Eeuwige rust. Of iets, een beweging, een beeld om boven de zwaartekracht te kunnen stijgen. Als Icarus in een storm heen en weer slingerend, tussen de weergaloze grootsheid van het orkest, de stem van de sopraan, de tenor, het zang- en kinderkoor, en het bloed op het podium zat ik tussen twee gemoedstoestanden en een paar mannenschoenen die comfortabel op de leuning van mijn stoel, bijna in mijn nek lagen, met mijn vleugels als in een geboortetang vastgeklemd. Ik boog me lichtjes voorover, de man achter me tilde zijn voeten op, excuseerde zich en ik keek van op het balkon naar beneden, de diepte in en zag in de orkestbak de strijkstokken over de snaren van de violen strijken en het koper van de blazers blonk als goud in het donker. Mijn buik zwol op, een wonde scheurde open en ik verkeerde plots in barensnood. Een zwaan wrikte zich uit mij los en werd in de tang gegrepen. Kundry sneed haar armen open op de scène en viel stervend neer, het bloed droop van de muren en de wonde in mijn buik sloot zich alsof ze er nooit geweest was. Met de zwaan over mijn schouders trok ik weer verder, over de heuvels de horizon tegemoet. Als een blindenstok sleepte Amfortas de speer van de Graal achter zich aan.

Om half twaalf ‘s nachts strompelde ik met mijn gepijnigde voeten in veel te kleine pumps gekneld naar buiten en nam afscheid van Cara Siregar met wie ik de opera bijwoonde, en groette in het voorbijgaan Ria Pacquée van wiens hoofd een eeuwige sacrale beweging uitging en wiens oogopslag louter waarneming was.
In het donker van de nacht vlogen twee mandarijn eenden op.

De dagen die op de voorstelling volgden, was wat mij omhulde en onzegbaar was, zo dun als een eierschelp.

Ik stopte met praten. Mijn zus vroeg of er ‘nog iets kwam,’ en zei terloops dat ze al dat bloed niet zou kunnen verdragen. Keek me met de handen op het stuur een ogenblik zijdelings aan en zag de twee bloedrode strepen in mijn bleek gezicht en begon te roepen. ‘Wat heb je nu gedaan! Waarom laat je me zo schrikken, ben je gek!?’ Ik keek in de spiegel en barste in een onbedaarlijk lachen uit. De lippenstift was uitgelopen. De omtrek van Kundry’s lippen, heftig bloedend, in de spiegel van de zonneklep.

 

 

Het derde oor

vincent-van-gogh-verbonden-oor-detail
Vincent van Gogh (Zelfportret met verbonden oor, detail)

 

In het vijf verdiepingen tellende winkelcomplex waar je voordien enkel het onnavolgbaar geluid van de voorbij schuifelende, kooplustige mensheid kon horen was iets vreselijks gebeurd: er verspreidde zich sinds kort op alle etages een irritant geluid. Zoals bij het begin van ieder nieuw seizoen bezocht ik het complex om in een klimaat van stilte en rust, het lichaam in een recordtijd van het nodige textiel te voorzien. Maar bij het binnentreden werd ik deze keer op een vreselijk lawaai getrakteerd dat pretendeerde muziek te zijn. Meer dan een stompzinnig gehamer dat op een repetitieve, geestdodende elektronische beat was gezet, kon ik er niet van maken. Het was niet uit te houden en steeds geïrriteerder door de schelle slagen die in de cellen van mijn brein alsmaar pijnlijker klonken schoot ik tegen een stilstaande verkoopster uit mijn wiek. ‘Excuseer mevrouw maar vindt u dit geluid nog aan te horen?’ De verkoopster, hooguit vijfentwintig jaar, bracht haar fijne, gemanicuurde hand naar haar buste en rolde met haar zwart omlijnde Oosterse ogen. ‘Ah! Wat ben ik blij dat je dit vraagt. Je moet hier eens van de ochtend tot de avond staan. Soms sturen ze zelfs trompetten de ether in, trompetten!’ Beter dan hamers, dacht ik en vroeg haar wie ik voor deze exclusieve vorm van auditieve terreur ter verantwoording kon roepen.

‘De store manager zetelt in het servicecenter op de eerste verdieping. Helaas kan ik zelf geen opmerkingen omtrent de muziek maken want ik ben een shop assistent.’

‘Goed, ik ga er meteen heen’ zei ik.

Voor ik mij tot de shop manager wendde, besloot ik nog enkele steekproeven bij de andere verkoopsters uit te voeren en vroeg hen wat ze van het achtergrondgeluid vonden. Sommige reageerden gelaten en beaamden dat ze probeerden er zich voor af te sluiten. Eén verkoopster dacht er voor de eerste keer verbaasd over na. Het elektronisch gehamer had intussen mijn tolerantiedrempel overschreden en in plaats van naar de eerste verdieping te gaan liep ik de winkel uit belde van buiten naar de servicelijn, vroeg de verantwoordelijke aan de lijn en stak van wal. Eén niet te onderbreken woordenstroom schroeide vervolgens de lijn. Eerst verzekerde ik de shop manager ervan dat ik een trouwe klant was en de voorbije jaren fortuinen aan kleren, cosmetica, huishoudlinnen, schoenen en nylons die nooit laddervrij bleken, in hun kassalade had achtergelaten en beëindigde mijn betoog met het opeisen van het recht op wat ik ‘auditief comfort tijdens het winkelen en werken’ noemde. ‘Pardon?’ klonk het aan de andere kant van de lijn, ‘u houdt niet van muziek of begrijp ik het verkeerd?’ Stoom kwam uit mijn derde oor. ‘Nee u begrijpt het niet. Zou het kunnen dat uw muziek niet deugt en dat er meerdere verkopers in dit gebouw zijn die hieronder dagelijks lijden, maar uit angst hun baan te verliezen, over deze vorm van terreur met geen woord durven te reppen?’

‘Het spijt me mevrouw, antwoordde de shop manager, ‘maar u bent op één na, de enige klant die over de muziek in onze winkel klaagt. De andere klant lijdt aan een ziekte.’
‘Insinueert u dat ik misschien ook aan deze ziekte lijd?’ ‘Zeker niet mevrouw, maar al zou ik het wensen, helpen kan ik u niet want onze muziek wordt vanuit een kantoor in Brussel naar alle winkels gestreamd. ‘Dezelfde geest vervuilende brei bedoelt u,’ vulde ik aan, ‘de meeste mensen ondergaan dit gewoon, ofwel is hun brein zodanig murw geslagen door de beat dat de gedachte aan verzet niet meer in hen opkomt. Misschien is er al een soort gewenning aan de alomtegenwoordige lawaaivervuiling ingetreden en vinden de meeste mensen het al normaal, maar dit betekent niet dat iedereen dit zomaar moet ondergaan. Ik dien een klacht in. Wist u trouwens dat u louter met geluid iemand kan doden? U houdt eigenlijk een wapen vast. Ziet u het?’

‘Ik hoor uw klacht mevrouw en zal deze bij de eerstvolgende meeting aan de general manager voorleggen, die haar op zijn beurt aan de director officer zal voorleggen, en wie weet komt er dan een nieuwe streaming.’ ‘Het is te hopen’ zei ik nog. ‘Want ik maak mij toch wel ernstige zorgen over hoe uw hersenen en die van uw medewerkers er onder deze auditieve druk binnen enkele jaren zullen uitzien. Hoogstwaarschijnlijk leidt dit lawaai tot vroegtijdige dementie, seniliteit, of een nog erger onherstelbaar hersenletsel. Beeldt u daarentegen eens in welke winst u zou kunnen boeken wanneer u in plaats van dit tergende lawaai, een fris klassiek nootje of iets jazzy in de prille ochtend bracht. Wat een toestroom van klanten zou dit kunnen teweegbrengen. Verkoper en klant, even tevreden als grazende koetjes in een wei. Zoveel aangenamer dan die dolgedraaide termieten die zich door een berg kleren in een pashok proberen te werken, om onbewust, toch zo snel mogelijk weer buiten te staan. Stel u de stijging van de verkoopcijfers voor en de promotie die u en gans uw welwillend team te beurt zou vallen. Eventjes goed nadenken mevrouw voor u zich weer aan het streamen zet. En neem bij de eerstvolgende meeting aub mijn pleidooi voor een Algemeen Auditief Comfort gratis mee. Dank voor uw luisterbereidheid en nog een fijne dag gewenst.