Stof op de neus
van mijn schoenen
Verstrooid
loop ik terug in de tijd

Etruskische goden krimpen,
splinters
in de poriën van mijn huid

De zielevogel,
een vlek
Een handpalm groot
vliegt uit –
In de nestkast
van mijn grootmoeder
die een mystica was –
keren geluiden
als uilen
terug.

Een geur van regenwater
en oranjebloesem
doordrenkt
de vaasscherf,
waarin zij zich,
gezeten bij de Tiber,
van kruik naar kruik
als een waterval
van klanken
heeft uitgestort.

 

ma 143217

 

 

 

 

 

Shaman en de tapirdroom

Shaman and the tapir in the Amazone 20.20.06.jpg

 

In Florida is deze week een kweker van exotische dieren door een van zijn eigen vogels gedood. De kasuaris, een van de gevaarlijkste vogels ter wereld – al zou ik het geen vogel willen noemen want hij kan niet vliegen – kan tot een anderhalve meter groot worden. De soort, die tot de loopvogels behoort, begon zo’n 65 miljoen jaar geleden te evolueren en komt van alle dieren het dichtst bij een levende dinosaurus. Op de middelste teen van elke drietenige voet, groeit een dolkachtige nagel van tien centimeter, een vlijmscherpe klauw, waar de kasuaris met een enkele trap, het lichaam van elk wezen dat een bedreiging voor hem vormt kan openrijten. De ongelukkige eigenaar van de vogelachtige soort kwam vrijdag op zijn boerderij ten val en werd als een prooi door het dier aangevallen. De man werd nog overgebracht naar het ziekenhuis maar overleed uiteindelijk aan de gevolgen van zijn verwondingen.

Wat mijn eigen einde aangaat ligt, gezien de snelheid waarmee het klimaat opwarmt, alles al vast. Geen geworstel met exotische, vogelachtige soorten, komodovaranen, hongerige ijsberen, wilde rode termieten, waterboa’s of wat dan ook; ik zal vredig in mijn hangmat onder een versleten klamboe en een slapende Zuid-Amerikaanse tapir naast mij op een strooien mat, ten ondergaan aan de beet van een Aziatische tijgermug. Geen eenentwintigste-eeuws gevecht als tussen David en Goliath. Zelfs in het hartje van de winter wisten de muggen mij onder eender welk geïmpregneerd deken te vinden en overleefden de bitterste kou, dankzij de uitgestrektheid van mijn huidoppervlak en een overvloed aan warm, stromend bloed. Mijn boeddhistische gelofte om geen levende wezens te doden gaf ik noodgedwongen op, het karma kruipt waar het niet gaan kan. Ondertussen breidt de Aziatische tijgermug, naarstig zoals alleen insecten dat kunnen, haar leefgebied uit met 100km per jaar en zal deze zomer in onze contreien neerstrijken op plaatsen waar niemand het verwacht. In stilstaand water of in de kelken van bromelia’s hangend in pastelkleurige bloempotten op het balkon, in de opgestapelde autobanden aan de ingang van een bandencentrale of gewoon op een verlaten autokerkhof. Gedroomde broeiplaatsen voor deze gestreepte mug, die net voordat ze in het grootste geheim duizenden eitjes zal leggen, ook mij zal weten te vinden. Of u.

De westnijlziekte die mij enige jaren geleden, na een bezoek aan een vierduizend jaar oud koningsgraf in de Egyptische Nijldelta, als een vloek van Toetanchamon trof, overleefde ik maar net door liters tonic te drinken. Maar de tijgermug overleeft ondertussen alles, zowel hoge dosissen kinine als andere antistoffen waar je van gaat hallucineren zodat de muggen in je dromen duizend keer worden uitvergroot. Een sluw, loerend facetoog wordt, en een slurf in plaats van een zuigsnuit krijgt. Een lamentabel einde, aan een of ander ziekenhuisbed, ’s nachts tussen kraakwitte lakens vastgebonden, zal mij gelukkig gespaard blijven! Welkom O tijgermug! Met de dodende kracht van een Afrikaanse olifant.

Kapsalon

 

Het gaat niet goed met de huidige loketbeamten. Althans, dat dacht ik op te maken uit mijn laatste bezoek aan het stadsloket terwijl ik aan het wachten was op de bezorging van een nieuwe puk-code en een bijbehorende kaartlezer. Zowel de beambten die aan de helpdesk stonden als de beambten die aan het loket hun diensten aanboden, hadden het op dat moment over wat ze tijdens de lunchpauze zouden eten. De beambte aan de helpdesk polste luidruchtig bij haar collega welk broodje ze die middag besteld had waarop die antwoordde: een Broodje Kip Andalouse. De beambte knikte goedkeurend en riep dat ze een Martino had besteld. Toen verscheen nummer 501 op het display, was ik aan de beurt en kon ik het verloop van het gesprek niet meer volgen. Met mijn nieuwe puk-code op zak ging ik naar een andere balie waar het gesprek opnieuw ging over ‘wat ga je eten straks en wat heb je gisteren gegeten’. Het onderwerp bleek zo belangrijk dat beide loketbeambten mij niet eens zagen staan, of sterker, het gespreksonderwerp diende eerst afgehandeld te worden en had duidelijk voorrang op de aanwezigheid en de vraag van de klant. ‘Ah ik weet nog niet goed wat ik straks ga eten. Gisteren waren het frietjes bij ons thuis en heb ik gewoon niets gegeten. Misschien ga ik straks op het plein een smosje halen.’ ‘Met ham en kaas?’ ‘Hoogstwaarschijnlijk wel.’

Ik kuchtte en het gesprek stokte. De stadsambtenaren zaten duidelijk niet goed in hun vel. Zelfs tijdens de werkuren, of vooral tijdens de werkuren dachten ze aan niets anders dan  aan comfortfood. Iemand moest hun uit dit lijden verlossen. ‘Als je iets doet wat je graag doet heb je meestal geen honger,’ kwam ik abrupt tussenbeiden. ‘Het is eerder zo dat je dan tijdens het werk gewoon vergeet te eten en te drinken omdat de passie en de toewijding voor het werk een mens voedt.’ De twee keken me ietwat onthutst aan. Het was overduidelijk dat het hen aan vanalles ontbrak waar zij zich tot op dat ogenblik niet bewust van waren geweest. ‘Een diep, ondergestopt gevoel van ontevredenheid en een poel van onvervulde verlangens dienen zich in een beginstadium altijd aan als een drang naar troostrijk voedsel, zoals het woord comfortfood het trouwens zegt,’ legde ik verder uit. ‘Hou het in de gaten, voor je het beseft lijd je aan boulimie.’ Ik keek ernstig van de een naar de ander, zag plots dat er een match tussen hen mogelijk was en eindigde toen heel bedaard. ‘Begin gewoon een verhouding met elkaar. Dat lost alles in een keer op.’ Geen hunkering meer naar comfortfood. De dame reikte mij woordloos de kaartlezer aan, haar collega keek naar een punt in de verte, dat de wijzers van de klok aanwees. Ik stopte de kaartlezer in mijn tas en verdween zonder de gebruiksvriendelijke afscheidsblik van de loketbediende in ontvangst te nemen. Het was half een. Lunchtijd

Over comfortfood kon ik ondertussen een woordje meespreken. Als voedingsdeskundige bracht ik de voorbije maand enkele uren per week door bij een gezin dat behoorlijk wat comfortfood kocht en consumeerde. Het behoorde tot mijn opdracht om samen met hen een verandering in hun eetpatroon te brengen en hen geleidelijk naar een gezonder leven te leiden. In het begin, toen ik deze mensen nog maar net kende en we al eens gezamelijk aan tafel zaten, at ik nog netjes de inhoud van mijn meegebrachte lunchbox leeg. Meestal waren dat vier sneetjes granenbrood belegd met kaas en als dessert enkele partjes gesneden exotisch fruit. Naarmate ik meer tijd in het gezin doorbracht moet ik last van spiegelende neuronen gekregen hebben, want ik merkte dat ik steeds meer zin kreeg in het comfortfood dat zij voor mijn ogen met veel smaak nuttigden en waartoe zij mij gastvrij als ze waren ook uitnodigden. Doch ik probeerde dit op hol slaan van de spiegelneuronen onder controle te houden en verder dan de aankoop van een appelflap bij de bakker op de terugweg naar huis ging ik niet. Jammer genoeg vonden mijn voedingstips maar weinig gehoor en ontwikkelde ik daarentegen een toenemende en onverklaarbare zin naar hun fast- en comfortfood. Het kwam tot een climax toen een van de leden van het gezin vroeger dan de anderen was thuisgekomen en alreeds ‘iets om te eten’ had meegebracht. De sympathieke puber, zat geconcentreerd over een kartonnen bakje gebogen waar onder een klodder roomkleurige saus, reepjes vlees en een berg frieten verborgen lag. De frieten zagen er niet uit als de knapperige, goudgele aardappelpartjes die wij ons bij frietjes voorstellen, maar eerder als een prak in een bakje gepropt en met een homogene saus bijeengehouden. Ik vroeg de jongen wat het voor iets was en tussen twee happen antwoordde hij beleefd als altijd: ‘Dit is een Kapsalon.’ Pardon? ‘Dit noemen wij een Kapsalon.’ ‘Ah natuurlijk!’

Wie dit gerecht bedacht had leek me een culinair barbaar. Ik zag het verband niet tussen de prak die voor mij lag en het knippen, wassen en föhnen van haar. Google verloste mij uit mijn onwetendheid. Het gerecht ontstond in 2003 toen Nataniël Gomes, eigenaar van een kapsalon in Rotterdam bij shoarmazaak El Aviva een lunchschotel liet samenstellen met daarin al zijn favoriete ingrediënten en toppings. Het hoofdingrediënt bestond uit frieten bedekt met shoarma of döner, afgetopt met kaas en onder de grill gezet, met op de gesmolten kaas nog een mix van salade en tomaten gedresseerd. Het kapsalon werd doorgaans geserveerd met knoflooksaus en sambal, natuurlijk bovenop de frieten, de shoarma, de gesmolten kaas en de sla. Stel je voor. Het gerecht werd een zodanig regelmatig terugkerende bestelling in Rotterdam dat het uiteindelijk de naam Kapsalon kreeg en vanuit Nederland ook bij jongeren in België aan populairiteit won.

‘Waar halen ze het vandaan?’ verzuchtte ik luidop.’Hier om de hoek bij Absalamah,’ antwoordde de puber. Tot mijn ontzetting voelde ik nieuwsgierigheid ontluiken naar de smaken van de frietprak en had na het plichtsbewust verorberen van mijn granenbroodjes met kaas nog een denkbeeldige honger of beter, trek in iets waarmee ik al mijn emoties en toenemend ongemak in één keer kon wegslikken. Het was koud, het regende en ik voelde me, vermoedelijk door een gebrek aan vitamine D en het onophoudelijk lawaai van de stad, zwak en afgemat. Veeleer waren het weer de spiegelneuronen die het overnamen wanneer ik een uurtje later het gezin verliet en om de hoek het Oosters eethuisje binnensprong. ‘Wat mag het zijn mevrouw?’ ‘Een kleintje met andalouse. Of nee, sorry, doe maar gewoon een Kapsalon.’

Thuisgekomen dacht ik met een opgeblazen gevoel in mijn maag – een doorsnee Kapsalon bevat 1800 kcal – verder na over het fenomeen van comfortfood. Als kind had ik nooit een lunch voorgeschoteld gekregen dat voor het comfortfood van vandaag zou kunnen doorgaan. Frietjes kregen wij maar heel af en toe. Die werden eenvoudigweg niet als eten beschouwd. Wij aten vier keer per week spaghetti en leerden met een goed gevuld bord van Mama Miracoli, zoals het een kind van bloemenouders verging, alle kwalijke emoties te vergeten. De tomatensaus, waarin enkele uren het magisch kruidenmengsel had geprutteld, bestendigde zo langzaam langs de weg van de smaakneuronen, zijn positieve werking, tot het in onze hersensellen een van zonlicht blakend, instant gelukzalig gevoel simuleerde. Ander comfortfood bestond er gewoonweg niet en het was de eerste keer dat ik met het Kapsalon een uitzondering op die regel maakte, en gelukkig: het werkte niet. Toen het kartonnen bakje leeg was, was ik vooral vervuld van een immens schuldgevoel. Maar voor een spaghetti was het dan al te laat.

Toen ging als in een tv-serie de telefoon, als om mij te verlossen van een culinaire ontreddering, en aan de andere kant van de lijn hoorde ik de stem van de dichteres Lucienne Stassaert. Zij vroeg me zomaar uit het niets of ik morgen haar haar wilde knippen. Ze was er zelf al aan begonnen maar achteraan in de nek wilde het niet zo lukken. Nu hadden de ouders van Lucienne Stassaert gans hun leven een kapperszaak gehad en was de dichteres dus opgegroeid tussen scharen, krulspelden, de geur van shampoo, plixflesjes, haardrogers en zo meer. Maar vertelde ze: ‘Elke keer ik de deur uitga om mijn haar te laten knippen, blijf ik voor het venster van de kapper staan. Ik raak er niet binnen, ik raak niet over de drempel, ik weet niet hoe het komt.’ Gans haar jeugd in een kapsalon doorgebracht! Geeft niet, antwoordde ik, ik zal je haar wel even bijknippen, ik ben natuurlijk geen kapper maar weet intussen wel alles over het kapsalon.

 

 

 

Les yeux sont faits

 

Tessera © Vidy Roman museum

‘Alles komt goed!’ Hoorde ik hem door de telefoon zeggen. Het was iets wat voordien nog nooit over zijn lippen was gekomen. Toen ik de telefoon neerlegde wist ik niet waar hij het over had. Alles komt goed! Alsof de teerling geworpen was en er aan de schitterende uitkomst van de worp – een oog, oogluikend naar de sterren gericht – niet meer getornd kon worden. De dag raasde voorbij en het onschuldige, positief bedoelde zinnetje, dat door overdadig gebruik meestal zijn doel voorbijschoot, bleef nu als een koffieboon tussen de rest van het koffiegeruis in de molen van zinnen en uitspraken ronddraaien en ik kreeg hem niet geplet.

Waarom had hij, die zich nooit van banale uitspraken bediende, zich nu van deze onverteerbare koffieboon bediend? Wat komt er goed? Bleef ik me afvragen en waar sloeg het eigenlijk op? Was er dan iets dat hoogdringend goed moest komen? En was datgene – alles – wat zich op dat moment aan ons voordeed en onze houding daartegenover, verhoudingsgewijs niet goed, of niet goed genoeg? Moest het dan nog beter worden? Waarom was alles niet goed zoals het nu was? Ook wanneer het helemaal niet goed was of zelfs uitermate slecht, op sterven na dood?

Ik vroeg het hem maar niet. Zoals gewoonlijk zou hij dan over de stoïcijnse weg beginnen waar geen hindernis als goed of slecht beschouwd wordt. Je alleen maar moest beseffen dat je onderweg zomaar pal op je gezicht kon vallen en je tijdens de val vooral moest proberen je neus niet te beschadigen, ‘want wie zijn neus beschadigt, beschadigt zijn gezicht’.

Daar was hij erg beducht voor omdat hij een prominente, grote neus had. Die neus stond hem overigens wel. Hij had er naarmate hij ouder werd, het gezicht voor gekregen. Dit bewees eigenlijk dat alles goed kwam, en zelfs zoiets als een neus, zich na verloop van tijd aan de omstandigheden van de mens aanpaste. Net zoals drie miljoen jaar geleden de menselijke schedel een eerste, drastische verandering onderging omdat de hersenen van het geslacht Homo begonnen te groeien en het gezicht verhoudingsgewijs verkleinde, waardoor de neus, eerst twee reukholtes, om ruimte te maken voor de groter geworden hersenen, in zijn huidige vorm naar buiten werd geduwd.

Gezien de omvang van zijn neus had hij wel erg veel plaats voor zijn hersenen nodig gehad. Ik belde hem opnieuw en vroeg om mij ervan te verzekeren dat ik hem juist begrepen had, nogmaals hoe het met hem ging. ‘Goed’ zei hij ‘dat heb ik je toch net gezegd. Wat wil je nog meer weten? Scheelt er wat?’ ‘Nee hoor. Alles komt goed, toch?’ Alsof ik door het oog van de geworpen teerling naar een wereld keek die eeuwig bloesemroos bewasemd was.

Sonia Gaskell & Rudi van Dantzig

index.php

 

Een boek moet je traag inademen, zin na zin, als tijdens een meditatie.
Zo zat ik dus na een turbulente dag, vol ongecontroleerde bewegingen, in- en uitademend, roerloos met het boek van Rudi van Dantzig op mijn schoot.
‘Een eeuwig opnieuw beginnen. Een persoonlijke zoektocht naar Sonia Gaskell.’

Met een diepe liefde en bewondering schetst Van Dantzig de levensloop van danseres, balletpedagoog en choreograaf Sonia Gaskell die als kind van Joods-Russische ouders na de Tweede Wereldoorlog via Parijs in Amsterdam belandt en er een van de eerste balletstudio’s opricht. Met een kleine groep van enthousiaste dansers trekt zij in de naoorlogse jaren in Nederland rond en geeft er lezingen over de geschiedenis van de dans die door haar leerlingen uitgebeeld worden. Langzaam bouwt ze een internationaal repertoire op en veel van haar leerlingen groeien onder haar hoede uit tot belangrijke dansers die zowel het klassiek romantische als het moderne repertoire beheersen

Gaskell was erg beïnvloed door de Ballet Russes van Serge Diaghilev en gaf haar eigen lessen in de Frans-Russische stijl zoals ze het tijdens haar verblijf in Parijs bij Ljoebov Egorova (Mariinski Ballet) en de Franse choreograaf en danser Léo Staats geleerd had. In haar dansgezelschap gaf ze ook ruimte aan de creativiteit van jonge choreografen en ze was de stuwende kracht achter veel vernieuwingen in de danswereld. Met de oprichting van Balletrecital I & II en het Nederlands Ballet dat in 1961 Het Nationale Ballet werd en waar zij tot 1969 de artistieke leiding over had, ontwikkelde Sonia Gaskell de dans tot wat het hedendaagse Nederlands ballet intussen is geworden.

Het boek is tevens een poëtisch relaas van de band tussen een leerling en ‘Mevrouw’ zoals zij door iedereen werd genoemd. Met de openingszin: ’Een vrouw die schreed alsof ze nooit zou sterven’, neemt Van Dantzig de lezer mee in een werveling, een ballet blanc, dat aanvangt wanneer hij als zeventienjarige aan de deur belt van Gaskells balletstudio aan de Zomerdijkdstraat 26 in Amsterdam en eindigt op het ogenblik van haar overlijden in Parijs.

Tijdens het verloop van dit ooggetuigenverslag, laat hij Sonia Gaskell in haar zo eigen taalgebruik aan het woord en zet hiermee een levendige, door de dans gepassioneerde vrouw neer. Aan haar karakteristiek accent en haar uitspraken kan je bijna horen wie ze moet geweest zijn: ‘Ik ga wel niet met een gezonde hoofd in één zieke bed liggen.’ ‘Nee, liefje, frappé is wel niet van die borsten, frappé gaat met die voeten!’ Rudi wordt Roeti en wanneer ze tijdens de lessen haar geduld met zijn gestuntel verliest, wordt het Roeti ‘verdomme’, ‘alsof het zijn familienaam was’. De geladenheid tussen de dansers en de choreograaf is bijna tastbaar. Een knetteren dat doorheen het boek verder loopt. Ondanks Van Dantzigs blijvende twijfel of hij wel met dansen verder moet gaan blijft Gaskell hem steunen, tot hij zich als een van de belangrijkste Nederlandse balletchoreografen ontwikkelt en haar later als artistiek leider opvolgt.

Een leven naast de dans bestond er niet voor Gaskell: ‘Ik geloof, de enige mogelijkheid om het leven eeuwig te maken is die, het in een kunstvorm te gieten en dat is de grootste taak van een kunstenaar. Als het hem werkelijk lukt, een bepaalde grote belevenis of gebeurtenis in een kunstvorm om te zetten, dan is zijn leven al gerechtvaardigd’. Terecht zag ze in dat ‘je naar het onbereikbare moet streven om het redelijke te halen’. Van haar leerlingen eiste ze dezelfde inzet, een volledig en altijd voor de dans aanwezig zijn. Het idee van een privéleven moesten zij voor hun vak opzij zetten en zou door de jaren heen tot een bron van conflicten, onbegrip en verwijdering leiden. Jarenlang weigerde ze de dansers uurroosters te geven. Gaskell wilde dat iedereen steeds aanwezig was tijdens de lessen, de verdeling van de rollen bleef vaak heel lang onbekend.Het was haar manier om hen alert en bij het gebeuren te houden, maar voor de nog jonge dansers leidde het vaak tot wanhoop en uitputting.

Een eerste breuk tussen Gaskell en Van Dantzig ontstaat wanneer hij zich van het Nederlands Ballet afscheurt en met de oprichting van het Nederlands Dans Theater een eigen weg inslaat. In het boek wordt de aanleiding van dit pijnlijk gebeuren – een nachtelijke confrontatie tussen een hulpeloze Gaskell en een delegatie van dansers die letterlijk met de voet tussen de deur in haar hotelkamer binnendringt tijdens een tournee in het Duitse Passau – uitvoerig beschreven, en is een van de meest ontluisterende passages uit het boek.

Net als collega Jaap Flier ervaart Rudi van Dantzig de afscheuring als een moedermoord. Na een jaar keert hij echter terug, omdat hij haar ‘en haar poelen van ogen’ mist, ‘die arendsblik waarmee ze dansers tijdens de les volgde, hypnotiserend en steeds het beste uit hun lichamen probeerde te halen’. Het is inderdaad die magnetische blik die ook mij ertoe aanzette iets over haar te schrijven. Er stonden nog heel wat personages op mijn lijstje waarover ik iets wilde vertellen, maar zij leefden nog en konden wachten, de doden hadden minder tijd.

Uit de brieven die ze naar Rudi Van Dantzig en andere dansers schreef en op het einde van het boek vertaald worden, blijkt hoeveel ze van haar dansers hield. Toch zal de opeenstapeling van onuitgesproken conflicten en ruzies in 1969 uiteindelijk tot het definitief vertrek van Gaskell uit het Nederlands Ballet leiden. Een doek dat op het einde van het boek treurig en bitter over haar leven valt. In een van haar brieven uit ze zich over haar diepe droefheid ‘nergens meer gevraagd te worden in Nederland, terwijl ze met niets liever dan met de dansers en de dans wilde bezig zijn’. Na haar afscheid vestigde ze zich in Parijs waar ze tot haar overlijden op 9 juni 1974 verder les bleef geven. Niettemin groeide het Nationale Ballet door de zaadjes die zij van in het prille begin met de groep van Ballet recital I en II plantte, uit tot een gezelschap dat het academisch ballet naar het allerhoogste niveau bracht.

Tijdens het lezen kon ik me niet losmaken van die blik, wilde de zeggingskracht ervan begrijpen, alsof ik dromend tussen de struiken in een tuin, alleen op een tak, een wondere, nooit geziene vogel met mensenogen ontwaarde. Ogen die de mensheid betoverden, begeleid door een uit de tuin opstijgende nooit eerder gehoorde melodie. Over haar dood heen maakte ze nog een beweging in je los.

In de witte spaties tussen de woorden zie ik steeds het beeld van een in de ruimte uitgestrekte arm, een vloeiende lijn, een energie die ergens van boven het hoofd vertrekt, als vanuit een onzichtbaar draadje, en over het profiel van het gelaat langs de hals, de schouders, de armen tot in de topjes van de vingers loopt. De sierlijkheid van een hand die naar iets reikt dat ontastbaar is. Een pas-de-deux die doorheen de golvende lijn van het boek blijft ontroeren, je vasthoudt tot de laatste pas, de laatste zin waarin Sonia Gaskell, letterlijk en beurtelings in een rol van verering, onbegrip en liefde opgetild en gedragen wordt tot zij in de ruimte verder stroomt. Het boek is niet enkel het resultaat van een zoektocht naar wie zij werkelijk was. Het is het relaas van een door de jaren heen, nauwkeurig genoteerde reeks van bewegingen, een pas na pas opgetekende choreografie. Een nooit ophoudende dans. ‘Een altijd opnieuw beginnen.’ Een ontroerende en beklijvende ode aan ‘Mevrouw’.

Archieffoto GDP@UNKNOWN 2-1bfc677b6f35
Archieffoto GDP@Unknown
hetnationaleballet5_kl
Het Nationale Ballet

Kerstpup

 

Sea Life 25 december 2018

 

Terwijl ik op de website van vubtoday.be over een pas gepubliceerd onderzoek van bioloog Andrea Ravignani, over de communicatie tussen zeehonden, gebogen zat, werd ik mij ineens bewust van het gevoel dat mijn lichaam als een wilg waarvan de takken over een rivier bogen, millimeter per millimeter, aan het scheefgroeien was. Alleen stroomde er geen rivier onder mij, maar slechts de nerven van een kersenhouten tafelblad.

Dit was een eigenaardige gewaarwording omdat ik altijd dacht heel soepel te zijn geweest, het werd tijd iets met mijn vreemde, vertakkende ledematen te ondernemen. Een duik, een overtocht langs het kanaal, een plons ergens tussen de koralen, voor ze volledig gebleekt en uitgedroogd waren. In plaats van aan een tafel van kersenhout, waar een zee van tijd zich voor mij uitstrekte, tussen de letters te zwemmen, en de nerven te tellen, kon ik evengoed naar de kust trekken en de nieuwste bevindingen die ik zonet in het artikel had gelezen aan de werkelijkheid toetsen.

Het onderzoek van Dr. Ravignani toonde aan dat vier weken oude zeehondenpups al een complex communicatiegedrag vertonen. Om de aandacht van de volwassen dieren te trekken maken ze namelijk om de beurt geluid, dit om elkaar tijdens hun roep niet te overlappen. Een beetje zoals mensen tijdens een gesprek om de beurt het woord nemen. De roep van de pups bleek ook afgestemd op het ritmische geluid van een andere soortgenoot. Dit leek een eenvoudige stelling, maar ‘het organiseren van geluiden in de tijd, op een interactieve manier met soortgenoten’ werd nooit eerder wetenschappelijk aangetoond. Uit het onderzoek bleek dat ‘de ritmische dimensie in de communicatie tussen de zeehonden even belangrijk, zo niet belangrijker was dan de toonhoogte of de aard van de voortgebrachte klank’.

In Pieterburen ten noorden van Groningen, waar Ravignani zijn onderzoek deed, bevond zich het grootste revalidatiecentrum voor zieke en verweesde zeehonden, ongeveer op vijf uur reistijd vanuit Antwerpen. Nu voelde ik mijzelf ook een beetje als een zeehond die de uitputting nabij was en dringend opvang zocht. Na enkele overwegingen van praktische aard, wendde ik mij tot Google maps, dat het opvangcentrum voor zeehonden in Blankenberge in kaart bracht, que reistijd drie uur dichterbij en nog net in één dag haalbaar. Sea Life bood eveneens een online korting van vijf euro aan. Ik nam de tijd niet om te lezen waaraan de bezoeker de korting te danken had, downloadde mijn treinticket, ontving een Happy Ticket, heen en terug naar de zee in ruil voor tien euro, en vertrok. Met het gemoed van die dag gelijk een natgeregende krant onder mijn arm, repte ik mij naar de trein, plofte neer en stapte twee uur later in het station van Blankenberge uit, benieuwd naar de communicatietools van een zeehondenkolonie.

Aan de kassa van Sea Life begreep ik dat de mij verleende korting niet seizoensgebonden was, maar verband hield met de omstandigheid dat er in het centrum tijdelijk geen zeehonden aanwezig waren. Hun verblijf, zo vertelde de kassajuffrouw, werd op dit moment gerenoveerd. Ze overhandigde mij een nieuw ticket waar ik vanaf april 2019 mee zou kunnen terugkeren. Ik stapte het opvangcentrum binnen en de enige zeehond die ik te zien kreeg was net op kerstdag aangespoeld. De verzwakte pup keek mij vanuit de verzorgingsbox zielig en ontheemd aan. Het diertje begreep natuurlijk niet dat het gered was en binnen enkele weken door de nobele strandjutters van Sea Life weer vrij zou worden gelaten. Ik probeerde wat geluiden te maken en tokkelde met mijn vingertoppen ritmisch op het glas. Zoals de studie van Ravignani had aangetoond zou de pup zijn roep op het ritme van dit geluid baseren, maar ik hoorde niets. De verzorgingsbox liet weinig of geen geluid door. Ik probeerde het wat harder. Oink Oink Oink. Toink toink toink. Het leek alsof ik een astma-aanval kreeg en de verzorger die over mijn schouder naar de pup kwam kijken vroeg geschrokken of ‘alles wel in orde was’. Ik schraapte mijn keel en zei dat er niets aan de hand was en besloot mijn pogingen om Ravignani’s bevindingen te toetsen even te staken. Ik verliet het opvangcentrum voor zeehonden en liep over het duinpad, dat verscholen tussen zeegrassen, duindoorns en vochtige duinvalleien lag, van Blankenberge naar Zeebrugge en terug.

Het strand was verlaten en lag bezaaid vol prachtige, perfect gevormde schelpen. De jodiumlucht was als een zuurstoffles, maar dan op het droge.

Tussen enige rotsen en de golfbreker vond ik hem, op een zandbank aangespoeld. Het leek of hij gewond was want hij bewoog niet. Voorzichtig hurkte ik naast hem neer en rolde hem zachtjes langs beide zijden om. Over gans zijn olieachtige witgrijze huid was geen schrammetje te zien. Ik hoorde een zwakke ademreflex en wreef hem over zijn kop. Hij sperde zijn zwarte bolle oogjes open en maakte een huilerig geluid. Misschien had hij honger, of leed hij aan zeemeerminnen-pijn. Had hij vanuit de diepte van de zee voor het eerst het zingen van de Sirenen gehoord en was hij door het onwerelds gezang, steeds dichter bij de kust genaderd en in zijn onachtzaamheid door een sterke stroming tegen de rotsen gegooid?

Of had hij nu al teveel plasticsoep gedronken en zat er een stuk onoplosbaar vissersnet van polytheen rond zijn maag? De pup bleef huilen. Ik probeerde hem gerust te stellen door zijn roep na te bootsten, en na enige tijd maakten we om de beurt hetzelfde soort geluid: Oink Oink Oink. Gelukkig was er niemand in de buurt. Hij lag op zijn buik te schommelen, maar raakte op eigen kracht niet van de zandbank af. Nergens was er aan de oppervlakte van het water een zeehondensnuit te bespeuren. Alleen zou hij het niet overleven. Ik tilde hem op, rolde mijn jas om hem heen en liep een enkele kilometers verder, langs de kuststrook van Zeebrugge naar Cadzand, tot ik uiteindelijk, na lang zoeken, een kleine kolonie zeehonden vond. Buiten adem, legde ik hem neer en duwde hem tegen de brekende golven, het water in. Zijn gladde, grijze lijfje werd weer één met de kalme Noordzee die hij op zijn rug tegemoet zwom. Hij zwaaide nog net niet. Oink Oink Oink. Een wonderlijk ritmisch geluid! Ik trok mijn jas terug aan en verdween in een olieachtige glans en met ogen zo waterachtig als ze nog nooit eerder geweest waren, alsof de zee er was doorheen gestroomd.

 

20181229_114252

Anna Karenina

 

 

Maria Pushkina-Hartung (I.K.Makarov)

 

 

Door het geluid van een goederentrein die ‘s nachts onder het openstaande raam van mijn slaapkamer over de sporen denderde werd ik uit het prentje van mijn droom gescheurd. Ik stond op en wandelde naar buiten, in de richting van het treinstation.

Op het perron zetten de treinen zich een na een in beweging. Onbekende personages kwamen op de toppen van hun tenen dichterbij getrippeld. Eleganter dan de wereld van de verbeelding kon de realiteit nooit zijn. Ik weet niet hoeveel levens op deze manier de wegen van mijn wezen hebben gekruist. Hoeveel uren aan het verschijnen zijn vooraf gegaan, alleen op een bank doorgebracht.

Zoals vorige winter toen ik opnieuw, voor de vierde keer vanaf de eerste bladzijde, Anna Karenina begon te lezen. En weer niet verder raakte dan de passage waarin graaf Vronksi tijdens een race zijn renpaard de dood injoeg. De rest van de dag bracht ik met het boek, dichtgeslagen op mijn schoot, op een bank in het station door. Kijkend naar de treinen die het station in en uit reden. Heen en weer lopende mannen, vrouwen en kinderen, kruiers met bagagerekken en rolkoffers, verkopers van gepofte kastanjes, spoorwegarbeiders in fluorescerende hesjes en geoliede regenjassen. Gefronste voorhoofden, onverstaanbare dienstmededelingen over treinen die omwille van technische redenen op een ander spoor zouden vertrekken. Of op een ander uur rijden, of helemaal niet. Ik wachtte zoals iedereen het fluitsignaal van de stationschef af. Altijd het ogenblik voor de sprong in het boek vooruitschuivend. Zo liep ik jaren met Anna Karenina van station naar station, en was zij nog steeds springlevend in mijn leven aanwezig.

Toen ik vorige maand hoorde dat er een nieuwe vertaling van Hans Boland was verschenen, dacht ik die onmiddellijk te moeten lezen. Opnieuw beginnen, vanaf de eerste bladzijde, de iconische openingszin door Tolstoj in het dorp Jasnaja Poljana in 1888 neergeschreven. Boland had de zin van Tolstojs meesterwerk nu als volgt vertaald:

‘Gelukkige gezinnen lijken allemaal op elkaar, maar een ongelukkig gezin is altijd ongelukkig op zijn eigen manier’.

In plaats van het reeds lang gekende: ‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.’

(‘Zo kon je ook je hele leven aan Tolstoj wijden’.)

De trein sneed door een lappendeken van velden langs plekken met namen als Le Haut Clocher, Waremme, Ans en Luik-Guillemins, het eindstation. Zonder reden voelde ik bij mijn aankomst een kortstondig geluk, zoals bij iedere aankomst. Boven een berg steenkolen fladderden vlinders in de lucht. De wind vervoerde warmte vanuit een onuitputtelijke bron.

Tijdens de terugreis hoorde ik een meisje dat in de overvolle coupé naast mij kwam zitten, zeggen dat het treinverkeer verstoord werd omdat er net iemand onder de trein was gesprongen. Ze zei het alsof het een dienstmededeling betrof.

Ik zag hoe de treinbestuurder de dood niet kon verhinderen en hoorde de trein verder denderen. Ik zag hoe een vogelverschrikker, in het midden van een veld, zijn armen hopeloos op en neer bleef slaan, tot hij vervaagde, hoe de trein gierend tot stilstand kwam, alsof iemand die er niet meer was aan de noodrem had getrokken, hoe de mensen rondom mij de wagons verlieten en te voet door het bevroren stoppelveld verder liepen, hoe Anna Karenina, in het licht van de naderende koplampen, uit de mist en de stoom, als een prentje uit een boek gescheurd, naar voren stapte.

 

 

(…) Citaat van Hans Boland.