Dagboeknotities 7-14 augustus 2026. De eerste zeven dagen na het heengaan van Lucienne Stassaert

Foto: Bernd Urban

7 augustus 2026

Onze dierbare vriendin en dichter Lucienne Stassaert is vandaag heengegaan. Anouk en Régine lieten weten dat ze enkel haar woordenboek had meegenomen. Régine zei “dat ze een serene uitdrukking had, alsof ze de gedaante van een engel had.”

Ik besluit haar niet meer te gaan bezoeken en bewaar enkel de levendige, heldergroene blik.

Naast haar Woordenboek, waar ze erg aan verknocht was en dat ze nu naar het hiernamaals had meegenomen, was er het Mudraboek. Op een bepaald ogenblik kreeg Lucienne dit zelfhulpboek cadeau en is ze, met de intensiteit en passie die haar eigen waren, alle yoga-mudra’s beginnen inoefenen. Na verloop van tijd kende ze alle, van oorsprong Indische, handgebaren vanbuiten. Het boek zag er dan ook zo uit: hier en daar had ze er zelfs een blad uitgescheurd voor een vriend of vriendin die dringend een bepaalde oefening voor zijn of haar welzijn nodig had.

Zelf oefende ze ongeveer drie kwartier per dag. Ze zei dat ze de energiestroom van de oefeningen voelde en dat het haar enorm hielp, zowel geestelijk als fysiek. Ik was dan ook blij verrast toen ik aan het einde van de inleidende biografie van Anneleen De Coux in het Lucienne Stassaert-Handboek hiernaar een verwijzing las, afkomstig uit het dagboek Souvenirs V.

“Ik heb toch een nieuwe naam gevonden: de jonkvrouw met de mudra’s. Dankzij die Indische vingeroefeningen kom ik ’s morgens min of meer tot rust, kan ik aantekeningen maken of lezen malgré tout.” (Souvenirs V, blz. 166, Uitgeverij P.)

Foto:Carine Lampens

Het vertrek van Lucienne heeft iets onwezenlijks. Toen ik de ochtend waarop ze haar reis begon aan te vatten, door de Schulstraat fietste, viel mijn oog op de kleurrijke Tibetaanse windvlaggetjes voor de deur en het raam van een van de bewoners. Ik was er al zo vaak voorbijgereden, maar vandaag zag ik ze. De symbolen en de mantra’s, het hele Ali Kali-alfabet*, werden als goede wensen door de warme wind gedragen en verspreid. Meer had een schrijver tijdens zijn reis niet nodig.

Een reis waarvan niemand ooit was teruggekomen of toch niet in een vorm waarin we hem of haar zouden herkennen. Net als Lucienne hechtte ik een sterk geloof aan de kracht van de geest als energie. Ook deelden we een diepgeworteld gevoel voor mystiek dat van bij het begin en in heel haar oeuvre een rode draad, zoniet een reddingsboei was.

In Notities voor een Requiem (Nov. 1984 – Febr. 1986) schreef ze “In wezen ben ik een mislukte mystica, al mijn metamorfosepogingen ten spijt. Veel, zeg maar al mijn evenwichtsoefeningen, is daartoe te herleiden.”Uit de hertaling van de gezangen van Hadewijch, haar poëzie, proza, de dagboekaantekeningen (vijf delen) en de biografische romans blijkt vooral dat ze een mystica pur sang was.

Enkele decennia geleden waren we op een woensdagavond met Kris (Vanhemelrijck )naar het Tibetaans centrum in Huy gereden om er bij volle maan een puja bij te wonen. Tijdens dit maandelijkse ritueel werd de Tibetaanse yogi-dichter Milarepa herdacht. Lucienne zat in de tempel op een stoel. Kaarsrecht zoals altijd. Hoe slecht ze er fysiek of mentaal ook aan toe was, ik heb haar nooit ergens onderuitgezakt zien zitten. Altijd in volle concentratie, even vol verwachting als de maan die avond.

Dit beeld roept een ander beeld op. Marcel van Maele, de blinde dichter en boezemvriend van Lucienne, in het ‘winkeltje’ van Adriaan Raemdonck in galerie De Zwarte Panter, op een stoel voor zich uitkijkend. “Ik werd vanmorgen wakker”, verkondigde hij ineens heel luid, als wilde hij een gedicht voordragen, “en het eerste woord dat in mij opkwam was Milarepa.” En hij spelde het nog eens duidelijk uit. Mi La Re Pa. Als toonlettergrepen.

Zo kwam de yogi-dichter die in het begin van de twaalfde eeuw twaalf jaar lang in eenzaamheid in een grot had gemediteerd en zich, volgens de overlevering, met brandnetels had gevoed tot hij groen zag, via de gedachten van Marcel van Maele mijn leven binnen gestroomd.

Sinds ons gezamenlijk bezoek informeerde Lucienne tijdens elk telefoongesprek of ik nog een retraite in het boeddhistische centrum in het vooruitzicht had. Gevolgd door een even bezorgd “heb je nog iets kunnen schrijven?” We zochten altijd rust maar konden het zelden of nooit vinden, behalve in het schrijven en in onze meditatie-oefeningen, die in zekere zin hun vruchten afwierpen.

Vanmorgen ben ik opgestaan en heb de laatste dagboekaantekening van Lucienne nog eens herlezen. Enkele weken geleden had ze mij de handgeschreven aantekeningen meegegeven met de boodschap: “je kan er misschien gebruik van maken om mijn biografie te schrijven. Jij kent me goed genoeg om dit te doen. De tekst heeft geen literaire ambitie. Het is louter informatief. Er staan dingen in die ik nog niet gezegd heb.”

Ik viel uit de lucht. Het Handboek was net verschenen en ik had nooit over het idee van een biografie nagedacht. Ik antwoordde dat het me waarschijnlijker leek dat ik eerder doorheen het lezen en herlezen van haar werk en de spirituele band die er tussen ons is, op een organische, spontane manier tot het schrijven over haar zou komen. Ze knikte bedachtzaam, instemmend en nam een lange trek van haar sigaret. Het zouden een van de laatste sigaretten zijn. En het viel me op hoe ze er, letterlijk met volle teugen van genoot. In het ziekenhuis kon ze niet meer roken en was te zwak om in een rolstoel naar buiten te gaan. Ik had geen belofte durven maken, niet in die omstandigheden.

Toen Lucienne in het ziekenhuis werd opgenomen, bracht ik haar drie boeken: Job (Joseph Roth) dat volgens Kris het meest troost zou bieden, de Gedichten (Fernando Pessoa) en Verroeren (Samuel Beckett). Verroeren was een vreemde, intuïtieve keuze geweest. Lucienne zou niet meer uit haar bed opstaan. Ik stond voor mijn boekenkast en het lag ineens in mijn handen. 

Het was pas enkele weken na haar overlijden, toen ik Lucienne Stassaerts orakeltaal van Henri-Floris Jespers ontdekte, dat ik de invloed van Beckett op haar literair werk, haar leven en de strijd tegen het zwarte, gapende gat beter zag. In de biografie die volgens Lucienne nog steeds het beste is wat er over haar werk is geschreven, beschrijft Henri-Floris Jespers ‘de finale’ invloed van Beckett die zich manifesteerde op het kruispunt van haar muzikale en literaire carrière.

“In feite was Lucienne Stassaert op drift en dit op elk gebied. Op zoek en zonder kompas. Het zou niet lang meer duren voor zij ‘de finale tekst’ zou vinden: Malone meurt van Samuel Beckett.”

“In de leegte beginnen en, na alle omzwervingen, in de leegte eindigen: was dat de weg? Ik vermoedde van wel. Het was een verpletterende ervaring, met niets te vergelijken. Dit was menens – hier kwam het op aan.” (L.S)

Ze droeg de leegte moedig en onverzettelijk. Maar het was pas sinds een week, na het bezoek aan een blogpost van een vroegere collega* dat ik echt begreep en aanvaardde dat de leegte iets was dat je op een of andere moest leren dragen. Niet als een opzichtig of minimaliserend kledingstuk, niet als een honger waar geen voedsel voor bestaat. Niet als een verlangen dat met het openen van je ogen ’s ochtends wakker wordt en pas gaat slapen als je ze weer sluit. Of zich alsmaar verder en verder van je missie wegdroomt.

Foto: Kris Vanhemelrijck, Het Huis van Herman Teirlinck, Beersel

“Leegte is vorm, vorm is leegte. ” * Ik herhaal de Hartsoetra en kijk naar de plank op mijn boekenkast, waar zo’n vijftig werken van haar staan, die ik opnieuw of toch voor een groot deel in de toekomst zal herlezen. Zo lijkt het nu of mijn vriendschap met haar opnieuw begonnen is. Mantra’s, Sutra’s, Mudra’s en Poëzie in al hun vormen.

Een dag na Luciennes heengaan begint er nog iets anders te steken, net zoals ik tien jaar geleden in Dichtershandschoenen reeds schreef was niet zozeer het afscheid van deze wereld dat mij pijn deed, maar de wetenschap dat zij in materiële armoede was gestorven. Haar serviceflat was klein en bovendien al uitgewoond door de vorige bewoner toen zij er in 2023 haar intrek nam. Het trof me dat een kunstenaarsleven zich zo vaak moet afspelen in een ruimte, fysiek en maatschappelijk, die daar nauwelijks plaats voor lijkt te bieden. Ik dacht aan de componist Erik Satie die zoals hij het zelf noemde, in een ‘placard ‘in Montmartre, aan de 6 rue Cortot bewoonde. De kast van Satie was nauwelijks 1,80 bij 1,40 meter en 2,70 meter hoog, met slechts een klein, driehoekig dakraam waardoor een weinig licht naar binnen viel. Er stonden een bed en een piano, waaraan hij componeerde. Wie hem wilde bezoeken, moest eerst over het bed heen stappen om binnen te kunnen komen en dan plaatsnemen op het bed.

De kast van Lucienne was met haar 7 bij 7 vierkante meter ietwat ruimer en had een raam dat haast even breed was als de lengte van de woonkamer. Voor het venster stonden hoge bomen waar duiven, merels en mussen in woonden. Het gezang en getsjilp was van bij het ontwaken een bron van troost en inspiratie. Ze was een stadsmens maar werd vaak geïnspireerd door het contact met de natuur:

“Tot voor kort hielden vier wilgebomen, op een boogscheut van de straat waar ik woon, zich op de Desguinlei temidden van het drukke verkeer in leven. Ziek leken die smoorzachte en als door de wind benevelde treurwilgen niet, en toch moesten ze eraan. (Pas vandaag kom ik ertoe om het te noteren, ik wou er geen woorden voor vinden. Uit verontwaardiging kan ik niet meer schrijven; die nogal naïeve pretentie komt me nu heel verdacht voor. Wat volgt is al meer een ode: wat mijn koppig natuurgeheugen me influistert.) 

Een verpletterende want verminkte stilte was het eerste wat voor mij in beeld kwam toen ik ze vanuit de verte als grote schijven wit licht zag liggen. Wortels, vruchteloos als vingers verkrampt. Gedoofd groen en geen geritsel, verstrengeld met hun diepste bloed. Nee, geen zeilen van loof tussen hun oudtijdse lichamen meer. Op die plaats heerst voortaan de finale eentonigheid van asfalt bij asfalt, grijs in grijs dat in de striemende regen blinkt. Vooral ’s nachts, en in een vlakte overgeleverd aan niets dan koplichten.(…)

(…)Vanuit mijn atelier kan ik dagelijks een kroost jonge duiven bewonderen – een roerloos gevleugeld stilleven tegen de parelmoeren sneeuwlucht. Zodra er een of meer van het platformpje in de tuin van mijn buurman opvliegen, veert er een rilling door al dat wit. Oogverblindend wordt dan meteen de stilte, zoals bij de oever van de Middellandse zee. Dat klapwieken doet me daar vaak aan denken. Mijn gehoor, dat kompas van mijn verbeelding, wekt als vanzelf fantasma’s die zich nadien nog als metaforen zullen ontwikkelen.” (Notities voor een Requiem, nov. 1984-febr. 1986, DBNL.)

Van het zeer karige meubilair was de ronde houten tafel waaraan ze schreef, tekende, las en naar muziek luisterde het belangrijkst. (Schilderen deed ze aan een klein tafeltje in het slaapvertrek). Aan die tafel ontving ze ook iedereen die het vertrek binnenkwam. Ze had geen sofa of een comfortabele leunstoel. Niets van dat alles. De geschiedenis van dichters die tot op het einde van hun leven in armoedige omstandigheden leven, blijft zich herhalen. Ook de dichteres Else Lasker-Schüler had tot op het einde van haar leven geen bed. Ze sliep rechtop in haar kamer in een pension in Jeruzalem. Ze stierf arm en berooid, zoals ze geleefd had, al werd ze de belangrijkste Duitse expressionistische dichter van haar tijd genoemd.

Ondanks de talloze publicaties en vertalingen bleef Lucienne verstoken van de aandacht en erkenning die haar werk verdiende. De literaire pers liet vaak na haar oeuvre de plaats en kritische waardering te geven die het toekwam. Als schrijfster voelde ze zich echter vaak “uitgerangeerd, als de afgekeurde stoptreinen”. (Souvenirs, p. 38). Gelukkig was er Leo Peeraer van Uitgeverij P in Leuven die zich vanaf 2001 met veel zorg en toewijding over het werk van de dichteres ontfermde. Een samenwerking die vervolgens twee decennia zou voortduren.

In Nederland liet de onlangs veel te vroeg overleden auteur Lieke Marsman zich vorig jaar op Bluesky eveneens over het onderwerp uit. Ze ontving de ‘Fluister Award’ voor het beste luisterboek van 2025, maar kreeg voor 525157,7334 minuten beluistering van Op een andere planeet, omgerekend 2454 volledige audioboeken, slechts 207 euro. Dat kwam neer op 8,5 cent per volledig beluisterd boek. Een abonnement op Fluister kost 9,99 per maand en DPG, het moederbedrijf van Fluister, maakt 275 miljoen winst per jaar. Er is dus wel geld, maar niet voor de auteur.

Leg maar eens aan iemand uit hoeveel tijd het kost om een oeuvre bijeen te schrijven. Of het kunstwerk nu een beeld, een foto, een compositie, een film of een andere artistieke uiting is; er gaat gewoonlijk heel veel tijd aan vooraf, broedtijd, wachttijd. Tijd die door niets of niemand wordt vergoed. Maar wat het werkelijk gekost heeft in termen van toewijding, waarmee je automatisch bij het economisch aspect en zelfs sociaal aspect aanbelandt, vraagt zich zelden iemand af. Schoonheid ontstaat nooit vanzelf maar wordt wel zo gepresenteerd: alsof het compleet moeiteloos de wereld ingeworpen werd. De kunstenaar als eeuwig hotsende, botsende dobbelsteen.

Uiteindelijk raak je helaas aan heel veel dingen, noodzakelijkerwijs gewend. Lucienne was na zoveel ontberingen aan het gebrek van enig basiscomfort gewoon geraakt. Ook op dat vlak was ze zeer stoïcijns. Ze vroeg nooit iets en had nooit iets nodig, behalve dus die tijd en ruimte om te werken, een kat en het contact met de vrienden en haar dochters Régine en Anouk.

Waar het poëtische werk, een onophoudelijk gevecht met de dood en jeugdtrauma’s zwaar van toon was, verliepen onze uitwisseling meestal in een ander licht, ongedwongen, vanzelfsprekend en altijd inspirerend. Je ging nooit met lege handen naar huis. Er was altijd een boek, een gedicht, een beeld of compositie waar ze je naar huis mee stuurde en je weer verder kon.

Als ik tijdens een bezoek iets meebracht — een koffiekoek met pistachevulling, een pakje noten- en vruchtenmix of de volkorenbeschuiten die ze zo graag at — toonde ze telkens weer een soort verwondering. Alsof ze niet meer wist dat zulke dingen nog bestonden. Met aardse zaken als lekker eten hield ze zich nauwelijks bezig, op een chocoladereep met noten na. Zulke luxe had ze eenvoudigweg uit haar leven gewist.

Ze had een huishoudhulp die twee of drie keer per week de noodzakelijke boodschappen deed, en kon daarnaast rekenen op de dagelijkse hulp van twee medebewoners, Anita Ketels en de buurman Luc, die mee voor haar zorgden. Zonder die hulp zou alleen wonen nooit mogelijk zijn geweest. De serviceflat in de Fonteinstraat voelde voor haar, zoals ze het vaak zei, “als een gevangenis”. Nu ze niet langer zelfstandig naar buiten kon, zat ze er als het ware opgesloten, afgesneden van de buitenwereld.

De dichter blijft alleen achter in zijn blauw geschilderde kast vol witte schaapjeswolken. Na elke worp. De lammeren voeden. Schrijven is een eenzaam beroep. Wat is een dichter waard? Elk woord, elk gebaar. Onbetaalbaar. De bomen en de vogels treuren nu bij de lege plaats aan het raam.


Wat een gemis dat mij onverwacht in het gezicht zal slaan.

Schilderspalet van Lucienne Stassaert (Privé collectie Carine Lampens)

8 augustus 2026

Antwerp Pride Protest. Tweehonderdduizend aanwezigen. In het Handboek somt Anneleen De Coux op welk onderzoek over het werk van Lucienne Stassaert voorlopig nog ontbreekt. Het Handboek is een springplank naar verschillende studies. Waaronder ook een studie over de queertheorie in het werk van de schrijfster. Het oeuvre, ik denk hierbij aan Parfait Amour, bevat uitgesproken elementen van wat wij vandaag als queer kunnen lezen. Er kan dus nog veel over geschreven worden en het is vandaag meer dan ooit nodig. Wie had dat begin jaren negentig gedacht, toen iedereen uit zijn, haar of hun kast begon te komen.

9 augustus 2026

In het park, onder de prinsessenboom in het Handboek gelezen. Toen de wind opstak, legde ik het boek even terzijde. Op dat moment viel er een opgekruld blad van de boom naar beneden. Door de aanhoudende hitte en droogte laten de bomen hun bladeren los en soms ook een tak die te zwaar geworden is. Je moest dan ook opletten onder welke boom je ging zitten. Op het neervallende blad zat een fluogroene sprinkhaan die op mijn kraakwit hemd sprong. Ik schrok en sprong zelf ook op. Hittestress.

De deur van de cel waarin de schrijver opgesloten zit zwaait open. Het verdict?
Vrijgesproken van het leven. Springt hij eindelijk de leegte in. Een andere vorm tegemoet.

Ik zou een gouden plaatje op de deur van haar serviceflat willen.

Hier heeft de dichter Lucienne Stassaert gewoond.
Ruimte onbetaalbaar verklaard.

10 augustus 2026 (avond)

Zoals ik mij had voorgenomen, zou ik na het heengaan van Lucienne in zekere mate solidair zijn. Dus ging ik met het witte, pas gestreken hemd, en mijn nieuw goudkleurig Casio-uurwerk in bed liggen om te doen alsof ik stervende was. Het was 13u30 en 22 seconden. De uurwerkenverkoopster had de tijd bij de aankoop meteen goed gezet en het uurwerk rond mijn pols gedaan. Bij het naar buiten gaan drukte ze beide handpalmen licht tegen elkaar, ter hoogte van haar lippen en glimlachte. De tijd zij met u. Haar groet droeg de fragiele belofte van een toekomstig, onbekend geluk. Het was een zachtmoedige geest, dat was bij het binnenkomen meteen zichtbaar. Hoe ze naar de uurwerken keek. Een heel leven de tijd goed gezet. Ook wist de uurwerkenverkoopster met zekerheid dat ik geen huidirritatie zou ondervinden, zoals ik eerst geopperd had. Ze kreeg gelijk. Na bijna twee maanden viel er nog steeds geen irritatie rond mijn pols te bespeuren; ik was al erg verknocht aan het uurwerk. Het was een heel mooi ding. Het bleef me wijzen op de hoogdringendheid van alle dingen en terwijl de seconden wegglipten, bleef ik verder rondrennen en toertjes draaien.
Tot ik er net niet bij neerviel.

Mijn hart klopte zwaar en traag. Ik vroeg me af waar de geest of ziel van Lucienne nu naartoe was. “Je sterft niet als je wil”, zei ze de laatste weken. Maar soms wilde ze het ook niet. Het was heel dubbel. Net zoals veel dingen in haar leven.

Tijdens een van mijn bezoeken in het ziekenhuis stopte ze me een brief toe. “Een noodkreet”, zoals ze het noemde. Ze vroeg me of ik de brief wou overtypen en naar de krant Gazet van Antwerpen sturen. Een van de recensenten, “iemand die veel van haar plastisch werk hield”, had onlangs twee kunstwerken van haar gekocht en zou de brief zeker publiceren. Ze wilde onder andere de lange wachttijden en het tekort aan palliatieve plaatsen in het zorgsysteem aanklagen, en ook de problematiek rond het verkrijgen van euthanasie.

Thuis las ik de brief en zag meteen dat er heel wat ontbrak om het doel dat ze wou bereiken voor een publiek duidelijk te maken. Ik stuurde de mail naar onze gezamenlijke vriendin Carine Lampens en vroeg haar opinie. Ze beaamde mijn vermoeden en antwoordde dat de klacht niet genoeg gestoffeerd was. Een lastige zaak, maar ik kon de brief zoals hij nu opgesteld was, ter bescherming van de auteur die doodmoe was van alles en het onderwerp niet voldoende had kunnen uitwerken, niet naar de krant versturen.

Bij het volgende bezoek vroeg ze natuurlijk of ik de brief al verstuurd had en moest ik haar duidelijk maken dat de aanklacht zoals nu geformuleerd, niet onderbouwd genoeg was. Ook was er het probleem van de tweestrijd geweest. Haar dochter Régine vertelde over de plotse angst dat ze na de euthanasie “niet echt dood zou blijken en wakker zou worden in haar kist”. Haar opnieuw confronteren met al die angsten en beklemmingen was gewoonweg veel te pijnlijk op dat moment.

Ze wilde sterven omwille van haar jarenlang afmattende fysieke toestand, en anderzijds wilde ze graag blijven leven omdat haar geest nog zo alert was en ze dag na dag omgeven werd door liefde, vriendschap en zorg. Ze wilde vooral leven om haar artistiek werk verder te zetten. Ik zag haar even slikken, maar uiteindelijk gaf ze toe dat ze er niet genoeg aan had kunnen werken. De vermoeidheid en het fysieke ongemak namen de levenswil met het uur over. Ook de morfine deed zijn werk. Ze was sinds haar aankomst in het ziekenhuis ook in hongerstaking gegaan. Ze leefde op soep en yoghurt. Een enkele keer had ze zichzelf nog een chocolade-éclair gegund. Koffie, cappuccino’s en cola stelden haar in staat te schrijven tot het laatste moment. Nee, je stierf niet als je het wilde.

Ondertussen was het 20u05 en 43 seconden. Mijn hart klopte nog altijd. De tijd bleef gewoon verder lopen. Het witte hemd was verkreukeld en ik kon zo de deur niet meer uitgaan. Het was 28 graden Celsius in mijn schrijfkamer. Ondanks de hitte viel ik uitgeput in een diepe slaap. De volgende ochtend leefde ik nog en ben gewoon weer opgestaan. Er kwam voorlopig ook nog water uit de douchekraan.

11 augustus 2026

Lucienne werd vandaag gecremeerd. De angst om in haar doodskist wakker te worden en alle andere dagelijkse angsten en beklemmingen zijn nu voorgoed voorbij. Ik geloof dat het nog een hele poos zal duren vooraleer haar afwezigheid in deze wereld volledig tot mijn bewustzijn is doorgedrongen. Of misschien zal het nooit helemaal doordringen. En waarom zou ze ook afwezig moeten zijn? Het is niet altijd de vorm of de fysieke verschijning die ertoe doet, meestal niet. Ik heb toch altijd meer met de doden in mijn boekenkast dan met levenden geleefd. En zijn de doden op sommige momenten niet meer levend dan degene die denken te leven?

Vandaag de hele dag met haar geschriften op schoot doorgebracht. Op de tijdlijn van dirigent Ilan Volkov vond ik een heel mooi fragment uit een boek van Zora Neale Hurston. Ik had nog nooit van de auteur gehoord en mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Ik zocht verder op het internet en vond toen dit gedicht als een geschenk. Ik stuur het meteen naar Lucienne, met de hemelpost.

“I have been in Sorrow’s kitchen and licked out all the pots.
Then I have stood on the peaky mountain wrapped in rainbows,
with a harp and a sword in my hands.”

12 augustus 2026

Het is wachten tot dit zwaar makende gevoel volledig verdampt is. Het verloopt iets gemakkelijker in deze officieel tweede hittegolf. Helaas. De bodem is zo goed als volledig uitgedroogd, ligt er des te meer, hunkerend bij. Een herfst in de zomer. Bladeren worden roestbruin, krullen op en vallen van de takken. De takken vallen van de uitgedroogde bomen. Hittestress. Europa staat in brand. Ik kan nu niet meer gaan klagen bij Lucienne. Haar begrip en steun vallen weg. Soms zei ze dat ze wou dat ze een tiende van mij kon zijn. Daarbij doelde ze op ‘mijn moed en humor’. Hoe goed kan ik het allemaal ‘spelen’ ? Of ben ik dan echt? Ik weet het niet. Mijn zus zei onlangs: “vroeger was jij veel grappiger, ik mis dit in jou.” Ze heeft gelijk. Maar. ‘We lachen om niet te moeten huilen.’ (Gustave Flaubert)

Donderdag 13 augustus 2026

Peter Holvoet-Hanssen & Artur Rimbaud op bezoek bij Lucienne Stassaert in het Middelheim

De dag van de zonsverduistering. Oostende. Tot laat in de namiddag voelde ik me uitgeput en lusteloos. Toen ik voor de tweede keer in zee ging, gaf ik mijn lichaam de opdracht alles te laten varen. Vroeg de zee de ballast, de boeien en ankers die het vlot verzwaarden weg te nemen. Nadat ik alles bij elkaar drie uur in het water had rondgedobberd, met de schuimende, uiteenspattende golven, op mijn rug drijvend, de ogen op de helderblauwe hemel gericht, ontsnapte er eindelijk een lang onderdrukte snik uit mijn middenrif. Van toen af aan ging het weer helemaal beter. Ik voelde dat de zwaarte uit mij was verdwenen en ergens op de golven dreef, of naar de bodem was gezonken. Een Oostendse zeeduivel zwom me met krachtige slagen voorbij. Water parelde op het getaande lichaam, van bij de geboorte op het strand gezandstraald door de wind, de zon en het zoute water. Dat zulke mensen nog bestaan. De maan schoof voor de zon. Er ontbrak alleen nog een kano met een dichter in.

14 augustus 2026

Vanmorgen zat Timo, de straatkat die door een buurvrouw uit de Hertsdeinstraat uit Egypte werd meegenomen, te wachten op het platte dak. Elke ochtend of avond komt hij eten. Timo is een kat die altijd honger heeft en bovendien ongelooflijk slim is. Lucienne zou Timo fantastisch gevonden hebben.

De oude Egyptenaren geloofden dat de goden zich manifesteerden in de vorm van bepaalde dieren. Bastet, de godin van de vruchtbaarheid, werd voorgesteld als een kat; bijgevolg werden alle katten in Egypte heilig en beschermd verklaard, zoals de koeien in Indië. In Historiën schreef Herodotus: “Wanneer iemand een van die dieren doodt, krijgt hij bij opzettelijk handelen de doodstraf. Is er geen opzet in het spel, wordt hem een straf door de priesters opgelegd. Wie echter een ibis of havik doodt, met of zonder opzet, moet in elk geval sterven” (Hist. II.65).

Buddy op de palliatieve eenheid van de Hoge Beuken.

Timo als boodschapper tussen de wereld van de goden en het aardse bestaan.

(Robbie was na tien jaar vermist te zijn geweest eind augustus in een asielcentrum gespot, maar dat wisten wij nog niet!)

Toen Timo zijn zwerftocht langs de daken verder zette, fietste ik naar het treinstation.

In de Fonteinstraat 33 zat Lucienne aan het raam met een sigaret in de hand naar buiten te kijken.
Haar andere hand naast de loep en de leeslamp op de tafel.

Vergezeld door een van haar laatste zinnen stapte ik op het perron:

“Het is voldoende te weten dat er elke dag van hieruit een trein naar Parijs vertrekt.”


Bronnen:

*Ali Kali vormt de grondslag van het Tibetaanse schrift: Ali staat voor de klinkers, Kali voor de dertig medeklinkers. Elke medeklinker draagt van nature de klank ‘a’ in zich; door een van de vier klinkertekens toe te voegen, ontstaat een andere klank en daarmee een lettergreep. In de Tibetaanse spirituele traditie zijn deze letters echter meer dan schrifttekens. Klank en vorm worden beschouwd als dragers van betekenis en als manifestaties van een diepere werkelijkheid. Een lettergreep is daardoor niet louter een middel om een woord weer te geven, maar kan ook een rituele en meditatieve kracht in zich dragen.

Alana De Stobbeleir Leegte dragen
https://www.instagram.com/she.rises07?fbclid=IwY2xjawULb_pwZG9mBWV4dG4DYWVtAjEwAGJyaWQRMEFqN0I1YkdyUUtCbTlZTUNzcnRjBmFwcF9pZBAyMjIwMzkxNzg4MjAwODkyAAEeSyTPay4qsheFRdcEW3IKOS0DQfvNC31EhrTYkqwKt4oxpco-VlTzmIDfku4_aem__POHNmZcJodV4d5E6w_02w

Henri-Floris Jespers, Lucienne Stassaerts orakeltaal,’van De verhalen van de Jonkvrouw met de Spade tot Bongobloesembloed ‘(L.S persoonlijke mededeling, maart 1991.)

Leegte is vorm, vorm is leegte: De Prajna–aparamita Hartsoetra wordt beschouwd als de kern van de boeddhistische leer. Het wordt in boeddhistische gemeenschappen overal ter wereld dagelijks gereciteerd.
In de Hartsoetra klinkt het: ‘er is geen oog, geen oor, geen…’. Daarmee wordt niet bedoeld dat het oog, het oor en al het andere letterlijk niet bestaan. Het betekent dat niets op zichzelf, permanent en onafhankelijk bestaat. Alles ontstaat in onderlinge afhankelijkheid en heeft geen inherente, onveranderlijke kern. Dit is de zogenaamde filosofie van de ‘leegte’ of shunyata in het Sanskriet.

Antoon Van den Braembussche, kunst- en cultuurfilosoof beschreef Lucienne als een ‘volbloed mystica’, ik ben hem in deze schatplichtig, maar koos voor “mystica pur sang”.

Lucienne Stassaert Biografie
https://schrijversgewijs.be/schrijvers/stassaert-lucienne/

https://www.dbnl.org/tekst/_vla001198601_01/_vla001198601_01_0052.php

Dagboeknotities 24.07.2026

-Wat doe je?

-Ik zoek een leeg blad, maar alles is volgekrabbeld.

(Dagboekfragmenten)

Er hing een sluier over de dagen en over mijn geest. Het dichterbij sluipende einde van de dichteres. En dat van mijn tante, die haar leed ergens in zichzelf opbergt, op een plek waar niemand bij kan. Ik zit met mijn rug tegen de muur. Tegen dit beest kan ik niet op. Zijn poot drukt op mijn hart. Ademhalen is moeilijk op deze manier. Het zweet blijft ondertussen maar langs mijn rug naar beneden gutsen. Alsof iemand een kraantje heeft opengezet dat blijft stromen.

Om de andere dag fiets ik naar het badenhuis, maar het water bevrijdt mij niet. Ik voel me enkel tijdelijk wat lichter, drijvend in het rozen- of lavendelbad. Mijn poriën zetten zich open in een stoom van vijftig graden. Maar in mijn hoofd blijft alles in dezelfde stoom hangen waar de mensheid op de tast verder strompelt. Ik besef dat ik allerlei dingen moet loslaten en begeef me daarom naar het water als naar een dokter, in wiens kabinet ik verlost zal worden van wat onvoldragen is.

Ondertussen loopt alles door elkaar.

Marianne B. wordt 92 jaar op 31 juli. Haar geboortedag zal misschien wel het einde van Lucienne S. kruisen, die dit jaar negentig is geworden. Twee oerbomen onder wier kruin ik tijdens alle seizoenen vaak heb vertoefd.

De eindeloze berichtgeving over de zoveelste zinloze, wrede dood van Palestijnse vaders, moeders en hun kinderen.

Het vuur dat over de bossen van Frankrijk, Spanje en Sicilië raast. In de regio van Madrid worden tienduizenden mensen geëvacueerd. Wat met de dieren die in de bossen wonen? Het totaal aan verwoeste landoppervlakte in EU-landen is tot nu toe dit jaar het op een na grootste ooit gemeten. (Volgens de satellietgegevens van het Europese informatiesysteem voor bosbranden.)

Vorige week braken de Chinese autoriteiten een eeuwenoude vesting in de oostelijke regio Gyalrong in Tibet af. De vesting werd gebouwd in een periode van bijna 1.300 jaar, van de 6e tot de 19e eeuw. De afbraak maakt deel uit van een bredere poging om de historische identiteit van Tibet te verzwakken en uit te wissen. Veel protest op sociale media, maar de afbraak gaat gewoon door. Gelukkig worden er ondertussen elders nieuwe boeddhistische tempels gebouwd. Veel tumult kan ik zelf niet maken, nu een van mijn Tibetaanse vrienden en zijn familie naar Tibet onderweg is, en hoopt niet terug gestuurd te worden aan de grens met China.

Tijdens mijn avondlijke fietstocht door de stad ben ik er getuige van hoe drie toeristen een Joods-orthodoxe man lastigvallen. Hij stond gewoon aan het voetpad te wachten om over te steken. Ik spreek de toeristen kwaad aan, maar ze wuiven mijn woorden lachend weg en zeggen dat het maar ‘een grap is’. Ik sneer woedend terug dat het helemaal ‘geen grap is’, dat het ‘rude’ is. Ze staren me dwaas aan, lopen het voetpad over en roepen me nog iets na. Dit is niet het eerste incident van de afgelopen twee weken.

Thuis in haar flat rookt Lucienne S. haar laatste sigaretten. De ene na de andere, in sneltempo. Luistert naar haar laatste concerten. Schrijft haar laatste gedichten. Kijkt voor de laatste keer naar de bomen, de merels, de duiven. De bomen in het parkje bij haar flat en de vogels die er huizen brengen haar troost. In het dagboek dat ze me twee weken geleden gaf, voor mijn vertrek naar Huy, las ik dat ze zich als meisje vaak in een grote boom schuilhield voor de bedreiging die van haar nabije wereld uitging. Ik wou dat ze dat nu weer zou kunnen doen. Dat we haar in de kruin van een grote kastanjeboom zouden kunnen verstoppen, als een roodborstje, en dat haar woorden gekwetter, getjilp en gezang zou worden, dat naar de hemel opstijgt. Zonder verdere inmenging.

Ik zal de dagen na haar inslapen in bed blijven liggen en net doen alsof ik dood ben, of toch op zijn minst solidair met haar: wil leven en sterven tegelijkertijd. Mijn hand zal op mijn borst rusten en ik zal wachten tot de laatste hartkloppingen, en de hartslag daaronder, van het wezen dat nu echt naar buiten moet, wegebben als het geluid van een specht in een boom. Mijn lichaam dwaalt van mij weg, naar andere gebieden.

Ik vertrek naar K., waar het al winter is. De terracotta dakpannen liggen met sneeuw bedekt. Het is nog heel stil als ik vroeg in de ochtend mijn pension verlaat en door de straat loop. De kastanjeverkoper steekt het vuur aan en weldra verspreidt de geur van gepofte kastanjes zich. ‘Ik zoek een vrouw met een rode sjaal,’ zeg ik tegen de kastanjeverkoper. De kastanjeverkoper kijkt me aan alsof hij niet begrijpt wat ik zeg. Ik spreek toch zijn taal? Hij schept enkele opengebarsten kastanjes in een zak. Ik luister naar de poffende geluiden, neem de kastanjes uit zijn hand, die op een koperen kolenschop lijkt, en loop verder. De wind bolt op onder mijn jas, maar ik bleek zwanger van niets te zijn. Niets. Wat een opluchting. De navelstreng die mij met het wezen, dat al een wees is nog voor het geboren zal worden, verbindt, zal weldra doorgeknipt worden. Ik kon de trein terugnemen, maar ik bleef nog twee dagen in het station van K. zitten wachten vooraleer ik weer naar Antwerpen keerde.

Mijn hart voelt leeg. Het klopt alleen als ik een stuk woestijn zie, een van de kudde afgedwaalde kameel. De lange wimpers, de zachte tred in het zand.

De stem, het gezang van de Daka*Dakini ontsproten uit de lotusbloem.

Vanmiddag liep ik langs de flat van Jean Améry, in de Kelderstraat nr. 8. Er hing een rode sjaal door het raam op de tweede verdieping. Ah ja. Natuurlijk. Ik nam er meteen een foto van zodat ik later niet tegen mezelf zou moeten zeggen dat ik het gedroomd had. Een teken van leven. Vierentachtig jaar later.

Maar héj! Het wezen zal leven. Zonder mij. Of ik zonder het wezen. Wij zonder elkaar. Hoe moet dat dan?

In de Kelderstraat nr. 8 wappert een rode sjaal door het openstaande raam. Gelijk een vlag.

(Op 23 juli 1943 werd de verzetsgroep waar Jean Améry in Brussel bij aangesloten was opgerold. Améry werd naar het hoofdkwartier van de Gestapo aan de Louizalaan gebracht.)

(Kelderstraat nr. 8, Antwerpen)

#JeanAméry #LucienneStassaert #MarianneBerenhaut
#Resistance

Etty

Dagboekaantekening – 7 juli 2026 (bewerkte versie)

Ondertussen heb ik alle afleveringen van de zesdelige serie “Etty” volledig uitgekeken. De dramaserie is gebaseerd op de dagboekaantekeningen van Etty Hillesum maar speelt zich af in een hedendaags Amsterdam. Je ziet haar dan ook in een jeans, een lange trenchcoat en een rugzak over de schouders door de straten fietsen. Tot het moment dat de Joodse Amsterdammers hun fietsen moeten inleveren. Tot het moment waarop Etty Hillesum van spoor 11 van Amsterdam Centraal op een stoptrein naar Westerbork stapt. In de centrale vertrekhal weerklinkt een oproep: ‘De trein naar Westerbork vertrekt over enkele minuten.’ Alsof alle treinen, elk moment, zomaar naar Westerbork of een ander concentratiekamp in deze wereld kunnen rijden.

Voor regisseur Hagai Levi was het belangrijk om Hillesum en haar naasten in het heden te plaatsen, waardoor de serie parallellen oproept met het fascisme, onderdrukking en racisme in onze tijd. Levi werkte ongeveer vijftien jaar aan de verfilming van Hillesums oorlogsdagboeken, lang voordat 7 oktober 2023 plaatsvond. De geschriften van Etty Hillesum liggen altijd op zijn nachtkastje zegt hij ergens in een interview. Ook bij mij liggen de nagelaten geschriften, gebundeld in het boek “Etty, De Nagelaten geschriften van Etty Hillesum (1941-1943)” steeds binnen handbereik. Een liefde voor het leven. Alleen de laatste bladzijden herlees ik niet meer.

De vierde aflevering van de reeks, getiteld De hemel in mij, begint met de verordening die Joodse Amsterdammers verplicht hun fietsen in te leveren in het fietsdepot. Etty, haar vrienden en honderden anderen, sluiten zich vanuit alle richtingen bij elkaar aan en fietsen zwijgend en bedrukt door de straten naar een depot in het westen van Amsterdam. Vanuit de tegenovergestelde richting zie je één fietser komen, die even halt houdt en onbewogen voor zich uitkijkt. Een toevoeging, haast een detail van de regisseur dat ineens alles zegt. Aan het fietsdepot op het industrieterrein worden de fietsers door SS-officieren bevolen af te stappen. Er staan duizenden fietsen geparkeerd die met een kraan op een hoop gegooid en tot schroot worden herleid. De scène wordt gedragen door een compositie waarvan enkele noten mij zeer bekend in de oren klinken, maar ik wacht op de soundtrack van de film, die nog moet worden uitgebracht.

Deze scène is voor mij dan ook een van de meest aangrijpende omdat ze je opnieuw met de neus op de feiten drukt: er ontstond nergens openlijk geweld of een opstand. De vervolging begint met een opeenstapeling van administratieve en praktische maatregelen die mensen stap voor stap hun bewegingsvrijheid en waardigheid ontnemen. De kille efficiëntie waarmee dat gebeurt. De Joodse burgers leverden zwijgend hun fiets af en niemand trok zijn mond open. Velen zullen intussen hebben beseft dat deze verordening opnieuw een stap verder ging in hun uitsluiting en dat er nog zwaardere maatregelen zouden volgen.

Op vrijdagochtend 25 juni 1942 schreef Etty Hillesum het volgende in haar dagboek:

“ En nu schijnt het erdoor te komen, dat de Joden niet meer in de groentenwinkels mogen komen; en fietsen inleveren; en niet meer in de tram; en ’s avonds na 8 uur binnen.)

Donderdagmiddag 25 juni 1942

Uit een brief van mijn vader in zijn onnavolgbare humor: —Vandaag is hier het fietsloze tijdperk ingetreden. Ik heb de fiets van Mischa persoonlijk afgeleverd. In Amsterdam, zo lees ik in de krant, mogen de Jehoediem nog fietsen, Welk een voorrecht! We behoeven nu niet meer in angst te zitten, dat onze fietsen gestolen worden. Voor onze zenuwen is dat stellig een voordeel. In de woestijn hebben we het indertijd ook veertig jaar zonder fietsen moeten doen.”

Al die fietsen op een hoop, tot schroot. Een beeld dat talloze andere beelden oproept, uit het verleden en uit het heden. Je vraagt je opnieuw af waarom niemand door de straten begon te schreeuwen terwijl hun medeburgers hun fietsen, hun vrijheid en uiteindelijk hun bestaansrecht werden afgenomen. Hoe kon een samenleving stap voor stap aanvaarden dat een bevolkingsgroep massaal ontmenselijkt werd? Waarom kwamen zo weinig mensen tijdens deze verordeningen in Europa in verzet? Je blijft achter met hetzelfde terugkerende onbegrip. Door de verplichte inlevering van de fietsen werd mensen niet alleen hun vervoermiddel ontnomen, maar ook een deel van hun identiteit. De boodschap was duidelijk: jij, Joodse mens, behoort niet langer tot ons volk, tot ons fietsend volk.

De reeks laat zich dan ook nauwelijks bekijken zonder dat de beelden zich vermengen met die uit Gaza, de Westelijke Jordaanoever en het actuele oorlogsgeweld elders. Onvermijdelijk dringt Israël-Palestina zich op. De reeks werd tenslotte gemaakt door een Israëlische regisseur die zich herhaaldelijk tegen de genocide heeft uitgesproken.

Beelden van het verleden en het heden overlappen elkaar. Op een moment dat de Palestijnen nog steeds systematisch uit hun huizen verdreven worden, woningen en bezittingen worden vernield, in brand gestoken of geannexeerd. Het vee van de bedoeïenen wordt gestolen, dorpen afgesloten worden, ambulances en medische hulp zo goed als geen doorgang krijgen. De bezetting en onteigening van land in volle kracht verdergezet wordt, en als een nietsontziende bulldozer over de menselijkheid walst.

Wie het ziet wordt medeschuldig. Of je nu iets ondernomen hebt of niet. Er bestaan geen onschuldige getuigen meer.

In de omgeving van Ramallah overleed op 5 juli 2026de vier maanden oude baby Ahmad Maruf Zeid. De ambulance stond aan de overkant van een checkpoint te wachten om de baby, die in kritieke toestand verkeerde, naar een ziekenhuis te brengen. Volgens de berichtgeving hield het Israëlische leger het voertuig ongeveer een uur tegen. Alle hulp kwam te laat.

Een maand eerder, 5 juni, werd de zeven maanden oude Sam Abu Haikal in Hebron door Israëlische soldaten in het hoofd geschoten. De Israëlische mensenrechtenorganisatie B’Tselem publiceerde de beelden. Het verdriet van de ouders en familie was niet om aan te zien. Het blijft aan je kleven. Al die onschuldige kinderen. Drie jaar lang. Meer dan twintigduizend kinderen.

De afschuwelijke martelpraktijken in Israëlische gevangenissen, ook door B’Tselem gedocumenteerd en naar buiten gebracht. De detentie van duizenden Palestijnse kinderen.

De angst waarmee de baby’s en kinderen in Palestina en Israël worden gevoed en opgevoed. Opnieuw zoveel getraumatiseerde mensen, generaties lang. Wie stopt deze spiraal van geweld?

Deze serie legt ook het historische schuldgevoel van Europa opnieuw bloot, dat tot een misplaatste, contraproductieve houding en nefaste slachtpartij heeft geleid en voor velen een ongemakkelijke vaststelling zal zijn en blijven. Maar het verleden verdient geen blinde schuldreflex, maar een kritische houding en acties die laten zien welke lessen werkelijk zijn geleerd. Weinig dus.

Precies daarom dwingt de serie de kijker voorbij de beelden waarin verleden en heden door elkaar lopen, in de spiegel te kijken. Nu meer dan ooit, met de hete adem van het oprukkend fascisme in onze nek waarin de spiegels en hun illusies wel eens gauw lelijk zouden kunnen beslaan.

Ik herinner mij de laatste woorden en de tronie van Filip Dewinter in De Afspraak vorige week. Dit gesprek volgde op de pro-Palestijnse betoging in Antwerpen, waar de nieuwe voorzitter van Groen, Aimen Horch ,door gemaskerde agenten in burgerkledij hardhandig werd opgepakt en weggevoerd. De beelden van die arrestatie veroorzaakten gelukkig veel verontwaardiging en discussie over het gewelddadig politieoptreden en over het recht om te betogen op de Grote Markt. Kort daarna vormden N-VA en het Vlaams Belang in de Antwerpse gemeenteraad een meerderheid om een voorstel om de Israëlische vlag aan het Antwerpse stadhuis weg te halen, weg te stemmen. Dewinter orakelde dat “er hoop was voor de toekomst”.

Die woorden klinken nog altijd na als laarzen op kinderkoppen.

En ik hoop met iedere vezel van mijn wezen dat elk sprietje van die zwartgeblakerde hoop onder zijn alles vertrappende bottines en die van zijn trawanten door ons blijvend verzet zal worden weggemaaid.

Op maandag 6 juli kopte De Morgen: “Als het zo doorgaat, is er over tien jaar geen democratie meer in Duitsland”: tienduizenden Duitsers komen op straat tegen de partijdag van de AfD in Erfurt. Slechts tienduizend. Op een bevolking van meer dan tachtig miljoen mensen is dat bitter weinig.

Het fascisme zet zijn opmars in Europa verder.

Tijd om de fiets te nemen.

Tegen de stroom in.

(Afbeelding: screenshot uit “De hemel in mij”, vierde aflevering van “Etty”. Fietsdepot Amsterdam.)

Minder weergeven

Screenshot

À Chacun sa taille (Marianne Berenhaut)

“Let’s face it. We’re undone by each other. And if we’re not, we’re missing something. If this seems so clearly the case with grief, it is only because it was already the case with desire. One does not always stay intact. It may be that one wants to, or does, but it may also be that despite one’s best efforts, one is undone, in the face of the other, by the touch, by the scent, by the feel, by the prospect of the touch, by the memory of the feel.” (Judith Butler, Undoing Gender. Routledge 2004)

À Chacun sa taille (Marianne Berenhaut)

Zaterdag 20 september 2025 bezocht ik met Marianne Berenhaut de laatste tentoonstelling in het Joods Museum in Brussel, voor het museum sluit om de reeds jarenlang geplande renovatiewerken uit te voeren. Het werk van Marianne Berenhaut, À chacun sa taille, maakt deel uit van een groepstentoonstelling: “There Is a Crack in Everything”. Die brengt meer dan vijfentwintig internationale kunstenaars samen wier werk emotie en vorm verweeft met vragen over verbondenheid, identiteit en geheugen. Van zichtbare vormen van geweld tot opgelegde stiltes, van schade aan het leven tot de kwetsbaarheid van onze omgevingen — deze kunstenaars onderzoeken de menselijke conditie in haar spanningen én haar mogelijkheden, en transformeren deze realiteiten tot verbeeldingen van verzet, ontworteling en heruitvinding. (Website Joods Museum)

We hadden bij haar thuis afgesproken. Toen ik met mijn appeltaart in een natgeregend kartonnen tasje het bordes opstapte, zag ik haar vanop de stoep in de keuken staan. We wuifden naar elkaar. Tegelijkertijd realiseerde ik me dat ze mijn gezicht niet zou herkennen. Marianne leed aan gezichtsblindheid. Iedereen die ze niet op regelmatige basis ziet, komt in zekere zin altijd ‘als nieuw’ over. Ik heb er nog nooit echt met haar over gesproken. Bij onze eerste ontmoeting twee jaar geleden vertelde ze wel meteen dat ze geen gezichten kon herkennen, dus dat ik niet verbaasd moest zijn als ze mij niet zou herkennen bij een tweede, derde of vierde ontmoeting — of bij elke ontmoeting.

Toen ik bij haar in Londen was, nam ze een foto van mijn gezicht, zodat ze, wanneer ik de flat verliet en later terugkwam, zou weten dat ik het was. We moesten toen erg lachen. Ik zag er vreemd uit op de foto. ‘Ja, een beetje gek, zoals je bent,’ had ze grappend gezegd. Ik herkende mezelf toen niet, op de foto. Het niet herkennen van gezichten is een gekende neurologische aandoening en volgens Marianne het gevolg van haar oorlogstrauma.

Het weerzien is zoals altijd gelukkig. We delen een traagheid van artistiek denken dat moeilijk te traceren valt, terwijl ons voelen snel en doortastend is. We drinken koffie en praten over Walter Swennen, een van haar boezemvrienden die in augustus overleden is. Ik vertel haar over “Tic Tac Toc”, een nieuw boek dat Hans Theys over hem gemaakt heeft en waarin ze van bij het begin meteen vernoemd wordt. Het manuscript begon met de vraag aan Swennen of hij nog iets van Marianne Berenhaut had gehoord. Dit greep mij onmiddellijk aan omdat het mij herinnerde aan het moment waarop Marianne, terwijl ik bij haar thuis foto’s maakte, plots telefoon kreeg van Walter Swennen: ze begon helemaal te stralen en werd zo blij dat ik verbaasd ophield met wat ik aan het doen was. Er ontstond ineens een fontein van vreugde. Ik hoorde hoe ze hem op het hart drukte wat een enorm plezier het altijd was om hem te horen. Zijn heengaan kwam niet onverwacht maar had haar toch diep geschokt. Er was weer iemand verdwenen die haar heel dierbaar was.

Na het gesprek over Walter Swennen vraag ik of ze nog nieuw werk gemaakt heeft. Ze toont me elf foto’s van haar laatste nieuwe werken. Een revolver ligt op een brede purperen strook op de grond. De meeste werken liggen op de grond; het zijn werken die geen sokkel nodig hebben. De revolver, vertelt ze, was bruin, maar op de foto was de kleur niet zichtbaar. De verkoper van de (speelgoed)revolver had gezegd dat ze geen zwarte speelgoedrevolvers mogen verkopen omdat ze dan te veel op echte revolvers zouden lijken.

De tweede foto toont een fluoroze pruik die op een stoel ligt. Marianne zegt hierover dat het over een zelfmoord gaat. Overweldigd door deze twee beelden en de toelichting van het werk met de pruik (Marianne licht haar werk zelden toe), laat ik het stellen van verdere vragen deze keer achterwege. Of eerder: iets weerhoudt me op dat ogenblik om verder te vragen. Meestal laat ik haar gewoon aan het woord en omdat het woord altijd zeer spontaan bij haar opkomt, had ik misschien onbewust gedacht dat ze er zelf nog verder over zou praten. Maar ze liet het hierbij. In de andere werken zie ik de Japanse sokken liggen die ik in Londen met twee paar sokken van haar geruild heb.

Volgend jaar zou er een tentoonstelling komen, in een voormalige synagoge, ze wist niet precies waar het was en welk werk ze er zou tentoonstellen. Ik vermoedde dat het over de Synagogue de Delme ging, die begin 1980 werd ontheiligd wegens gebrek aan gelovigen; het gebouw kreeg een herbestemming als kunstcentrum en expositieruimte.

Ik stel voor om een taxi te bellen en naar het Joods Museum te vertrekken, zoals we oorspronkelijk van plan waren. Ze werpt een blik naar buiten en zegt dat het slecht weer is. Het miezert, maar het is niet koud. Net als ik bedenk dat we evengoed de namiddag bij haar thuis kunnen doorbrengen, staat ze op van de kruk in de keuken en loopt naar haar slaapvertrek om zich om te kleden. Als ze klaar is, gaat ze nog even in de zetel zitten. Ze heeft een donkeroranje jurk aangetrokken met mooie plisséplooien. Ik zit tegenover haar op een poef en vraag of ik een foto mag maken. Ze heeft er geen zin in en ik zeg dat het geen probleem is, dat het niet moet, maar dat ik wel een splinternieuw toestel heb waar ik mooie foto’s mee kan maken.

Ze vraagt of ze de foto’s die ik met het toestel gemaakt heb, mag zien. We scrollen door de foto’s en wanneer we bij een foto komen van een vrouw die de namen van Palestijnse doden in Gaza op een doek aan het borduren is tijdens de tentoonstelling Oum in FOMU, vraagt ze wat het voorstelt. Ik zeg wat het is en ze antwoordt dat het onmogelijk is al de doden hun namen te borduren, dat het doek nooit lang genoeg zal zijn. De volgende foto is een portret van dichteres Lucienne Stassaert. Ze vond het mooi en ik had het idee dat ik haar hiermee overtuigd had voor een portret, maar nog niet op dat ogenblik. Ik berg mijn toestel op en zeg dat ik een taxi voor ons ga bellen.

‘Kies eerst nog een Petite Madame.’ Tegen de muur van het salon hing een dozijn gehaakte figuurtjes, die mij aan Surinaamse schaduwpoppen doen denken. Ze lijken ergens een eigen spel te spelen, tegen een witte muur, in hun eigen wereld. Hun armen waren dunne ijzeren draadjes. Marianne had ze met een kleine nagel op de muur bevestigd. 

Het duurt even voor ik mijn keuze kan maken en uiteindelijk valt mijn oog op het hart in een van de figuurtjes. Het is heel voorzichtig maar stevig in het lichaam genaaid, met verschillende steken, opdat het goed vast zou zitten. Heel klein, haast onzichtbaar, heeft Marianne haar Petite Madame in het lichtgroene lijfje een karmozijnrood hart geborduurd. Aan het uiteinde van het gehaakte lichaam zitten twee oranjerode plastieken draadjes. Een arm wijst naar boven, een naar beneden, een lus als hand. Het hoofd is met een lederen draad gemaakt, en als een roos ineengevlochten. Een organische aanwezigheid in volle bloei. 

Zelf zegt ze over deze textielsculpturen dat het zoiets ‘als een ruiker bloemen is’. Als ze ergens op bezoek gaat, neemt ze een Petite Madame mee, als geschenk. Ik bedank haar en berg het tedere, tere geschenk in mijn rugzak op. Marianne trekt haar regenjas aan en we lopen naar buiten.

Als we op de stoep staan, zegt ze dat ze geen sigaretten meer heeft en vraagt of ik er in de buurtwinkel kan halen. Ik loop gauw om een pakje Camel Jaune XL, want zonder de kameel op zak kunnen we niet vertrekken. Onderweg naar het Joods Museum komen we in een mini-reuzenstoet vast te zitten. De taxichauffeur neemt het debacle redelijk rustig op. We staan volledig stil in het centrum van Brussel, omringd door toeschouwers en twee dansende reuzen. Marianne geniet van het schouwspel en het duurt een kwartier vooraleer we weer kunnen verder rijden en een uur voor sluitingstijd bij het Joods Museum aankomen.

Het werk van Marianne staat op de benedenverdieping. Een honderdvijftigtal spiegels staan tegen twee muren opgesteld. Het zouden honderdvijftig mensen kunnen zijn. Het wórden mensen van zodra er iemand voorbij komt en zichzelf en de anderen in de grote zaal, dichtbij of vanop afstand, weerspiegeld ziet. Ze had de spiegels bij een glazenmaker gevonden. Het waren allemaal zogenaamde overschotten en op maat gesneden stukken: delen van een boudoir, een badkamer, een kast, een wandspiegel…

We lopen langs de spiegels en ik neem foto’s, ook van de kunstenares. Toen ze ons in de spiegel zag, smolt haar weerstand weg. De spiegels deden gewoon wat ze moesten doen. Via de spiegels kwamen we in elkaars bewustzijn – zonder aantrekking of afkeer – en zagen we alleen wat er weerspiegeld werd. Zonder iets vast te houden. Voor even werden we geestesverwanten in de spiegels, leeg en helder. De scheiding tussen de dingen viel weg. In een open ruimte waarin alles verschijnt en verdwijnt, levendig en in beweging.

De spiegels roepen een gevoel van mededogen op, voor de tijdelijk verschijningen die we zijn.

We bleven tot sluitingstijd in het museum rondlopen. Aan de overkant van de straat was een ijssalon. De verkoopster, een attente, vriendelijke jonge vrouw, liet ons alle verschillende chocoladesmaken proeven. Toen we onze keuze gemaakt hadden, gingen we met het ijsje in de Miniemenstraat op een felgekleurde bank zitten. Na het ijsje en een camelsigaret kregen we dorst en Marianne stelde voor om op de Zavel nog een glas wijn te gaan drinken. Terwijl we op een terras onze drankjes nuttigden, liet ze zich ontvallen dat ze ook heel graag Irish Coffee dronk. Ik stelde voor dat we er een zouden bestellen, maar we hadden al een wijntje op en wilden we wel dronken worden? We keken over de Zavel en ik probeerde me elke uitdrukking van haar gezicht in te prenten. Haar ogen hadden nog altijd hun glans en schittering als ze lachte. Maar haar zicht ging achteruit vertelde ze me enkele weken nadien tijdens een telefoongesprek.

Een uur later zag ik haar aan de arm van een taxichauffeur die op het plein stond, een minitaxibus instappen die haar weer naar Vorst zou brengen. Ik liep naar het treinstation en spoorde terug naar Antwerpen. De winter tegemoet.

Thuis nam ik het manuscript over Walter Swennen weer ter hand: ‘Weet je hoe engelen communiceren? “Mente ad mente”, zei Thomas van Aquino, “van ziel tot ziel”.’
In zijn Summa Theologiae (prima pars, quaestie 107: “De locutione angelorum” ( “Over de spraak van de engelen”) behandelt Aquino of en hoe engelen met elkaar spreken. De term ‘ziel’ (anima) wordt vooral gebruikt voor het menselijke intellectuele wezen. Bij engelen spreekt hij van “intellectual substance” (intellectus), “separate substance” (substantia separata). Omdat engelen geen lichaam hebben, is hun communicatie niet afhankelijk van klank, tong, oren, plaats of tijd.

In het Japans zou dit vertaald worden als I shin den shin: van jouw geest naar mijn geest, of van jouw hart naar mijn hart. Een uitdrukking van een communicatie die verder gaat dan de gesproken taal, die een vorm van empathie en intuïtie creëert, die een diepe, onzegbare, onzichtbare verbinding tussen mensen mogelijk maakt. In het boeddhisme wordt deze term gebruikt om de essentie van de leer, woordloos en naadloos, van meester op leerling over te brengen. Als twee spiegels tegenover elkaar. Als honderdvijftig spiegels naast elkaar. Als honderdvijftig mensen, eindeloos weerspiegeld, als kleurige reflecties, op een variërende achtergrond (de muren van het museum).

Pauzerend tussen twee hoofdstukken keek ik naar het figuurtje dat ik ondertussen op een leeg blad had gekriebeld. Het was vermoedelijk twintig jaar geleden dat ik nog een tekening had gemaakt, van toen ik nog een boekje bijhield dat ik ergens onderweg verloren ben, en waarin ik een jaar lang elke dag een soort engel tekende: een figuur zonder gezicht of ledematen, iets dat een vleugel moest voorstellen, een androgyn wezen dat zich in de ether manifesteerde.

Wat me nu aan deze tekening opviel, was het venster in het midden van de figuur, een venster dat ook in veel van mijn vroegere tekeningen terugkeerde. En waar ik vaak een steen in had gegooid, maar dat, hoe vaak ik het ook aan scherven wierp, zich telkens weer herstelde en in de volgende tekening opnieuw één geheel vormde. 

Met al de spiegels van Marianne Berenhaut voor ogen, zag ik ineens dat het geen venster maar een spiegel was. Een spiegel die altijd al leeg was geweest. En hoe vaak ik, of wie dan ook, er een steen door zou gooien: de figuur, wat er verscheen, of een deel ervan, zou zich tot in de kleinste splinter altijd blijven weerspiegelen. In een leegte die geen leegte is.

Marianne Berenhaut

Sound Action For Gaza (Dagboekaantekening 5.11.2025)

Iets na de middag nam ik de trein richting Brussel om rond 18:00 uur de Sound Action For Gaza bij te wonen. Ilan Volkov, de Israëlische dirigent en sinds 2022 vaste gastdirigent van het Brussels Philharmonic, had via sociale media muzikanten opgeroepen om samen te komen aan het Carré de l’Europe en aanhoudend één noot te spelen die het geluid van een Israëlische drone moest oproepen. De dirigent wilde hiermee de aandacht vestigen op de muzikanten in Gaza die ondanks alle ellende nog steeds musiceren. Een van die uitzonderlijk moedige mensen is Ahmed Muin Abu Amsha, muzikant en gitaardocent, die met zijn drone song een nieuw geluid de wereld instuurde.  De muziekleraar uit Gaza zette het akelige, eentonige gehum van de Israëlische drones om in muziek. Ahmed Muin is ook oprichter van de muziekgroep Gaza Bird Singing. Met zijn muzikale werk wil hij de doden eren en herinneren, en probeert hij troost te bieden aan ontheemde en getraumatiseerde Palestijnse kinderen; samen musiceren als een vorm van therapie. Voor de duur van een lied, een compositie, een muziekles kunnen de kinderen, en ook de volwassenen, even hun pijn vergeten. Misschien verwerken en hopelijk hun stem, hun veerkracht en zichzelf terugvinden in de woestenij die hun ziel, en hun tot puin verpulverd land, geworden is.

Dirigent Ilan Volkov staat al langer bekend om zijn zeer kritische houding tegenover Israël. Op 11 september 2025 leidde Volkov het BBC Scottish Symphony Orchestra bij de BBC Proms. Na het concert nam hij het woord en veroordeelde de oorlog in Gaza. In een emotionele toespraak zei Volkov: “Ik kom uit Israël en ik woon daar. Ik hou ervan. Het is mijn thuis. Maar wat er nu gebeurt, is wreed en afschuwelijk. […] Joden en Palestijnen kunnen dit niet alleen stoppen. Iedere kleine actie helpt terwijl regeringen aarzelen en afwachten. Het is onmogelijk stil te blijven terwijl het moorden doorgaat. Kunstenaars hebben een plicht zich uit te spreken als de humaniteit op het spel staat.”

Begin september werd hij gearresteerd bij een protest aan de grens van Israël met Gaza. De videobeelden, die onmiddellijk op sociale media geplaatst werden, gingen viraal. Terwijl Volkov in een Israëlische politiewagen wordt gezet, roept hij nog: “We moeten de genocide nú stoppen. Het verwoest ieders leven. Stop ermee!” Enkel uren na zijn arrestatie werd hij samen met andere actievoerders weer vrijgelaten.

Scrollend door de laatste nieuwsberichten las ik een post van zangeres en auteur Nikkie van Lierop; haar zoon kon eindelijk Israël verlaten en zou voortaan in België wonen, waar hij een nieuw leven kon opbouwen. Ik wist meteen wat dat betekende, wat het inhield, na twee jaar genocide. Ik hoopte maar dat deze fijne jonge man, omwille van zijn identiteit, hier op zijn beurt geen slachtoffer van racisme zou worden. Het bericht wrikte ineens een lawine van emoties los. De sneltrein denderde verder, er was geen ontsnappen aan.

Toen ik in Gent wilde afstappen, werd ik plots aangeklampt door een verloren tiener, uit god weet welk land; ik vermoed Syrië. Ze was in Lokeren op de trein gestapt en moest in Sint-Niklaas zijn. Ik probeerde haar duidelijk te maken dat ze op de trein naar Lille-Flandres zat en we nu in Gent waren aangekomen. Ze droeg een beugel, haar linkeroog knipperde zenuwachtig, het leek een ernstige tic-nerveux. Voor ik mijn aansluiting naar Brussel nam, stapte ik met haar naar een conducteur en legde de situatie uit. Normaal gezien moest ze een nieuw ticket kopen, maar de conducteur zou een document opmaken waaruit bleek dat de reiziger per vergissing een verkeerd traject had genomen. Ik had de indruk dat ze het begreep, maar dat de situatie haar ergens ook ontglipte. Ik bracht haar naar het juiste perron en hoopte voor haar op een goede afloop. Op de roltrap viel ze bijna om; ik greep haar nog net bij de bovenarm en voelde enkel een bot, zo mager was het meisje. Geschokt liet ik de arm los, nam afscheid en liep naar het spoor waar ik op de trein naar Brussel-Centraal stapte.

Ik sloot het boek dat op mijn schoot lag “Reporting from Ramallah: An Israeli Journalist in an Occupied Land, Amira Hass (2003)”, en bedacht hoe pijnlijk en treffend actueel het boek vandaag nog steeds is. Elke pagina die ik omsloeg sloot naadloos aan bij wat zich nu in de Westelijke Jordaanoever afspeelt. Hoeveel pagina’s ik ook verder bladerde, de getuigenissen lazen als een vastgelegde geschiedenis van geweld, wraak, vergelding en pesterijen van het IDF. Het Israëlische leger heeft al zo lang de overhand. Het doden van burgers en kinderen, het vernietigen van infrastructuur en het schenden van de rechten van de bevolking, op alle mogelijke manieren, zijn een constante geworden, en leidden enkel tot een zichzelf voedende spiraal van geweld. Geweld dat door het IDF gesteund wordt, ongestraft blijft en door de rest van de wereld stilzwijgend aanvaard wordt. De kolonisten op de Westelijke Jordaanoever worden driester met de dag. Het voelt alsof al die jaren niet werkelijk voorbij zijn gegaan, maar er slechts een dag, misschien een uur voorbijging. En alles verloren lijkt, alsof eeuwen ineenstorten, in één ogenblik.

Ondanks de onmacht die ik voel, hou ik mij vast aan de woorden van Gabor Maté: we moeten onze ogen, ons hart openhouden en weten dat elke daad van zorg of rechtvaardigheid het collectieve veld voedt, zodat niets ooit verloren zal gaan. Ik keek door het treinraam, naar het voorbijvlietend landschap en zag hoe mooi de herfst op deze uitzonderlijk warme dag was.

In Brussel ging ik vrijwel meteen op zoek naar een plek waar ik even kon mediteren om de vermoeidheid die me ineens overviel van me af te schudden. Omdat steden geen polyvalente ruimtes bieden waar reizigers of pendelaars zoals ik, die wanneer ze ergens aankomen in een stad, even willen bekomen, nergens terecht kunnen, ben ik dan maar de Sint-Niklaaskerk in De Boterstraat binnengestapt en heb daar een uur gemediteerd. Voor ik mijn ogen sloot, zag ik een vrouw, vermoedelijk van Filipijnse afkomst, haar beide handen op de bloedende voeten van een gekruisigde Christus leggen. Haar gelaat was gekweld, haar smachtende blik opgegeven naar het gepijnigde gelaat van de verlosser. Zo zochten we beiden een soort verlossing: ik van een plotse inzinking, pijnscheuten in mijn schouder (oh mijn god, de engel met het vlammend zwaard) en de dame van een ander persoonlijk leed. Niets stond ons in de weg, tot een dienaar van de kerk ineens de marmeren vloer begon te stofzuigen, en ik begreep dat het tijd was om te vertrekken. Voor we zelf tot stof en as zouden vergaan.

Slenterend liep ik in de Vlees- en Broodstraat een bio-eethuisje binnen dat The Sister heette en door een Oost-Slavische monnik werd uitgebaat. Er was een lichte gelijkenis met Raspoetin, iets wat mij weerhield met hem een gesprek over de oorsprong van zijn taal aan te knopen. Hij leek ook zijn dag niet te hebben. De Japanse thee, een nieuwe soort, had in elk geval een gunstig effect op mijn wezen. Gesterkt door het brouwsel liep ik even later naar de Koninginnengalerij, waar de boekhandel Tropismes zich bevond, en stapte onderweg Bistro Mokafé binnen.
Er heerste een gezellige drukte. Naast mij zaten twee vrouwen die de programmatie van de bioscoop in de galerij aan het samenstellen waren. Ze bespraken enkele films van Chantal Akerman. De ene vrouw zei dat ze alleen maar L’Ouest had gezien.

Terwijl ik van mijn espresso nipte, boog er zich ineens een stokoude dame over mijn tafel en vroeg of we elkaar kenden. De make-up op haar huid moest wel Le Blanc de Chanel zijn; van een onmiskenbare porseleinachtige egaliteit, een subtiele toets van licht, die van een andere tijd was. Het zwarte haar in dezelfde stijl als dat van Mademoiselle Chanel geknipt, de lippen zorgvuldig robijnrood gestift. Ik zei dat ik niet van Brussel was, en dat we elkaar waarschijnlijk niet eerder ontmoet hadden. “Mais qui sait,” vulde ze aan, “d’une autre vie?”
Ze lachte fijntjes en verliet de zaak alsof het een bistro uit het vooroorlogse Montmartre in Parijs was. Zulke vrouwen bestonden alleen nog maar in de Lichtstad, en in Brussel dus ook.

De bezoekers leken allemaal habitués. In een hoek van de bistro zat onmiskenbaar: de schrijver als miskend genie. Een grote zwarte bril, kaal hoofd, donkere, vorsende blik; hij leek op Arthur Miller. Een messengertas lag naast hem op de bank. Op het glas rode wijn dat voor hem stond, had hij een bierkaartje gelegd, zodat de fruitvliegjes die er rondvlogen niet zouden verdrinken. Er lag een stapel notitieboekjes naast hem, en hij las half luidop, mompelend wat hij al geschreven had. Opeens veerde hij recht, liet al zijn spullen achter en liep naar buiten. Toen ik de zaak verliet, kwam ik hem nog steeds mompelend in de gaanderij tegen. Op het terras zaten nog wat mensen die elkaar schenen te kennen; het leek echt een ontmoetingsplek, een plaats om naar terug te keren.

Dit alles nam ik waar alsof ik in een verhoogde staat van bewustzijn verkeerde, alsof ik een toeschouwer was van mijn handelingen en de gebeurtenissen die dag. Was deze staat het natuurlijke effect van de meditatie of van het brouwsel van de Oost-Slavische monnik?

Tegen kwart voor zes liep ik naar de Carré de l’Europe. Dirigent Ilan Volkov stond omringd door een groep muzikanten aan de rand van het plein. Hij hield een korte toespraak: “So even though there is a so called ceasefire, on average, there are 10 people dead everyday. People that live there, they are dealing with drones over their heads the whole last two years. So we are going to play one long note in solidarity with the Palestinians, especially Palestinian musicians who are still teaching music and playing, trying to create a life for the kids and families there.” Daarna vroeg hij aan iedereen om in een cirkel te gaan staan. Ik had enkel mijn stem meegebracht maar ondertussen hadden mijn stembanden het opgegeven en maakte ik wat foto’s en filmde in fragmenten. Volkov gaf de maat aan en speelde zelf op een melodica. Ik hield op toeschouwer te zijn van de gebeurtenissen en viel samen met wat ik fotografeerde en vooral met wat ik hoorde: alsof er een gigantisch luid alarm afging. De Palestijnse vlag werd langzaam en plechtig in de cirkel rondgedragen. De jongste betoger, een kleuter, sleepte als een lange sluier van hoop, een vlag die groter was dan zijzelf achter zich aan. De avond was uitzonderlijk warm, en in de lucht bleef als een koppig verweer, die ene aanhoudende alarmerende noot hangen, als iets dat niet zou verdwijnen.

Als een geluid waarvoor we nergens, nooit nog zouden kunnen schuilen.

De Sound Action For Gaza duurde iets langer dan een half uur. Een moedige, mooie en beklijvende actie, een woordloos appel aan de wereld om de cyclus van geweld voorgoed te doorbreken. Het laatste schutblad om te slaan, waarop maar één regel te lezen stond: 

Stop ermee.”

Screenshot
Ilan Volkov

GAZA

Deze week bezorgde Lucienne Stassaert mij enkele van haar laatste schilderijen. In deze reeks genaamd “GAZA” brengt ze haar verdriet, onmacht en wanhoop over de genocide op een beklijvende manier tot uitdrukking.

De beelden zijn beladen en tonen sporen van leed, verlies en geweld. De penseelstreken zijn heftig en snel neergezet, haast in één adem, in grijsblauwe, indigo, witte, okeren en donkere tinten. De kleuren als van as, rook en puin roepen een sfeer van verwoesting op.

Lichamen bijeengepakt komen in drommen naar voren, ontredderd, aan hun lot overgelaten. Verdwenen schimmen. Gaten die ooit ogen waren staren ons ontzet aan. We scheuren onze blik aan hen, als aan een prikkeldraad.

De schilderijen willen niet verbeelden wat er in Gaza gebeurt, want alles wat er gebeurde en nog steeds gebeurt, ook op de Westelijke Jordaanoever, waar fanatieke kolonisten dagelijks, ongestraft de Palestijnen en hun kuddes aanvallen, de olijfbomen en hun oogst vernietigen of stelen, valt buiten het menselijke bevattingsvermogen.

De driestheid waarmee de Gazanen in een stroom van vernietiging werden gesleurd is met geen pen te beschrijven.

In de twee figuren die elkaar vasthouden, wit en doorschijnend, omhuld als in een mantel van stof en as, schuilt iets sacraals, ze lijken te zoeken naar een god die hen had kunnen redden, of een medemens. Twee iconen als symbool van een universele wond.

Het blauw van een hemel die niet meer van deze wereld is beschermd hen.


Lucienne Stassaert (1937)
“GAZA” (Olieverf op papier 21 x 29,7 cm)

De schoenenboom

 Het mooie herenhuis, le petit château, zoals Marianne Berenhaut het noemt, is makkelijk te vinden. Vanaf het treinstation van Vorst is het ongeveer een kwartier wandelen. Bij het betreden van het voortuintje zie ik aan het stenen bordes een papier hangen met het bericht dat de genodigden zich langs de zijgevel van het halfvrijstaande huis in eclectische stijl naar de tuin mogen begeven. Aanbellen is niet nodig. Zoals elke gast loop ik geruisloos over het zomergras de tuin in. Er staan een vijftiental ronde tafels, bekleed met mosgroene zijden tafellakens, in het midden van iedere tafel een boeket bloemen. De gasten staan in kleine groepjes rustig te praten met een glas in de hand; anderen zitten aan een tafel bijeen en nippen van hun drankje. Terwijl ik door de tuin loop, strijk ik met mijn hand over de wit-roze hortensiastruiken alsof het kinderhoofden zijn.

De jarige zit aan de eretafel en wordt overladen met bloemen, kussen en geschenken. Ik wens haar een gelukkige verjaardag en knijp haar even in de bovenarm, als wil ik mezelf ervan vergewissen dat het allemaal echt is. Marianne is negentig jaar geworden. Ze heeft die mooie, bijzondere glans in haar ogen waar ik altijd blij van word. Ze draagt een helderwitte, mouwloze zomerjurk met zeeblauwe wolken beschilderd, of zijn het golven? Het is fijn om haar zo te zien, ze stelt het goed en ik durf niet lang te kijken uit angst dat het moment vervliegt. Thomas en Serge Simon, haar twee zonen, hebben voor een schitterend buffet en diverse dranken gezorgd. De sfeer is gemoedelijk; de meeste genodigden hebben al een eerbiedwaardige leeftijd bereikt en het is nog steeds tropisch warm.

Op de eerste verdieping, waar zich het veelhoekig houten wachttorentje bevindt, woont en werkt Marianne. Ter gelegenheid van haar verjaardag wordt er doorlopend een zeven minuten durend filmpje van Serge Simon getoond. De cineast gebruikt hiervoor drie projectoren waarmee hij recente beelden uit haar solotentoonstelling ‘Mine de rien’ in het Genkse C-mine en oudere beelden uit eerdere tentoonstellingen tegelijk projecteert. Op sommige ogenblikken is Marianne drie keer op de schermen te zien: als zichzelf, als schaduw, en als afbeelding van een ander beeld van haar. Het lijkt alsof ze helemaal alleen in haar eigen universum dwaalt, zich telkens verdubbelt en toch ongrijpbaar blijft.

Het filmpje begint met een gedurfde zin: ‘Ik heb geen zin om de Shoah op mijn rug te dragen; het is een schokkende uitspraak, ik weet het’. Over deze uitspraak vertelt ze me tijdens een van onze telefoongesprekken dat ze in de context gezien moet worden. Het trauma is uiteraard altijd aanwezig. Het was pas toen ze Le lit (2000) maakte (recent aangekocht door het M KHA) dat er een soort kentering kwam. ‘A gratefulness to life, not to living’, verklaart ze nader, ‘niet dankbaar voor het feit dat je nog leeft, omdat het dan net is alsof je iemand zou moeten bedanken, maar dankbaarheid tegenover het leven zelf’. Anderzijds is haar oeuvre niet los te koppelen van zowel haar persoonlijke geschiedenis als de collectieve. Een groot deel van haar werk wordt begrijpelijker wanneer je de context kent, anderzijds is het noodzakelijk om de kunstwerken op zichzelf te waarderen, zonder ze voortdurend te herleiden tot ‘kunst van een overlevende’.

In haar atelier op de gelijkvloerse verdieping van het huis dat uitkomt op de tuin staat een werk waarover Marianne me in Londen al gesproken had. L’arbre à chaussures had ze het genoemd. Een van de gasten met wie ik net in gesprek ben, werpt een blik op de sculptuur die voor ons staat en zegt: ‘Je kan toch niet anders dan aan Auschwitz- Birkenau denken als je al die schoenen bij elkaar ziet’.

Ik werp een blik op het kunstwerk dat een tiental meter van ons verwijderd is en het beeld dat mij van kinds af in het geheugen is gegrift: een enorme kegelvormige berg achtergelaten schoenen van mannen, vrouwen en kinderen, schuift zich als een slide voor het kunstwerk dat daar teruggetrokken in het voorportaal van de ruimte staat. Ondanks de hitte loopt er een rilling over mijn rug. Een beklemmend gevoel maakt zich van mij meester. Ik dacht dat ik iets zag maar zie misschien niet wat er echt te zien is of zie iets helemaal anders. Maar wat is er dan werkelijk te zien? Ik weet het niet maar mijn geest, even eclectisch als het huis waarin ik me bevind schudt op zijn grondvesten.

Toch probeer ik die avond verder te denken en te voelen dan het beeld van de treurige berg schoenen dat zich abrupt voor het kleurige kunstwerk schoof. Dit lukt echter niet helemaal. Ik probeer terwijl ik de trap naar boven oploop, verschillende keren naar het beeld te kijken, maar kan het niet meer zien. Het is een vergeefse poging. Het kunstwerk staat er en niemand die er voorbij gaat kan er omheen. Het staat op het tuinfeest als een eregast. De belangrijkste: voorzien van mooie, elegante schoenen. Het lijkt van de plaats waar ik sta en het gadesla wel een geestverschijning. L’arbre à chaussures leeft. Zijn aanwezigheid vult de ruimte waarin hij zich bevindt.

Hij kijkt ons aan. Hij is onverzettelijk. Wij kunnen niet wegkijken.

De gast lijkt elk moment weg te kunnen stappen uit die ruimte, maar jij als toeschouwer kunt dat helemaal niet. Er is geen ontsnappen aan. Ik durf er nu amper nog een blik op te werpen; zijn aanwezigheid vult niet alleen de ruimte, maar ook het gat in mij. Het gat in ieder van ons, dat als wij niet oppassen, ons opslokt. Ik tast verschrikt naar mijn borst, waar ineens niets is, behalve puntige scherven, alsof er een steen door een raam van mijn wezen werd gegooid. Ik ben bang dat hij zal beginnen praten.

Ik voel hoe hij verder door mijn pantser breekt, zijn adem door de ingeslagen ruit, doorheen mijn wezen blaast, een echo vormt die steeds luider klinkt maar ik geef me niet gewonnen, loop opnieuw de trap op en kijk nog een keer naar het filmpje. Daarna vlucht ik weer de tuin in, tussen de genodigden, terwijl die ene gast, onhoorbaar, zachtjes blazend, de holte in mijn ziel aftast.

L’arbre à chaussures deed me ook denken aan de Golem in de roman van Gustav Meyrink. Bij Meyrink verbeeldt de golem onder meer ‘het onderbewuste in het individu, een onontgonnen gebied waar de mens letterlijk slechts een bezetene is, geleefd of gestuurd wordt door grotere krachten dan hijzelf’. Daar is hij volgens Meyrink ‘zijn eigen gevangene en bewaker. De bevrijding en bekroning vinden plaats als de tegenstellingen oplossen, in het beeld van de androgyne en zelf scheppende mens’. Hier waren enorme tegengestelde krachten aan het werk, die hoe dan ook opgelost moesten worden. Er zat niets anders op dan een nieuwe confrontatie aan te gaan. Alleen, zonder gasten. Ik moest het kunstwerk op een ander moment weer onder ogen zien.

Terwijl ik die avond laat op het sprookjesachtige perron van Vorst wacht op de laatste trein naar Antwerpen, scroll ik door Instagram en kom ik een video tegen waarin een kind uit Gaza vertelt hoe het tijdens zijn vlucht een schoen verloor. Het durfde niet terug te gaan om hem op te halen, uit angst dat hij een doelwit voor Israëlische soldaten zou worden. Hij liep twaalf kilometer met slechts één schoen. In een andere video zijn schoenmakers te zien die slippers repareren die nauwelijks nog te redden zijn. Een vader snijdt een paar slippers voor zijn kinderen uit een stuk hout. Een treurige berg van oude en nieuwe schoenen dringt zich aan de horizon van mijn blikveld op. De zon is inmiddels ondergegaan. De overweldigende omvang van dit verlies – zeventig procent van de slachtoffers in deze oorlog zijn vrouwen en kinderen – beneemt me de adem. Kunnen we werkelijk de omvang van deze tragedie en het niets ontziend, zinloos geweld bevatten? Wegkijken is onmogelijk.

Drie weken later breng ik opnieuw een bezoek aan Marianne. Op het einde van een lange, mooie namiddag vraag ik haar of ik nog enkele foto’s van haar recentste werk mag maken. Ze vindt het meteen goed en ik ga naar het atelier op de begane grond. De deur naar het privétuintje is afgesloten en er is geen lichtknop, of ik vind hem niet. Ik begin meteen te fotograferen en maak drie filmpjes zonder er veel bij na te denken of naar ‘iets’ op zoek te gaan. Ik wil dat de dingen zichzelf vinden. Zoals de elementen in de sculpturen van Marianne elkaar vinden. Als geliefden, vrienden, verwanten, zielsgenoten.

L’arbre à chaussures houdt zich deze keer stil in het halfduister van de ruimte. Hij roert zich niet zoals op Mariannes verjaardagsfeest. Omdat ik net uren met Marianne door haar Cahiers-Collages gebladerd heb, kan ik niet nog eens een half uur in het atelier in het gezelschap van het kunstwerk beneden doorbrengen. Er gaat een serene stilte van uit. Ik vroeg mij af hoe je iets kan vertellen zonder het daadwerkelijk te benoemen. Hoe zeg je iets zonder het te zeggen? Ik loop enkele rondjes om het werk heen. Het heeft de stilte van sneeuw, van een dennenboom in het hart van de winter. Het frame waarop de schoenen geplaatst zijn heeft dezelfde lichtgroene kleur als het houten kozijn van het raam in het wachttorentje. Ik blijf nog even wachten. In het halfduister is het net of al die elegante, zo goed als nieuwe schoenen in hun verschillende felle kleuren beginnen op te lichten. Het werk lijkt zichzelf te ontsteken en mij uit te nodigen om aan die verzameling onzichtbare voeten plaats te nemen. Ik wil mijn armen om hem heen slaan zoals ik altijd bij Marianne wil doen als ik haar zie. Het lijkt alsof hij me uitnodigt om in al die schoenen te stappen, die ooit aan de voeten van een mens hadden behoord en de eindeloze reis, de reis zonder tijd, begin of einde, tussen het puin van het verleden en het heden, in een ander licht aan te vatten.

Het is intussen half zes. Marianne is boven op mij aan het wachten. Ik loop de trap op. Ze vraagt of het gelukt is met de foto’s. Ik vraag haar of ze het resultaat wil zien, maar ze zegt dat ze me vertrouwt. We nemen afscheid. Ik loop naar buiten de zomerregen in. Drie kwartier later zit ik weer in de trein naar Antwerpen. Ik kijk naar buiten, weg van mijn telefoonscherm met de honderden foto’s die ik heb gemaakt, en één foto die ik omwille van haar privacy op haar verzoek heb gewist, maar niet uit mijn geheugen.

Alles raast voorbij, behalve datgene waar we van houden. L’arbre à chaussures loopt me, op een parallel spoor, in hoge snelheid voorbij.

 

The Shoe Tree

The beautiful mansion, le petit château, as Marianne Berenhaut calls it, is easy to find. It is about a fifteen- minute walk from Forest train station. When I enter the front garden, I see a paper hanging on the stone steps with the message that the guests may enter the garden along the side wall of the semi-detached house in eclectic style. There is no need to ring the bell. Like any other guest, I walk silently across the summer grass into the garden. There are about fifteen round tables, covered with moss-green silk tablecloths, with a bouquet of flowers in the middle of each table. The guests stand in small groups, chatting quietly with a glass in their hands; others sit together at a table and sip their drinks. As I walk through the garden, I run my hand over the white and pink hydrangea bushes as if they were children’s heads. 

The birthday lady sits at the table of honour and is showered with flowers, kisses and gifts. I wish her a happy birthday and pinch her upper arm, as if to assure myself that it is all real. Marianne has turned ninety. She has that beautiful, special shine in her eyes that always makes me happy. She is wearing a bright white, sleeveless summer dress with sea-blue clouds painted on it, or are they waves? It is nice to see her like this, she is doing well and I dare not look for long for fear that the moment will pass. Thomas and Serge Simon, her two sons, have provided a wonderful buffet and various drinks. The atmosphere is friendly; most of the guests have already reached a venerable age and it is still tropically warm. 

Marianne lives and works on the first floor, where the polygonal wooden room is located. On the occasion of her birthday, a seven-minute film by Serge Simon is shown continuously. The filmmaker uses three projectors to simultaneously project recent images from her solo exhibition ‘Mine de rien’ in C-mine (located in the city of Genk) and older images from previous exhibitions. At times, Marianne can be seen three times on the screens: as herself, as a shadow, and as an image of another image of her. It seems as if she is wandering all alone in her own universe, doubling herself every time and yet remaining elusive. 

The film begins with a daring saying: “I have no desire to carry the Shoah on my back; it is a shocking statement, I know”. During one of our telephone conversations, she tells me that this statement must be seen in context. The trauma is of course always present. It was only when she made Le lit (2000) (recently acquired by the Museum of Contemporary art in Antwerp) that a kind of turning point occurred. “A gratefulness to life, not to living”, she explains, “not grateful for the fact that you are still alive, because then it is as if you should thank someone, but gratitude towards life itself”. On the other hand, her oeuvre cannot be separated from both her personal history and the collective one. Much of her work becomes more understandable when you know the context. On the other hand it is necessary to appreciate the artworks in themselves, without constantly reducing them to “art by a survivor”. 

In her studio on the ground floor of the house that opens onto the garden stands a work that Marianne had already mentioned to me in London. She had called it L’arbre à chaussures. One of the guests I am talking to glances at the sculpture in front of us and says: “You can’t help but think of Auschwitz-Birkenau when you see all those shoes together”. I glance at the work of art that is ten metres away from us and the image that has been etched in my memory since childhood: an enormous conical mountain of abandoned shoes of men, women and children, slides like a slide in front of the work of art that stands there withdrawn in the vestibule of the space. Despite the heat, a shiver runs down my spine. A feeling of oppression takes hold of me. I thought I was seeing something but perhaps I am not seeing what is really there or I am seeing something completely different. But what is really there to see? I don’t know, but my mind, as eclectic as the house I’m in, is shaking to its foundations. 

Still, that evening I try to think and feel beyond the image of the sad mountain of shoes that abruptly appeared in front of the colourful work of art. I do not succeed, however. While I am walking up the stairs, I try several times to look at the statue that is there, but I can no longer see it. It is a futile attempt. The work of art is there and no one who passes by can ignore it. It participates at the garden party as a guest of honour. The most important guest: equipped with beautiful, elegant shoes. From where I am standing and watching it, it looks like a ghostly apparition. L’arbre à chaussures is alive. Its presence fills the space. It looks at us from where it is standing. It is unyielding. We cannot look away. 

The guest seems to be able to leave that space at any moment, but you as a spectator cannot. There is no escape. I hardly dare to look at him now; his presence fills not only the space, but also the hole in me. The hole in each of us, which, if we are not careful, will swallow us. I fearfully feel my chest, where suddenly there is nothing, except sharp shards, as if a stone has been thrown through a window of my being. I am afraid he will start talking. I feel how he breaks through my armour, his breath blows through the broken window, through my being, forming an echo that sounds louder and louder, but I do not give up, walk back up the stairs and watch the film again. Then I flee back into the garden, among the guests, while that one guest, inaudibly, softly blowing, probes the hollow in my soul. L’arbre à chaussures also reminded me of the Golem in Gustav Meyrink’s novel. In Meyrink’s work, the golem represents, among other things, “the subconscious in the individual, an unexplored area where man is literally just a possessed person, lived or controlled by greater forces than himself”. There, according to Meyrink, he is “his own prisoner and guard. The liberation and crowning take place when the contradictions dissolve, in the image of the androgynous and self-creating man”. Here, enormous opposing forces were at work, which had to be resolved in any case. There was no other option than to undergo a new confrontation. Alone, without guests. I had to face the work of art again at another time. 

As I wait for the last train to Antwerp on the fairytale platform of Forest late that night, I scroll through Instagram and come across a video in which a child from Gaza tells how he lost a shoe during his flight. He did not dare to go back to get it, for fear that he would become a target for Israeli soldiers. He walked twelve kilometres with only one shoe. In another video, shoemakers are seen repairing slippers that are barely salvageable. A father carves a pair of slippers for his children from a piece of wood. A sad mountain of old and new shoes forces itself on the horizon of my field of vision. The sun has set by now. The overwhelming scale of this loss – seventy percent of the victims in this war are women and children – suffocates me. Can we really grasp the magnitude of this terrible tragedy and the relentless, senseless violence? Looking away is impossible. 

Three weeks later I visit Marianne again. At the end of a long, beautiful afternoon I ask her if I can take a few more photos of her most recent work. She immediately agrees and I go to the studio on the ground floor. The door to the private garden is locked and there is no light switch, or I can’t find it. I start taking photos right away and fill three films without thinking much about it or looking for ‘something’. I want things to find themselves. Like the elements in Marianne’s sculptures find each other. Like lovers, friends, relatives, soulmates. 

This time, L’arbre à chaussures remains silent in the half- light of the room. It does not stir as it did at Marianne’s birthday party. Because I have just spent hours leafing through Marianne’s Cahiers-Collages with her, I cannot spend another half hour in the studio in the company of the work of art downstairs. There is a serene silence. I wondered how you can recount something without actually naming it. How do you say something without saying it? I walk a few laps around the work. It has the silence of snow, of a pine tree in the heart of winter.
The frame on which the shoes are placed has the same light green colour as the wooden frame of the window in the wooden room. I wait a little longer. In the half-light, it is as if all those elegant, almost new shoes are beginning to light up in their various bright colours. The work seems to ignite itself and invite me to take a seat at this collection of invisible feet. I want to throw my arms around it as I always want to do with Marianne when I see her. It is as if it is inviting me to step into all those shoes that once belonged to the feet of a human being and to begin the endless journey, the journey without time, beginning or end, between the rubble of the past and the present, in a different light. 

It is now half past five. Marianne is waiting for me upstairs. I walk up the stairs. She asks if the photos worked. I ask her if she wants to see the result, but she says she trusts me. We say goodbye. I leave the house into the summer rain. Three quarters of an hour later I am back on the train to Antwerp. I look outside, away from my phone screen with the hundreds of photos I have taken, and one photo that I have deleted at her request for the sake of her privacy, but not from my memory. 

Everything rushes by, except for what we love. L’arbre à chaussures passes me by at high speed, on a parallel track. 

 

 L’arbre à chaussures, 2023 (Marianne Berenhaut)

 

© Text: Daisy Roman (from Gold Dust a book about Marianne Berenhaut)
Published by Tornado Editions, Montagne de Miel, 2024 
Translation: Hans Theys

 

 

 

 

 

 

 

 

 

#Gaza

Een groepje mannen stond met de handen in gebed gevouwen, in rouw naast elkaar. Ze waren bijeengekomen om hun overleden zoon te begraven. Voor hun voeten, op de grond, lag het hoofd van de jongen in een laken gewikkeld en dichtgeknoopt. Dat was alles wat er van het kinderlichaampje na een bombardement was overgebleven. De wanhoop en het verdriet die in het beeld zichtbaar waren, vielen met geen woorden te beschrijven. Onwerkelijk leek het want in welke wereld zou dit beeld werkelijk kunnen zijn? Wat voor een wereld was dit waarin deze niet te beschrijven misdaden zich dagelijks onder onze ogen voltrekken?

Terwijl ik mijn laptop dichtklap, voel ik een huivering door mijn lichaam trekken. In geen tijd krijg ik het zo koud dat het lijkt alsof alle dekens van de wereld de kilte, die zich in mijn lichaam verspreidt en tot in mijn botten doordringt, niet zouden kunnen verwarmen. Ik trek een sweater aan, ga met mijn hoofd onder een deken liggen en kan niet stoppen met rillen. Even was ik bang dat ik het nooit nog ergens warm zou krijgen, dat mijn levensadem afgesneden was. Dat het bloed in mijn aderen was gestopt met stromen. De hele wereld van de warmte van de aarde verstoken was. Net als het lichaam van het jongetje dat koud en ontzield voor altijd in de armen van zijn ontroostbare moeder lag.

Alsof

C. had vanwege de hitte de namiddag op een terras van een koffiehuis doorgebracht. De laptop lag op het wankele tafeltje opengeklapt, terwijl ze deed alsof ze aan het werk was, maar in feite deed ze niets. Alles was intussen alsof geworden. Alsof het vakantie was en de zon scheen. Alsof de bloemetjeslakens die aan de waslijnen wapperden, witte vlaggen waren — niet iets waarin een mens werd gewikkeld om voor eeuwig te slapen. Alsof de hond van Gaza, een hand in zijn muil, niet steeds op de voorgrond van het scherm verscheen. Alsof de tijd daar ooit nog een heelmeester kon zijn. Alsof alles niet uit elkaar was gespat.

De dienster van het koffiehuis kwam opgewekt naar haar toe. “Tutto a posto?” vroeg ze met een brede, oprechte glimlach. Nieuwsgierig informeerde ze of C. pauze had. C. antwoordde dat ze met vakantie was. De dienster vertelde op haar beurt dat ze ook aan vakantie toe was. In oktober zou ze naar Sardinië gaan, waar haar ouders en de rest van haar familie verbleef. Ze verlangde ernaar om in de zee te zwemmen, die daar zo helder was als bronwater. C. vroeg om een caffè freddo met amandelmelk.

Ze praatten wat over Italië. “Alles is mooi in Italië,” zei de dienster. C. knikte instemmend, denkend aan alle kunstschatten, want verder viel er niets met zekerheid te beamen. Zeker niet na de hergroepering van de neofascisten in Rome in mei.

Nieuwe klanten kwamen binnen en het gesprek stopte. C. liep naar de kassa en toen ze terugkeerde naar haar tafel, stond er naast haar laptop een nieuwe caffè freddo met veggiemelk — zoals de dienster het noemde. C. keek haar vragend aan. “Neem nog maar wat pauze, het zijn de dagen van Sirius” .

Het was 37 graden in de schaduw. C. ging weer zitten en opende de laptop, waarop de schaduw van de hond van Gaza tussen de ruïnes verdween. Alsof hij voor altijd gebrandmerkt was.

Afbeelding van een hond in Gaza zoals hierboven beschreven.

#Gaza

I still sleep like a nomad 

On the ground 

in a sleeping bag 

Under a mosquito net. 

The only thing that 

has changed 
is the arrival of 

The tiger mosquito 

The polio virus

An unbearable smell 

Of swamp around the tent

The pictures of the dead 

laid out in white endless 
rows
next to each other
Shrouds soaked in blood 

Day by day.

I dreamed I saw 

a large teddy bear 

Drop down from heaven
Bullets riddle the clear
blue sky, 
piercing his soft heart
In the rising 
of a newborn
bloodred sun

Even dead, he finds no home.