Graceland

Pink Cadillac, Graceland

 

In een van de vele sociale huurwoningen die de stad rijk was woonde lange tijd een man die op Elvis Presley leek. Of beter gezegd, een man die heel erg op Elvis Presley wilde lijken. Zoveel dat hij hem zelf wilde zijn, en hoewel het had gekund, een Elvis-imitator werd hij niet. Hij speelde geen covers in een achterafzaal of voerde geen nummers op in een karaokebar. Hij leefde zijn idool, zo goed en zo kwaad als het kon. Met al wat hij aan fysieke gelijkenissen had gekregen; van de bakkebaarden tot de blue suede shoes, hij weerspiegelde The King van kop tot teen. De gelijkenis was frappant. In het weekend reed hij rond in een roze Cadillac coupe de ville, bouwjaar 1959. Een model met grote vleugels, van binnen en van buiten in roze en wit uitgevoerd, die vanzelfsprekend, ook de favoriete auto van Elvis Presley was.

Niemand wist waar hij die gigantische slee vandaan had gehaald. Op een mooie zaterdagochtend reed hij er een ondergrondse garage mee uit, schoof het dak open en toerde rondjes in de buurt. Onder de uitschietende vleugels lagen de achterlichten in elliptische units van blinkend chroom verpakt. Een uitlaat als een raket. In zijn wit kostuum, een adelaar op de rug, en de Napoleonitaanse kraag van zijn hemd opstaand tegen de wind, reed The King of Rock and Roll rond in de wijk. Door de autoboxen op de hoedenplank hoorde je van ver de warme baritonstem: ‘Love me tender, love me true’.
Een sfeer van grandeur zweefde tegen dertig kilometer per uur door de grijze en van armoede doortrokken wijk in een roze wolk voorbij. Nooit zagen we een vrouw naast hem. Hij reed zijn rondjes altijd alleen. Dat maakte het beeld van The King echter incompleet maar vergrootte het pathos des te meer. De zondagavond was het feest voorbij en parkeerde hij de roze Cadillac coupe de ville in de ondergrondse van zijn droom en keerde in het daglicht als havenarbeider terug.

Op een dag was hij verdwenen. Zonder een spoor achter te laten ontsnapte hij door een gat in het sleepnet van zijn dromen. Niemand wist waar hij naartoe was. Geen mens had hem tijdens die week of in het weekend, nog in één van zijn gedaanten, in de buurt gehoord of gezien. The King in zijn roze Cadillac zagen we nooit meer terug. Het werd van toen af aan heel stil op zaterdag. Soms op hondse dagen zoals vandaag denk ik aan hem terug, vraag me af wat er van hem geworden is en zie hem dan in gedachten, na een lange rit en een tocht overzee, in zijn wit kostuum, de Napoleonitaanse kraag van zijn hemd, opstaand tegen de wind, in zijn roze Cadillac de horizon van Memphis tegemoet rijden. Het schuifdak open ‘Love me tender, love me true’, trillend in een fluorescerend neonlicht.

Jonge sla

fb476de0966f055fe735750b60dee942--kitchen-prints-botanical-illustration

Gedrieën stonden we vertederd en verrukt boven het bedje gebogen als was het een pasgeborene die daar lag te slapen in plaats van tien kroppen pas ontloken sla.

Ah’s en oh’s stegen op als een koppel witte tortelduiven in hun eerste zomerse vlucht en onze moeder zwol van trots alsof ze net bevallen was. Mijn zus begon het sla-gedicht van Rutger Kopland voor te dragen en ik stelde voor een mooie krop uit te steken voor bij de lunch met een gebraden kip. Enkele schijfjes tomaat tussen de rokken van een ui, een geut gouden olijfolie en enige druppels balsamico erbij. Voorzichtig schoof ik de buitenste bladeren van een volmaakte gevormde krop opzij en zag toen op het bijna lichtgevende groen van een slablad en in de stilte van de aarde, de smurfblauwe korrels liggen. Ik deinsde terug met het mes en keek mijn moeder ontzet aan. Wat doen die enge blauwe korrels daar?

‘Oh’, zei mijn moeder luchtig, ‘dat is niets, het kan geen kwaad, ze dienen gewoon om de slakken weg te houden.’ In de jaren zestig opgegroeid, was ze nog steeds aan milieuvervuilende producten gewend. Mijn zus werd bleek rond haar neus en opperde dat ze de sla liever niet zou eten, met al die rare korrels op. Onze moeder schoot beledigd uit haar wiek. In een poging de gemoederen te bedaren, stak ik snel de krop uit en gooide de groene krans van de buitenste bladeren in de vuilnisemmer. De lauwerkrans van de dichter kwam op een hoop aardappelschillen terecht. Ik dacht een zacht gekreun te horen.

‘Niets aan de hand’ zei ik, ‘ de sla even goed wassen en we kunnen zo aan de lunch.’ Maar voor mijn zus was er geen terugkeer meer mogelijk. De blauwe korrels lagen nu ook in haar denken uitgestrooid en hadden daar de frisgroene blaadjes van de poëzie aangevreten. Ze wilde de sla niet meer eten en vroeg of er geen conserven waren voor bij de kip. Toen schoot ook mijn tante die vanuit de bijkeuken geduldig het tafereel had geslagen uit haar slof en gebood mijn zus, met een blik die geen tegenspraak duldde, de sla van haar moeder op te eten en zich niet zo onbeleefd en paranoïde te gedragen. Mijn zus bezweek en at de sla en de kip stilletjes op.

Onderweg naar huis zag ik haar steeds bleker worden tot we uiteindelijk op de pechstrook eindigden en ze kokhalzend over de berm hing.
‘Ik ben vergiftigd’ piepte ze, ‘wie weet ben ik morgenvroeg dood.’

‘Maar ik heb ook van de sla gegeten en heb niets’, probeerde ik.

‘Jij kreeg de kroonblaadjes die dichter bij het hart lagen en ik kreeg de buitenste bladeren, als straf.’

Thuis werd ze nog misselijker, deed die nacht geen oog dicht en wachtte haar laatste uren af. Terwijl ik telefonisch bereikbaar bleef, zocht ik naar een ecologische manier om de slakken te bestrijden, zodat wij in de toekomst, zonder onze moeder te beledigen of denkbeeldig ziek te worden, haar zelfgekweekte groenten konden eten. Vrijwel onmiddellijk vond ik op een website voor biologisch tuinieren een eenvoudig en afdoend middel. Het enig wat je nodig had, waren twee bollen look en twee liter water waarin de bollen gekookt en twaalf uur geweekt moesten worden. Met het gezeefde lookaftreksel moest je dan de slabladeren benevelen.

‘Met lookwater?’ herhaalde mijn zus ongelovig aan de telefoon.

‘Natuurlijk,’ zei ik, ‘het lijkt me logisch dat die dieren bij het eerste geurspoor onmiddellijk gealarmeerd raken: Wie wil er nu in zijn eigen sop van uitgeperste look, peterselie en een klontje boter gaar gekookt worden? Escargots de Bourgogne is hen sinds mensenheugenis in het slakkengeheugen geprent, daar gaan ze onmiddellijk voor op de loop.’

‘Wat vind je ervan?’ vroeg ik.

‘Alles kan ik verdragen…Maar jonge sla in september, net geplant, slap nog, in vochtige bedjes, nee.’

Kopland leeft nog, dacht ik en legde de mobiel op het nachtkastje neer.

Noli me tangere

 

In deze om verschillende redenen onvergetelijke maand juli waarin ik gemoedstoestanden ondervond, gelijkend op de onweders die plots in alle hevigheid losbarstten en even onverwacht weer overgaan in een zonnige dag, nam ik tijdens een wandeling langs het ‘sentiero azzurro’, (het zeeblauwe pad), een foto van een cactusplant die roekeloos langs de richel van een afgrond groeide en verplantte hem naar het kader van mijn profielfoto op Facebook. ‘Non toccare’, dacht ik er in gouden drukletters bij, maar schreef de zin niet op omdat het  beeld al voor zichzelf sprak.

Enkele jaren geleden had ik tijdens een andere wandeling in de Jardin Majorelle, een botanische tuin in Marrakech, al grondig kennis gemaakt met de oranje cactusvrucht die de kleur van een zonsondergang heeft en zijn vruchten draagt als waren het brandende lampions aan een kandelaar. Onweerstaanbaar door de kleur, de vorm en de onbekende smaak van de cactusvijg aangetrokken, plukte ik in de tuin de verboden vrucht en zette er mijn tanden in. In een hels ogenblik werd ik een ontelbaar aantal speldenprikken gewaar in mijn gehemelte. De minuscule stekeltjes – door het verlangen en de roekeloosheid, onzichtbaar geworden waren als de donshaartjes van een perzik – doorprikten mijn lippen. Om hulp roepend bracht de tuinman, een Spaanse immigrant, Cristoforo genaamd, mij voortrekkend aan de mouw van mijn djellaba die over de grond en het stof sleepte, naar het souvenirwinkeltje in de tuin en droeg me over aan twee dames die er ondanks de temperatuur van 42°C onberispelijk fris en verzorgd uitzagen.

De dames boden me een stoel aan en een van de twee haalde een pincet uit haar toilettas. Ze boog zich over mij en plukte de stekeltjes een voor een uit mijn bloedende lippen. Toen de operatie voorbij was kocht ik een flesje parfum waarvan de inhoud de subtielste geuren uit de tuin beloofde en de zeven typische Marokkaanse basisgeuren bevatte: oranjebloesem, Rosa Damascina, munt, saffraan, jasmijn, ceder uit het Atlas-gebergte en ijzerkruid. Ik bedankte hen uitvoerig en besloot nooit meer zonder pincet de deur uit te gaan. Buiten las ik naast de cactusplant op een schuin bordje in de net aangeharkte grond: Ne pas toucher. Niet aanraken. Non toccare. Do not touch. لا تلمسني (La timansi)

Zo verbleef ik in het gezelschap van de cactusvijg en de waarschuwende woorden die de vrucht als vanzelfsprekend vergezelden en bracht de wandeling langs het pad van de cactusvijgen die dag alsnog tot een goed einde.

In de nog relatieve koelte van de daaropvolgende ochtend bracht ik na een lange afwezigheid een bezoek aan de bibliotheek. Ik wilde er een boek ontlenen dat onlangs door een vriend vertaald werd maar het boek bleek na weken nog steeds niet beschikbaar. Ik vroeg aan de bibliotheekmedewerker waar het boek eigenlijk bleef en de man antwoordde na enig opzoekwerk dat het boek de status ‘in verwerking’ droeg en dat dit als een ‘containerbegrip’ beschouwd moest worden.
Dit betekende dat het boek ergens in een onbekende container op verscheping lag te wachten tot het zijn uiteindelijke bestemming zou vinden. Maar het tijdstip waarop de verscheping zou plaatsvinden, kende niemand. Ik wist opnieuw waarom ik de bibliotheek nog zelden bezocht. ‘Dan rest me niets dan het online verder op te volgen’, verzuchtte ik. ‘Inderdaad’ antwoordde de bibliotheek-medewerker, tevreden dat ik het containerbegrip begrepen had. Ik liep verder tussen de bekende en onbekende ruggen van de boeken, tot mijn liefkozende blik als een weerhaakje aan de kaft van een boek bleef hangen dat tussen de rekken uitgestald lag. Het boek was geschreven door Andrea Camilleri, de vader van de Italiaanse commissaris Salvo Montalbano. Een even charmant als scherpzinnig detective waar ik literair gesproken bewondering voor had. Dat hij naast detectives ook romans had geschreven, was me onbekend. De titel van het boek luidde echter als een bronzen klok: ‘Noli me tangere.’ Dat kon geen toeval zijn. Hier viel iets te ontdekken. Ik stopte het boek in mijn tas en las thuis op het balkon de honderddrieënvijftig bladzijden tellende psychologische roman nog dezelfde namiddag uit.

De gouden draad in het verhaal was het Noli me tangere- fresco van Fra Angelico in het Museo San Marco in Florence. Het kunstwerk verbeeldt het bijbels ogenblik  waarop Maria Magdalena de verrezen Jezus naast zijn lege graf vindt. Maria Magdalena snelt op hem toe en en wil hem aanraken maar hij houdt haar tegen met de woorden: ‘Noli me tangere.’ ‘Raak me niet aan.’ Camilleri schetst vervolgens in zijn verhaal een ongekende versie van het beroemde ogenblik in het schilderij. Hij laat zijn hoofdpersonage Laura, die een studie aan het kunstwerk wijdde, een bijzondere ontdekking doen: namelijk dat Maria Magdalena, toen ze Jezus in de tuin vond, hem al had aangeraakt. Een 3D reconstructie van het werk laat vermoeden dat Fra Angelico twee handen schilderde die zich pas nadat ze elkaar hebben aangeraakt opnieuw van elkaar verwijderen. De spanning die van de verwijdering na de aanraking uitgaat, is in de compositorisch perfect geschilderde ruimte, tussen de twee handen, op het ogenblik dat ze elkaar terug loslaten, bijna tastbaar. Hiermee werpt Camilleri een ander licht op de gangbare theorie dat de Jezusfiguur Maria Magdalena weerhield hem aan te raken omdat hij nog een menselijk lichaam had en nog niet ten hemel was opgestegen. Camilleri gaf met zijn visie de betekenis van het schilderij een andere wending. ‘Elkaar na de dood en verrijzenis terug bij de hand nemen was voor de schrijver een bewijsstuk van een teken van continuïteit.’ En belicht hiermee de mysterieuze band die er tussen de Jezusfiguur en Maria Magdalena bestond voor hij stierf.

Een andere kijk op een kunstwerk en op een plaats waar je het helemaal niet had verwacht.

Zo vielen de dingen op het einde van de wandeling weer op hun plaats en vormden de plaveisels van het pad een veelkleurige mozaïek. De zin die mij al zo lang begeleidde vond uiteindelijk een plaats waardoor hij meer zin werd, een andere zin kreeg en verschillende vormen aannam: van cactusplant tot een Renaissance meesterwerk en tevens de wedergeboorte van een interpretatie van een fresco van Fra Angelico in een roman van Andrea Camilleri.

Fra Angelico. Noli me tangere

Koren

Jean-Antoine_WatteauCeres_ou_l'été_(1717-18)

 

‘For those cities that were great in earlier times must have now become small, and those that were great in my time were small in the time before….Man’s good fortune never abides in the same place.’ Herodotus, Historiën

 

 

Gisteren liep ik met een vierjarig meisje op mijn rug van het eilandje waar de flamingo’s van de zoo op één poot, glinsterend in het goudroze water, verkoeling zochten – want het was al vier weken 30°C – over De Keyserlei en het stoffige plein van de Vlaamse Opera dat nog steeds opengebroken lag, naar een bushalte aan de Franklin Rooseveltplaats. Het meisje, Oona, had tijdens het wandelen twee blaren op haar hielen gekregen en kon niet meer lopen zonder een schurende pijn te voelen. Ik stelde voor haar te dragen, spelenderwijs, gelijk een kangoeroe maar dan in een buidel op mijn rug want je wil niet dat een kleuter van vier jaar pijn moet lijden. Ze ging op een bank staan en hup, met een sprongetje voelde ik het vederlichte gewicht van een vierjarige. Meteen dacht ik aan al de reizen die ik vroeger met de rugzak had gemaakt. Dit gewicht was iets heel anders, een klein levend wezen, een reis die nog moest beginnen, nog in de kinderschoenen stond, zonder bagage, alleen een bloemenkleedje droeg, gekleurde kralen rond de hals en gouden sandalen die nog vleugels moesten worden. Sprankelende bruine, samengeknepen oogjes, gedachten en woorden die nog niet door de ziekten en kwalen van het leven waren aangetast.

Onder het lopen verscheen op het display van mijn gsm een bericht van mijn zus: ‘Waar ben je?’ Ik antwoordde dat ik met Oona in de zoo was en op de terugweg naar huis. Oona, die door de autocorrector op het display van mijn gsm Mona werd. Een romantisch schilderij. Een mini-versie van de Mona Lisa voor ze als portret uit het oog van Leonardo da Vinci geboren werd.

Zo liepen we door het stof en de hitte. Ik hoorde haar zingen, haar armpjes rond mijn nek en het was alsof ik terug in Heliopolis, Delphi, Pompeii en zoveel andere kleine en grote of – zoals Herodotus in zijn Historiën beschreef – verdwenen steden, met een kind gelijk een kruik vol dromen en grootste verwachtingen door een naar appeltabak geurende straat liep. Voetafdrukken smolten in het asfalt. Zoekend naar een door iedereen verlaten bushalte vanwaar een versleten vehikel ons weer naar andere steden en dromen zou voeren, waar weer hetzelfde stof en dezelfde hitte aan ons zouden kleven en het zingen ergens onderweg, in de droogte van de woestijn, die we altijd overleefden, weer de boventoon kreeg. Het tochtje van de zoo naar de bushalte duurde nog niet eens een half uur maar we waren alle twee onuitgesproken blij toen we op het fluwelen zitje van de stadsbus mijn lichte vermoeidheid en haar bloemenkleed konden uitspreiden.

Ik dacht aan alle vaders en moeders die met hun kinderen hun thuisland hadden moeten ontvluchten. De ontberingen die ze onderweg moesten doorstaan, in het achterhoofd slechts een povere hoop dat hun elders een veilig onderkomen wachtte. Aan een welkom dachten ze waarschijnlijk niet. De geestelijke en fysieke hel van de overtocht; je kind dat honger en dorst heeft, uitgeput is, niet meer kan lopen en dat je uiteindelijk niet meer kan dragen omdat je draagkracht het begeven heeft. Het alleen aan de elementen overgeleverd zijn. Opeengepakt in een boot, erger als dieren tijdens een transport.

Terwijl er een andere mogelijkheid was, als we zoals Holden Caulfield uit The Catcher in the Rye zouden kunnen zijn, die in een wederkerende droom aan de rand van een (humanitaire) afgrond ging staan: ‘Ik zie de hele tijd een heleboel kinderen voor me die een of ander spel aan het doen zijn in een groot graanveld. Duizenden kleine kinderen en er is niemand bij – geen grote mensen, bedoel ik behalve ik. En ik sta op de rand van een of andere krankzinnige afgrond. En wat ik nou moet doen is dat ik ze moet vangen als ze in de afgrond dreigen te vallen – als ze dus aan het hollen zijn en niet kijken waar ze lopen, moet ik ergens vandaan komen en ze vangen. Dat is het enige wat ik de hele dag zou doen. Dan was ik dus de vanger in het graan. Ik weet dat het gestoord is, maar dat is het enige wat ik echt zou willen worden. Ik weet dat het gestoord is.’

 

Il gigante, Eugenio Montale

 

il-gigante-primi-anni

 

De vroege aanwezigheid van de zwaluwen had reeds de belofte van een warme zomer ingehouden en zoals ieder jaar verzamelde ik gelijk een vogel takjes en weggewaaide paardenharen om een nest te bouwen, een stapel boeken van Eugenio Montale, de dichter in wiens gezelschap ik de komende zomermaanden zou doorbrengen, wiens woorden zich in de blakende zonne-uren van mijn geheugen zouden etsen en die ik misschien op het einde van dit leven, langsheen een andere dimensie van het zijn, zou kunnen meedragen naar een volgende existentie.

Zo was je dus nooit alleen en verbleef je altijd in excellent gezelschap, zelfs al kwam je als een vleermuis hangend in een paardenstal terug. Het was nog maar eind juni en de lucht was iedere ochtend helder blauw. Er een waaide een zachte wind die de hitte overdag draaglijk maakte en de zwaluwen met hun lange, gevorkte staarten scheerden van zonsopgang tot zonsondergang rondjes langs de wolkeloze hemel.

Hun klaaglijk roepend geluid trilde in de warme lucht, alsof de vogels iets duidelijk wilden maken en ik niet kon begrijpen wat het was. (Een gevoel van heimwee overviel me. Er zullen dagen komen, dacht ik, spiegelglad en eentonig als de oppervlakte van de zee, waar niets nog zin lijkt zin te hebben. Die dagen zal je op een of andere manier van rots naar rots zwemmend te boven moeten komen.)

Vorige zomer was ik begonnen met het vertaalde werk, of eerder het geheimschrift van de dichter die in 1975 de Nobelprijs voor Literatuur kreeg, te ontcijferen maar de omvang en de fonetische complexiteit van het werk was zo groot dat ik aan een seizoen niet genoeg had en het misschien een levenswerk was om het werk te doorgronden. De uitgave van Jonathan Galassi, Collected poems 1920-1054 met de oorspronkelijke Italiaans versie naast de Engelse vertaling, was voorzien van tweehonderd voetnoten, sleutels eerder. De vertalingen van zijn voorganger William Arrowsmith die in 1990 in Parma de Montale prijs voor zijn vertaalwerk ontving waren niet minder noemenswaardig. Het weinige dat er van zijn omvangrijk oeuvre naar het Nederlands vertaald werd was daarbij vergeleken een peulschil maar getuigde van heldenmoed, want het werk was eigenlijk onvertaalbaar verklaard.
In de wetenschap dat ik een berg ging beklimmen nam ik met de stapel boeken plaats aan de keukentafel. In de partjes citroenen van het plastieken tafelkleed zaten gele pitten waarvan ik niet wist of ze het meest op tranen of zweetdruppels leken, ik dronk mijn koffie op en keek door het raam naar de onverzettelijke voet van Il Gigante, de zeegod Neptunus die tijdens een bombardement in de tweede wereldoorlog zijn armen, drietand en een gigantisch zeeschelp op zijn schouders verloor, maar nog steeds over de baai van Monterosso waakte.

Monterosso al Marre hing ten noorden van de Ligurische kust aan een steile hoge klif die enkel met de trein of te voet bereikbaar was. Op deze romantische, alleen nog in het verleden bestaande, van de wereld afgezonderde plek, bracht de dichter de eerste dertig zomers van zijn leven door. Zijn werk verklankt en verbeeldt de verzengende, de stille zomers en het uitzicht van op de kliffen waar de golven van een altijd veranderlijke en toch dezelfde zee in schuim uiteenspatten. In de stilte van dit kurkdroge landschap, het gezelschap van een hagedis op een witgekalkte muur, het geluid van de zee en het gezang van de cicaden vonden Montales gedachten hun dichterlijke vorm. Elke porie van zijn voelen werd tijdens deze uren in eenzaamheid en trage observatie doorgebracht, door de wind, het water en de lucht uitgeschuurd, gestreeld, gewassen. Druppelend hars van de pijnboom. Tot enkel nog het tsjirpen van de cicaden overbleef en zijn zingen dat zinderend in de middaghitte, tussen de branding van de rotsen, uit de olievlek-kleurige cimbalen van zijn omhulsel brak.

Op de noordelijke helling van de Punta del Mesco stond Het huis met de Palmen, de pagode die Montales vader liet bouwen toen de dichter negen jaar was. Een bries bewoog de schaduw van de twee palmen op de pastelgele muur, een jasmijnhaag omringde het huis met de tuin. Palingen flitsten er tussen het riet van een verborgen kreek. Langs de geërodeerde kliffen van de kuststad liep een oud wandelpad dat de vijf dorpen van de Cinque Terre aan de grens met de hemel met elkaar verbond, en van alle kanten een uitzicht bood op de blauwe spiegel van de Ligurische zee. De geur van de heuvels begroeid met tamarisken, druiven, citroen- en mandarijnbomen, buxusstruiken, rode cactusvijgen, de aloë vera met haar dikke puntige bladeren, waaide de reiziger die met de trein het kuststadje binnenreed door het opengeschoven raam tegemoet. Een hoofd stak door het treinraampje naar buiten en keek uit naar het teken: de witte zakdoek waarmee iemand door een van de vensters van Het huis met de Palmen zou zwaaien, dan gauw naar binnen liep, een pot water op het vuur zou zetten en een glas bronwater uitschonk, om de reiziger te verwelkomen, die moe was, dorst en honger had.

Ossi di Sepia, Inktvisschelpen, Montales eerste gedichtenbundel, gepubliceerd in 1925, was een afspiegeling van het landschap en zijn instinctieve, poëtische reflectie op al die elementen die hem omgaven. De golven en de getijden van de zee die in hem heen en weer klotsten. Het oor van de lezer dat een gigantische schelp wordt, op het strand aangespoeld en waar zijn gedichten als het klotsen van de golven doorheen klinken. Soms spoelde er een fles aan met een boodschap, steeds aan een andere en eendere liefde geadresseerd, zoals de altijd veranderlijke en steeds dezelfde zee.

De zee lag uitgestrekt voor me. Aan de vloedlijn stond op zijn blote voeten, de dichter. Een rots schroeiend in de branding. Hij streek met zijn vingers door zijn dikke bos stug haar. Hij hield een roos in zijn hand. De roos uit de kermistent.

Ik wachtte nog op iets waarvan ik niet wist of het nog zou komen en liep tussen het zeewier, het kurk en de aangespoelde schelpen op het keienstrand verder, vermoedde dat ik een mogelijke schipbreuk kon overleven en dat iedere storm het waard was geweest. De schaduw van de gigantische schelp stortte zich in duikvlucht van de klif over mijn schouders. Ik sloot mijn ogen en luisterde naar de roep van de zwaluwen, het trillen van de cimbalen waarin de muziek van Eugenio Montales poëzie resoneerde en als een koor van cicaden in de stilte van een zomerdag besloten lag.

 

 

 

 

 

 

 

Nacht

 

20170911_204605

 

De nacht is een vriend. Als je sliep, viel de tijd vanzelf stil.

Het tikken van de klok hield op en ging over in een ander ritme, volgde het metrum

van de harp in de maan. Op het nachtkastje lag je uurwerk dat je net voor het slapen had weggelegd en tegen de ochtend, met het schemerlicht dat door de gordijnen viel, als eerste voorwerp oplichtte. Een half geloken blik op de wijzerplaat en je hoofd, een labyrint van mogelijke dromen, trok zich terug in het ondoordringbare schild van dons. Op ochtenden dat je je versliep, vergat je het uurwerk om te doen en verliet je het huis zonder tijd. Seizoenen schoven in schaapjeswolken voorbij. Aan de lichte huidskleur van je linkerarm, waar het polsbandje zat, kon je zien hoe je armen met het opschuiven van de dagen donkerder kleurden. Op het einde van de oogstmaand was je huid het donkerst en werd van dan af aan weer lichter tot er bij de jaarwisseling geen kleurverschil meer was tussen je arm en het witte cirkeltje op je huid, waar als een harp in de maan, gewoonlijk de wijzerplaat van het uurwerk zat, en de tijd rond je pols, vanzelf, met alle dingen gelijk begon te lopen.