Lopen

Vannacht droomde ik dat een onbekende weldoener mij een gouden mantel, een soort trenchcoat, cadeau had gedaan. De jas paste me als gegoten, maar hoe duur en schitterend hij ook was, toch bleef ik er als een drenkeling uitzien. In mijn nieuwe jas liep ik haastig en ongemakkelijk door de straten en zag de verbaasde blikken van de voorbijgangers die allemaal hetzelfde leken te zeggen: ‘wat doet die stakker in een gouden jas?’ Straks dachten ze nog dat ik hem gestolen had en kwam er een meute op me af die de jas in stukken van mijn dunne lijf zou scheuren. Gelukkig kende ik uit een ver verleden enkele verdedigingstechnieken. Kneepjes die ik mij met het bekijken en herbekijken van YouTube filmpjes had aangeleerd en hoopte mij daarmee enigszins te kunnen verdedigen wanneer de meute eraan zou komen. De mantel schitterde en schetterde in het zonlicht, ik leek wel een reflector. Nee, een cadeau was het niet geweest. Ze hadden mij beter een camouflagejas geschonken.

Hoezeer had ik ervan kunnen genieten vermomd als een wandelende tak, een molshoop, blad tussen het gebladerte, volledig op te gaan in het niets. De vijand kon me gestolen worden. Natuurlijk zou ik onvermijdelijk ook in deze hoedanigheid een soort deserteur worden, want eenmaal één met de natuur vergeet je de vijandelijke linie, die bestaat dan eenvoudigweg niet meer of is zozeer vervaagd dat je wie jou niet meer ziet, ook niet meer kan zien. Een plotse confrontatie of gevecht, zoals nu op handen was, zou dan niet meer nodig zijn. Doch in iedere krijgskunst kwam het er tenslotte op neer het gevecht uit de weg te gaan, en als er dan toch gevochten moest worden, volgde je nog steeds een oud-taoïstische methode waarbij de overwinnaar de overwonnene in een soort van verlichte toestand probeert te meppen. Ondertussen stond de zon op haar hoogste punt, de gouden jas scheen de voorbijgangers te verblinden en de meute die steeds dichterbij kwam wendde bij het zien van zoveel geschetter hun blikken uiteindelijk af zodat ik kon doorlopen tot ik een schuilplaats gevonden had, een grot misschien, waar ik mij van de schittering kon ontdoen.

Lopen. Je wilde alleen maar blijven lopen. Naast jou de geest van de hond van Goya die in Verviers verdronk en aan de horizon de oranje bol die steeds ronder wordt tot hij in een teerblauw licht opgaat, de kop van de god van de hond verdwijnt en verschijnt. Lopen, tot het lopen ergens ophoudt, maar je weet nog niet waar, je bent nog aan het lopen. Je hebt honger noch dorst, je voelt geen pijn aan je voeten of je benen, je romp is licht, je ademhaling gelijkmatig. Eindelijk de zee! Schepen varen af en aan, iets kapseist in het voorbijgaan maar je kan er niet bij. Het spartelt tussen de golven, je roept, je huilt en struikelt, je tolt en loopt verder, je loopt tot alles, elk geluid, behalve het blaffen in het water, is weggeëbd.

Het is donker, je denkt aan je familie, je vrienden en degenen die je nooit hebt leren kennen. Wat zouden ze aan het doen zijn op dit uur? Waarschijnlijk slapen ze, opgerold onder hun deken, of de armen wijd uit elkaar, als gekruisigde lichamen. Je denkt aan al wie al lang buiten slaapt, aan hen die nog maar net, voor het eerst buiten geslapen hebben en aan hen die nooit meer in een bed, onder de warmte van een deken zullen slapen. Je denkt aan de vloot bij nacht varend op een donkere zee, het donkere klotsen weerklinkt in het schommelen van het water in de warmwaterkruik tegen je buik, een donkere maan. De fuik waarin niets zwemt. Woorden spoelen aan als doorzichtige, blauwe kwallen op het strand. Wat wegen ze nog? Skeletten. Walvissen van veertig miljoen jaar oud. Ergens glinstert de Grote Beer. Als het gezang van de zee de nacht gladstrijkt, houdt je hart even op met kloppen. Je ademt stokt en je zou je willen neerleggen, eeuwig luisteren. Maar je moet verder lopen. Alles stroomt.

The Drowning Dog, Francisco Goya(1746-1828)
@Museo Nacional del Prado

Roland

Zoals de meeste muziekliefhebbers kende ik Roland van Campenhout als blueslegende met een uitgebreid assortiment aan hoeden, petten, rasta mutsen en een paar schoenen met een zebraprint waarmee hij in sommige landen niet binnen mocht. Nochtans zou elke douanebeambte met een beetje muziekkennis en enig zelfrespect deze man desnoods, als was het op een paar sponzen hotelslippers of barrevoets, de grens moeten over dragen, ten eerste omdat hij het verdient en ten tweede omwille van de vele mensen die op zijn muziek zitten te wachten. Roland is trouwens, zo leerde ik vorige week, niet enkel een muzikant, de man is ook een sjamaan die met de geesten weet te communiceren, met of zonder schoenen. Een vrije geest, rondzwervend over de wereld die hij, de dingen bezwerend met zijn instrumenten, tot zijn dorp heeft gemaakt.

Zaterdag 3 juli. Het goot pijpenstelen, het was de eerste dag van de openluchttentoonstelling Composte 2021 in het landelijke Steenhuize waar mijn partner Kris Vanhemelrijck als een van de exposanten een grassculptuur had gemaakt. Roland zou het evenement met een concert openen. Ik zat toen net voor de tweede maand thuis, geveld door uitputting. Op een ogenblik moet ik zo hard gelopen hebben dat mijn benen mij niet meer konden volgen en iets dat te lang schroeide onder mijn voeten vuur begon te vatten. Zo zat ik dus als een zielige, naar adem happende, goed gecamoufleerde vogel in een lange trenchcoat die mijn steeds toenemende zwaarte moest verbergen, met sneakers doorweekt van het lange, beregende gras onder onze voeten, aan een tafeltje met mijn zus Wendy, Kris, Roland en zijn vriendin Truitje, onder een kanariegele parasol. Het regende onophoudelijk dacht ik. Mijn sneakers waren binnen het half uur volledig doorweekt, mijn voeten voelden zompig aan, mijn skelet verkleumde, maar de wijn was fruitig, de risottoballetjes krokant en het gezelschap verfrissend. Ik praatte zo weinig mogelijk omdat ik wist dat ik behoedzaam met mijn energie moest omspringen wilde ik het concert van Roland bijwonen en daar keek ik na twee jaar stilte erg naar uit. In het mistige landschap zag ik Luc Vrydaghs, gastheer, organisator en eigenaar van de site vrolijk rondspringen. Hij had een titanenwerk verricht en was volgens mijn kennersoog, dringend aan rust en enkele vetrijke maaltijden toe. 

Even later liep Roland schouders omhoog tegen de striemende regen naar het podium en begon te spelen. Ik weet niet of het een combinatie was van de muziek met de groene, gezonde dampen die uit het gras opstegen en de warme, zwoele lucht die rijk aan zuurstof was, maar ineens begon er door een soort tunnel, een kanaal dat vermoedelijk was dichtgeslibd in mijn gestalte, vanuit mijn kruin tot aan mijn staartbeentje een stroom op gang te komen. De trilling van de gitaarsnaren en de mondharmonica, de zowel rauwe als tedere nasale klanken van Roland rolden als een golf over de tuin en de toehoorders. (De echte golf moest echter nog komen, de dag nadien, toen de hemelsluizen opengingen, de parasollen en stoelen wegdreven, Steenhuize volledig onder water kwam te staan, en alleen de kunstwerken overeind bleven.) Er zijn nooit woorden voor de beschrijving van een magisch moment. Het is alleen de begeestering van de muziek die het moment vertaalt, verklankt en een muzikaal universum schept dat even niet van deze wereld was, of net, de enige, echte wereld was. Ik hoorde Roland tussen de liedjes door mysterieuze woorden prevelen die niemand verstond en in geen begrijpelijke taal te vatten was, maar hun uitwerking niet misten. Toen hij The Cuckoo zong verscheen er, alle goden nog aan toe, een koekoek in de grote treurwilg in de tuin, maar de vogel hield wijselijk zijn bek. Hier waren andere krachten aan het werk, moet hij gedacht hebben en luisterde stil naar de man die zijn vlucht bezong. Zo werd de koekoek in de boom eerst toehoorder en naarmate het zingen zich verder zette werden de zanger en de vogel één. Bij tijden brak de zon door de regenwolken en lag er over de tuin een gloed die van een paradijselijke schoonheid was. Na twee fenomenale sets die tot vandaag nazinderen, voegde Roland zich weer bij het gezelschap. Kris was erg ontroerd, mijn zus een vat van enthousiasme, Truitje stak een sigaar op en bestelde een fles Jack of Diamonds, want Roland moest toch ook iets eten, en ik nog steeds spaarzaam met mijn woorden en gebaren voelde in het zompige gras onder mijn voeten mijn wereldlijke vermoeidheid wegtrekken en wist nog minder dan voorheen wat te zeggen. Er was een soort mirakel gebeurd; ik kon weer lopen. Het was bijna the 4th day of July.

Verhalen vlogen als kleurige, kwetterende vogels heen en weer tussen de rinkelende glazen, die door de ondergaande zon, een goudroze schijn hadden gekregen. Roland bleek een groot dierenliefhebber, dat kon welhaast niet anders, hij koesterde een grote liefde voor zebra’s maar hield toch het meest van katten. Onlangs was er een zieke kat voor de drempel van zijn deur komen liggen, het beestje had zich nog tot op de tweede verdieping van zijn flat weten sleuren om er zich dan, nadat het een rondje door alle vertrekken had gemaakt, te nestelen. Hij had zich over de zieke kat ontfermd en het dier bleek ondertussen weer helemaal hersteld. Er was ook nog een hond, zo groot als een kalf, voor de deur komen liggen, maar het dier was iets te groot bevonden en de bluesman kon niet anders dan de arme hond in handen van de dierenbescherming achterlaten. Honden, katten, duiven, alle verlaten, verwaarloosde en zieke schepsels schenen hun weg naar het huis van de muzikant te vinden. Het werd een avond van verhalen, herinneringen en vooral absurditeiten. Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik zo hard gelachen heb dat de tranen over mijn wangen rolden. Het was nog licht toen we van onze gastheer Luc Vrydaghs afscheid namen en met een blinkend gevoel in onze borstkas huiswaarts reden. Roland en Truitje reden ons onderweg in hun rode auto gezwind voorbij. Mijn zus kon zoals gewoonlijk niet ophouden met zwaaien. ‘The last thing we can do is wave at each other’ dacht ik toen ik haar in de frambooskleurige jas op en neer zag springen, de armen zwaaiend in de lucht.

De volgende ochtend werd ik wakker en voor het eerst in twee, lange beklemmende jaren waarin ik dacht dat het leven nooit meer normaal zou worden, voelde ik mijn krachten langzaam terugkomen. Roland had als sjamaan, in de wereld van klanken en geesten, zijn magisch werk gedaan. Vanaf die dag ging het steeds wat beter met mij, ik begon terug wat rond te scharrelen op mijn erf. Ik had van Roland als de mythe die hij is, een glimp opgevangen, maar dat er in deze prachtige mens ook een sjamaan huisde die zijn bezwerend klanken over de golven stuurt, zelf een deel van de Mississippiblues is geworden, waarin alle stromen samenvloeien, was een ontdekking. Ik zie het zeeblauw van zijn heldere, indringende blik waar al dat water doorheen is gestroomd. Hoeveel levens verborg hij, deze man die heel lang en intens naar al dat stromen en opborrelen gekeken en geluisterd moet hebben, een goudkoperen druppel, ontsproten uit de Rupel, befaamd en berucht tot in New Orleans.

Aan mijn schrijftafel met uitzicht op de altijd bulderende, beton uitbrakende muil van de stad, luisterde ik opnieuw naar het nummer Pack Up Your Sorrows, dat een totaal andere dimensie had gekregen en mij voor de rest van de zomer zou begeleiden. Keep on rolling Roland.

https://www.composte2021.com

Nieuw Zuid

Vrijdagnamiddag is rond drie uur op het Nieuw Zuid in Antwerpen de basisschool in opbouw waar ik op 1 september vermoedelijk zou beginnen werken ingestort. Vijf arbeiders kwamen om het leven, drie Portugezen en twee mannen van Moldavische origine. Acht mannen waren zwaargewond. De ganse nacht was er in stilte, in een poging om de vermisten te horen, naar de mannen gezocht. Een Portugese vrouw was naar de werf gekomen om te wachten. Het enige wat ze wilde, had ze aan de hulpdiensten verteld, was haar man in haar armen houden. Ik voelde haar angst en haar pijn, zag waar ze stond, ik kende de plek omdat ik er de afgelopen maand bijna wekelijks was langsgefietst. Op weg naar een nieuw leven. De werf was toen nog een plaats van vernieuwing, de mannen op stellingen bouwden aan een toekomst van velen. Ik zag het puin, de witte gebouwen errond en de vrouw, alleen, wachtend op een teken van leven, op haar man die samen met de andere bouwvakkers misschien nog levend onder het puin zat. Ook het wachten op een teken van leven kende ik. Toen uiteindelijk de speurhonden geen signalen konden opsporen vreesde ik voor het leven van de mannen en keerde geschokt en verdrietig naar huis. 

De zwaluwen scheerden laag door de lucht, twee kraaien voerden een eigenaardig gesprek in de top van een populier, het gekras kende zoveel toonhoogten dat het bijna vocalen werden. De stam van de amandelboom op mijn balkon bleek aangevreten te zijn door mieren. Ik wist niet goed hoe ik hem moest redden. Het was dertig graden in de schaduw en ik strekte mij uit op de brede reling van het balkon en luisterde naar het geluid van de sirenen. De hitte verdampte het verdriet dat op mijn huid parelde. De dichter, Eugenio Montale, kondigde zich vroeger dan anders aan, de zomer was nog niet eens begonnen maar toch stond hij nu op deze verpletterende namiddag aan de trap die naar het balkon leidde. Een roos in zijn colbert. De roos die uit het puin van die nacht was gegroeid. 

L’opera in versi. Ik sloeg het boek op een willekeurige bladzijde open en las het gedicht over een schildpad die al zoveel jaren in zijn tuin woonde dat zelfs de tuinier en de eigenaar niet wisten hoe oud ze was. Ze miste een deel van een voorpoot en bewoog zich traag wiebelend over het tuinpad. Zo kroop ik tegenwoordig ook voort, met een verminkte voorpoot op het balkon tussen de bloempotten. Alsmaar dromend om naar Siracuse, waar ik op een overvolle houten vissersloep tussen het klotsen van de golven geboren werd, terug te kunnen keren. De Ionische zee in te duiken en mijn kreupelheid te vergeten. Een te worden met het water, mijn groen geworden schild onder te dompelen in het blauw, het stof van me af te spoelen, het puin te vergeten, alleen maar zwemmen alsmaar verder zwemmen, vredig tussen de sonore wereld van alles wat onder de grote, glinsterende spiegel leeft. In een zee die geen drenkelingen kent. Aanmeren op het strand waar iedereen een mens is, uit de zee geboren.

Siracuse was nog een heel eind van het balkon vandaan, met die poot van mij zou ik er nog in geen halve eeuw geraken. Ik strekte mijn nek uit en stak mijn hoofd over de reling. Ik hoorde de sirenes van de brandweer en de ambulances die van de werf van het Nieuw Zuid kwamen. Een Portugese vrouw had er gans de nacht gewacht. De zee, die de baarmoeder van de wereld is, begon voor haar te zingen. 

De oude schildpad loopt moeilijk, wiebelt

omdat ze ooit een stuk voorpoot verloor.

Als een groene mantel in beweging komt

is zij het die onzichtbaar door geometrische klaverperken waggelt

en weerkeert naar haar hol.

Sinds hoeveel jaar? Hierover blijven tuinman en eigenaar 

in het ongewisse

een halve eeuw al of meer. Of moeten we terug

naar de tijd van generaal Pelloux…

Zij kent geen leeftijd: alle verminkingen

zijn nieuw.

Uit L’Opera in versi (Eugenio Montale, vertaling Michel Bartosik)


Foto: shutterstock_521678305-1000×675.jpg

Het portret van Herman Teirlinck

Maybe someday, without knowing it,
we’ll trash the masks that hide our faces.
It’s because we’re masked that it’s so hard
to identify the men we meet.
Maybe among so many men, among millions,
there is one whose face and mask coincide,
and only he could utter the word
we’ve always been waiting for. But no doubt
even he knows nothing of his privilege.
The man who knew, if any man ever did,
paid for his gift with stuttering or worse.
Finding him wasn’t worth the trouble. His name
could never be pronounced, and not only
for phonetic reasons. Science
has other agendas or non-agendas.

Eugenio Montale (Poetic Notebook 1974-1977) 
Vertaling: William Arrowsmith

Ik had mij nog maar net in de maïsgele sargie opgerold en mijn hoofd op het hoofdkussen te rusten gelegd, toen ik aan de andere kant van de papierdunne wand een ontstellend geluid hoorde. Er moest iets van de muur gevallen zijn, maar ik kon aan het geluid niet opmaken wat het was. Ik trok de klamboe opzij, die met de komst van de tijgermug winter en zomer over het bed hing, schoof in mijn slippers en deed in de belendende kamer het licht aan. Op het eerste gezicht was er geen enkel schilderij van de muur gevallen. (Iets anders dan schilderijen hing er trouwens niet.) Tot mijn blik op de etstafel viel, waar het gipsen gelaat van Herman Teirlinck met het aangezicht naar beneden op het glazen blad van de tafel lag. 

De haak in de muur waar het gipsen portret aan ophing was krom getrokken, de kalk brokkelde van de muur. Met pijn in het hart tilde ik het zware hoofd op, vreesde het meest voor de neus, die kon het zo recht naar beneden vallen niet overleefd hebben. Maar het gipsen hoofd dat mij in het maanschijnsel ongenaakbaar aankeek bleek volledig ongedeerd. Opgelucht legde ik mijn handen rond zijn slapen, bevoelde voorzichtig het gezicht en toen ik nergens een barst kon ontdekken, legde ik zijn oosterse hoofd op de enige voor hem bestemde plaats: de Japanse tatami, waar de altijd aanwezige geest van Herman Teirlinck zich voortaan zou kunnen uitstrekken op het gedroogde en gebundeld riet.

Ergens in de jaren vijftig van de twintigste eeuw boetseerde Jozef Cantré het originele portret van Herman Teirlinck in klei en maakte er een plaasteren afgietsel van dat later als model gebruikt zou worden om het portret uit hout te kappen. Er waren ter voorbereiding overal potloodkruisjes aangebracht. Het originele afgietsel bleef echter jaren onaangeroerd in een glazen toonkast in het huis van Herman Teirlinck gestaan. Toen Kris Vanhemelrijck zijn intrek in het huis nam, besloot de bronsgieter Eduard Troucheau van het gipsen portret een siliconen mal te maken en in brons af te gieten. Kris gebruikte de mal van het plaasteren afgietsel en reproduceerde het aangezicht in gips op 30 exemplaren, ter gelegenheid van 30 jaar HTH: ‘De onmogelijke tentoonstelling’. 

In de lente van het jaar 2009 liet de toenmalige interieurverzorgster van het HTH, het gepatineerde en verniste plaasteren origineel van het portret van Herman Teirlinck tijdens het afstoffen uit haar handen vallen. De brokstukken waren niet meer samen te voegen en het beeld was onherstelbaar beschadigd. De neus was van het aangezicht gebroken. De mal van Eduard Troucheau was verdwenen en een reproductie was dus niet langer mogelijk. Het ebbenhouten portret verhuisde na de sluiting van het Herman Teirlinckhuis in 2013, samen met de wandelstok en Teirlinck’s hoed, naar het AMVC-Letterenhuis in Antwerpen. 

Er is iets eindeloos fascinerend aan een portret dat een mens van zijn medemens maakt. Of het nu een schilderij, een tekening, een foto of een illustratie is. De poging die iemand onderneemt om vanuit een adoratie, liefde, begeestering of wat dan ook, een glimp van het mysterie van een mens in olie, pastel, zwart-wit of technicolor te vangen is altijd een wonderlijke gebeurtenis. Het oplossen van een raadsel zoals in de Japanse koan ‘Toon mij je oorspronkelijke gelaat nog vóór je ouders geboren werden’. Vaak denk ik aan het schilderij (een kopie) van Degas dat mijn moeder zichzelf voor haar achttiende verjaardag cadeau had gedaan: zij zag niet alleen de dansende figuren, maar begon na verloop van tijd deel uit te maken van het schilderij enkel door ernaar te kijken. Het schilderij van de gracieuze in tule dansende meisjes was het eerste kunstwerk dat ik te zien kreeg. Het hing in de woonkamer boven mijn wieg. Ik groeide op onder dit werk. Het reisde overal met me mee. Degas maakte vanaf het prille begin deel uit van mijn leven als een nooit ophoudende dans.

Soms hangt iemand met één zin een portret in de galerij van je geheugen op. Zo vertelde Julien Schoenaerts mij ooit dat ‘Herman Teirlinck rook als een god’. Tijdens de toneellessen in de Studio zat hij vaak naast Teirlinck die dan zijn pink vasthield. Heel lang heb ik geprobeerd om mij daar een voorstelling van te maken, hoe ze daar zaten, de pinken in elkaar gehaakt. Uiteindelijk zag ik hen wanneer ik aan die uitspraak dacht, altijd samen, vereeuwigd in één fotoframe. Julien Schoenaerts, zwijmelend in de geur van zijn god. Tijdens het lezen van Zelfportret of het galgenmaal ontdekte ik dat de geur waarschijnlijk een parfum van de Franse ontwerpster Jeanne Lanvin was.

Soms krijg je ook een portret te zien van een leven dat er niet is of niet meer is. Een portret van een soort afwezigheid van leven. Op een zomeravond een eeuwige tijd geleden, wandelden Julien en ik door de stad en zagen tegen de zijmuur van de kathedraal een vrouw zitten. We keken een ogenblik naar de vrouw en toen naar elkaar en ik merkte geschokt hoe doorgroefd het gelaat van de vrouw was. Het was misschien iemand die veel had meegemaakt, had ik geopperd. ‘Of misschien net niets heeft meegemaakt’, vulde Julien mij aan. Zoveel jaren later spreekt zijn antwoord nog steeds tot mij. Bestaat er een mens die niets heeft meegemaakt? En hoe ziet die er dan uit? Hij bedoelde dit natuurlijk in overdrachtelijke zin. Als iemand die niet langer meer de bereidwilligheid bezit zich aan het leven in al zijn facetten bloot te stellen, geen geluk noch verdriet wil ervaren. Zich in een soort van monotonie geweven heeft, langzaam onverschillig is geworden en ’s nachts de ziel prijsgeeft aan een slaap zonder dromen. Het dagen van de dag ontwijkt. Zo zat die avond daar misschien een mens die de dingen aan zich voorbij liet gaan, zonder ze te willen voelen, in het midden van het leven, als een verdroogde wijnstok tegen de muur van de kathedraal, en zagen wij haar eenzaamheid, met de onze verweven, tussen de spleten verder groeien. 

Nevermore

Vorige zomer waren er op een ochtend een tiental kraaien op de vensterbank van de slaapkamer neergestreken en hadden mij met hun gekras ruw uit mijn slaap gewekt. Eerst had ik geprobeerd hen weg te jagen maar brutaal als ze waren bleven ze naar het raam terugkomen, steeds dichterbij, als wilden ze mij uitdagen. Tijdens dit eigenaardige schouwspel hadden de kraaien op het venster ineens hun eigen spiegelbeeld ontdekt dat op een bende indringers leek die uit de weg moesten worden geruimd. Een half uur lang keek ik perplex toe hoe de vogels zichzelf aanvielen en de zwarte snavels gaatjes in het glas en hun spiegelbeeld pikten. Toen ik er eindelijk in slaagde hen van achter het glas te verjagen had het gevecht van de kraaien met zichzelf het raam al ernstig beschadigd. Het metaalachtig gekras liet een behoorlijke onbehaaglijkheid achter, om niet te zegen: een beklemmende angst.

Het was een vogel in wiens gezelschap ik van kinds af aan al een zeker onbehagen had gevoeld dat mettertijd naar bijgelovigheid was geëvolueerd. De vogel was een mythische boodschapper uit een andere wereld en bakende hier zijn territorium af. Natuurlijk had het ook te maken met The Raven van Edgar Allen Poe. Sinds ik het gedicht in treurige omstandigheden leerde kennen was de vogel in zijn dreigende vorm en als onheilsvoorspeller altijd in mijn achterhoofd aanwezig gebleven. Pas toen mijn partner Kris Vanhemelrijck een portret van Poe schilderde, met de vogel op zijn schouder, begon het beeld in mijn beleving een beetje te transformeren. De dichter en zijn zielenvogel werden één. De angst loste op in lijnen en kleuren. Op papier weliswaar.

De kraaien woonden lang voor onze komst op het dak van het huis, dat lang genoeg had leeggestaan om ook nog andere geesten te herbergen, zoals ik later ontdekte. Zo hing er een melkblauwe Venetiaanse spiegel aan de slaapkamermuur die wanneer het zonlicht er in weerkaatste een gezicht met een schitterende, levendige blik weerspiegelde. Bovendien bleek de spiegel ook als een vergrootglas te werken, waardoor het gevecht van de kraaien ineens duidelijk werd. Al deze gedaanten verjagen zou een enorme bovenmenselijke inspanning gevraagd hebben en na verloop van tijd besloot ik met de meest luidruchtigen onder hen vriendschap sluiten. Ik voederde hen broodkorsten en hondenbrokken en zette in de zomer schalen met water op het platdak. Het krassen had intussen een andere klank gekregen en ik luisterde geïnteresseerd naar het onderonsje in de dakgoot, tot ze weer uit elkaar vlogen, ieder een andere kant op. Als ik de deur uitging en wegfietste vlogen ze meestal een drietal meter boven mijn hoofd nog een eindje met me mee. De vogels kenden mij. Ik begon mij wat te verdiepen in de dieren en las in een recentelijke verschenen studie dat kraaien menselijke gezichten en zelfs verschillende stemmen uit elkaar konden houden. 

Dit bleek uit het verhaal van een Texaanse boer die op het idee was gekomen om uit een zwerm kraaien die over zijn land vloog, er één uit de lucht te schieten. Als afschrikkingsmiddel voor de rest van de groep. De grote zwarte vogel was na één schot dood op het land neergezegen. De man dacht dat hiermee het probleem opgelost was, maar het volgend jaar kwam op hetzelfde tijdstip de zwerm kraaien terug over het land gevlogen en probeerden de man die een van hun soortgenoten had gedood, in groep aan te vallen. De kraaien zinden duidelijk op wraak. Hij durfde er geen een meer neer te schieten. Toch de kraaien bleven ieder jaar terugkeren en hem aanvallen, ze kenden nu eenmaal zijn gezicht.

Enkele decennia terug. Op de tak van een populier aan het raam van de klas waarin ik verstrooid naar buiten zat te kijken streek een grote kraai neer. Het was de eerste schooldag na de herfstvakantie en Chris Van Herzele, de klasgenoot waar ik een bank mee deelde, was nog steeds niet present. Die vogel had Chris moeten zien dacht ik, maar om een of andere reden was mijn kameraad om kwart na negen nog steeds niet in de klas. Mijnheer Verbeke, de klastitularis, gedroeg zich niet zoals gewoonlijk. Hij zag erg bleek en liep zenuwachtig heen en weer. Chris was nog nooit te laat gekomen. Zijn stiptheid in alles was nu net wat ons bond, naast de liefde voor vogels, amfibieën en kikkerdril. Verder had er geen groter verschil kunnen bestaan tussen twee kameraden. Hij het rekenwonder en ik de woordengoochelaar. Twaalf jaar naast elkaar op de bank gezeten en nu op het ogenblik van wat het laatste jaar van een levensperiode zou worden liet hij het afweten. Ik dacht nog dat hij onderweg naar school door iets was opgehouden. Maar uit deze, toen nog geruststellende illusie, werd ik snel geholpen. 

Uiteindelijk ging mijnheer Verbeke achter zijn lessenaar zitten. Hij wist zich geen houding te geven, maar raapte toch zijn moed bijeen om ons het treurige nieuws te brengen; onze kameraad was niet meer. Tijdens de vakantie werd hij, terwijl hij in het bos aan het spelen was, door de verdwaalde kogel van een jager geraakt. Hij was ter plaatse aan de verwondingen bezweken, zoals dat heette. ‘Aan de verwondingen bezweken,’ bleef het in mijn hoofd gonzen. Mijn kameraad was niet meer! Er werd verder geen verklaring gegeven; je werd geboren en op je twaalfde ging je dood. We waren verbijsterd en na een stilte die een mensenleven was, hernam mijnheer Verbeke langzaam de les. Het was de eerste keer dat ik in de loop van een geweer keek en een enorme woede voelde tegenover de jager die mijn vriend als een wild dier de dood had ingejaagd.

De rest van het jaar was er die lege plek. We waren het er allemaal over eens dat er niemand anders zijn plaats kon innemen en zo zat ik de rest van ons laatste jaar aan een bank naast een lege stoel. Toch voelde ik zijn aanwezigheid. Het was alsof hij nog naast mij zat in zijn grijze, door zijn moeder gebreide trui. Zijn moeder! Zijn vader! Zijn broers en zussen! Al dat verdriet had zich op die plek tussen ons in de klas bijeen gepakt. Ik schuimde de maanden nadien op mijn eentje de beken af op zoek naar kikkerdril, maar zonder Chris was er niets meer aan. Wat viel er te beleven als je de wonderen van het moment niet kon delen? De dagen schreden voort, balancerend op de rand van volwassenheid besefte ik dat onze klas nooit nog ergens volledig zou zijn zonder hem. De wind waaide kil door de prille bloesems van ons leven. Chris Van Herzele bleef voor altijd twaalf jaar.

‘De dood wat was dat voor iets?’ vroeg mijnheer Verbeke. Buiten, terwijl wij naar onze schriften zaten te staren, begon de kraai opnieuw hartverscheurend te krassen. ‘Een zwarte krassende kraai mijnheer,’ antwoordde ik. (Maar ik vergiste mij toen, de dood was een jager.) Verbeke, die een kalme mens was, stond recht en droeg toen terwijl hij rond de klas bleef lopen, alsof hij met zijn passen een magische cirkel rond ons trok, uit zijn hoofd, een vertaling van The Raven van Edgar Allen Poe voor. En nadat hij de laatste zin had uitgesproken streek op de lege bank naast mij de zwarte vogel neer. Ik keek door het venster en volgde de opvliegende zwarte vlek naar een plek in het bos waar tussen de varens een hert zich naast het dodelijk gewonde lichaam van mijn vriend neervlijde en niet van zijn sterven week. Tussen de schoolbanken weerklonk een gedempt snikken, dat gans die dag niet meer ophield.

Schilderijen: Kris Vanhemelrijck

(Cyrano de Bergerac – Edmond Rostand. Acte V, scène 6 – Video still)

Pas là ! non ! pas dans ce fauteuil !

[On veut s’élancer vers lui.]

Ne me soutenez pas ! Personne !

[Il va s’adosser à l’arbre.]

Rien que l’arbre !

[Silence.]

‘Rien que l’arbre’ had Cyrano de Bergerac gepreveld toen hij na een aanslag op zijn leven (zijn belagers hadden hem met een zware balk een dodelijke hoofdwonde toegebracht) in een kloostertuin afscheid van Roxane had genomen en in zijn laatste uur alleen nog maar tegen een boom had willen leunen. Een boom geveld door een boom kon nog het beste op een boom terugplooien, moet hij gedacht hebben. Toen droeg de dichter nog een laatste gedicht voor en stierf.

Ook ik dacht dat mijn laatste uur geslagen had toen ik met Rostand in draf over het bospad liep en het ros voor iets dat voor mij onzichtbaar was abrupt halt hield. Mijn vingers grepen zijn manen nog vast terwijl ik over zijn prachtige, donkerbruine glanzende nek vloog en het struikgewas in duikelde. Ik krabbelde meteen recht en zocht vloekend steun tegen een twaalf meter hoge zilverberk. Een stroompje bloed liep langs mijn slapen naar beneden. Ik schepte wat aarde op en wreef het over mijn voorhoofd om de gapende snede te stelpen. Zo stond ik daar met Rostand van mijn val te bekomen — ik weet niet meer hoelang — tot ik mij herinnerde ergens gelezen te hebben dat als je je handpalmen lang genoeg tegen een boom legde je het stromen van de sappen kon voelen en de trillingsfrequentie van de boom kon overnemen. Een soort boomreiki waarvan de helende krachten van de boom uitgingen. Ik voelde me leeg en uitgeput en plaatste zonder er lang over na te denken mijn handen tegen de zilverberk en ademde diep in en uit.

Al heel vlug hoorde ik een haast geluidloos kabbelen dat vanuit de wortels langs fijne kanaaltjes door de stam heen en weer leek te stromen en een elixer van mineralen en zouten door de takken en het netwerk van nerven meevoerde en langs mijn poriën mijn wezen binnenstroomde. Ik wilde een stap achteruit zetten maar kon mijn tintelende handen niet meer van de stam losmaken. De energetische lading van de boom knetterde in mijn aderen. Het bostapijt, overgroeid met klimop, maakte een knisperend geluid. Ik hoorde een geritsel dat ik nog nooit eerder gehoord had en onmiskenbaar het gewelddadige geluid van de ontwakende lente was. De centrale was volop actief. Als vastgekluisterd door de geest van de zilverberk bleef ik onbeweeglijk in het magnetisch veld staan luisteren naar het stromen van de sappen en het geritsel onder mijn voeten en hoopte dat er nergens een kortsluiting ontstond waardoor ik finaal zou instorten en na deze sessie in een sanatorium in Duffel of Geel zou eindigen. 

Je moest tegenwoordig maar bij het groter wordend aantal overwerkte dokters aankloppen (of beter even niet) en een blik op de wachtlijsten van psychiaters en therapeuten werpen om te beseffen dat we na een pandemisch jaar zowat massaal op instorten stonden. Een groot deel van Italië ging terug op slot. Hoe zou het de rest van de wereld vergaan de komende maanden, jaren? Tijdens deze sombere overpeinzingen ging mijn mobiel. Een geluid waar bomen niet van hielden. Het stromen en het gedender van de lente hield onmiddellijk op en maakte plaats voor de woordenvloed van mijn zus die mij in de meest precaire situaties met een videogesprek van elk vermeend of bestaand gevaar wilde redden. Het was een jaar geleden dat haar haren een kapper hadden gezien en ze leek op de Engel van Rafaello Sanzio Da Urbino. Ik luisterde gedwee, verzekerde haar dat er niets aan de hand was, depte de modder van mijn gezicht met een papieren zakdoekje, wreef het groen van de bast van mijn handen en prentte mij haar gezicht in als was het een schilderij, terwijl uit het mos onder mijn voeten krokussen en sneeuwklokjes opschoten. Het was tijd om mijn handen van de boom te halen, Rostand op stal te zetten en naar huis te gaan.

Thuis verbond ik mijn hoofd en liep te voet verder langs de Ongebaande paden van de Franse geoloog en reisschrijver Sylvain Tesson. Tesson was in 2014 bij het beklimmen van de gevel van een chalet in Chamonix van het dak gevallen. Hij overleefde de val maar liep zesentwintig breuken op waarvan vier in de schedel. Zijn gezicht was deels verlamd, hij kreeg epilepsie, werd hardhorig en was ‘op acht meter vijftig jaar ouder geworden’, zoals hij het zelf uitdrukte. De beklimmer van bergen, kathedralen en daken, waarvoor hij het woord ‘toiturologie’ (dakkunde) had bedacht, lag vier maanden in een ziekenhuisbed en beloofde zichzelf dat wanneer hij terug hersteld was, een voettocht dwars door Frankrijk zou maken. 

Een jaar later vertrekt hij met een stafkaart van het Institut National de Géographie op zak en een overheidsrapport waarop dertig Franse departementen donker ingekleurd waren, omdat ze als onderontwikkeld en onleefbaar werden beschouwd (er waren geen snelwegen, winkels en geen internet) en wandelt van het zuidoosten van Frankrijk tot in Normandie. Tijdens de drie maanden durende tocht ver weg van de bewoonde wereld klautert Tesson fysiek en mentaal na zijn val terug uit het dal. ‘s Nachts slaapt hij meestal in open lucht onder een boom waardoor hij langzaam aan zijn krachten terug voelt opborrelen.

De voettocht en de filosofische overpeinzingen van Tesson brachten mij de rust die ik broodnodig had en boden een uitzicht op de natuur die ons nog restte. Ik voelde een dringende noodzaak om naar ‘het primordiale’ terug te keren. Wat dat ook mocht betekenen wist ik nog niet, maar sinds we in maart 2020 (toen het wanhopig gefladder van een in stukken gereten vleermuis uit Wuhan de val van de mens in gang zette en wereldwijd een pandemie veroorzaakte) met zijn allen van Het dak van de wereld getuimeld waren, wist ik dat er iets moest veranderen. Wat ooit moest gebeuren was gebeurd. Het was tijd om na deze globale smak op onze schreden naar de basis terug te keren.


	
In Putte
in het putje van de winter
in een haastig gegraven graf
Slaapt mijnheer de Vries
mijn huisbaas
Voor het eerst
buiten in de sneeuw
Hij laat een vrouw
een zoon
en een magazijn
vol boeken na
Waar elke nacht
aan de gesloten 
blauwe poort
Een koor
de kaddisj opzegt
Aleph, Beth,
Gimel, Daleth:
'Mijn ziel kleeft aan het stof '
Als duizenden 
weeskinderen
Omringen zijn
boeken
mij.

I.M. Isidoor de Vries (20.05.1937 - 10.01.2021)
Bezieler van Uitgeverij C. de Vries - Brouwers



	

De Notenkraker

(Van l naar r) Lydia Rubtsova als Marianna, Stanislava Belinskaya als Clara en Vassily Stukolkin als Fritz, in de originele productie van The Nutcracker (Imperial Mariinsky Theatre, Saint Petersburg, 1892)
Fotoscan uit het boek “The Life and Ballets of Lev Ivanov” van Roland John Wiley. Oxford University Press, 1997.

Toen de handelaars op 1 december van het onmogelijke jaar 2020 opnieuw hun deuren mochten openen was het enige wat ik in huis wilde halen kerstlichtjes. De lichtjes van vorig jaar waren na de feestdagen onverwacht fel beginnen knipperen. Alsof ze ons feestvierders, tussen het gekletter van borden, het gerinkel van messen en vorken, de geur van gebakken appels in een kaneeljasje en wafels bedekt met poedersneeuw een eerste noodsein wilden sturen. Ons wilden waarschuwen voor het muizenleger dat in grijze bataljons op ons af kwam gemarcheerd en waartegen wij ons niet zouden kunnen verweren. Onbesuisd en een tikkeltje hoogmoedig sloegen wij deze eerste tekenen van onheil die uit alle gaten en kieren van ons huis bleven komen in de wind. Doch, nu we in onze versleten kleren en ongeknipte haren op de drempel van het nieuwe jaar stonden en de muizenkoning met zijn dolletjesleger, nog voor het bubbelfeest begonnen was, een derde aanval plande werd de aanschaf van kerstlichtjes een zaak van hoogdringendheid. 

Nadat ik het nieuws beluisterd had dat een jaar lang hetzelfde was gebleken: ‘de coronacijfers zijn gestegen, de coronacijfers zijn gedaald’, schoot ik uit mijn zijden slippers en repte mij naar de dichtstbijzijnde papierhandel waar ze gewoonlijk ook lampions verkochten. Een kwartier later was ik aan de ingang van de winkel naast de kassa op een lange tafel haastig de werking van de verschillende soorten lampjes aan het uittesten, toen een onthaalmoeder met volle kracht haar wandelwagen met zes peuters de winkel binnen duwde en de kinderen naast de tafel parkeerde. De onthaalmoeder verdween met dezelfde haast als iedereen tussen de rekken en de peuters bleven stil in de buggy zitten.

Vanuit hun maxi-buggy hielden zes schattige hoofdjes, de neuzen allemaal in dezelfde richting, mijn spel met de lichtjes nauwlettend in het oog. Om hun wachttijd wat te veraangenamen zocht ik uit een rek waar honderden identieke Notenkrakers op een hoop bijeen lagen een exemplaar dat er toch ietsjes anders uitzag en liet de houten pop een soort kozakkendansje opvoeren. Er brak al meteen een arm af. Toneel spelen is nooit echt mijn ding geweest. De kinderen bleven nog altijd even stil toekijken. Zo stil dat ik bijna hun gedachten kon lezen. In de middelste rij van de buggy zat een jongetje dat zijn hoofd de hele tijd schuin hield en anders reageerde dan de rest van de peuters. Ik stak de Notenkraker wat hoger in de lucht, keek opnieuw naar het jongetje en zag toen pas het blauwe vlies over zijn druk bewegende oogjes. Het jongetje was blind. De ganse vertoning was nutteloos geweest. Ik trok de lichtjes uit het stopcontact, legde de notenkrakerpop bij de rest van mijn aankopen want ik had hem toch stuk gemaakt en begon zachtjes De dans van de Suikerboonfee te fluiten. Het ventje draaide zijn hoofd naar de richting van waar het geluid kwam en glimlachte. 

Toen de onthaalmoeder terug was nam ik afscheid van de kinderen en liep naar de kassa. Terwijl ik de lichtjes en de Notenkraker die voor het eerst sinds 1892 op geen enkel podium live te zien zou zijn, op de rolband legde, verscheen achter mij balletdanser Wim Vanlessen in het neonlicht van de papierwinkel. Het armpje van de Notenkraker tuimelde in slowmotion, synchroon op de vloer. De danser, galant gelijk een sprookjesprins en zoals altijd de vriendelijkheid zelve, bukte zich om het armpje op te rapen en gaf het lachend terug. Ik bedankte hem en voor ik goed begreep wat er gebeurd was (want wat deden al die Notenkrakers nu in de papierwinkel zo vroeg in de ochtend), stond ik al weer op de stoep en liep met een lichte tred de wereld tegemoet. Er was nog leven buiten de muizenval! 

De ontmoeting met het blinde jongetje dat mij zonder te kunnen zien, doordringender had aangekeken dan wie ook, en de Notenkraker die ondanks de negatieve adviezen toch levend en wel onder de mensen was gekomen, zette de dingen opnieuw in een ander perspectief. Er was nog schoonheid in het onverwachte. De sombere bui die na een nacht vol muizenissen mijn gedachten had verduisterd was verdwenen. ’s Avonds wachtte ik bij de blauwgroene Kaukasische kerstboom op de komst van Drosselmeyer wiens peperkoeken soldaten als vanouds het grijze muizenleger van de planken zou verjagen. In de zachte gloed van de lichtjes die tussen de dennentakken glinsterden, voerde de Suikerfee en haar page in een bos van suikerstokken, tussen marsepeinen mandarijnen, chocoladeharten en torentjes slagroomsoezen, de grand pas de deux op. Tot de klok middernacht sloeg en Clara met de Notenkrakerprins, op een slee in de sneeuw in de stilste nacht ooit verdween. En op het lege podium van een lege theaterzaal – waar weggedoken in hun loges van roodfluweel alleen nog geesten zaten, waar de ster stil bleef staan en de baan van de slede rond de aarde volgde – zou deze kerstnacht niet alleen de schreeuw van de pasgeborene te horen zijn, maar voor alle mensen op aarde die het stralen van de ster niet kunnen zien, ook De dans van de Suikerboonfee.

Cremona revisited (i.m. Ginette Neveu, 11 aug 1919-28 okt 1949)

Een antieke viool die via een opkoper of langs andere onbekende wegen uiteindelijk in een kringwinkel terechtkomt heeft vaak de tristesse van een asieldier. Achtergelaten en ontheemd wacht zij tussen duizenden andere stoffige voorwerpen tot iemand de vioolkoffer weer opneemt en de muzikale reis verder zet. Vaak is ze van haar ziel beroofd. De ziel, of wat in vaktermen de stapel, en in het Frans ‘l’âme’ wordt genoemd, opnieuw in de klankkast plaatsen is geen sinecure. Het klein houtje dat tussen het bovenblad en onderblad geklemd zit, idealiter 4 mm achter de kam, richting staart, recht onder de E-snaar, bepaalt de warmte, helderheid en scherpte van de klank. De minste verschuiving kan bepaalde tonen uitdoven en andere weer te hard laten klinken. Zonder deze ziel is de viool als een holle boomstronk. Sommige violen hebben enorm geleden bij hun baasjes. Ik wilde ze allemaal wel redden, maar aan hun redding en volledig herstel hing vaak een prijskaartje dat mijn mogelijkheden te boven ging. (Tijdens het schrijven van dit verhaal bezocht ik verschillende asielen voor instrumenten, de violen verkeerden vaak in de meest erbarmelijke staat, hun aanblik alleen al stemde mij droef, ze leven nog steeds voort in mijn herinnering, natuurlijk had ik hen graag allemaal naar huis willen meenemen, maar je kan niet alles en iedereen redden.) 

Op 5 augustus van het onmogelijke jaar 2020 vond ik, als bij toeval diep in de nacht op het internet eindelijke een zeer mooie en op het eerste gezicht, onbeschadigde betaalbare viool. De volgende ochtend stond ik om half tien aan de deur van een groot magazijn, volgepropt met de meest uiteenlopende voorwerpen. Twee blitse mannen in Italiaanse pakken, rolden lachend een antieke kast naar buiten, het bovenblad was van marmer, de laden met gouden krullen versierd. ‘U wordt hier nogal in stijl onthaald knipoogde een van hen naar me terwijl we, anderhalve meter afstand in acht houdend en met mondmaskers, elkaar kruisten. Ik lachte en moest mijn schat nog vinden. Binnen wendde ik me rechtstreeks tot de verkoper, vol ongeduld, plots in de verwachting van iets groots, een spanning die je maar zelden voelt. ‘Zou ik misschien enkele van de violen mogen zien?’ ‘Natuurlijk!’ De man liep weg en kwam enkele seconden later met drie violen terug. ‘Zal ik ze hier even voor u neerleggen, dan kan u rustig kijken’. ‘Dank je wel’, zei ik en ging op mijn hurken bij de violen zitten. ‘Gaat u ze allemaal kopen?’ Ik keek even naar zijn collectie en zei onmiddellijk ‘ja, maar ik heb er helaas nu de mogelijkheid niet toe.’ De man knikte en liet me met de violen alleen. Ik wierp een blik in het klankgat van de eerste viool om te kijken of de ziel er nog inzat en las op het perkamentachtige etiket waar enkele druppels bloed op kleefden, vermoedelijk van een gekwetste kin, Copie de Antonius Stradiuarius Cremonenfis Faciebat Anno 1721. Dit kon niet waar zijn. Het instrument had een fijne, smalle hals, een mooie oude vernis, de krul was sierlijk uitgesneden, de hoeken waren perfect. In mijn eigen hals vormden zich kleine zweetdruppeltjes. Het tolde voor mijn ogen. Deze prachtige kopie was niet eens de viool waarvoor ik gekomen was, het instrument dat ernaast lag, helemaal kapot, een vreselijk treurig zicht, was degene die ik op hun website had gezien. Er hing elektriciteit in de lucht. Ik nam de tweede kapotte viool van de tafel en inspecteerde langs het klankgat de buik van de viool en zag op het etiket: Jean-François Aldric, Paris 1846, een instrument van een Franse vioolbouwer. Dit instrument was misschien qua klank onbetaalbaar maar er waren natuurlijk ook veel valse etiketten in de omloop, of valse violen met echte etiketten. De aankoop was een enorm risico, er liep een lange barst over het bovenblad, het staartstuk zat los, de snaren waren kapot. Misschien had ze een stapelbreuk gehad. Ik kon ter hoogte van ‘de ziel’ geen litteken opmerken, maar was dan ook al half verdoofd op dat ogenblik en hoorde reeds flarden van concerto’s, sonates, symfonieën. Er kwamen zo veel mooie indrukken op me af dat ik niet meer objectief over het instrument kon oordelen. Ik zou het moeten laten liggen en afbieden op het eerste instrument, dat ik even graag wilde. De Antonius Stradiuarius Cremonenfis was overduidelijk mijn kinderziel die daar ineens begon te zingen. De viool van Jean-Francois Aldric verborg de muziek die ik nooit meer zou spelen, maar daar moest ik het nu mee doen. Ik was eigenlijk al heel blij met de kinderziel, die geheel onaangetast leek. De derde viool was overduidelijk een fabrieksproduct.

Nu begon dus het afbieden, iets waar ik niet goed in was. Ik riep de verkoper en deed me voor als een expert om dan als een echte charletan, de prijs van het instrument naar beneden te halen. Alle argumenten haalde ik uit de kast, de arme verkoper overbluffend met mijn kennis en kunde van boven- en onderblad, de kwaliteit van het hout, de beschaving van de krul waaraan de vaardigheid van de meester af te lezen was, zelfs de dendrologie kwam er aan te pas, daar had de man precies nog nooit van gehoord. Ik voerde mijn kunsten op met al wat ik op drie dagen had geleerd in het boek van Philipp Blom en uit artikels van de Franse luthier Étienne Vatelot op het internet. Hij begon te buigen. ‘Speel je al lang?’ Niet wetend wat ik daar moest op antwoorden, zei ik maar dat ik vooral geïnteresseerd was in het herstellen van antieke violen. ‘Interessant’ zei hij, ‘dat is eens wat anders dan met klei spelen’. Ik zag het verband niet goed, maar was het ondertussen gewoon dat heel wat mensen alles wat met kunst verband houdt, als het beoefenen van een hobby beschouwen. Ik begon naar klassieke muziek te luisteren toen ik zeven was. Vijf jaar later won ik mijn eerste en enige wedstrijd voor eerstejaarspianisten in Ronse, het geboortedorp van mijn grootmoeder langs vaders kant. De prijs zou mij op een zondagvoormiddag door de burgemeester overhandigd worden. Omdat mijn moeder, die mij nochtans heel erg steunde, haar kapsel maar niet in model geföhnd kreeg, kwam ik zodanig laat op de prijsuitreiking aan dat de eerste prijs al naar de tweede was gegaan, de tweede prijs naar de derde en ik, als winnaar van mijn eerste muziekwedstrijd, naar huis ging met de enige prijs die nog overbleef: ‘Het meisje dat de zon niet zag’, een jeugdroman van Gerda Van Cleemput. Ik was diep teleurgesteld, iets wat mijn moeder niet begreep. Ik had toch de eerste prijs gewonnen? ‘Nee,’ zei ik, ‘de eerste prijs was de 3-delige Winkler Prins Encyclopedie. Dat was de eerste prijs.’ ‘Ieder krijgt uiteindelijk wat hem toekomt was haar antwoord,’ en daarmee was alles gezegd. Toen ik later mijn eerste gedicht schreef vroeg mijn peettante of ik het echt zelf geschreven had ‘want dat zou je niet zeggen wanneer je me zo zag lopen’. Uiteindelijk had ik mezelf nog nooit zien lopen dus kon ik haar, omdat ze niets kwaads met die vraag in de zin had, niet van antwoord dienen. Er gingen heel wat lezingen voorbij voor ik begreep dat de levensloop van een mens niet altijd in overeenstemming was met zijn inborst, of wat ik toch ‘de ziel’ wil blijven noemen. En een ziel kon je meestal niet zien lopen. Of enkel wanneer er in de meest penibele omstandigheden, in de volksmond werd gezegd van iemand dat hij of zij met de ziel onder de arm liep. Zo ver wou ik het niet laten komen en deed er vanaf dat ogenblik alles aan, om wat ik vanbinnen als de muziek van mijn ziel beschouwde, voor iedereen te verbergen. Zodat er aan mij niets te zien zou zijn wanneer ik rondliep.

‘Ja meneer,’ verzuchtte ik, ‘eigenlijk heb nooit iets anders gedaan in mijn leven, dan gespeeld. En vaak verloren. Maar niet vandaag.’ Uiteindelijk verkocht hij mij, overbluft, de Stradivarius Cremonensis, voor honderdvijfendertig euro. Op de parking kwam hij me uitzwaaien alsof ik een grote reis ging maken. De terugrit, met de viool in een hemelsblauwe plastieken tas gerold ‘helemaal mijn kleur,’ volgens de verkoper, behoedzaam over mijn schouder hangend, waarvan alleen de krul als een bloem naar buiten stak, leek buiten de tijd te bestaan. Ik reed niet, maar vloog naar huis! Na zoveel jaren weer een instrument in mijn bezit, en wat voor een. Er was een lange zoektocht aan vooraf gegaan, ontstaan uit pure noodzaak, uit de behoefte een instrument vast te houden, in mijn armen te nemen, te omhelzen, zonder dat ik me zorgen moest maken om virussen. Zuivere klanken te horen en met mijn oor tegen de houten buik van de klankkast gedrukt, adem te halen. 

Het was begonnen in Cremona. De Italiaanse stad in de noordelijke regio van Lombardije was zonder meer een van de door het covid19-virus hardst getroffen steden in het begin van de pandemie in Europa. Iedereen herinnert zich de beelden van de colonne legertrucks, met doodskisten beladen, die traag de stad uit reed. Op zoek naar een begraafplaats omdat er op het plaatselijke kerkhof geen plek meer was om de overledenen te begraven. Was dit Cremona, vroeg ik me luidop af, de geboorteplaats van Antonio Stradivari, de stad met honderdveertig vioolateliers. De wieg van de vioolbouwkunst was een doodsbed geworden. Het waren geen vioolkisten waar rode glanzende, vurenhouten instrumenten in opgeborgen zaten, maar eindeloze rijen doodskisten die wie weet, het lichaam van een oude meesterluthier, onverwacht geveld door het virus, de geheimen van de bouwkunst, de vernis en de klank in zijn graf meenam. Het beeld en de plaats met zijn getroffen inwoners bleef de komende maanden bij me, als iets dat ik niet meer mocht vergeten. Waar een snaar van het leven mij raakte en de klank bleef natrillen. Als het waar was wat Niccolo Paganini beweerde: namelijk dat het hout waarmee Antonio Stradivari zijn instrumenten bouwde afkomstig was van bomen waar nachtegalen in zongen, dan hoorde ik nu slechts het kraken van de takken, in de vreemdste stilte ooit.

Aan het begin van de zomervakantie ging ik naar de bibliotheek omdat een uitstap naar andere oorden te veel risico’s inhield en nam vol goede moed ‘Een Italiaanse reis’ van Philipp Blom onder mijn arm. Ik had het boek al enkele maanden in de etalage van boekhandel Cronopio zien liggen, maar we zaten toen in de eerste lockdown en de zaak was zoals alle winkels gesloten. Nu was blijkbaar de tijd genomen om ‘Een zoektocht naar de herkomst van mijn viool’ verder te zetten. Thuis op het dakterras onder de door vele zomers afgesleten blauwe stof van de parasol sloeg ik de eerste bladzijden open en bevond mij voor ik het wist opnieuw in Cremona. De stad van de vioolbouwkunst waar nu de dood de hemel zij dank verslagen leek, de danse macabre ten einde was en de handwerkers terug naar hun ateliers konden, nadat die maanden verplicht gesloten waren.

Het vinden van mijn eigen instrument was als een zomerliefde, maar een die niet zou eindigen op het einde van de maand augustus, als de oogst was binnengehaald, het hooi gemaaid. Nee, muziek was een liefde die bleef zingen en mij uit het slop bleef halen. Vijf augustus 2020 was een geluksdag geweest. Er restte mij alleen nog een taxatie van de viool door een echte expert. Omdat de muziekwinkel Pro Arte, internationaal bekend in de wereld van klassieke snaarinstrumenten, zich op een boogscheut van mijn woning bevond, had ik geen enkel excuus om er niet nog dezelfde dag heen te gaan en mijn pasverworven instrument te laten nakijken; misschien verborg ze een litteken, een oud zeer, dat de klanken waar ik van droomde zou verhinderen. Ik was bang, maar moest door de test, er was geen andere mogelijkheid. De viool leek op het eerste gezicht speelklaar maar het zou interessant zijn te weten wat deze kopie waard was en of er toch niet iets was dat nagezien moest worden. Het herstellen van de vochtbalans of iets dergelijks. Lichtelijk bezwaard door het vooruitzicht een teleurstellend antwoord op mijn vragen te krijgen liep ik de mooiste instrumentenwinkel die onze stad rijk was binnen. Frank Pedus, de luthier die sinds enkele jaren ook eigenaar van het atelier was kwam me met een vriendelijkheid en voornaamheid die helaas niet meer van deze tijd is tegemoet. Ik zei een beetje schuchter dat ik net een viool had gekocht en me afvroeg of ze helemaal in orde was. Hij nam de viool lichtjes vast, draaide haar rond haar as en bevestigde mijn indruk: ‘Deze viool is helemaal in orde! Een goede vijfduizend euro waard! Waar heb je haar gevonden?’ Ik noemde het magazijn. ‘Goed gedaan!’ Hij rolde de viool in de handdoek waarin ik haar gebracht had, maar op een zodanige manier dat het instrument helemaal een pasgeboren baby leek, die na een kort nazicht van de verloskundige opgerold in een roze handdoek in mijn armen werd gelegd. ‘Hebt u nog iets anders nodig?’ ‘Een harsblokje misschien en een demper, voor de buren.’ Hij lachte en maakte een wegwuivend gebaar, ‘pfff, daar moet je je niets van aantrekken. U bent trouwens mijn eerste klant vandaag.’ ‘Oh, sorry, het is maar een geringe aankoop dan!’ Denkend aan het verlies dat iedereen tijdens de lockdown had geleden. Hij hief zijn hoofd op en zei: ‘Nee hoor het gaat hier helemaal niet om het geld, maar om de mensen die hier binnenkomen.’ Ik schaamde me een beetje zoals ik me altijd een beetje schaam zonder precies te weten waarom. Dolgelukkig liep ik naar buiten, niet omdat de viool een geschatte waarde had, maar de viool mijn wereld opnieuw geschat had.

Twee dagen na de controle van mijn instrument moest ik terug naar Pro Arte om een nieuwe strijkstok aan te schaffen. Het was heel stil in de zaak, een stilte die mij toen ik er over de drempel stapte plots overviel en mijn wezen vanzelf deed wenen. De stilte van de honderden violen, contrabassen, altviolen, cello’s, gitaren, harpen, die er gewichtloos in de ruimte of op de grond in rijen achter of naast stonden als bomen in een magisch woud, was een van de merkwaardigste stiltes die ik had waargenomen. Het waren net astrale wezens, lichamen. Ik keek rond alsof ik in een andere wereld was binnengestapt en wachtte tot iemand van de staf mij verder zou helpen. Katrien, een van de medewerkers die mij de dag ervoor telefonisch had geadviseerd bij het herstel van de originele strijkstok en de aankoop van een nieuwe, kwam mij zonder deze vreemde betovering te verbreken tegemoet en stelde voor om een paar strijkstokken uit te proberen. Zoveel moed, om zomaar in de aanwezigheid van hoe gering ook, een publiek, eventjes wat te staan krassen, had ik echter niet. ‘Kan u spelen?’ vroeg ik haar. ‘Een beetje’ antwoordde ze bescheiden. ‘Dan laat ik u kiezen.’ Ze probeerde drie strijkstokken en koos de laatste, die volgens haar de krachtigste was. Toen ik de strijkstok wilde betalen wist ik nog steeds niet goed van welke planeet ik precies was, zoals mijn moeder het vroeger pleegde te omschrijven. Hoeveel minuten ik precies met mijn Mastercard aan de betaalterminal stond, ontging me volledig maar na enkele ontsnapte momenten drong de heldere stem van Katrien tot mij door: ‘Om te betalen moet u de kaart in het machientje stoppen.’ Toen daalde ik ineens van ergens met mijn ziel, tussen de violen fladderend naar beneden en drukte werktuiglijk de code van mijn kaart in terwijl ik met mijn ander hand over mijn verhit voorhoofd wreef. ‘Sorry,’ zei ik en kleurde onzichtbaar rood achter mijn mondmasker met blauwe walvissen…‘Ik ben erg verstrooid vandaag.’ ‘Ja, dat herken ik,’ antwoordde Katrien gelukkig instemmend, waardoor ik mij iets minder belachelijk voelde. 

Thuisgekomen met mijn twee strijkstokken, de oude en de nieuwe, vroeg ik me af wat ik eerst zou doen: spelen of luisteren. Ik ging zitten en luisterde, terwijl de lang ingehouden tranen over mijn wangen liepen, naar Chopin’s Nocturne No.20 in C-Sharp Minor, vertolkt door de Franse violiste Ginette Neveu, wiens uitzonderlijke muzikale loopbaan abrupt was afgebroken. De zeer betreurde Ginette Neveu kwam op 28 oktober 1949, ze was net dertig jaar, samen met haar broer de pianist Jean Neveu, en alle andere passagiers, waaronder de bokskampioen Marcel Cerdan die op weg was naar zijn geliefde Edith Piaf, in een vliegtuig op weg naar New-York om het leven. De Lockheed Constellation van Air France was tijdens een mislukte landingspoging tegen een bergflank te pletter gevlogen. Niemand overleefde de crash. Volgens een onbekende bron hield Ginette Neveu toen ze haar tussen de wrakstukken van het vliegtuig aantroffen (het lichaam van haar broer werd nooit geïdentificeerd), de speciaal voor haar ontworpen dubbele vioolkist tegen zich aangedrukt. De twee kostbare violen; de Omobono Stradivarius, gebouwd door de zoon van Antonio Stradivarius en de Giovanni Battista Guadagnini, die het atelier Vatelot net voor ze vertrok aan haar had verkocht, waren eruit verdwenen. Op 22 oktober 1949 had Ginette Neveu voor haar vertrek naar New-York, het atelier van de meesterluthier Marcel Vatelot en diens zoon Étienne, in de Rue Portalis 11 bis in Parijs, nog bezocht om haar Omobono Stradivarius op te halen. De toen vierentwintigjarige Étienne Vatelot, verantwoordelijk voor het onderhoud van de Omobono Stradivarius zou op de geplande tournee met haar mee reizen om zich onder te dompelen in het spel van de violiste, zodat hij haar te allen tijden kon bijstaan mocht er iets aan de viool haperen. Zijn ticket was reeds geboekt, maar tijdens het atelierbezoek bedacht Ginette Neveu dat hij later kon komen, omdat ze eerst nog in Saint-Louis zou spelen, hij had nog tijd. Étienne Vatelot annuleerde zijn vlucht met de Constellation en reserveerde een hut in de oceaanstomer Ile-de-France op 30 oktober, richting New-York waar hij jammer genoeg nooit zou op inschepen. Amper enkele dagen na het vertrek van Frankrijks grootste violiste, bracht het onderzoeksteam van Air-France de dubbele vioolkist naar het Atelier Vatelot terug. Er was op de twee strijkstokken na, geen splinter hout meer in te vinden.

Een van de strijkstokken was drie dagen na het ongeval op het eiland Redondo in de Azoren door het onderzoeksteam van Air-France per toeval gevonden. Terwijl ze de bergflank afdaalden hoorden ze uit een van de vissershutten ‘vioolgekras’. Een visser beweerde dat de strijkstok met goudmontuur en schildpadbeleg van Hills & Sons, die hij vasthield, op het strand had gevonden, maar de viool waarop hij zat te krassen was volgens het team van Air- France ‘een oud ding’. De dubbele vioolkoffer en de twee strijkstokken, waarvan de tweede gebroken was, bleven als een immens trieste herinnering in het atelier Vatelot in Parijs bewaard. Dertig jaar later in 1982 kreeg Étienne Vatelot de kop of de krul van de verdwenen Guadagnini van Ginette Neveu onverwacht in handen. Tijdens een rechtstreekse uitzending op Antenne 2 in het programma ‘De ziel van de viool’ gewijd aan Étienne Vatelot overhandigde Bernard Ringeissen het relikwie aan Vatelot. (Ringeissen had hem in Brazilië van de Franse Consul, die een dag na de ramp een visser met de kop van een viool had zien lopen, als aandenken gekregen.) Zichtbaar aangeslagen herkende de luthier de prachtig geschaafde krul van de viool als de krul van de verdwenen Guadagnini. Volgens geruchten op het eiland in de Azoren zou een visser in de jaren vijftig ‘een oude viool’ voor een astronomisch bedrag verkocht hebben in Amerika. De Stradivarius werd tot op heden niet teruggevonden.

Op 11 september van het onmogelijke jaar 2020, speelde ik de eerste noten van Chopin’s Nocturne No.20 in C-Sharp Minor (bewerkt voor viool door Nathan Milstein) met een aarzelend, beginnend vibrato op mijn eigen warm klinkende Stradivarius Cremonensis. Tranen vermengden zich met het bloed op het etiket en vermoedelijk het zweet van degene die voor mij op het instrument gespeeld hadden alsof hun leven ervan afhing. Het was alsof de Sirenen mij riepen, in mistige flarden, van op een eiland in de Azoren tussen de verweerde, verroeste brokstukken van een te pletter geslagen vliegtuig. Er was iets gebeurd vandaag, al kon ik nog niet benoemen wat. Een genster van iets had vuur gevat, ontvlamt uit het kurkdroge wachten van de tijd. De cirkel was rond en oneindig als de krul in de kop van de teruggevonden, aan land aangespoelde, kapotte viool van Ginette Neveu.

Ginette Neveu met haar broer en Marcel Cerdan in Orly, 1949, © Getty / Keystone-France/Gamma-Keystone

Gran Forno

 

Foto: Villa Fattoria

 

In de nacht van zaterdag 18 op zondag 19 juli van het schrikkeljaar 2020 zou de komeet Neowise nog eenmaal aan de hemel verschijnen maar er verscheen helemaal niets. Zesduizendachthonderd jaar wachten tot de komeet nog eens langs de aarde zou passeren strekte zich voor de mensheid uit. Na vruchteloos het duister te hebben afgespeurd wendde ik mij naar het neonlicht van mijn laptop omdat zelfs de sterren niet meer uit de hemel wilden vallen. En waarom zouden ze ook? Hier beneden stonden de dingen steeds op opensplijten of uitbarsten, ieder normaal denkend mens verkeerde voortdurend in een soort van paraatheid. Gewapend met mondmasker, handgel, en overal ogen die alle kanten opschoten wanneer je naar buiten ging. Je kon tegenwoordig maar beter onderdeel van het leger zijn dan burger, want dan was je uiteindelijk nog het kwetsbaarst. Ik ging nog liever in een virusbestendig pak de deur uit, dan gewoon op zondagnamiddag even een terrasje te doen, waar het beest, gezeten op een rieten stoel, op de rand van een glas, of godbetert, op de schouder van een boezemvriend altijd op de loer lag en pas een paar dagen later zijn geniepige aanwezigheid kenbaar zou maken.

Het was in feite nog veiliger om op Stromboli te gaan wandelen. Je kon tenminste nog beginnen rennen wanneer de vulkaan plots uitbarstte en de hete magma op je afkwam. Je had nog een kans. Je immuunsysteem werd niet op de proef gesteld, je bloed begon niet te koken. Je moest gewoon heel hard kunnen rennen of roeien als je net op het meer in een zeilbootje ronddobberde en de kolkende massa van de vuurspuwende vulkaan zich in het water uitstortte. Wat een ongelooflijk fascinerend schouwspel voltrok zich achter je, gigantische zwartgrijze wolken stegen uit het blussende water omhoog. 

Viroloog of vulkanoloog: ineens was er een duidelijke parallel. Heel veel dingen begonnen in plaats van te exploderen, te imploderen, het ontstane vuur vrat zich een weg naar binnen en verteerde daar wat zich opgestapeld had, de as in de bossen bleef vaak te lang smeulen. Het magma van de wereld vond gewoon zijn weg niet naar buiten, terwijl er toch een weg naar buiten moest zijn.

De laatste maanden had ik zoveel angsten doorstaan om zonder dat ik het zelf wist, iemand anders te besmetten, dat ik het liefst voor de rest van mijn leven in een schapenhok zou willen doorbrengen. Als de maffiabaas Bernardo Provenzano, bijgenaamd ‘Binnu De Tractor’, zich veertig jaar in een vervallen boerderij kon verbergen, moest dit mij, zolang het beest huishoudt in deze wereld, toch ook lukken. Met een immense heimwee dacht ik terug aan de zorgeloze zomers wanneer ik buiten onder een parasol sliep met lakens en dekens rond de rand gedrapeerd en de enige vijandelijke indringer een hooiwagentje was.

Waar kan ik zulk een geriefelijk schapenhok huren om ongestoord en zonder angsten naar de vallende sterren te kijken? Gesteld dat ze op een nacht toch opnieuw uit de hemel willen vallen? In een vakantiebrochure op het internet, lees ik dat er in Sardinië drie miljoen schapen rondlopen, zowaar het driedubbele van het aantal inwoners. Er moeten dus meer schapenhokken dan huizen te vinden zijn. Naar het schijnt is het leven er buitengewoon goed, tenminste als je afgaat op de concentratie van ronddartelende honderdjarigen, in wat de ‘blauwe zone’ wordt genoemd. Het geheim sluimert volgens recent onderzoek niet alleen in het milde klimaat, een grotendeels plantaardig en biologisch dieet en de luchtkwaliteit maar vooral in het dagelijks consumeren van 1 à 2 glazen rode wijn. De wijn gemaakt van de Cannonau- en Carignanodruif, zou een groot aantal antioxidanten bevatten die mens en schaap blakend van vitaliteit houdt.  Ik moest alleen nog mijn eigen brood leren bakken en ik was er klaar voor. Weinig geblaat in de zomer en veel wol in de winter. Gran Forno lees ik op de verpakking van het laatste pakje Grissini’s. (Ik moest weldra opnieuw de deur uit, de gevarenzone in,  een rilling liep over mijn lichaam, buiten was het 25° C.) Natuurlijk had ik naast een schapenhok ook een oven nodig waarin ik de plaatselijke specialiteit Carta da musica kon bakken, een herdersbrood zo dun als muziekpapier. Gran Forno di Roma zou er boven de oven te lezen staan. En een onderschrift in cursief: Lasciati ogni speranza, voi ch’intrate (‘Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt’).

De aarde warmt inmiddels sneller op dan verwacht en binnen afzienbare tijd zullen we allemaal in één Gran Forno wonen. Opnieuw gedoemd worden de trechtervormige hel van Dante af te dalen tot we weer in het heetste van de kern aanbeland zijn. Onlangs werd dichter bij huis, in de regio van het Duitse Eifelgebergte, vulkanische activiteit waargenomen. Geoloog Corné Kreemer bracht samen met twee collega’s via GPS-stations gedurende achttien jaar, de woelige bewegingen van het aardoppervlak rond het gebied in kaart en ontdekte dat het landoppervlak in een grote regio rondom de Eifel, waaronder België, Nederland, Frankrijk en Luxemburg, stilaan omhoog komt. De laatste vulkaanuitbarsting in de regio dateert van ongeveer tienduizend jaar geleden. Deze uitrekking van de aardkorst en de opheffing van het aardoppervlak, 1mm per jaar, wat vanuit geologische oogpunt zeer veel is, wordt mogelijk veroorzaakt door de aanwezigheid van een mantelpluim. Een opwaartse storting van heet, vast gesteente dat vanuit de mantel van de aarde druk uitoefent op het aardoppervlak. Deze mantelpluim ligt recht onder de Eifel-vulkaan te sluimeren en gaat tot vierhonderd kilometer diep. 

Ook de vulkaan Stromboli barste twee weken geleden opnieuw in volle kracht uit.  Een op het meer ronddobberend motorbootje, met twee inzittenden, vader en dochter, konden nog net aan de lavastroom ontkomen. Wat een ongelooflijk fascinerend schouwspel voltrok zich achter hen, gigantische zwartgrijze wolken stegen uit het water omhoog. 

Het hoge, snerpende geluid van de zwerm zwaluwen klinkt bemoedigend. Ik trek de groene houten deur van het schapenhok achter me dicht en loop de laatste weide van de wereld in, de wondere kudde tegemoet.

 

sheep-690198_1920-1280x640