Vaar wel,

 

Eerbetoon aan een vriend,
Frans Goetghebeur 13/04/1948 – 29/03/2018

Vaar wel Frans,
Bedankt voor alles
wat niet materieel of tastbaar was,
het ‘kostbare geschenk’ dat je door de poëzie,
de Tibetaanse taal en de ontelbare vertalingen
van de dharma tijdens het wekelijks onderricht
zo vloeiend en bijna moeiteloos kon overbrengen,
een ware overdracht van hart naar hart, van geest
naar geest, een overdracht waar geen kilheid kon
tussen komen maar louter warmte was, een overdracht
die voor jou een dagelijkse filosofie van mededogen,
menslievendheid, respect en vriendschap betekende.
Een pad dat je consequent en bewust bewandelde.
Met een onvermoeibare daadkracht schiep je steeds
weer de unieke mogelijkheid voor de medemens
om een ware spirituele vriend te kunnen ontmoeten,
zodat de ander zich in de beste omstandigheden
en in het volste vertrouwen kon ontplooien.
Zoveel mensen heb je nader tot elkaar gebracht.
Alleen dat al Frans, is een onnavolgbare verdienste,
het licht van het juweel in de lotus behoort je toe.

Vaar wel Frans,
bedankt voor alles
wat niet materieel of tastbaar was,
je grootmoedigheid, je eruditie, je optimisme,
je geloof en hoop tot in de laatste seconden van het leven.
Ik beschouw je heengaan als een groot verlies,
maar koester tot aan het einde van dit leven
de schat aan innerlijke rijkdom die je nalaat.
Een liefdevolle blik is wat ons rest, en woorden als
mantra’s door windpaarden gedragen.

Frans Goetghebeur, mantra.

Ah

Muurschilderij in Mascalucia, Sicilië

 

Waarschijnlijk, of tenminste zo bestond het in mijn herinnering, was één van de hoogtepunten uit mijn kindertijd, de dag waarop ik van mijn moeder een rieten mand cadeau kreeg. De sinaasappelpluk in de boomgaarden was nog niet begonnen maar de lente kwam er aan en ik wilde graag op de eerste pluk voorbereid zijn. Na maandenlang gejengel kondigde ze, terwijl mijn zus en ik in ons bad plonsden, onverwacht aan dat we na de middag naar de mandenmaker zouden gaan. Met een blik vol ongeloof keek ik haar aan, maar aan haar besliste gebaren zag ik dat ze het meende en begon als een dolle hond in het water rond te draaien. De golf die een deining in het bad veroorzaakte, klotste over de rand en stroomde over de blote voeten van mijn moeder die met een ingezeept washandje te wachten stond. ‘Het is lang geleden,’ zei ze, ‘dat ik je nog zo blij zag.’ Haar antwoord trof me onaangenaam. Emoties prijsgeven lag als tienjarige niet in mijn aard en ik hield me opnieuw stil zodat ze mijn gezicht kon inzepen en daarna handenvol water in mijn prikkende ogen moest plenzen vooraleer ik terug kon zien. De voormiddag duurde nog nooit zo lang. Eerst moesten er nog bedden verschoond en laken gewassen worden. Het was zaterdag, wasdag. Ik drentelde in huis rond en zag haar door het keukenraam met een hoop natte lakens op haar arm, haar rug naar mij gekeerd, langzaam met een doek van recht naar links, in een ononderbroken beweging de wasdraad schoonmaken. Een gebaar dat zij toen vasthing aan mijn denken zodat ik later altijd eerst het laagje mos van de wasdraad zou verwijderen. Even later wapperden de lakens in de wind en het geluid van haar houten slippers op het tuinpad, luidde als klepperende ooievaars de lente in.

Alle zaterdagse karweien zaten er nu bijna op en ik zuchtte opgelucht.
Er moest alleen nog gekookt worden. Zoals iedere zaterdag zette ik een grote pot met water op het vuur en legde op het aanrecht een pak Mama Miracoli klaar. Na een lunch die even lang als de voormiddag leek te duren, reden we gedrieën naar de mandenmaker en in minder dan vijf minuten vond ik mijn mand. Een niet al te groot exemplaar, handgemaakt van ineengevlochten wilgentenen en bovenaan overtrokken met een felrode stof met witte kleine bolletjes. Zodat het oog geen toegang had tot wat er aan geheimzinnigs in opgeborgen lag. Een mand die zo vrolijk oogde en waarvan de witte bolletjes als katoenbloesems leken open te springen als je ernaar keek. Ah, ik was in de wolken en in een wolkenloze hemel reden we van de mandenmaker naar mijn grootouders waar de mand, het sluitstuk van een kindertijd, met dezelfde luidruchtige uitbundigheid onthaald werd als mijn voort jubelend innerlijk gezang. Geuren van citroen, anijs en oranjebloesem hingen in de lucht. De mand werd door mijn grootmoeder tegen het licht gehouden en langs alle zijden gekeurd. En met haar ogen half dichtgeknepen zegende zij prevelend de nog onbekende loop van de rivier in het wilgenriet. Voorzichtig schoof ze daarna het bolletjes doek opzij en uit de zak van haar gebloemde voorschoot haalde ze een appelsien waarop ze wat kachelroet streek en legde hem plechtig in de mand. Ah! En ik hoorde hoe in het riet de rivier begon te stromen en boog mij over de mand en meende in het water de klank te horen waaruit de mensheid werd geboren. Op een verre oever, tussen het wilgenriet verscholen, braken kievietseieren in hun nest. En zij, die haar eigen kindertijd op een rivierboot tussen bergen steenkolen had doorgebracht en wist wat de geur, de kleur en het sap van deze vrucht waard was, bezwoer me dat de zwarte korrel van de steenkool en de poriën in de huid van een sinaasappel altijd al aan elkaar verwant waren geweest. En ah, in de boomgaarden was de sinaasappelpluk nog niet begonnen, maar toch lag de eerste vrucht al gezegend in de rieten mand.

Windmolens

Le Moulin de la Galette (Vincent Van Gogh)

 

‘Welke reuzen?’ zei Sancho Panza. ‘Die daar,’ antwoordde zijn baas, ‘met die lange armen, die bij sommigen wel bijna twee mijl lang zijn.’ ‘Kijk uit wat u doet, heer,’ antwoordde Sancho. ‘Die dingen in de verte zijn geen reuzen maar windmolens en wat armen lijken zijn de wieken, die worden rondgewenteld door de wind en de molensteen laten draaien.’

 

Gelijktijdig met de haan van Socrates, die bij het krieken van de dag begint te kraaien, vervuld als hij is van levensplicht, stapte je uit je bed.

De ene dag wat vreugdevoller dan de andere. Vandaag was alles echter anders dan de andere dagen. De haan kraaide niet en je voelde dat er op de rand van het bed naast hem iets anders was opgestaan. Iets dat rammelde en piepte en zich met getrokken degen in een Middeleeuws harnas door de kamer voortbewoog.

Je trok je loopschoenen aan. Wat wilde hij? Een duel? Nooit eerder was het bij je opgekomen dat je jezelf nog eens zou moeten verdedigen tegen de verschijning van een harnas. Verdedigen? Tegen wie of wat? Een leger van denkbeeldige en illustere vijanden geschapen in de illusies van de geest diende zich in colonnes aan.

Als kind was je ervan overtuigd geweest dat iedere mogelijke tegenstander, een woeste hond op de weg, een losgebroken stier, een bokkend paard, je onmogelijk konden raken, zolang je maar in de metafysische kern van de dromen verbleef, waar een fysieke vorm van verdediging of een gewapende interventie in de realiteit niet nodig was. Naderhand, met het opgroeien, bleek deze techniek niet waterdicht of je beheerste hem niet genoeg. En er ontstonden scheuren in het droom-membraan dat tussen jou en de wereld om je heen trilde, je afschermend van de wereld. Toch hield je vast aan het idee dat zowel ieder gevecht als de verdediging, volslagen nutteloos was. Net als de nobele ridder Don Quichote die met zijn knecht Sancho Panza tegen de windmolens van La Mancha ten strijde trok. Maar daar stond hij dan, uit het rijk der doden verrezen, in zijn rammelend harnas om je van het tegendeel te overtuigen Natuurlijk had je voor zijn gevecht in La Mancha een grote bewondering opgevat. Maar nog meer dan van het gevecht, hield je van de windmolens waartegen hij tekeer ging. Alleen, hoe kon je die dingen aan een harnas uitleggen? Terwijl je nadacht, trok je de veters van je loopschoenen strak en stapte in de auto voor een verre rit.

Op die late namiddag, keerde je na wat een lange dag was geweest langs weiden en akkers met maïskolven, suikerbieten en Van Gogh-stoppelvelden naar huis terug.
In het Westen ging een rode immense bol aan de horizon onder en langs de kant van de autosnelweg draaiden de zeilen van de immense windturbines zich om. De rotatie van de bladen wekten een stroom van energie in je op en je begon te neuriën. En met de voortgaande melodie voorvoelde je een overwinning op een materie die met het oog niet waarneembaar was. Een voorstelling van beelden drong zich op en flitste als dia’s op de roterende wieken voorbij: om hun as wentelende Tibetaanse gebedsmolens, windmolens vereeuwigd op het doek van Oud-Hollandse meesters, watermolens handgeschilderd op keramieken tegels in het Delfts blauw van Vermeer, papiermolens, een pepermolen in de vorm van een teerling, het Ex-libris van romanschrijver en volkskundige Isidoor Teirlinck waarop een molen in relief stond gedrukt, vergezeld van een geheimzinnige spreuk: ‘Met de winden draei ic – Met de seijlen swaei ic – Op een teirlinck stae ic’… En alsof het lot je een teerling toewierp, draaiden de witte bladen van de windturbines steeds sneller, schepten je op en bleven versnellen terwijl overal flarden muziek doorheen stroomden en je één moment lang als door een geluidsmuur een moment van eeuwigheid binnenreed.

Tot het stromen en de muziek verdwenen in de weiden, de korenvelden en de Delfts blauwe lucht achter de molens die alles, gans het leven op hun zeilen namen, als tedere, molenwiekende armen, en alsmaar verder draaiend stond Don Quichote de La Mancha op in zijn harnas en richtte de punt van zijn blikkerende lans in het sublieme radarwerk van de tijd.

 

Wees liever de troostende engel van mijn familie

Wanda Toscanini en haar vader Arturo Toscanini net gearriveerd in New-York op 23 februari 1933. (Foto: Gettyimages, Bettmann)

 

Als dochter van de wereldberoemde dirigent Arturo Toscanini was er merkwaardig genoeg geen muziekcarrière voor haar weggelegd maar een voetnoot in de geschiedenis van de muziek werd ze allerminst. Wanda Toscanini. Haar naam alleen al klinkt als muziek. Muziek die ze echter nooit zelf heeft kunnen maken. In haar jeugd speelde ze piano, maar haar vader, de grote Toscanini, kon geen enkele valse of verkeerd aangeslagen noot verdragen. Een valse noot was ‘als een dolk in zijn maag’. Als dirigent was hij gevreesd om zijn woedeuitbarstingen en stelde zowel aan zichzelf als aan zijn musicerende naasten de grootst mogelijke eisen. Van solisten en zangers vroeg hij het uiterste. Een absolute toewijding en passie voor de muziek waren zijn stokpaardjes en niet alleen wanneer hij als dirigent in alle grote operahuizen van de wereld, op de bok stond.
Zijn muzikale standaard, die het hoogst mogelijke belichaamde, gold voor alles en iedereen, en misschien nog het meest voor zijn eigen kinderen.Voor minder getalenteerde mensen was er in zijn omgeving geen plaats. Muzikanten die er niet in slaagden de juiste toon uit hun instrument te halen bedolf hij onder een salvo van schunnige beledigingen die hij uit de volksbuurt van Parma waar hij als kind opgroeide had geleerd. Uit angst of ontzag boden de onfortuinlijke musici, bedolven onder zijn door muzikale passie ontstoken vuurspuwende blikken en scheldpartijen, geen enkele tegenstand, maar bogen het hoofd en ondergingen deemoedig hun lot. Arturo Toscanini was ook een voorstander van de welbeproefde onderwijsmethode: ‘wie niet horen wil moet voelen’ en sloeg volgens ooggetuigen af en toe zijn dirigeerstok op het hoofd van een onwillige stuk.

Ook het omgekeerde gebeurde, dat de dirigeerstok niet op iemands hoofd brak, maar in tegendeel een onderdeel van het hoofd werd, als een soort verlengstuk van het geheugen dat een eigen leven begon te leiden. De getuigenis van de bariton Robert Merrill in ‘Toscanini, The Maestro’, een documentaire van Peter Rosen, is hiervan een beklijvend voorbeeld. Robert Merrill vertelt dat hij tijdens een repetitie van La Traviata waarin hij de rol van Giorgio Germont zingt, tijdens het duet met Violet in het tweede bedrijf, een terugkerend probleem ondervond met een tegenmaat in de zin ‘Siate di mia famiglia l’angiol consolator’. Toen Toscanini dit hoorde legde hij het orkest stil en riep Merril bij zich. En terwijl hij de bariton de frase opnieuw liet zingen, gaf hij met zijn dirigeerstok zachtjes op Merrill’s hoofd tikkend, de downbeats aan. Tot op heden voelt en hoort Robert Merrill als hij het duet moet zingen, en hij zong het ondertussen een honderdvijftig keer, Toscanini’s dirigeerstok, zacht het ritme tikken op zijn hoofd. ‘Siate di mia famiglia l’angiol consolator.’ (Wees liever de troostende engel van mijn familie.)

Wanda herinnerde zich van haar jeugd vooral het geschreeuw en getier van haar vader wanneer zij aan de piano zat te oefenen en de noten correct probeerde te spelen of te zingen. Ze bezat volgens eigen zeggen een mooie stem waar ze graag operettes mee had willen zingen en nam in het geheim zanglessen. Eén keer trad ze op onder een pseudoniem en bracht met succes de aria ‘Ah fors’ è lui’ uit La Traviata van Verdi. Jammer genoeg bestaat er geen opname van.Toen haar vader het vernam wilde hij niet dat een telg van Toscanini een tweederangszangeres zou worden en verbood haar het zingen. Zij gehoorzaamde hem omdat ze niet in haar talent geloofde en daarmee kwam aan de droom van Wanda om een operazangeres te worden abrupt een einde. Misschien kreeg zij sindsdien in haar gelaatsuitdrukking die kenmerkende gestrengheid die door de tijd heen iets onverbiddelijk weerspiegelde. Een verbeten en verborgen bittere noot die niemand ooit zou horen en door niets of niemand meer te kraken was. ‘Ah, fors’e lui’! ‘Addio il passato’, klonk het antwoord in mineur. Ze trouwde met Vladimir Horowitz, die de grootste pianist van zijn tijd werd genoemd, en werd zijn impresario, beschermer en toeverlaat. Ook toen Horowitz gedurende zijn leven, vier periodes, de laatste duurde twaalf jaar, niet meer kon of wilde spelen en hij in de lethargie van een depressie verzonk, bleef Wanda bij hem. In een documentaire over Vladimir Horowitz zag ik, tijdens een televisieopname in hun woonkamer, terwijl hij weer vrolijk en als herboren aan het spelen was, hoe zij zich schertsend achter de deur van hun woonkamer verborg. ‘Opdat ze niet volledig door hem betoverd zou zijn.’ Maar Wanda was toen al heel lang betoverd. Ondanks de turbulenties en het feit dat Horowitz van mannen hield bleven ze tot het einde van zijn leven samen.

Velen vreesden haar om haar temperament en soms bars, onbehouwen optreden. Maar er school ondanks een verbeten pijn, ook humor en speelsheid in haar voorkomen. Haar gezicht had de scherpe contouren van een Romeinse camee en in de uitdrukking van haar ogen was steeds een levendig steekspel gaande, zelfs wanneer ze niet aan het woord was. Iedere tegenstander, een ware of een vermeende, zou verbaal, bij voorbaat het onderspit delven. Er ging een grote scherpte in haar schuil die zich niet alleen in haar getraind en feilloos oor bevond, maar tekenend was voor haar. Ze werd door journalisten al even gevreesd voor haar bits optreden als haar vader wanneer hij met ijzeren hand een orkest dirigeerde. Had ze anders kunnen zijn? Ik geloof het niet. De tragiek van haar leven kwam nooit aan de oppervlakte maar ging als een peillood de diepte in. Over het overlijden van hun enige dochter Sonia in 1974 sprak ze nooit en kwam het wrede afscheid ook niet te boven. De muziek was haar redding. Het verdriet en de vreugde ondanks het spijt, vormde haar tot wie ze was. Het hoofd lichtjes afgewend, voor altijd gebogen onder het gebod van haar vaders dirigeerstok: ‘Siate di mia famiglia l’angiol consolator. ’ Even aanwezig als afwezig, onuitwisbaar als de pas geslepen punt van een zwart potlood drukkend op een onbeschreven blad. Wanda Toscanini overleed op 24 augustus 1998 op negentigjarige leeftijd. Moge zij rust gevonden hebben, als na de laatste noot van Verdi’s partituur.
‘Addio del passato! Ah, fors’e lui!’

De dame met de kersenrode laarzen

Foto: Henry Cartier-Bresson

 

Het had Charlotte Mutsaers kunnen zijn, de dame met de kersenrode laarzen, die zo gezwind de straat overstak. Ze leek een beetje op de schrijfster maar ze hield geen Fox Terrier aan de lijn. Toch bewoog zij zich voort alsof er een aangelijnde viervoeter voor haar uit liep. Alleen zag niemand wat het precies was dat haar voorttrok aan die lijn. Ze moet een jaar of zeventig geweest zijn en stak zo opvallend energiek het zebrapad over dat ze van haar leeftijd geen weet scheen te hebben. Kaarsrecht haastte ze zich met grote passen door het vizier van de stad. Gehuld in een zwarte jas, kersenrode laarzen tot aan de knie en twee touwtjes, de teugels van een papieren tas, tussen wijsvinger en duim geklemd. De wind golfde door haar in lagen opgeknipt kort ravenzwart haar. ‘Mevrouw,’ wilde ik haar vragen, ‘vanwaar die kersenrode laarzen, het elan van vrijheid dat u bij elke pas verspreidt, uw Louis Bourgeois jas? Vanwaar deze elegantie, zoals ik lang niet meer in het straatbeeld zag?’ Maar als een voorbode van de polar vortex stak de eerste gure windvlaag op, die haar in de rug nog sneller voorwaarts duwde, en mij aan de overkant van het zebrapad, voor ik haar kon inhalen, al in een andere richting blies. En voor ik haar daadwerkelijk kon vragen: ‘Mevrouw, waar gaan die laarzen met u heen? Wie heeft uw haar zo dreigend mooi geknipt?’ was ze met het aangelijnde dier alweer uit mijn gezichtsveld verdwenen.

De tijd van een kattenbelletje

 

girl with horse

 

Beste Charlotte, na veel tumult over paarden, ezels, losers en winnaars:

Toch nog maar even een kattenbelletje omdat het sinds Harnas van Hansaplast geleden is dat ik er nog eentje schreef. Ik stuur het je maar niet op omdat het uiteindelijk langer werd dan verwacht! Enkele dagen terug werd me onverwacht een bijzonder voorstel gedaan. Op het wereldwijde web las ik een advertentie waarin iemand een gepassioneerd verzorger voor vier ezeltjes zocht. Nu was ik wel op zoek naar een leuk bijbaantje maar omdat ik meer een paardenmens ben, en bij gebrek aan plaats nog steeds geen paard had, opperde ik dat ezeltjes mennen misschien een even fijne bezigheid was. En stelde me de vraag wat er op termijn het beste was: het gehinnik volgen van een paard dat ergens op een onbekende vlakte galoppeerde, of het nabije gebalk van vier ezeltjes in een wei? Het antwoord van de kandidaat-sollicitant werd pas maandagochtend verwacht. Het was vrijdagavond en ik had nog twee dagen voor de boeg om uit te puzzelen wat het zou worden.

De volgende ochtend reed ik met de fiets naar een plek, niet ver buiten de stad, om met de vier ezeltjes in hun habitat kennis te maken. Het was uitzonderlijk helder weer en vanuit de hemel landden er luid snaterend twee wilde ganzen in de ezelweide neer. Een beeld als uit een sprookje, waarin alleen Nils Holgersson ontbrak. De ezels stonden tegen elkaar aan en keken onverstoord de wereld in. Ik maakte wat klikgeluiden zoals dat gewoonlijk bij paarden gedaan wordt om ze te roepen, maar de dieren bleven onbeweeglijk voor hun stal staan. Misschien was de weide te drassig om er doorheen te lopen maar toen er na een kwartier nog geen beweging in de ezels kwam vroeg ik me af wat ik daar deed en kwam het me voor alsof er geen vier maar vijf onbeweeglijke dieren stonden. Aan de overkant van de landweg kwamen twee mannen uit een witgeschilderde, honderd jaar oude hoeve naar buiten. Een van de ezels liep onmiddellijk op hen af, maar de beide mannen stapten in hun auto en reden weg. Ik probeerde de ezel die nu een armlengte van mij verwijderd was dichterbij te lokken met dezelfde klikgeluiden als voorheen en kon net even zijn snuit aaien vooraleer hij zich omkeerde en sloom naar de stal terug wandelde.

Hadden deze ezels mij wel nodig? Was ik degene die hun stal met passie zou uitmesten, het hooi zou aanvoeren, de drinkbakken met vers water vullen (een ezel drinkt tot 20 liter per dag en dit maal vier) hun vachten kammen, keitjes en anderen onnuttige dingen uit hun hoeven krabben, de oren masseren, ze voorzichtig de halster omdoen, om hen met rieten manden bepakt langs afgronden te leiden waaruit alleen nog de echo’s van gebalk weerklonken? Beste Charlotte, ik wist het niet.

Zonder de ezels te groeten nam ik mijn fiets en vloog als een pijl uit een boog naar de vogeltjesmarkt en kocht een pak kaaskroketten bij Polle de geitenhoeder. Ineens twaalf stuks.  ‘Niet tegen elkaar leggen als je ze gaat invriezen, anders breken ze bij het ontdooien’, zei hij, om hun teerheid bezorgd.  ‘Het is om direct te nuttigen, Polle’.  ‘Ah!’ antwoordde hij en sloeg begripsvol zijn ogen ten hemel. Ik legde de kroketten voorzichtig op de bodem van mijn tas en ging er alsof ik ontzettend gehaast was, onmiddellijk vandoor. Zenuwachtig tussen de marktstalletjes laverend vroeg ik me opnieuw af wat ik met het voorstel aan moest en het gevoel een menner te zijn die het dier dat als maar voor hem uit draafde, maar niet te pakken kreeg, liet me niet los.

Ik raakte buiten adem, mijn arm was moe van de lasso draaiend in de lucht te houden en het duizelde in mijn hoofd. De buitenlucht, de ezels en de neerstrijkende wilde ganzen waren me naar het hoofd gestegen. Intussen ging er in de secretaire van mijn prefrontale cortex een lade open en hup daar schoof de naald van mijn moeders pick-up over een willekeurige plaat en denderde John Denver op een bokkende, rosse merrie voorbij. ‘Country roads, take me home, to the place I belong, West Virginia Mountain mamma, take me home Country roads.’
Denver zat stevig in het zadel en toen de plaat een paar toeren in mijn hoofd had rondgedraaid en hij in het opvliegende stof zijn dier de sporen gaf, viel er iets uit mijn rechteroog dat op een grove, schurende zandkorrel leek.  ‘All my memories, gather round her modest lady, stranger to blue water. Dark and dusty, painted on the sky, misty taste of moonshine, teardrop in my eye.’ Ik stond voor een berg witte bloemkolen, netjes uitgestald en besefte dat hoeveel rondjes Denver ook zou draaien, met een carouselpaard raakte ik nooit over deze berg heen. Maar welk dier moest het dan worden, een ezel of een paard? Een muildier was er niet. De lasso sleepte achter mij door het stof over de grond. Beste Charlotte, ik wist het niet.

Het leek me tijd voor een cappuccino bij een van de laatste Che Guevara getrouwen. Een van oorsprong Italiaanse man die enkel koffie brandde van bonen die op een eerlijke manier in Zuid Amerika verbouwd en verhandeld waren. Alles wat hij verkocht was biologisch en Fair Trade. Rijk zou hij er niet van worden maar gelukkig misschien wel. Het viel me op dat zijn gezicht spitser was dan de laatste keer dat ik hem zag. Zijn Vermeers blauwe ogen waren enkele tinten bleker dan de lucht boven zijn coffeetruck, waar het melkmeisje van de zon schuimende roomhartjes in kartonnen bekers schonk. Ik bestelde een cappuccino (er was keuze tussen gesuikerde, ongesuikerde soja-, amandel-, hazelnoot- of havermelk en marshmallows als topic) en ging in de zon aan een tafel, naast twee grasgroene, keuvelende jongens zitten.

Ze hadden het over de hipste plaatsen in de stad. Hotspots waar een barista op twintig verschillende manieren een perfecte espresso kon maken, de laatste Latte-art technieken in de vingers had, blaadjes en hartjes in minuscule kopjes macchiato achterliet en waar je, indien gewenst, ook nog een passende hippe snack bij je koffie kon krijgen. Een van de jongens vertelde dat hij plaats x niet graag meer bezocht omdat hij, als hij er rond keek, het gevoel had niet goed genoeg te zijn om zich tussen de habitués te bewegen. Zijn opmerking trof me, omdat het zo’n jongen was waarvan ik dacht dat hij net overal zijn draai kon vinden. Maar meer nog trof me het idee dat je ergens kon gaan zitten waar je voor anderen misschien niet goed genoeg was. Het was iets wat ik steeds vaker hoorde: dat mensen zich in het algemeen niet goed genoeg voelden. Ik had me graag in het gesprek willen mengen om het tegendeel te beweren, maar begreep uit eigen ondervinden dat het allemaal niet zo eenvoudig lag. Als we ons ergens niet comfortabel voelen is het misschien onze plek niet, maar dat iemand niet goed genoeg zou zijn voor zoiets banaals als ergens een koffie drinken? Het gesprek tussen de twee jongens ging verder en ik hoorde hen nog over andere vrienden praten waar het ook niet best mee ging. Dertigers die zich ongemakkelijk in hun vel voelden en waar de jongens zich echt zorgen om maakten. Aan de andere kant van de rij met tafeltjes zat een dichter die in mijn buurt woonde naar de zon te kijken.

Het werd steeds duidelijker dat we in een wereld leefden waarin een keurslijf van druk en een streven gecreëerd werd waar heel veel mensen niet meer in pasten. Hoge verwachtingen werden niet ingelost en steeds vaker zagen mensen geen enkele andere uitweg dan er zich uit te wringen op de meest tragische manier. Volgens psychoanalyticus Paul Verhaeghe was ‘loser’ vandaag het voornaamste scheldwoord op de speelplaats. ‘Omdat iedereen een winnaar wil zijn.’ Ook op de arbeidsmarkt waren holle woorden dagelijkse kost: competentie, scoren, targets, flexijobs. Voor elke baan werd een polyvalente duizendpoot gevraagd, als het mocht in regenboogkleuren of geur- en genderloos. Robocop in een maatpak, werkoverall of in een plooirok van glitter, armzalige werkkrachten voor een prikje op de menselijke slavenmarkt gekocht. Zo hielden wij allemaal samen, met een hoofd van pijn verdraaid en een schuimend bit, in een wolk van stof, de carrousel draaiend.
Beste Charlotte, dit was het leven niet.

Bedrukt dronk ik mijn cappuccino op en mijn oog viel, als volgde het van alles een natuurlijk vervolg, op de kop van een krantenartikel: ‘Drie sterren? Nee, bedankt.’ De Franse drie-sterrenchef Sébastien Bras van het restaurant Le Suquet was er als eerste in geslaagd zich uit de Michelingids te laten schrappen. Hij wilde hiermee aan het publiek duidelijk maken dat hij geen sterrenchef meer wil zijn. Bras is de zoon van een van de grootste vernieuwers van de Franse keuken die als de meest invloedrijkste chef ter wereld wordt beschouwd. De druk om op hetzelfde niveau te blijven presteren was voor de zoon onhoudbaar. Van zijn twee collega’s Bernard Loiseau en Benoît Violier wordt beweerd dat ze uit het leven stapten omdat ze de druk niet aankonden. Bras besefte dat de sterren eerder ‘een rem dan een motor waren geworden.’ De vraag of het allemaal goed genoeg voor die of die inspecteur zal zijn, doet er niet meer toe. Het zal goed genoeg zijn voor hem en de smaakpapillen van de klant. Het voor anderen goed genoeg moeten zijn, is een race die je op lange termijn nooit kan winnen en gelukkig heeft Bras dit op tijd begrepen. Zijn beslissing toont de andere kant van een medaille waar sterren van een ander firmament zijn werk even stralend zullen bekronen.

Maandagochtend, klokslag zes uur. De twee dagen die ik nodig achtte om uit te puzzelen wat het zou worden waren in gemijmer en gedraaf voorbij gevlogen.
Ik moest een mail naar de dame versturen. Een ver paard of een vier ezels balkend in een nabije wei? Zoals ik zelf kon raden bleef het antwoord uit. Puffend en zuchtend, de wanhoop nabij sloeg ik Kersebloed En Paardejam’ open en trof op de laatste bladzijden het bevrijdend signaal: ‘Als het woord vlees wordt, hinnikt het paard’. En hup weer was ik vertrokken, voor een paar uur van de twijfel gered: of het een paard of ezel zou worden deed er even niet toe, en een muilezel was er nog niet.

 

 

 

Geraadpleegde bronnen:

*Charlotte Mutsaers: Harnas van Hansaplast. Das Mag, Amsterdam 2017
& Kersebloed En Paardejam. Meulenhoff, Amsterdam 2000

*Paul Verhaeghe in De Tijd (11.02.2012) ‘We genieten ons te pletter. Maar niemand is  tevreden.’

*Bruno Vanspouwen in De Standaard (31.01.2018) Drie sterren? Nee, Bedankt

Het olifantje van Bernini (of het kuikentje van Minerva)

Houtsnede uit het boek: Hypnerotomachia Poliphili, Fancesco Colonna 1499

 

Het feest was voorbij, de porseleinen borden en kopjes stonden nog op de tafel.
Eén bord, één kopje, bleven onaangeroerd. Er kwamen twee monniken en een olifant binnen.

Ondanks de melancholie die mij overviel toen het feest weer voor een jaar voorbij was, de grijze lucht die nu al meer dan zes weken alles bedekte en de wachtkamers van de psychologen voller liet lopen dan het jaar ervoor, was ik toch weer wat opgemonterd door de komst van de kloosterlingen en Bernini’s olifant.

In het jaar 1665 vonden enkele Dominicaner monniken tijdens graafwerken in de tuin van hun klooster dat op de ruïne van een tempel was gebouwd, een Egyptische obelisk. De 5,47 meter hoge obelisk vervaardigd uit roze graniet droeg de inscripties van farao Apriës en dateerde uit de periode 589-570 v. Chr. Vermoedelijk werd hij van de stad Saïs, de toenmalige hoofdstad van Egypte, naar het Marsveld in Rome gebracht en opgesteld in de Tempel van Isis en Serapis. Paus Alexander VII, een kunstminnend geestelijke, besloot de obelisk op het plein voor de gotische basiliek Santa Maria sopra Minerva te plaatsen en schreef een opdracht uit om een basis te ontwerpen die als ondersteuning moest dienen.

Beeldhouwer en architect Gianlorenzo Bernini kreeg de opdracht de sokkel voor de obelisk te ontwerpen en liet zijn oog vallen op een olifant. Vermoedelijk liet hij zich inspireren door een illustratie uit de ‘Hypnerotomachia Poliphili, of ‘De strijd van Poliphili om liefde, in een droom’, een novelle in 1499 geschreven door Francesco Colonna, verlucht met 135 houtsneden, en uitgegeven door de drukker Aldus Manutius, een Venetiaanse humanist. In het boek ontmoet het hoofdpersonage Poliphili in zijn droom, onder andere, een olifant met een obelisk op zijn rug. In het eerste ontwerp van Bernini steunde de obelisk rechtstreeks op de vier poten van de olifant die als sokkel diende. De paus verwierp het ontwerp omdat het niet stabiel genoeg zou zijn en gebood Bernini de poten te verkorten alsof het geen kunstwerk maar een tafelblad betrof. De beeldhouwer gaf toe en in een laatste poging om zijn oorspronkelijke, elegante olifant te redden, legde hij een zadelkleed over de rug dat de korte pootjes en plompheid die het beeld uitstraalde moest verbergen.

Het beeld bleef echter plomp en het symbool van de olifant dat voor kracht en wijsheid stond en de inscriptie droeg: ‘Documentum intellige robutae mentis esse solidam sapientiam sustinere’ (Het vereist een krachtige geest om de last der wijsheid te dragen.) werd door de Romeinen spottend, il porcellino, het varkentje genoemd. Later kreeg het in het Romeinse dialect de naam Pulcino (kuikentje) van Minerva toebedeeld. Het beeld werd dus alsmaar kleiner en schattiger in de ogen van de toeschouwer.

Terwijl ik de afbeelding van Bernini’s olifant met de drukprent in het boek van Francesco Colonna vergeleek, hoorde ik uit de belendende kamer, die als keuken dienstdoet, een geweldig klap.
De ganse verdieping daverde, schudde en trilde, de plankenvloer kraakte onder mijn voeten. Het leek wel een aardbeving. Ik liep naar het raam en keek naar de overkant van de straat waar werkmannen met een kraan stalen balken in de grond aan het drijven waren. Buurvrouw Mia stond aan het raam met haar handen over de oren. Maar de trillingen kwamen niet uit de muil van de straat. Ik zuchtte en vloekte en ging naar de plek waar het onheilsgeluid vandaan was gekomen en vond in de keuken, voor de openstaande kastdeur, een grote stapel borden op de grond. De borden stonden al jaren in die kast en waren door de trilling van de grondboringen tot aan het punt opgeschoven waar de zwaartekracht het van de stapel had gewonnen en de borden als een toren naar beneden waren getuimeld.

Geen enkele schadeclaim zou het beeld van dit vernield servies ooit kunnen dekken.

Het porseleinen servies dat eerst aan mijn overgrootmoeder en daarna aan mijn grootmoeder had toebehoord kwam twee jaar geleden, naar aanleiding van een verhuizing van mijn zus, die de hoeder van ons verleden was, bij mij terecht. Zij had geen plek meer gevonden om het op te bergen en de dozen waarin de breekbaarheid van vier generaties in 36 stuks in krantenpapier verpakt zat, waren haast niet te tillen. Dus haalde ik er een aantal borden uit en borg ze op in de kast.

De borden toonden sporen van een intens gebruik maar toch bleef er binnen het witte vlak van de met fijne rozenknopjes versierde rand, die enkel het gekras van messen en vorken prijsgaf, iets stralen dat zich met geen enkel afwasmiddel weg liet spoelen. Ik hield eraan de borden iedere dag te gebruiken zoals de grootmoeders het hadden gedaan. En vroeg mij vaak tijdens het avondmaal af waar deze wondere, voor mij heilige wezens, toch heengegaan waren en onder welk gesternte ze herboren waren? Maar hoe lang ik ook van mijn bord, waarop in tijden van hoge morele nood meestal een garnaalkroket lag, vergezeld van een toefje peterselie en een schijfje citroen, naar de hemel tuurde, nooit kon ik hun schittering ontwaren. Ook niet bij de blauwe supermaan van vannacht. Het leven aan hun zijde was een doorlopend feest geweest, van ontbijt tot avondmaal. Maar zoals ieder feest was het op een bepaald uur afgelopen en waren gastvrouw noch genodigden teruggekeerd. En restte mij enkel nog het geluk van diegenen, die net als ik op een dag, nadat ze hun bord leeggegeten hadden, in het wit gekraste vlak, met guirlandes van roze bloemenknopjes en groene blaadjes versierd, een glans hadden ontdekt die onuitwisbaar de glans van gastvrijheid was. Het servies van zesendertig borden, soepkommen en terrine, de koffiekoppen en het zilveren bestek kende sinds zijn intrede in 1939, geen enkele ongenode gast. Daar was ik door de grootmoeders van overtuigd geweest als was het een onweerlegbaar wetenschappelijk feit. Mijn maag kromp ineen van heimwee bij de aanblik en mijn hart bleef maar breken tot het naast de borden in scherven aan mijn voeten lag. Zo eindigde het jaar 2017, en kwam nog voor 2018, de olifant van Bernini de huiskamer binnen.