Koren

Jean-Antoine_WatteauCeres_ou_l'été_(1717-18)

 

‘For those cities that were great in earlier times must have now become small, and those that were great in my time were small in the time before….Man’s good fortune never abides in the same place.’ Herodotus, Historiën

 

 

Gisteren liep ik met een vierjarig meisje op mijn rug van het eilandje waar de flamingo’s van de zoo op één poot, glinsterend in het goudroze water, verkoeling zochten – want het was al vier weken 30°C – over De Keyserlei en het stoffige plein van de Vlaamse Opera dat nog steeds opengebroken lag, naar een bushalte aan de Franklin Rooseveltplaats. Het meisje, Oona, had tijdens het wandelen twee blaren op haar hielen gekregen en kon niet meer lopen zonder een schurende pijn te voelen. Ik stelde voor haar te dragen, spelenderwijs, gelijk een kangoeroe maar dan in een buidel op mijn rug want je wil niet dat een kleuter van vier jaar pijn moet lijden. Ze ging op een bank staan en hup, met een sprongetje voelde ik het vederlichte gewicht van een vierjarige. Meteen dacht ik aan al de reizen die ik vroeger met de rugzak had gemaakt. Dit gewicht was iets heel anders, een klein levend wezen, een reis die nog moest beginnen, nog in de kinderschoenen stond, zonder bagage, alleen een bloemenkleedje droeg, gekleurde kralen rond de hals en gouden sandalen die nog vleugels moesten worden. Sprankelende bruine, samengeknepen oogjes, gedachten en woorden die nog niet door de ziekten en kwalen van het leven waren aangetast.

Onder het lopen verscheen op het display van mijn gsm een bericht van mijn zus: ‘Waar ben je?’ Ik antwoordde dat ik met Oona in de zoo was en op de terugweg naar huis. Oona, die door de autocorrector op het display van mijn gsm Mona werd. Een romantisch schilderij. Een mini-versie van de Mona Lisa voor ze als portret uit het oog van Leonardo da Vinci geboren werd.

Zo liepen we door het stof en de hitte. Ik hoorde haar zingen, haar armpjes rond mijn nek en het was alsof ik terug in Heliopolis, Delphi, Pompeii en zoveel andere kleine en grote of – zoals Herodotus in zijn Historiën beschreef – verdwenen steden, met een kind gelijk een kruik vol dromen en grootste verwachtingen door een naar appeltabak geurende straat liep. Voetafdrukken smolten in het asfalt. Zoekend naar een door iedereen verlaten bushalte vanwaar een versleten vehikel ons weer naar andere steden en dromen zou voeren, waar weer hetzelfde stof en dezelfde hitte aan ons zouden kleven en het zingen ergens onderweg, in de droogte van de woestijn, die we altijd overleefden, weer de boventoon kreeg. Het tochtje van de zoo naar de bushalte duurde nog niet eens een half uur maar we waren alle twee onuitgesproken blij toen we op het fluwelen zitje van de stadsbus mijn lichte vermoeidheid en haar bloemenkleed konden uitspreiden.

Ik dacht aan alle vaders en moeders die met hun kinderen hun thuisland hadden moeten ontvluchten. De ontberingen die ze onderweg moesten doorstaan, in het achterhoofd slechts een povere hoop dat hun elders een veilig onderkomen wachtte. Aan een welkom dachten ze waarschijnlijk niet. De geestelijke en fysieke hel van de overtocht; je kind dat honger en dorst heeft, uitgeput is, niet meer kan lopen en dat je uiteindelijk niet meer kan dragen omdat je draagkracht het begeven heeft. Het alleen aan de elementen overgeleverd zijn. Opeengepakt in een boot, erger als dieren tijdens een transport.

Terwijl er een andere mogelijkheid was, als we zoals Holden Caulfield uit The Catcher in the Rye zouden kunnen zijn, die in een wederkerende droom aan de rand van een (humanitaire) afgrond ging staan: ‘Ik zie de hele tijd een heleboel kinderen voor me die een of ander spel aan het doen zijn in een groot graanveld. Duizenden kleine kinderen en er is niemand bij – geen grote mensen, bedoel ik behalve ik. En ik sta op de rand van een of andere krankzinnige afgrond. En wat ik nou moet doen is dat ik ze moet vangen als ze in de afgrond dreigen te vallen – als ze dus aan het hollen zijn en niet kijken waar ze lopen, moet ik ergens vandaan komen en ze vangen. Dat is het enige wat ik de hele dag zou doen. Dan was ik dus de vanger in het graan. Ik weet dat het gestoord is, maar dat is het enige wat ik echt zou willen worden. Ik weet dat het gestoord is.’

 

Il gigante, Eugenio Montale

 

il-gigante-primi-anni

 

De vroege aanwezigheid van de zwaluwen had reeds de belofte van een warme zomer ingehouden en zoals ieder jaar verzamelde ik gelijk een vogel takjes en weggewaaide paardenharen om een nest te bouwen, een stapel boeken van Eugenio Montale, de dichter in wiens gezelschap ik de komende zomermaanden zou doorbrengen, wiens woorden zich in de blakende zonne-uren van mijn geheugen zouden etsen en die ik misschien op het einde van dit leven, langsheen een andere dimensie van het zijn, zou kunnen meedragen naar een volgende existentie.

Zo was je dus nooit alleen en verbleef je altijd in excellent gezelschap, zelfs al kwam je als een vleermuis hangend in een paardenstal terug. Het was nog maar eind juni en de lucht was iedere ochtend helder blauw. Er een waaide een zachte wind die de hitte overdag draaglijk maakte en de zwaluwen met hun lange, gevorkte staarten scheerden van zonsopgang tot zonsondergang rondjes langs de wolkeloze hemel.

Hun klaaglijk roepend geluid trilde in de warme lucht, alsof de vogels iets duidelijk wilden maken en ik niet kon begrijpen wat het was. (Een gevoel van heimwee overviel me. Er zullen dagen komen, dacht ik, spiegelglad en eentonig als de oppervlakte van de zee, waar niets nog zin lijkt zin te hebben. Die dagen zal je op een of andere manier van rots naar rots zwemmend te boven moeten komen.)

Vorige zomer was ik begonnen met het vertaalde werk, of eerder het geheimschrift van de dichter die in 1975 de Nobelprijs voor Literatuur kreeg, te ontcijferen maar de omvang en de fonetische complexiteit van het werk was zo groot dat ik aan een seizoen niet genoeg had en het misschien een levenswerk was om het werk te doorgronden. De uitgave van Jonathan Galassi, Collected poems 1920-1054 met de oorspronkelijke Italiaans versie naast de Engelse vertaling, was voorzien van tweehonderd voetnoten, sleutels eerder. De vertalingen van zijn voorganger William Arrowsmith die in 1990 in Parma de Montale prijs voor zijn vertaalwerk ontving waren niet minder noemenswaardig. Het weinige dat er van zijn omvangrijk oeuvre naar het Nederlands vertaald werd was daarbij vergeleken een peulschil maar getuigde van heldenmoed, want het werk was eigenlijk onvertaalbaar verklaard.
In de wetenschap dat ik een berg ging beklimmen nam ik met de stapel boeken plaats aan de keukentafel. In de partjes citroenen van het plastieken tafelkleed zaten gele pitten waarvan ik niet wist of ze het meest op tranen of zweetdruppels leken, ik dronk mijn koffie op en keek door het raam naar de onverzettelijke voet van Il Gigante, de zeegod Neptunus die tijdens een bombardement in de tweede wereldoorlog zijn armen, drietand en een gigantisch zeeschelp op zijn schouders verloor, maar nog steeds over de baai van Monterosso waakte.

Monterosso al Marre hing ten noorden van de Ligurische kust aan een steile hoge klif die enkel met de trein of te voet bereikbaar was. Op deze romantische, alleen nog in het verleden bestaande, van de wereld afgezonderde plek, bracht de dichter de eerste dertig zomers van zijn leven door. Zijn werk verklankt en verbeeldt de verzengende, de stille zomers en het uitzicht van op de kliffen waar de golven van een altijd veranderlijke en toch dezelfde zee in schuim uiteenspatten. In de stilte van dit kurkdroge landschap, het gezelschap van een hagedis op een witgekalkte muur, het geluid van de zee en het gezang van de cicaden vonden Montales gedachten hun dichterlijke vorm. Elke porie van zijn voelen werd tijdens deze uren in eenzaamheid en trage observatie doorgebracht, door de wind, het water en de lucht uitgeschuurd, gestreeld, gewassen. Druppelend hars van de pijnboom. Tot enkel nog het tsjirpen van de cicaden overbleef en zijn zingen dat zinderend in de middaghitte, tussen de branding van de rotsen, uit de olievlek-kleurige cimbalen van zijn omhulsel brak.

Op de noordelijke helling van de Punta del Mesco stond Het huis met de Palmen, de pagode die Montales vader liet bouwen toen de dichter negen jaar was. Een bries bewoog de schaduw van de twee palmen op de pastelgele muur, een jasmijnhaag omringde het huis met de tuin. Palingen flitsten er tussen het riet van een verborgen kreek. Langs de geërodeerde kliffen van de kuststad liep een oud wandelpad dat de vijf dorpen van de Cinque Terre aan de grens met de hemel met elkaar verbond, en van alle kanten een uitzicht bood op de blauwe spiegel van de Ligurische zee. De geur van de heuvels begroeid met tamarisken, druiven, citroen- en mandarijnbomen, buxusstruiken, rode cactusvijgen, de aloë vera met haar dikke puntige bladeren, waaide de reiziger die met de trein het kuststadje binnenreed door het opengeschoven raam tegemoet. Een hoofd stak door het treinraampje naar buiten en keek uit naar het teken: de witte zakdoek waarmee iemand door een van de vensters van Het huis met de Palmen zou zwaaien, dan gauw naar binnen liep, een pot water op het vuur zou zetten en een glas bronwater uitschonk, om de reiziger te verwelkomen, die moe was, dorst en honger had.

Ossi di Sepia, Inktvisschelpen, Montales eerste gedichtenbundel, gepubliceerd in 1925, was een afspiegeling van het landschap en zijn instinctieve, poëtische reflectie op al die elementen die hem omgaven. De golven en de getijden van de zee die in hem heen en weer klotsten. Het oor van de lezer dat een gigantische schelp wordt, op het strand aangespoeld en waar zijn gedichten als het klotsen van de golven doorheen klinken. Soms spoelde er een fles aan met een boodschap, steeds aan een andere en eendere liefde geadresseerd, zoals de altijd veranderlijke en steeds dezelfde zee.

De zee lag uitgestrekt voor me. Aan de vloedlijn stond op zijn blote voeten, de dichter. Een rots schroeiend in de branding. Hij streek met zijn vingers door zijn dikke bos stug haar. Hij hield een roos in zijn hand. De roos uit de kermistent.

Ik wachtte nog op iets waarvan ik niet wist of het nog zou komen en liep tussen het zeewier, het kurk en de aangespoelde schelpen op het keienstrand verder, vermoedde dat ik een mogelijke schipbreuk kon overleven en dat iedere storm het waard was geweest. De schaduw van de gigantische schelp stortte zich in duikvlucht van de klif over mijn schouders. Ik sloot mijn ogen en luisterde naar de roep van de zwaluwen, het trillen van de cimbalen waarin de muziek van Eugenio Montales poëzie resoneerde en als een koor van cicaden in de stilte van een zomerdag besloten lag.

 

 

 

 

 

 

 

Nacht

 

20170911_204605

 

De nacht is een vriend. Als je sliep, viel de tijd vanzelf stil.

Het tikken van de klok hield op en ging over in een ander ritme, volgde het metrum

van de harp in de maan. Op het nachtkastje lag je uurwerk dat je net voor het slapen had weggelegd en tegen de ochtend, met het schemerlicht dat door de gordijnen viel, als eerste voorwerp oplichtte. Een half geloken blik op de wijzerplaat en je hoofd, een labyrint van mogelijke dromen, trok zich terug in het ondoordringbare schild van dons. Op ochtenden dat je je versliep, vergat je het uurwerk om te doen en verliet je het huis zonder tijd. Seizoenen schoven in schaapjeswolken voorbij. Aan de lichte huidskleur van je linkerarm, waar het polsbandje zat, kon je zien hoe je armen met het opschuiven van de dagen donkerder kleurden. Op het einde van de oogstmaand was je huid het donkerst en werd van dan af aan weer lichter tot er bij de jaarwisseling geen kleurverschil meer was tussen je arm en het witte cirkeltje op je huid, waar als een harp in de maan, gewoonlijk de wijzerplaat van het uurwerk zat, en de tijd rond je pols, vanzelf, met alle dingen gelijk begon te lopen.

Manouche & Moustache

 

©Papusza & Muzeum Kultury Romów w Warszawie

Nog voor de zon opkwam zag ik een hond uit de hemel vallen en door het luchtruim van mijn geest zweven alsof hij in oneindige blauwe zee zwom. Na enige seconden naar de vliegende hond te hebben gekeken viel ik terug in slaap en een goed uur later kwam door een weideland met boterbloemen het woord Manouche me tegemoet. Het was lang geleden dat ik het woord nog had gehoord, maar nu stond het daar midden in de weide, alleen onder die blote blauwe hemel waar een uur geleden nog een hond uitgevallen was. ‘Manouche,’ riep ik. Alsof het daar zonder zijn kumpania verloren leek en dichterbij zou komen, maar het bewoog zich niet. Ik liep de weide in maar zag nergens een woonwagen of een vuurtje branden en ging tussen de bloemen zitten en wachtte met een grassprietje in mijn mond.

Maar het waren natuurlijk niet alleen de Manouche, die doorheen de velden in deze meimaand op bezoek waren gekomen, maar ook Moustache. De merrie die ik na een tuimeling, die een exacte kopie van de val van Icarus op het schilderij van Breughel was, dit weekend op stal moest laten staan en die nu bij het geratel van de karrenwielen haar hoofd opstak. Het speet me enorm dat ik niets meer voor haar kon doen. Haar manen kammen, haar voskleurige vacht borstelen of haar gewoon laten grazen in de zon. Het arme dier was vorige week tijdens de laatste rit van iets geschrokken dat voor een mensenoog niet zichtbaar was, een halve meter opzij gesprongen en gestruikeld, waardoor ik van haar rug gleed. De rest van het verhaal was een duizelingwekkende sterrenhemel boven de linkeroever bij klaarlichte dag en een licht vorm van acute stress.

De deurbel was genoeg om mijn hart een aantal tellen sneller te laten slaan. Het dichtklappen van een autoportier, een fietser die me onverwacht voorbijstak, een hand op mijn schouder, alles joeg me voor enkele seconden de stuipen op het lijf. Ik was zelf een schrikdier geworden en ging bij het minste geluid, bij het opvliegen van een blaadje, op de vlucht. Ik wilde de stadswallen die zich steeds dichter om mij heen sloten, ontvluchten. Maar verder dan het rangeerstation Spoor Noord raakte ik niet want daar stond voor de komende zes weken een woonwagen voor mij klaar, met dertien kleuters in.

Het was de week dat de Iraaks-Koerdische peuter Mawda tijdens een politieachtervolging door een politiekogel de dood vond en ik in de mobiele kleuterschool van de Sinksenfoor ging werken. Het zien van al die blije gezichten die in de kleurige woonwagen op kousenvoetjes binnen trippelden, maakte alles weer wat goed. Ondanks de gedachten aan grenzen, dranghekken en muren waar geen mens ooit overheen zou raken. Of je moest een vogel zijn of een hond die uit de hemel viel. Ik strekte me uit als na een korte, diepe slaap en liep over het gras naar de veerpont. Een wilde angst sprong op als een dier dat in een val was verstrikt, want ik wist dat wie eenmaal aan de overkant was nooit meer terug kon komen en terwijl ik zachtjes fluitend van de oever weg vaarde, wierp ik een laatste blik op Manouche en Moustache. Ruiter en paard in een veld van boterbloemen voor altijd tezamen.

Quarter Horse

Paint Horses in Texel, Eagles Ranch (Schermafdruk 18.05.2018)

 

Afgelopen week zag ik op de website van The Horsesense een filmpje dat de virtuele realiteit oversteeg. Iets wat normaal gesproken niet kon en waar iedereen sinds mensenheugenis altijd voor gewaarschuwd is. In één zin werd de omgang tussen mens en dier samengevat, een zin uit de prehistorie die ons door overlevering in het brein werd geprent, toen de dieren de mensen nog leerden praten. Een zin die van kindsbeen af in het geheugen als in een verse kleitablet was gekerfd: Nooit achter een paard gaan staan. En je wist onmiddellijk waarom.

De beelden in dit filmpje toonden echter iets anders. Een nieuwe waarheid. Een bontgevlekte Paint horse, zoals ik in spaghettiwesterns wel eens had gezien, en waar dus tot mijn ongeloof iemand achter ging staan. Die iemand was Cindy Handschoewerker. De naam alleen al, krachtig als de bron van Hippocrene die uit de hoefslag van Pegasus was ontstaan. Om de betrouwbaarheid van het dier te bewijzen nodigde ze vervolgens de reporter van het interview uit hetzelfde te doen. De interviewster aarzelde even maar ging toen achter de staart van het paard staan en legde ook nog haar hoofd op zijn rug. Het paard bewoog zich voor geen millimeter en ik was overtuigd. Zoiets had ik nog nooit gezien. Ergens in mijn brein schoof een voorouder naar voor, heftig met een verbodsteken zwaaiend, in een poging mij te herinneren aan wat er ooit was gezegd:

‘Nooit achter een paard gaan staan.’ Maar het was reeds te laat, ik was al op weg.

De zachtmoedigheid van het Quarter horse legde Handschoewerker uit, was eigen aan dit paardenras. Nadat haar zus een zwaar ongeluk kreeg met een volbloed ging ze op zoek naar een dier dat meer voorspelbare en zachtere karaktertrekken had.

De tocht leidde haar in 2016 naar Canada waar ze in de Chris Irwin oefenschool, tijdens een cursus mentorship voor zowel grondwerk als rijden, goud behaalde en met de titel van Ambassadrice van Irwin Insights naar huis terugkeerde. Sindsdien werkt zij met de basisprincipes van het Horsemanship van Chris Irwin aan haar eigen paardenverhaal in België verder.

In The American Paint Horse Journal wijdt Rebecca Overton vijf bladzijden aan haar. De Texaanse beschrijft België tevens als een schilderachtige, romantische uit haar oude voegen gebarsten Middeleeuwse stad. Nergens de zwavelgeur van een hel-hol te bespeuren, maar enkel wierook over een land dat tot in alle uithoeken van de wereld bekend is voor zijn exquise chocolade, de Schone Kunsten en Hercule Poirot. ‘Het epitoom van de oude beschaving en elegantie, een tijdloze kwaliteit die nooit vergaat’. Het was al even geleden dat ik door een buitenlandse auteur het land waarin we woonden zo positief beschreven zag. Ik kreeg het er warempel wat warm van, ondanks de buitentemperatuur die al de 27° bedroeg. Huizen met trappengevels uit de veertiende eeuw kenden ze in Texas natuurlijk niet. Trots plooide ik in gedachten een geruit paardendekentje open en legde het op de gewelfde rug van mijn pas verworven American Paint of Quarter horse, hees de half in flarden gescheurde Belgische vlag en reed met gepaste triomfantelijkheid mijn eerste virtueel rondje op de rug van dit fabeldier.

Kort na het videoverhaal van Cindy Handshoemaker over paarden waar men kon gaan achter staan was de droom met vier poten na een korte, pijnloze bevalling ergens in een Texelse weide opgestaan en dartelde nu op het Waddeneiland vrolijk rond. Ik moest hem alleen nog maar vangen. En daar school de moeilijkheid. Wat als ik hem gevangen had? Hij zou een weide, hooi, gras, twee kilo wortelen per week nodig hebben en elke dag fris water en een stal of een box om in te slapen. Want een paard slaapt rechtstaand. Allemaal dingen die ik niet had. Als een wortel die voor mijn neus bengelde ging ik de viervoeter onverhoeds achterna.

Bij manege Albertdienst probeerde ik mij ter voorbereiding alle geuren, geluiden en gedragingen van de kudde in het pension eigen te maken. Bokken, stampen, briesen, dampende neusgaten, het overweldigende gehinnik van een hengst dat soms uit een van de boxen kwam en gans de piste vulde en even aards en sterk was als het brullen van een leeuw of het trompetteren van een olifant. Maar het spannendste van alles bleef toch het steigerende paard. Weer schuimde ik het internet af om mij virtueel voor te bereiden, want een goede visualisatie was al de helft van het werk. Wetend dat een video natuurlijk niet met de realiteit vergelijkbaar is. Zoals het Franse gezin met kind dat vorige week in het safaripark van de Beekse Bergen uit hun auto stapte om tussen de luipaarden te picknicken, beslopen en omsingeld werd en ternauwernood kon ontsnappen, het verschil proefondervindelijk begreep. Het voorval maakte in elk geval duidelijk dat ondanks de toenemende virtuele realiteit waarin wij leven, het in de werkelijkheid wel eens ernstig de verkeerde kant op kon gaan.

Ondertussen had ik alweer een ander filmpje gevonden waarin een amazone een onophoudelijk steigerend paard onder controle probeerde te houden door iedere keer bij het steigeren naar voor te buigen en haar beide armen rond de hals van het dier te slaan. Mooi om te zien, het paard bleef met zijn voorste poten in de lucht graaien, en de amazone bleef zich geduldig voorover buigen en haar armen om de paardenhals slaan tot het dier bedaarde. Wat je wilde temmen, moest je omhelzen. Met al die wonderlijke virtuele voorbereidingen was ik de volgende dressuurles genoeg ontspannen om een nieuwe uitdaging met deze prachtige dieren aan te gaan. Aan de poort van de piste wachtte ik op het brave, geduldige paard Moustache. Naast mij stond een kersverse amazone van ongeveer tien jaar te wachten op haar allereerste rit. Ze nam de dieren met ontzag op, en deed onbewust een stap naar voor, in de hoefslag van de piste, waar de paarden van de vorige les nog rond draafden, alreeds de betovering in haar ogen. En in mijn brein schoven onze voorouders heftig zwaaiend met een verbodsteken naar voor en hoorde ik mij dezelfde prehistorische woorden herhalen, één zin sinds mensenheugenis doorgegeven, altijd opnieuw dezelfde woorden in de kleitablet van het geheugen gekerfd:

‘Nooit achter een paard te gaan staan want ze kunnen onverwacht hun achterste poten uitslaan.’ Het meisje knikte. En naast ‘…één verrukkelijke, nooit eerder vernomen waarheid, die van paarden dat ze rechtop slapen’, wat ik haar nog niet vertelde, stond intussen in mijn gedachten, bontgevlekt en hinnikend een nieuwe waarheid op, waar ik zorgeloos achter ging staan.

 

Paint Horses,Elans Choice x Okie Monas Monique (Schermafdruk

 

* Citaat uit het gedicht ‘Kroos’ van Ruth Lasters.
Gepubliceerd in een bloemlezing van Jozef Deleu & Lodewijk Deleu (foto’s)
Wij, Paarden (©Uitgeverij Lannoo, Tielt 2011)

Doyenné

SummerDoyenne

Alles aan jou verdween met de tijd.
Het begon met de kleur van je haar.
Eens was het heel lang tot aan je heupen
en had het de kleur van kastanjes in de zon.
Met de tijd werd het lichter aan de wortels
alsof het aan de kruin te lang aan het licht
was blootgesteld. Eerst stak je het nog op in een
hoge knot en later knipte je die af. Zou je gebeente
nu ook beginnen te verbleken zoals je huid
iedere zomer steeds donkerder werd?
En hoe zal je in je graf rusten?
Zo stil onder het gras. Voor altijd buiten slapen.
Onder een rode paardenkastanje misschien.
De tijd neemt alles weg wat tastbaar was.
Onze gezichten, zwijgzaam dromend
in de lome schaduw van de perenboom.
Het zoete sap van een vrucht dat bij de eerste
hap al langs de rug van je hand stroomt.
En in de rivier van je bloed meandert,
het perensap, dat zich iedere lente druppend
langs de rug van mijn hand in mijn poriën drinkt.
De tijd die zich hap na hap wegbijt
tot van de herinnering, alleen het klokhuis blijft