Het koekje

 

Hij huilde hartverscheurend. De jongen die een koekje wou.
Vijf minuten lang hoorde ik hem dezelfde zin herhalen, dat hij een koekje wou en braaf zou zijn. Ze stonden beneden op de stoep aan de overkant van het huis waar ik op de eerste etage in een boek verdiept was. Zijn lament was zo indringend dat ik mij niet meer kon concentreren. Het verbaasde me dat hij het zolang volhield en geen andere argumenten bedacht om zijn moeder te overhalen. Ze zei iets dat ik niet kon verstaan omdat ze al die tijd haar stem niet boven zijn stem verhief, maar ze moest een compromis gesloten, een toegeving gedaan hebben want ineens stopte het snikken en jammeren en hoorde ik hen, hij weer bedaard achter op haar fiets, verder rijden. Ik legde het boek opzij en vroeg me af of er nu uit zijn vraag naar een koekje en het antwoord van zijn moeder daarop, iets ontsproten was dat de rest van zijn leven zou bepalen en de essentie van zijn toekomst samenvatte. Krijg je het koekje of niet? Hoe kan je het krijgen en als je het niet krijgt, kan je het dan gewoon nemen als het er ligt? Zal het verlangen naar het koekje zo overheersend zijn dat je het niet eens als iets wegnemen ervaart, maar het gewoon neemt als een uit noodzaak geboren handeling waar je de oorsprong nog niet van kent? Om een onverklaarbare trek te stillen, want honger heb je nooit gekend, alleen het verlangen dat nog de vorm en de smaak van een koekje had. Misschien troost bood voor wat je nog niet onder woorden kon brengen, maar je buiten jezelf bracht tot iemand er een einde aan maakte en je een klap of het koekje gaf. Zo ging het verlangen naar zoetigheid dat zich eerst stil knagend aanbood tot het als een droef lament losbarstte, de wereld van de geluiden in. Wie wist waartoe het zou leiden, op welke rots het klotsend voor de voeten van de Sirenen te pletter zou slaan, maar voor de kleuter beneden op de stoep manifesteerde het zich nog in één en dezelfde, steeds herhaalde zin, het begin van alle ellende:
‘Ik wil een koekje, ik zal braaf zijn.’

cookie-monster-favorite-cookies 2

Weeping camel

 

Hij liep op het voetpad waar ik langs fietste en viel als een boom waar een hakbijl in gezet werd schuin omver. Roerloos bleef hij enkele seconden liggen. Ik liep naar hem toe en vroeg of hij zich bezeerd had. Hij hief zijn hoofd op en krabbelde recht maar ik zag dat hij mijn vraag niet begrepen had. Zijn trui met capuchon hing vol bladeren en hij zag eruit alsof hij al dagen niet meer geslapen had. Hij mompelde iets onsamenhangend, stak zijn hand op en strompelde verder.

Ik volgde hem met mijn blik en zag hem enkele passen verder opnieuw languit over het voetpad vallen. Een bejaard paar dat net de straat wilde oversteken bleef bedremmeld staan. Intussen kroop de man weer recht en ging op de drempel van een bloemenwinkel zitten. ‘Hij heeft wat pintjes op,’ zei ik tegen de vrouw om de situatie niet verder te dramatiseren. ‘We weten niet of hij pintjes op heeft,’ antwoordde ze, ‘maar ik kan hem niet rechttrekken want ik heb last van mijn rug.’ De man was duidelijk lazarus maar ik ging er verder niet op in, want of hij dronken was of niet, het maakte uiteindelijk geen verschil. Het bejaarde paar wandelde verder en ik bleef met de man op de drempel achter. Op het voorstel een ambulance te bellen begon hij wild met zijn armen te zwaaien. Er ontstond een dilemma.
De man had hulp nodig maar wilde het niet. Hij bracht zijn handen naar zijn mond om duidelijk te maken dat hij wou drinken en wat water wilde. Ik gaf hem het halfvolle flesje limonade dat in mijn tas zat en vroeg waar hij woonde. Hij wees naar het stadspark. Ik kende het park en ook een aantal van de mensen die er ’s nachts onder een dak van gebladerte woonden maar hem had ik er nog nooit gezien. Hij was nieuw. ‘Where do you come from? Where is your country, your home?’ herhaalde ik nog een keer. Hij antwoordde dat hij uit Mongolië kwam, wees opnieuw naar het park en hield zijn handen samengevouwen naast zijn hoofd, om duidelijk te maken dat hij daar sliep. Met handen en voeten probeerde ik hem uit te leggen dat hij zich op een boogscheut van een plaats bevond waar hij kon douchen, eten, drinken en slapen. De Vaart, het dagcentrum voor daklozen, was sinds enkele weken opnieuw in de zorgzame handen van het CAW en ik veronderstelde dat hij er terecht kon. Ik belde naar het opvangcentrum maar het was half tien ‘s avonds en er nam niemand meer op. Op mijn vraag of hij wat centen had trok hij de lege zakken uit zijn broek. Hij had niets en wat nog erger was, hij wilde niets. Zelfs de paar euro’s die ik hem gaf om water te kopen weigerde hij en nam ze aan nadat ik erop aandrong. Toen ik aanstalten maakte om te vertrekken stond hij op en gaf mij onhandig een hand. Het was schrijnend, even schrijnend als de vaststelling dat al die tijd dat de man op de stoep zat, de mensen hem voorbij liepen alsof hij een hond met vlooien was. Neus in de lucht en de blik op oneindig.

Het aantal thuisloze mensen die in het park verbleven nam steeds sneller toe. De afgelopen week dwaalde er in de buurt een vrouw gekleed als poetsvrouw door de straten. Haar inboedel zat in een caddy en enkele witte plastieken zakken. Met stofdoekjes rond de schouderbanden van haar onderhemd geknoopt, een doek rond haar hoofd en een voorschoot aan, veegde ze met een handborstel het stof van de gevels. Het was een eigenaardige handeling voor iemand die zelf geen woonplaats bezat.

 

Ik schreef het adres van De Vaart op een briefje en probeerde de steppeman nog eens duidelijk te maken dat hij zich op een boogscheut van het inloophuis bevond. Een boogscheut. Waar waren wij eigenlijk een boogscheut vandaan? Ver weg was het Altaigebergte, de Gobiwoestijn, paarden en ruiters, melkwitte yoerten onder een wolkenloze hemel in een cirkel bijeen. Een adelaar rustend op een gehandschoende hand. Twee jongens en een keelklankzanger die spelend op een paardenhalsviool, een kameel en zijn verstoten wit kalf van hun geboortetrauma genas.*
Zijn verloren Mongolië trok aan mijn geestesoog voorbij.

Ik keek naar de man die daar op de stoep zat en wist het even niet meer.
De coördinaten van het opvangcentrum hield hij als een verkreukelde landkaart in zijn hand. Ik zag afgeknakte berken in een lege toendra. De wortels nog in de grond. Een kudde kamelen zonder herder in de woestijn. Vrieskou van min veertig graden en veel te droge zomers. Nomaden die geen nomaden meer konden zijn en zonder kudde rondtrokken in de hoop iets beter te vinden. Ik kon hem niet vragen waarom hij naar deze stad was gekomen want hij sprak buiten het Mongools en vijf woorden Engels, geen enkele andere taal. Als een hoopje mens liet ik hem op de stoep achter en toen ik vanmorgen opstond, wankelde ik heftig op de scherpe rand van zijn nomadisch bestaan.

 

*The story of the weeping camel
(Mongolië/Duitsland, 2003 | Byambasuren Davaa & Luigi Falorni)

a14105-7

 

 

 

 

 

Appels

 

Vanmorgen las ik in een online persbericht van De Standaard dat de appels dit jaar te groot zijn. Door de vrieskou in het voorjaar zijn de weinige appels die er aan de bomen groeiden twee centimeter meer gegroeid. Twee centimeter! De fruittelers maken zich nu al zorgen, scholen willen deze reuze-appels niet omdat ze ‘half opgegeten in de vuilnisbak belanden’. Een perfecte appel moet namelijk ‘in een kinderhand passen.’ Een appel in twee of in vier snijden wordt blijkbaar niet gedaan. Volgens bepaalde diëtisten bevatten deze appels omdat ze zo groot zijn ook weer meer suikers dan goed voor ons is. Bijgevolg moeten we de dagelijks aanbevolen drie stukken fruit terugbrengen naar twee, behalve als je een reuze-appel eet, dan is een appel per dag genoeg. Was dit een bericht uit de komkommertijd of werden wij echt tot consumenten gekneed die een appel, omdat hij niet meer in een kinderhand past, niet willen kopen, laat staan opeten omdat hij wat meer suiker bevat? Ondertussen bekeek ik een videofilmpje van Brandpunt over de aanwezigheid van suikers in voedingsmiddelen: zevenvijftig klontjes suiker in een één liter Heinz tomatenketchup, achtentwintig klontjes suiker in een potje satésaus… en ga zo maar verder. De suikerlobby verkocht het leven mierzoet. Ik scrolde onthutst verder en las in een ander artikel dat met fipronil besmette eieren preventief uit de rekken van de supermarkten en winkels werden gehaald. Zoals gewoonlijk kreeg ik het onheilsbericht pas onder ogen wanneer ik al een half dozijn met het luizenbestrijdingsmiddel besmette eieren naar binnen had gewerkt. Voor die ene keer dat ik eens geen bio-eieren kocht. Ik werd een beetje onpasselijk bij de gedachte maar had verder nog geen klachten. Nergens werd echter de vraag gesteld wat er met het besmet eigeel gebeurde dat in fabrieken met kartonnen tegelijk in het deeg van wafels, koekjes en andere met eieren bereidde gerechten werd gemengd. Nergens las ik dat er preventief producten uit de rekken waren gehaald omdat er misschien besmet eigeel in zat. Van ongemak leunde ik op de twee achterste poten van mijn stoel achterover tot ik de grens van het evenwicht overschreden had, plat op mijn hoofd viel en het plafond begon te draaien alsof ik een zware cocktail gedronken had.

Een cocktail waar de stiefvader-en moeders van de bio-industrie ons systematisch en bewust mee vergiftigden, een cocktail gemengd met het gedachtenpulp van decadente geesten waarin de diameter van een Jonagoldappel niet groter dan 65 millimeter mag zijn. Uit welke, door bladluizen bewoonde hoofden, was deze cocktail ontsproten? In welke protserige villa’s en exotische buitenverblijven hielden deze gifmengers zich schuil? Waarom werden ze niet naar een ballingsoord verdreven en waarom dronken ze hun gifbekers niet zelf leeg?

‘Crito, we zijn een haan verschuldigd aan Asklepios; betaal hem, vergeet het niet,’
dacht ik nog terwijl ik voor de tijd van een verloren seizoen het bewustzijn verloor.

 

De dood van Socrates (Jan Cox)

T’aves sasto taj bachtalo

 

Met een interval van twee dagen bezocht de accordeonist de tweedehandswinkel.
Meteen bij het binnenkomen parkeerde hij zijn accordeon die in een oude naaidoos opgeborgen zat en hij met fietsbinders op het geraamte van een caddy vastgebonden had, aan de rechterkant van de deur. Dan begon hij doordrongen van een plechtige stilte waarin je alleen het verschuiven van de kleerhangers op het metalen rek hoorde, een hemd te zoeken dat voor hem geschikt was. Iets passen deed hij nooit, hij kocht altijd alles op het zicht. Hij wist precies of zijn bolle buik waar de accordeon tijdens het spelen op moest rusten erin paste of niet. Zo speelde hij om de twee dagen in de buurt van het treinstation voor het voorbijkomend publiek, in een nieuw hemd zijn brood bijeen. Soms kwamen er kort nadat hij was binnen gekomen andere, jongere musici bij en ontspon zich in het Romani een discussie over welk hemd het beste was. De winkel liep dan vol onbegrijpelijke, prachtige, muzikale klanken en ik hoorde de stem van de onfortuinlijke Roma zangeres Ljiljana Buttler, wiens weemoedig lied ‘Nocas mi srce pati’, ik ooit uit het hoofd had geleerd. Ljiljana Buttler was onder de dreiging van de Balkanoorlog in 1989 naar Duitsland verhuisd waar ze haar zangcarrière moest opgeven en als schoonmaakster in een fabriek eindigde. De laatste jaren van haar leven kende ze opnieuw succes.
De Bosnische muziekproducent Dragi Šestić spoorde haar in 2002 in Düsseldorf op en gaf ‘The mother of Gypsy soul’ voor ze ziek werd en op zesenvijftigjarige leeftijd overleed, aan haar publiek terug.

Eén van de jongere Roma moet de klanken die in de kleine ruimte vol kleren rondzweefden opgevangen hebben want hij kwam ineens met het hemd dat hij gepast had uit de paskamer en vroeg discreet mijn advies. Waren de mouwen niet te kort, zat het hemd niet te strak? Ik adviseerde hem zo correct mogelijk, wat hij erg apprecieerde. De laatste week van de koopjes werden alle hemden tegen 1 euro verkocht. De accordeonist en de zanger bezochten nu elke dag de winkel om een hemd van één euro te kopen. Bij het afrekenen aan de kassa vroeg de zanger of ik nog lang in de winkel zou werken of alleen in de vakantie. Ik antwoordde dat ik alleen in de vakantie werkte. Hij stak zijn duim op en vertrok. ’T’aves sasto taj bachtalo’ , dacht ik en stuurde de woorden als gelukbrengende vogels achter hem aan. Het was mijn laatste dag in de winkel, maar dat zei ik hem niet omdat al wat naar afscheid neigt een onnodige of overbodige bijklank krijgt. De stad was een dorp waar je toch altijd iedereen tegenkwam. Je moest niet eens met iemand afspreken. Zelfs de heengeganen liepen er op sommige dagen opnieuw rond.

Toen ik om vijf uur de deur achter mij sloot, braken net als op de dag dat ik er begon te werken, in alle hevigheid de hemelsluizen open. Het donderde, het bliksemde en regende hagelbollen en ik fietste er zonder haast doorheen. Aan het station draaide het immense reuzenrad in rondjes rond. Het leven als illusionaire droom, een ultieme illusie van de geest waarin de mensheid zich als een hamster, gevangen in een rad, suf trapte. Halverwege de Keyserlei hoorde ik accordeon muziek, door opgewekte stemmen begeleid. Onder het afdak van het UGC- cinéma gebouw stond de accordeonist, omringd door een trio zangers voor de wolkbreuk te schuilen en trok in een onverstoorbare vrolijkheid alle registers van zijn instrument open. Ik liep met mijn handen boven mijn hoofd, de hagelbollen afwerend, op hem toe en legde één euro in zijn hoed. ‘Morgen terugbrengen voor een nieuw hemd’, voegde ik er schertsend aan toe. Zijn lach doorsneed de donder, de bliksem, de hagel en vrij als een vogel steeg het zingen op. Aan de overkant van de aarde weerkaatste de koperen schijf van de zon het immense ronddraaiend rad.

 

 

*Nocas mi srce pati : Tonight, my heart aches.
*T’aves sasto taj bachtalo : Dat je gezondheid en geluk mag hebben.

IMG_0878(Foto: Kris Vanhemelrijck)

Oostende, Koningin der Badsteden

 

Om kwart na acht in de ochtend ontvluchtte ik met een boek en een zonnebril in mijn tas het huis. Het was de veertiende dag op rij dat van bij het ochtendkrieken een drilboor in mijn denken werd gezet en met een niets ontziende hardnekkigheid elke mogelijke poëtische gedachte doorboorde. Dag na dag elk pogen tot dromen bij de wortel uittrok en ontzenuwde. Ik nam de trein naar Oostende in de hoop dat de aanblik van de zee en een frisse bries mij tot rust zou kunnen brengen.

In een halfvolle coupé zat een reiziger met een laptop op schoot en een koptelefoon op het hoofd drukke gesprekken te voeren.Uit één van de gesprekken begreep ik dat de reiziger een woordvoerder van het WWF was en in contact probeerde te komen met Johan Vande Lanotte, de burgemeester van Oostende. De burgemeester had, na enkele klachten over de agressieve aanpak van sommige fondsenwervers in zijn stad, besloten hun vergunning om fondsen te werven in te trekken. De woordvoerder verontschuldigde zich voor het enthousiasme van sommige jonge wervers en legde er de nadruk op dat de meeste verhalen over WWF positief waren, maar dat één negatief verhaal natuurlijk de pers haalde. Bij het uitstappen in Oostende verontschuldigde de woordvoerder van het WWF zich tegenover de medereizigers voor de drukte tijdens de reis. Ik antwoordde dat het helemaal niet erg was, hij trachtte ook maar zijn werk te doen en wenste de verdediger van het World Wide Fund for Nature veel succes in zijn onderhandeling met de burgemeester van Oostende. Natuurlijk had ik sympathie voor zijn zaak, gans mijn kindertijd was ik lid geweest van wat toen nog De Pandaclub heette en later het WWF werd, een niet onbesproken wilde berenclub. Als vanouds hoorden daar dieren bij die overenthousiast uit het struikgewas sprongen en de voorbijganger verpletterden met praatjes over het beschermen van de natuur, iets waar zich in de winkelwandelstraat niemand voor interesseerde.

Toen we in Oostende uitstapten, was het eerste wat mij op het perron tegemoet kwam een groepje studenten in kanariegele T-shirts. Zij deelden flyers uit die het shoppen in Oostende moesten promoten. Niet echt een onthaal waar je naar uitkijkt als je uit de stad komt en je je erop verheugt de zee te zien. De koningin der badsteden gepromoot als shopping mall. Dan toch nog liever de wilde fondsenwervers van het WWF. Ensors geraamte draaide zich schaterlachend om.

Ik versnelde mijn pas en moest tot mijn ergernis nog tussen enkele rode ingedeukte metershoge dozen laveren die als kunstwerk in het midden van de zeedijk waren neergepoot en mij zowel de adem als het zicht op de zee ontnamen.
De boodschap van Arne Quinze miste duidelijk zijn doel. De beelden ontnamen de toeschouwer de kans te kijken en waren niet in de ruimte geïntegreerd. Alle mogelijkheid tot het verder schouwen werd afgeblokt. Op mij hadden ze dezelfde uitwerking als een rode lap op een in de arena aantredende stier.
Haastig daalde ik de dijktrap af die op het strand uitkwam. In lotushouding zat daar in het zand een drie meter hoge boeddha in een licht blauwe verschoten kleur. Achter de god van de verlichting was een Beach Bar opgetrokken, ingericht met blauwe parasols in hetzelfde baby blauw, plastieken palmbomen en witte strandstoelen. Uit de luidspreker spuwde een rapper zijn gal, zijn woorden vlogen als vliegende kwallen door lucht.

Welkom in Oostende, O Koning van vergane glorie! Gelukkig lag het gedicht van Pessoa er nog, gebroken in zijn blauwe steen. En was de zee nog steeds hetzelfde, en waaide er een sterke wind, zodat als je dichtbij de vloedlijn, het werelds geruis niet meer kon horen.

Een uur later, ik had mij net een kuil in het zand gegraven van waaruit ik de dag, turend naar de zee zou doorbrengen, viel er ineens een heftige regenbui uit de hemel. De blauwe boeddha barstte voor het eerst in de geschiedenis in tranen uit. Geen ziel die onder de lekkende parasols beschutting vond.

Ik kroop uit de natte kuil, rende over de dijk tot aan de Venetiaanse Gaanderijen, waar koning Boudewijn verkleumd zijn kraag ophield en werd uit het met bliksems verlichtte Niets een gloednieuwe tearoom binnen gezogen. Sneeuw een Tibetaans Tearoom, las ik op de pancarte. Een sympathieke Tibetaan bracht me de kaart.
Een waaier van culinaire mogelijkheden plooide zich open, van momo’s tot daal soup of wafels met slagroom en cappuccino, alles kon je in dit paradijs bestellen. Trump en Macron zwaaiden van op een beeldscherm dat de helft van de tearoom in beslag nam een voor mij onzichtbaar publiek toe. Aan de muur wapperden vlaggetjes met windpaarden. ‘Wat mag het zijn?’ vroeg de Tibetaanse man in een feilloos West-Vlaams. ‘Een cappuccino graag.’ Ik kreeg hem geserveerd met een speculaasje van Lotus erbij. Het in de cappuccino gedoopte koekje smolt Proustiaans tegen mijn gehemelte, het neerstorten van de regen op het dak van Tibet overstemde alle geluiden. Als vanzelf verzonk ik in mediatie en kon van het werelds geruis al gauw niets meer horen. Toen ik weer ontwaakte scheen de zon.

Op weg naar het station stapte ik nog snel het antiquariaat van Monsieur Albert binnen. Van achter zijn boeken keek hij verstrooid op. Hij had net een gedicht geschreven, een ode aan zijn overleden vrouw. In het Frans en met veel krullen. Ik vroeg of hij nog iets speciaals in huis had en hij antwoordde dat ik maar eens moest zoeken. Als een zeldzaam strootje in een hooiberg vond ik een biografie over de violist Jascha Heifetz tussen de boeken, geschreven door Wenneke Savenije. Tevreden over mijn vondst noteerde Monsieur Albert de aankoop van het boek met drukletters in het boekhoudkundig schrift. ‘Kijk eens, voor de aankopen gebruik ik een ander schrift.’ Fier liet hij mij het verschil tussen zijn boekhoudkundig en het muzikaal geschrift met de krullen zien. Daarmee had hij voor zichzelf een duidelijk onderscheid tussen de dichter en de handelaar in boeken willen maken. We schoten allebei in de lach. ‘Doe als je wil mijn papieren vrienden in Antwerpen de groeten.’ En met Jascha Heifetz onder de arm liep ik voorbij de baby blauwe boeddha en de ingedeukte rode dozen terug naar het station. De gele flyers die het shoppen in Oostende moesten promoten, kleefden mistroostig en gescheurd op de natte grond.

 

20170714_124948_resized
Koning Boudewijn (Josyane Vanhoutte)

 

 

De tijd is een jager

 

Van in een bootje dat aan de kust lag aangemeerd belde ze mij op om te vertellen dat ze in de Middellandse Zee tussen de dolfijnen ging zwemmen. ‘Ik wist niet dat je kon zwemmen,’ antwoordde ik. ‘Nee, het is niet echt zwemmen wat ik ga doen, maar in een grote rubberen band dobberen op zee.’ Als in een fresco aan de muur van een paleis in Knossos zag ik haar in het water drijven, door opspringende grijze Minoïsche dolfijnen omringd. Het gesprek kabbelde verder op de golven van haar stem en toen ik door de telefoon de motor van een boot hoorde starten namen we afscheid. ‘Verdrink niet en let op voor verdwaalde haaien,’ zei ik nog snel, maar de stem aan de andere kant was al verdwenen. Waarom ze nu ineens in een rubberen band in de zee wilde dobberen was me een raadsel.

Wie was deze op een kinderlijke manier altijd enthousiaste en opgewekte vrouw?
Zo kende ik haar niet. Haar sterrenbeeld was waterman maar ze hield niet van water en ook niet van vliegen, zij was een aardwezen, pur sang. Wat wist ik eigenlijk van haar innerlijk leven? We zagen elkaar niet vaak en als we samen waren wisten we niet wat we tegen elkaar moesten zeggen. Meestal ging ik bij haar op bezoek met mijn zus die het gesprek voerde en het moeiteloos een paar uur gaande kon houden. Zij vloeide doorheen ons leven zoals een rivier in zijn bedding en dat was blijkbaar genoeg.

Enkele jaren terug deed ik haar een gedichtenbundel van Anna Achmatova voor haar verjaardag cadeau. Toen ik vroeg of ze het gelezen had en wat ze ervan vond antwoordde ze dat het was alsof het boek voor haar geschreven was. Meer viel er niet te vertellen en naast mijn eerste verzen waren het de enige gedichten die zij tot op heden las.

Terwijl mijn moeder in de Middellandse Zee dreef dacht ik terug aan een literair moment dat vooral uit woestijn en droogte bestond, zandkastelen gebouwd aan de vloedlijn van het bestaan. Het was midden in de zomer en onder een klamboe die als een sluier tussen mij en de wereld hing, lag ik eindeloos te dromen. Een glas muntwater met ijsblokje in de ene hand en The Seven Pillars of Wisdom van T.E. Lawrence in de andere. Op het nachtkastje rinkelde mijn eerste mobiele telefoon.
La coneja blanca Martina vroeg of ik zin had om naar de film te gaan, in Kinepolis vertoonden ze Lawrence of Arabia. In de zwoelheid van de avond reden we erheen in haar kever zonder airco. Bijna vier uur lang keken we zonder één woord te wisselen naar het gigantische scherm, de ijspralines smolten op onze schoot. Het was de vijfde keer dat ik Lawrence of Arabia zag. En na El Sol del Membrillo (De Zon van de Kweeperenboom), de tweede film waar ik met La coneja blanca naartoe ging. In beide films kwam geen enkel vrouwelijk personage in beeld.

Zowel het verstilde beeld van een man die op zijn patio een perenboom in alle seizoenen schilderde en geen woord sprak, als het heroïsch epos, de eindeloze zandvlakten, de wind die door de woestijn waaide en T.E. Lawrence de geur van de leegte noemde, hypnotiseerden mij. Wat La coneja erin terug vond heb ik nooit kunnen achterhalen. Misschien zochten wij die dag vergetelheid voor iets wat we ondanks alle woorden, niet konden vertalen.

De dag daarna vertrok zij in haar kever naar Madrid en waadde ik met mijn kudde gedachten, door roze flamingo’s, zwarte stieren en wilde paarden geflankeerd, langs de waterweilanden van de Camargue. Hevige stormen en gure mistrals brachten me drie seizoenen later van de kust naar de ravijnen van de stad terug. De tijd waar in de weilanden niemand vat op had en niet eens leek te bestaan, liep nu als een jager voor mij uit en joeg de kudde die verwilderd over de steppe van mijn wezen rondzwierf ongenadig voort. Af en toe hoorde ik uit de huls van de tijd een kogel ontsnappen en hield de grazende dieren dan dicht bij elkaar. De pas geboren dieren liepen onder de weidse hemel meestal achterop. Op een ochtend, de kudde sliep nog, werd er van dichtbij met hagel geschoten. De oudere dieren gingen op de vlucht, veulens stierven onder hun moeders pas ontloken ogen, de donkere wimpers nog dicht van de slaap.

‘De tijd is een jager’, schreef ik in mijn dagboek, hij richtte een bloedbad aan en van de kudde bleven maar enkele dieren over, waar ik mee verder trok.

Het was eind mei toen ik met de uitgedunde kudde terug aankwam op de plek waar ik vertrokken was. Aan de kust van Les Saintes-Maries-de-la-Mer waadden vier mannen met de zwarte patrones Sainte Sara door woest opspattende baren om haar in zee te baden. La coneja blanca kwam me van tussen een menigte van paarden en mensen met een baby in haar armen tegemoet, het kind geurde naar salie en rozemarijn. Aan de horizon dobberde mijn moeder in een rubberen band, blauwgrijze dolfijnen omringden haar. Ik zag haar benen onder water spartelen, iets naderde haar in het fresco van ons uitvloeiend wezen.

 

il-membrillo-antonio-lopez
“El membrillo”, Antonio López García

 

 

 

Het hoofd

 

Het hoofd lag tegen de baleinen van de omgevallen parasol, zo blauw als een walvis te zieltogen en vroeg zich af hoe het verder moest, nu hij ontslag van zijn taken gevraagd en gekregen had. Na lang geknikt en geschud te hebben, zijn woorden gewikt en gewogen op de balans van het grote geduld en tenslotte omdat het niet anders meer kon. Het hoofd geen uitweg meer vond, de ogen geen mogelijkheden meer zagen. Het zicht op de dingen versleten was en er voor zulke vormen van bijziendheid nog geen bril bestond. Zijn reukorgaan, door wolken oud stof verstopt, onophoudelijk niesde en snoof alsof hij een chronische sinusitis had, alweer een gebrek. Een hoofd met zoveel gebreken, daar had niemand wat aan. En zo kwam het onvermijdelijke steeds dichterbij. En lag het hoofd lichtjes bedwelmd door de geur van lindebloesems tegen de baleinen van de parasol te bekomen van zijn ontslag. Een ander hoofd dat vanachter het blauwe zeil uit het ongewisse verscheen, vroeg hem hoe het nu verder moest. Het hoofd rolde met zijn ogen en trok meelijwekkend de wenkbrauwen op. Het kon niet antwoorden en kreeg van het andere hoofd een harde trap. Als een bal vloog het hoofd vanonder de parasol de lucht in, stuiterde de trappen van een Napolitaanse steeg af en rolde rood aangelopen en diep geschrokken over het strand de zee in. Een walvis slokte hem in één keer op. De zon trok zich van schaamte achter de horizon terug. Uit de Vesuvius stegen witte rookpluimen op.

bluewhale_1971029b 2

 

Clizia

 

Sotto l’anima
del cielo,
il girasole si
gira verso
il Sole
Ineluttabile

1881 The Artist's Garden at Vétheuil oil on canvas 80 x 65 cm Private Collection
Claude Monet (1840-1926) 
 Le jardin de l’artiste à Vétheuil

De haas

 

Met de handen op haar heupen geplant stond zij achter de toonbank, tussen karkassen, gedroogde hammen en vleeswaren in fijne plakjes uitgestald.
Ze had een witte katoenen hoed op en een witte voorschoot aan en met die goedmoedige, ietwat flegmatische blik van haar, vroeg ze wat ik hebben wou.
Ik staarde naar de rode homp die ze van de haak haalde en antwoordde niet. ‘De hazenpaté hebben wij gisteren gemaakt. Onze leerjongen heeft de haas hier zelf uitgebeend, hij is zo vers als ik weet niet wat.’ Mijn blik schoot alle kanten op. ‘Honderd gram petit Paris dan maar, zoals gewoonlijk, of weet je het nog niet?’ De slagersvrouw van Vermeulen ontroerde mij, in al haar eerlijkheid. ‘Ik wil eigenlijk niets mevrouw, ik kwam vandaag alleen maar kijken naar uw blik waarmee u de tot charcuterie versneden dieren en de mensheid die dit alles tot zich neemt, zo zachtmoedig aankijkt. Dat heb ik lang niet meer in deze stad gezien zo’n blik, ook niet in de ogen van vegetariërs. Het is een troost mevrouw, in het onophoudelijke lijden van de wereld, uw ogen te zien.’
Het hoofd en het hoedje wat schuin houdend, nam zij mij met haar ogentroost, blauw als vergeet-mij nietjes, een beetje onbegrijpend op en vroeg nogmaals, wat het was dat ik hebben wou. ‘Ik wil eigenlijk niets mevrouw, ik kwam alleen maar kijken naar uw blik, waarin als goudspikkels in het heelal, al uw liefde voor de mensheid en de dieren ligt vervat.’ Ze glimlachte mat, haalde haar schouders op en begon haar messen te slijpen. Zo mak als een lam dat naar de slachtbank wordt geleid liep ik terug naar buiten, het slachthuis van de wereld in. In mijn handen klopte het hart van de haas, zijn poot bewoog de grashalm waar ik mee schreef.

 

felix-bracquemond-after-albert-de-balleroy-the-hare-ca-1860
Felix Bracquemond (1833-1914) Le lièvre