Spazzacamino

 

 

Spazzacammino

 

In het vooruitzicht van een winter waarin een zodanig dik pak sneeuw uit de lucht zou vallen zodat er geen auto’s meer door de straten konden rijden en alles stil, ongerept en wit werd, we een vorst zouden krijgen zo streng dat er alleen nog kristallen in plaats van vensters zichtbaar waren om doorheen te turen, de sneeuw tot de kerst op de dennenbomen bleef liggen en er op elke hoek van de straat een koor van engelen stond dat aria’s en cantates van Bach zong, klom ik op het platte dak om naar de schoorsteen te gaan kijken.

Klimop slingerde zich langs de dunne schouwbuis naar omhoog en was zich een weg naar binnen aan het banen. Ik hoopte dat de slinger nog niet tot beneden aan de haard reikte en besloot dat er een schoorsteenveger bij gehaald diende te worden. Een schoorsteenveger bellen was zoiets als een sprookje tot leven wekken. De mythe dat het schudden van de hand van een schoorsteenveger geluk zou brengen ontstond in het begin van de negentiende eeuw, toen de schoorsteenvegers nog kinderen waren en als ‘levende bezems’ werden gebruikt. Omdat ze door hun werk vaak rampen konden voorkomen werden de kinderen als geluksbrengers en beschermers tegen brandgevaar op kerst- en nieuwjaarskaarten afgebeeld. Het bezoek van een schoorsteenveger was intussen gelukkig iets waar je met een gerust gemoed mocht naar uitkijken want wat was er mooier dan iemand die je bij het binnentreden zomaar een handje geluk schonk?

De verfrommelde krant waarmee ik op een avond de haard wilde aansteken, terwijl de rook die zich daarbij vormde in zwarte wolken de woonkamer insloeg, en het tot diep in de nacht in de haard bleef roken zonder dat hij aangestoken was, lag nog steeds in mijn geheugen te smeulen. Alsook de gordijnen en de overgordijnen die ik de volgende dag allemaal moest wassen en het laagje roet dat zonder sporen achter te laten van de boeken moest verwijderd worden. Een helse klus. Er waren toen in de schouw zulke geheimzinnige krachten aan het werk geweest, zodanig duister dat ze alleen maar met daarvoor uitgeruste attributen uit de schoorsteen verjaagd konden worden. Sommige entiteiten kon je onmogelijk alleen bezweren. Ik bedacht dat het wat moeite zou kosten iemand te vinden die dit euvel ernstig genoeg nam en de roetgeest uit de schouw kon vegen. Een firma was geen optie, het moest een authentieke schoorsteenveger zijn.

Vaag herinnerde ik mij de man met de hoge hoed die ik vorig jaar googelend gevonden had. Hij was me bijgebleven omdat hij volgens eigen zeggen, ieder jaar naar Santa Maria Maggiori reisde om er De internationale bijeenkomst van de schoorsteenvegers bij te wonen. Een idyllisch dal omringd door de bergen van Piemonte, waar het eerste weekend van september, gedurende twee dagen ongeveer zevenhonderd schoorsteenvegers in een zwart pak en een hoge hoed bijeenkwamen, om ongeacht hun moedertaal, het lied van de schoorsteenvegers te zingen en in een feestelijke optocht eerbetoon te brengen aan de vallei waar het beroep ontstond. De plechtigheden begonnen op zaterdagochtend met een bijeenkomst bij het beeld van de laatste ruska Faustino Cappini. De jongen die in 1927 op 10-jarige leeftijd het leven liet toen hij uit de schouw klom, zich per ongeluk aan een elektriciteitsdraad vastklampte en geëlektrocuteerd werd. Het beeld stond symbool voor alle kinderen die op jonge leeftijd de schoorstenen inklommen en waarvan er velen het leven lieten.

Voor zover ik wist was Levende bezems het enige verhaal van een kind-schoorsteenveger dat op een historisch document gebaseerd was en door de schrijfster Liza Tetzler vanonder het zwarte stof van de geschiedenis werd gehaald. Het verhaal situeert zich in het begin van de negentiende eeuw toen kinderarbeid overal gebruikelijk was. Giorgio, een leerling-schoorsteenveger, loopt voor de eerste keer met zijn baas mee door de straten van Milaan.
Hij is een van de weinige jongens, in armoedige dorpen geronseld, die de tocht in een kleine boot over een meer dat hen naar Milaan moest brengen overleefde. Tijdens een storm kwamen er twintig kinderen om. Eenmaal in Milaan wordt hij doorverkocht aan een schoorsteenveger die hem voor een habbekrats een jaar in dienst neemt. Zijn nieuwe baas gebiedt hem hun diensten luid roepend kenbaar te maken. Schoorsteenvegers! Schoorsteenvegers! Wij vegen uw schoorsteen! Giorgio wil eerst niet meeroepen, zijn stem is na een half uur schor. Terwijl ze met hun borstels en doeken door de straten lopen openen zich in statige herenhuizen vensters, en roepen dienstmeisjes met witte voorschoten de zwarte mannen binnen.De volgende ochtend gaat het roepen beter en op het einde de week roept hij de ganse dag.

Spazzacamino! Spazzacamino! Wij vegen uw schoorsteen! Tijdens een van de schoonmaakbeurten blijft Giorgio met een zak over zijn hoofd in een schoorsteen steken en komt bijna door rookverstikking om. In het salon van het huis is een feest aan de gang waar een dokter aanwezig is die het leven van de jongen redt en hem zijn hulp aanbiedt. Wanneer ook zijn beste vriend aan de gevolgen van tbc en verwaarlozing overlijdt, besluit Giorgio om met een paar lotgenoten waar hij De bond van de Zwartgezichten heeft mee opgericht, die waarschijnlijk de eerste vakbond van kinderen in de geschiedenis was, hun miserabel leven te ontvluchtten. De jongens vluchten de Zwitserse grens over en leren onder de hoede van de dokter een ander vak. Giorgio wordt onderwijzer en keert enkele jaren later, zoals in alle mooie vertellingen, met een prinses naar zijn geboortedorp terug. Op koude winteravonden, ter nagedachtenis aan Alfredo die hij met De bond van de zwartgezichten in Milaan had begraven, zong hij nog vaak het lied van de schoorsteenvegers en dacht aan het ogenblik dat hij met rook in de longen en een zak over het hoofd, in de binnenkant van een schouw was blijven steken en zijn kleine, zwarte hand dat niet boven de rand van de schoorsteen uitkwam.

Uren speurwerk bracht in tegenstelling tot de andere keren geen soelaas. Het leek alsof de schoorsteenveger op het wereldwijde netwerk in rook was opgegaan. Het werd oktober, de festiviteiten in Laggio Maggiore waren voorbij. Het lied van de zevenhonderd schoorsteenvegers, door een koor van vierduizend dorpsbewoners gedragen, zou in het dal van Santa Maria Maggiore nog slechts de weerkaatsing van een echo zijn. Boven het meer waar twintig kinderen verdronken keek het beeld van Faustino Cappini, de laatste ruska, eenzaam in de mist rond de groene heuvels de verte in.

Alle Levende bezems waren uit het land waar hun haard zich bevond opnieuw vertrokken. De donkere dagen dienden zich aan, het was nu bijna tijd om het vuur aan te steken. De houtblokken lagen onder het afdak opgestapeld, maar ik was nog steeds niet in het bezit van de juiste krant en de roetgeest schuilde vermoedelijk nog in de schouw. Ik moest de schoorsteen in, voor het november werd en andere ter ziele gegane geesten van zich zouden laten horen om te worden herinnerd en herdacht. Met een plumeau tricolore, vastgebonden aan een bezemsteel, klom ik op het platte dak om naar de schoorsteen te gaan kijken. Op mijn schouders streken vier zwarte raven neer.

 

spazzacamino

 

 

 

 

 

Haute Baraque

Sonuma - Les archives audiovisuelle Foire de Liège 1962

 

Mijn visioenen waren niet langer betrouwbaar. Ietwat onder druk van mijn omgeving legde ik onlangs bij de Stad Antwerpen een examen af voor een aanstelling als loketbediende. Het examen verliep vlotjes, tot ieders opluchting, en er kwam in mijn gedachten zelfs een soort visioen voorbij waarin ik mij aan het stadsloket vanachter kogelvrij glas glimlachend stempels zag zetten op reispassen en rijbewijzen. Voor het gebouw stond een militair met een machinegeweer in de aanslag een sigaretje te roken. Kort na dit visioen kreeg ik een bericht van het selectiebureau met de melding dat ik geslaagd was en een uitnodiging voor een interview. Zowel mijn familieleden als dichte en verre vrienden waren buiten hun zinnen van geluk. Eindelijk zou ik opnieuw een vaste betrekking hebben en nog wel bij de stad, als ambtenaar. Het goede leven en een dito salaris lachte hen toe. Al vlug begonnen de eerste grapjes de ronde te doen en terwijl ik nog niet aangenomen was, gingen mijn familieleden ervan uit dat ik nog maar een stap van een levenslange, goedgevulde geldbuidel, veel vakantiedagen en iedere dag dezelfde collega’s aan het koffieapparaat, verwijderd was. Mijn moeder had me al een deux-pièces en een bijpassende, gestreepte blouse geschonken die volgens haar zeer gedistingeerd stonden achter een loket.

Op de dag van het interview nam ik, afgeborsteld in mijn deux-pièces en geföhnd, haar, de lift naar de zesde verdieping van het Bell gebouw. Het rook er naar regelgeving en bureaucratie en ik zocht de koffieautomaat waar ik in de toekomst veel tijd zou doorbrengen. Er stonden grote glazen op het aanrecht maar de waterkraan bleek kapot, mijn mond was droog van de zenuwen en ik zette mijn glas onder de koffiemachine en drukte op de hot-water knop. Het water begon rijkelijk te stromen, en over de rand van het glas, stroomde het verder over het aanrecht en kokend heet drupte het op mijn gloednieuwe pumps, rode vlekken achterlatend op wreef van mijn rechtervoet. Dit was geen goed begin. Het was eerder een veil teken aan de vaalgrijze wand. Ik verliet snel de puinhoop en ging naar het lokaal, een soort glazen bokaal, waar een driekoppige jury op mij aan het wachten was. In mijn rug spande zich een stalen kabel op in plaats van de grote mobilisatiespieren. Een schok van zevenduizend volt ging door die kabel heen, laserstralen schoten uit mijn vingertoppen en mijn molen begon te draaien. De jury keek mij welwillend aan en ik sloeg ik mij tamelijk goed door het interview. Toen kwam een van de dames met de finale vraag: wat die Carroussel in mijn curriculum vitae betekende en of ik daar de komende weken in mee zou draaien. Aan die vraag had ik me helemaal niet verwacht.

Door de panoramische ramen van de zesde verdieping zag ik de lucht betrekken en aan de horizon bewogen de woonwagens van de foor zich richting Luik.
Had ik twaalf jaar lang het hele jaar uitgekeken naar hun komst in de maand mei om nu een baantje bij de stad aan te nemen? Zes weken iedere avond oliebollen gebakken bij Max? Geduldig wachtend op het ogenblik dat ik eindelijk kon meereizen? De rode vlekken op mijn voet gloeiden en ik wilde mijn pumps verruilen voor mijn pluchen muiltjes, mes slaches die op de treden van la baraque, naast die van Annick, de meereizende leerkracht, te wachten stonden. De gedachte aan het weerzien van de kinderen van afgelopen zomer en aan de ontmoeting met de nieuwe kinderen, de mensen van de foor en het kermisleven, liet een glimlach op mijn gezicht achter die ook de jury niet was ontgaan. Al die schattigheid en spontane baldadigheid waarvoor geen woorden bestaan maar zo levendig in de woonwagenklas aanwezig zouden zijn. Daarbij was het nu herfst, de kinderen zouden in het Park d’Avroy kastanjes en okkernoten rapen, verwonderd zijn over het zien van een vallend blad, een noot in een bolster, een nog donzige zwaan aan de rand van de vijver, alles wat er te zien was, als voor de eerste keer. Van deze uit goud gesponnen ogenblikken zou ik zittend aan een loket voor altijd verstoken zijn. Het schuine licht en de eerste kilte van de avond, de obligate toer langs de attracties en de kramen, smoutebollen in suikersneeuw, roze en blauwe suikerspinnen, Lackemans, Brussels wafels, gaufres de Liège, appelbeignets, pommes d’amour en marrons chauds, die de ziel verwarmen van alle dingen, op weg naar huis.

‘Volgens mij zal u niet gelukkig zijn als loketbediende,’ besloot de dame terwijl ik nog steeds naar buiten keek. Met geluk alleen beleg je geen boterhammen, ging het nog door mijn hoofd, maar ik wist dat het te laat was. Zij had de molen in mij zien draaien en het flikkeren van de kermislichten dat niet uit te doven was en ik wist dat zij gelijk had. De kabel in mijn rug ontspande zich en ik voelde iets knetteren. Voor er ook nog een flard muziek aan te pas zou komen stond ik gedecideerd op en bedankte de driekoppige jury: ‘U hebt gelijk ik zal nooit gelukkig zijn aan het loket,’ en kon mij niet snel genoeg uit de voeten kon maken. Wegvliegend als een papieren lootje dat net uit de loterij was ontsnapt. Buiten scheen de stadslucht mij even zuiver toe als Zwitserse berglucht. De geur van regelgeving en bureaucratie was nog slechts een herinnering.

Twee uur te vroeg nam ik de volgende ochtend de trein naar Luik-Guillemins.

‘Reist u ieder dag zo ver?’ vroeg de conductrice mij toen we het eindstation binnenreden. ‘Qui madame, mes slaches m’attendent, dans la Haute Baraque’.

Septemberroos

 

20180924_201456

 

Maman nous disait : ‘Ah ! Surtout ne pas commencer à m’embrasser tous les jours
à la même heure, cela deviendrait une habitude.’ (Nadia Boulanger)

 

We namen het pad langs de velden waar ze iedere middag na haar lunch ging wandelen. Bontgevlekte koeien lagen als in een Oudhollands schilderij in de wei. Er was geen enkel geluid te horen behalve dat van de dieren die het gras herkauwden. De lucht rook fris en ik herademde zonder mij om het fijn stof en de uitlaatgassen van de stad te bekommeren. Het wekenlang hameren op de heipalen van de kaaimuur was eindelijk voorbij. Ik keek om me heen en mijn blik botste nergens meer tegenaan.

‘We kunnen niet ver wandelen vandaag’ zei ze, ‘want ik heb geen goede schoenen aan’, terwijl ze op haar slippers voortslofte. Omdat we dezelfde schoenmaat hadden deed ik snel mijn sneakers uit en wisselden we van schoeisel. Mijn blote voeten voelden zich in haar schoeisel plots bevrijd van een knellende ballast. En op haar slippers slofte ik verder in de hoop dat we toch een lange wandeling konden maken.

Halverwege het pad groeiden twee indrukwekkende wilgenbomen. Net tweelingen die hun weelderige, weidse takken tegelijk naar de hemel uitsteken. ‘Dit zijn waarschijnlijk al twee heel oude bomen’, zei ik. ‘Ja’, antwoordde ze, ‘die staan hier al heel lang, maar ik weet niet precies hoe lang. Ik kom hier iedere dag’. De wilgen waren altijd al in haar leven aanwezig geweest en met haar blik vergroeid. In een opwelling wilde ik de bomen omhelzen, maar uit verlegenheid tegenover mijn moeder durfde ik niet en besloot het formeler aan te pakken. Ik ging voor een van de wilgen staan en drukte mijn handen tegen de dikke, gegroefde bast van de stam en ademde luid in en uit, enkel lettend op de beweging van mijn buik. ‘Kijk’ zei ik, ‘als je voorbij de bomen komt kan je even stil staan en deze ademhalingsoefening doen.’

Ik deed de ademhalingsoefening een paar keer voor en hield het idee dat je een energetische verbinding met de trilling van de boom kon maken nog maar even voor mezelf. Mijn moeder keek aandachtig en een tikkeltje verwonderd toe.

‘Ik heb eigenaardige kinderen,’ zag ik haar denken, maar het deerde niet.
Het gebeurde zelden dat ze op een veroordelende manier over ons dacht.

Met haar beide handen tegen de stam drukte ze het gewicht en haar zeventig jaar tegen de wilgenboom en ik herinnerde mij een eerder beeld, veranderend in het licht. Het frêle, waterige ochtendlicht waarin haar vader, die mijn enigste grootvader was, ter aarde werd gedragen en zij heel alleen, nadat iedereen het kerkhof had verlaten, met haar hoofd tegen een boom te snikken stond, alsof de enige troost van de wind kon komen, die de takken van de wilgenboom boven haar droefheid, zachtjes heen en weer bewoog.

Ik zag haar borstkas op en neer bewegen maar haar ademhaling ging niet langs haar buik. ‘Probeer vanuit je diafragma te ademen en niet zo hoog.’ Ze probeerde het nog een keer maar ik zag dat het niet meteen zou lukken, na enkele pogingen gaf ze het op en wandelden we achter elkaar verder. ‘Nu zal ik iedere dag wanneer ik aan de twee wilgen voorbij kom aan je denken’ zei ze ineens.’ En toen begon de zomer opnieuw en ook ons leven tezamen dat maar kort was geweest en al omhelsden we elkaar niet elke dag, ‘en al helemaal niet op hetzelfde ogenblik’. Er waren nu twee wilgenbomen die als een identieke tweeling, deze omhelzing langs hun gebarsten schors tot in de wortels, de knoppen en topjes van hun takken zouden opnemen als een wonderlijke moedertinctuur. Midden in het schilderij van een landschap waar koeien in een wei lagen te grazen en de zomer vereeuwigd werd in de geur van de laatste septemberroos.

 

(Citaat uit ‘Mademoiselle, Entretiens avec Nadia Boulanger’, p.16, Bruno Monsaingeon)

Salva

 

ⓒLesimages Palermo, Maggio 2010 - Mercato della Vucciria - Venditori di baccalà
ⓒLesimages Palermo, Maggio 2010 – Mercato della Vucciria – Venditori di baccalà

 

De laatste tijd ging hij steeds vaker bij Salva langs. Hij koos dan een perzik uit zonder deuken of bruine vlekken, een die hij kon bewaren voor als hij niet langer trek, maar honger had. Niemand keek er van op als je bij Salva slechts een stuk groente of fruit kocht. De meeste klanten hadden er een boodschappenlijstje van wat ze tijdens de week hadden gekocht zonder het te betalen. Een stapel briefjes met lange kolommen onder elkaar geschreven woorden zoals courgettebloemen, radiccio, artisjokken, abrikozen, aubergines, renetten, mirabellen… in een stapel op een stalen nagel geprikt. Gedichten met een meisjes- of jongensnaam erboven en daarnaast het bedrag dat ze hem nog verschuldigd waren.

Op de markt werden de groenten en het fruit steeds duurder en hij kon er met niet minder dan een kilo van eender wat vertrekken zonder gezichtsverlies te lijden. Sinds hij in de neergeslagen blik van een groenteverkoper de vraag dacht gelezen te hebben of ze thuis werkelijk met twee van een courgette aten, kocht hij op de markt nooit nog iets per stuk. Er stroomden steeds meer mensen toe die tot laat in de namiddag aan de eetstalletjes bleven hangen, twee dozijn oesters tegelijk bestelden en er nog een halve kreeft bij aten, waardoor hij begreep dat het hen eigenlijk aan goede smaak ontbrak. Het ganse spektakel begon op een uur wanneer hij zich nog niet eens kon veroorloven om aan zijn honger te denken en het liep in de zomer steeds langer uit.

Slenterend tussen de kramen pikte hij hier en daar een aangeboden olijf of een stukje brood in olie gedoopt, en wachtte het einde van de markt af om dan de stokvis te halen die als laatste in het viskraam van Salva voor hem aan een draad bleef hangen. In ruil voor de kratten sinaasappels die hij hem in de ochtend had gebracht. Een droge stokvis was het allerbeste. De kop was er reeds af wanneer je hem kocht en hij kon je niet meer met zijn heldere ogen aanstaren. Als de ogen van een vis dof waren kon je hem maar beter laten liggen. Maar eigenlijk hield hij niet van vissenogen ook niet wanneer ze nog leefden. Je kon geen hoogte krijgen van die eeuwige, waterige blik. Af en toe gebeurde het dat wanneer hij zich ver in zee waagde er naast hem een bultrug zwom. Die hadden zulke aandoenlijke grijs-blauwe ogen dat je moest opletten er niet in weg te drijven en ergens midden op zee tussen de golven onder te gaan.

Soms droomde hij dat het leven elders was, zoals hij ergens had gelezen, maar hij wist niet meer bij wie. Pavese, Pessoa? Terwijl hij zwom leek het alsof de zee hem omsloot en opnam als was hij een nieuw waterteken in de cirkel van de zodiac. Een parelmoeren inktvis in blauw doorschijnend water. In gedachten zwom hij tot aan de overkant van het water, naar een ander eiland dan dat waarop hij woonde en nog nooit had verlaten. Terug op het strand trok hij zijn bundel droge kleren aan. De avondlucht kleurde oranjerood als de pel van een cactusvijg en het goud van de abrikozen.

Nog vers in zijn geheugen lag het ogenblik dat zijn grootmoeder de fruitplukker met een mes in de rug in hun boogaard had gevonden. Het land werd haar daarna onmiddellijk en zonder enige verklaring ontnomen. Zo raakte ze in een keer haar enige bezit kwijt. Daarna volgde haar lach, haar geheugen en zijn bezigheden tot ze ten slotte alles vergat en ze niets meer te eten hadden. De sinaasappels begonnen steeds bitterder te smaken, bitterder dan al de schillen van de vruchten van alle boomgaarden van het eiland tezamen. Terwijl iedereen op het eiland, behalve de vissers die hun netten binnen haalden, nog aan het slapen was, trok hij er op uit om in hun eigen boomgaard te stelen. Hij bracht de kratten naar de winkel van Salva, waarvan de rolluiken op dat uur nog naar beneden waren, die ze in ruil voor een stokvis en de optelsom van zijn boodschappenlijstje op de markt zou verkopen.

Zo verliepen zijn dagen. Overdag ging hij zwemmen en ‘s avonds trok hij in het halfduister met zijn mand op zijn rug naar de boomgaard en plukte wat hij nodig had. Wat je afgenomen werd nam je gewoon terug, tenzij je van ontbering wilde omkomen. Er heersten wetten op dit eiland, ongeschreven, waar hij tenslotte als bewoner een monopolie op had. Dat hij hun eigen vruchten stal, wist intussen zowat iedereen. Het zou niet lang meer duren voor de moordenaar van de fruitplukker ook hem zou vinden.

Op een avond zag hij hem. Tussen de bomen stapte hij op hem toe. Zijn schaduw bewoog zich voort tussen de laatste zonnestralen. Hij zette zich schrap en plukte verder, de vruchten vielen een na een in de mand. De man naderde hem alsof hij een avondlijk praatje kwam maken, maar hij wist wat hem te wachten stond. Hij stapte van de ladder af en met de vastberadenheid van een twaalfjarige ging hij hem onder de boom waar hij gans de zomer avond na avond op hem had gewacht tegemoet. Toen de man nog maar enkele meters van hem verwijderd was trok de jongen een mes uit zijn achterzak en stak hem neer. De man viel voorover, trok de mand met zich mee, de sinaasappels rolden over de grond. De jongen sleepte het lichaam tot op de plek waar het bloed van de fruitplukker de aarde had doordrongen en keerde die avond zonder vruchten naar huis terug.

Cyclopen

 

Duende, Ivo Hermans / Panamarenko  A Book by Hans Theys

 

Drieduizenddriehonderdvijfentachtig boeken en honderden authentieke muziekmanuscripten stonden netjes naast elkaar in de open kasten met hun rug naar mij toegekeerd. Het was een heiligschennend moment want ik verkeerde in de troebele noodzaak om enkele zeldzame exemplaren uit mijn bibliotheek van de hand te moeten doen. Ik wilde geen opkoper laten komen en vond dat ik de vreselijke klus zelf moest klaren. Niet zonder wroeging begon ik naar het boek te zoeken dat het minst weerstand zou bieden maar vond er geen. Eén boek sprong er uit, omwille van het buitenissige formaat dat in geen enkele boekenkast paste. Het boek was net als het automatisch pistool dat op de kaft afgebeeld stond. Het had zichzelf in een onbewaakt ogenblik in de voet geschoten, en was gedoemd om eeuwig gewond, altijd bovenop een rij van minstens tien andere boeken te moeten liggen. Maar een wapen verkopen dat deed je natuurlijk niet, stel je voor dat iemand de trekker overhaalde.

Het was het duurste boek dat ik ooit had gekocht. Na enkele minuten gepeins draaide ik me om en liep weg zonder een boek uit de kast te nemen. Het volgende ogenblik ging ik opnieuw voor de bibliotheek staan, sloot mijn ogen en nam een willekeurig exemplaar. Als oefening en zonder aan het bedrag te denken dat het me moest opleveren. Het bleek Duende van Ivo Hermans te zijn, een eerste druk. Ik keek naar het gelaat van de flamenco danseres die op het omslag afgebeeld stond en zuchtte quasi opgelucht. Het was me gelukt een boek te selecteren. Een boek per dag en na een week was de klus geklaard. Gesterkt in mijn pogen waagde ik me aan een tweede selectie toen ik plots een heftige rilling over de ruggen van de boeken zag lopen. Mijn hart sloeg een tel over. Hoe was het mogelijk. Ik joeg hen angst aan, en de angst van hen die op het punt stonden het huis te moeten verlaten, nam ook ineens van mij bezit.

De laatste tijd was ik voorbij de boeken gelopen als was hun aanwezigheid iets vanzelfsprekend geweest. Ik had nauwelijks aandacht geschonken aan hun zacht gejuich, wanneer ik ’s ochtends de gordijnen openschoof en het zonlicht op hun dichtgevouwen lichamen viel. De gouden en rode zijden lintjes doorgaans blinkend van geluk, lagen nu tussen de lege bladzijden van een woordeloos verdriet. De rilling liep over de bergkammen van hun opgetrokken schouders, door de duizenden woorden en verstoorde voorgoed de rust van hun huiselijk geluk.

Met het boek in mijn handen keek ik in de loop van het pistool als was het de loop van een rivier die over de andere boeken stroomde en zag in de neergeslagen blik van de flamenco danseres die op de omslag afgebeeld stond, een helse woede ontvlammen. Razender dan een Griekse cycloop stond zij stampend uit de bladzijden op en veroorzaakte een lawaai als duizend donderslagen met het hameren van haar schoenhak. Dit was de duende die probeerde te ontsnappen voor ik haar ziel en de ziel van de schrijver op het internet te koop aanbood. Zij wist het en was door mijn verraad tot in haar kleinste vezels gealarmeerd. Mijn vingers trilden heftig toen ik het boek tussen de anderen duwde, de woede van de duende zich als een lopend vuur verder over de bevende boekenruggen verspreidde. En ik vanuit de inktzwarte diepten van deze neergeschreven levens een zo troosteloos snikken hoorde, als van kinderen die aan de deur waren gezet, en de gedachte, die de zielen van mijn kinderen wilde verkopen, voorgoed liet varen.

 

 

 

 

 

Graceland

Pink Cadillac, Graceland

 

In een van de vele sociale huurwoningen die de stad rijk was woonde lange tijd een man die op Elvis Presley leek. Of beter gezegd, een man die heel erg op Elvis Presley wilde lijken. Zoveel dat hij hem zelf wilde zijn, en hoewel het had gekund, een Elvis-imitator werd hij niet. Hij speelde geen covers in een achterafzaal of voerde geen nummers op in een karaokebar. Hij leefde zijn idool, zo goed en zo kwaad als het kon. Met al wat hij aan fysieke gelijkenissen had gekregen; van de bakkebaarden tot de blue suede shoes, hij weerspiegelde The King van kop tot teen. De gelijkenis was frappant. In het weekend reed hij rond in een roze Cadillac coupe de ville, bouwjaar 1959. Een model met grote vleugels, van binnen en van buiten in roze en wit uitgevoerd, die vanzelfsprekend, ook de favoriete auto van Elvis Presley was.

Niemand wist waar hij die gigantische slee vandaan had gehaald. Op een mooie zaterdagochtend reed hij er een ondergrondse garage mee uit, schoof het dak open en toerde rondjes in de buurt. Onder de uitschietende vleugels lagen de achterlichten in elliptische units van blinkend chroom verpakt. Een uitlaat als een raket. In zijn wit kostuum, een adelaar op de rug, en de Napoleonitaanse kraag van zijn hemd opstaand tegen de wind, reed The King of Rock and Roll rond in de wijk. Door de autoboxen op de hoedenplank hoorde je van ver de warme baritonstem: ‘Love me tender, love me true’.
Een sfeer van grandeur zweefde tegen dertig kilometer per uur door de grijze en van armoede doortrokken wijk in een roze wolk voorbij. Nooit zagen we een vrouw naast hem. Hij reed zijn rondjes altijd alleen. Dat maakte het beeld van The King echter incompleet maar vergrootte het pathos des te meer. De zondagavond was het feest voorbij en parkeerde hij de roze Cadillac coupe de ville in de ondergrondse van zijn droom en keerde in het daglicht als havenarbeider terug.

Op een dag was hij verdwenen. Zonder een spoor achter te laten ontsnapte hij door een gat in het sleepnet van zijn dromen. Niemand wist waar hij naartoe was. Geen mens had hem tijdens die week of in het weekend, nog in één van zijn gedaanten, in de buurt gehoord of gezien. The King in zijn roze Cadillac zagen we nooit meer terug. Het werd van toen af aan heel stil op zaterdag. Soms op hondse dagen zoals vandaag denk ik aan hem terug, vraag me af wat er van hem geworden is en zie hem dan in gedachten, na een lange rit en een tocht overzee, in zijn wit kostuum, de Napoleonitaanse kraag van zijn hemd, opstaand tegen de wind, in zijn roze Cadillac de horizon van Memphis tegemoet rijden. Het schuifdak open ‘Love me tender, love me true’, trillend in een fluorescerend neonlicht.

Jonge sla

fb476de0966f055fe735750b60dee942--kitchen-prints-botanical-illustration

Gedrieën stonden we vertederd en verrukt boven het bedje gebogen als was het een pasgeborene die daar lag te slapen in plaats van tien kroppen pas ontloken sla.

Ah’s en oh’s stegen op als een koppel witte tortelduiven in hun eerste zomerse vlucht en onze moeder zwol van trots alsof ze net bevallen was. Mijn zus begon het sla-gedicht van Rutger Kopland voor te dragen en ik stelde voor een mooie krop uit te steken voor bij de lunch met een gebraden kip. Enkele schijfjes tomaat tussen de rokken van een ui, een geut gouden olijfolie en enige druppels balsamico erbij. Voorzichtig schoof ik de buitenste bladeren van een volmaakte gevormde krop opzij en zag toen op het bijna lichtgevende groen van een slablad en in de stilte van de aarde, de smurfblauwe korrels liggen. Ik deinsde terug met het mes en keek mijn moeder ontzet aan. Wat doen die enge blauwe korrels daar?

‘Oh’, zei mijn moeder luchtig, ‘dat is niets, het kan geen kwaad, ze dienen gewoon om de slakken weg te houden.’ In de jaren zestig opgegroeid, was ze nog steeds aan milieuvervuilende producten gewend. Mijn zus werd bleek rond haar neus en opperde dat ze de sla liever niet zou eten, met al die rare korrels op. Onze moeder schoot beledigd uit haar wiek. In een poging de gemoederen te bedaren, stak ik snel de krop uit en gooide de groene krans van de buitenste bladeren in de vuilnisemmer. De lauwerkrans van de dichter kwam op een hoop aardappelschillen terecht. Ik dacht een zacht gekreun te horen.

‘Niets aan de hand’ zei ik, ‘ de sla even goed wassen en we kunnen zo aan de lunch.’ Maar voor mijn zus was er geen terugkeer meer mogelijk. De blauwe korrels lagen nu ook in haar denken uitgestrooid en hadden daar de frisgroene blaadjes van de poëzie aangevreten. Ze wilde de sla niet meer eten en vroeg of er geen conserven waren voor bij de kip. Toen schoot ook mijn tante die vanuit de bijkeuken geduldig het tafereel had geslagen uit haar slof en gebood mijn zus, met een blik die geen tegenspraak duldde, de sla van haar moeder op te eten en zich niet zo onbeleefd en paranoïde te gedragen. Mijn zus bezweek en at de sla en de kip stilletjes op.

Onderweg naar huis zag ik haar steeds bleker worden tot we uiteindelijk op de pechstrook eindigden en ze kokhalzend over de berm hing.
‘Ik ben vergiftigd’ piepte ze, ‘wie weet ben ik morgenvroeg dood.’

‘Maar ik heb ook van de sla gegeten en heb niets’, probeerde ik.

‘Jij kreeg de kroonblaadjes die dichter bij het hart lagen en ik kreeg de buitenste bladeren, als straf.’

Thuis werd ze nog misselijker, deed die nacht geen oog dicht en wachtte haar laatste uren af. Terwijl ik telefonisch bereikbaar bleef, zocht ik naar een ecologische manier om de slakken te bestrijden, zodat wij in de toekomst, zonder onze moeder te beledigen of denkbeeldig ziek te worden, haar zelfgekweekte groenten konden eten. Vrijwel onmiddellijk vond ik op een website voor biologisch tuinieren een eenvoudig en afdoend middel. Het enig wat je nodig had, waren twee bollen look en twee liter water waarin de bollen gekookt en twaalf uur geweekt moesten worden. Met het gezeefde lookaftreksel moest je dan de slabladeren benevelen.

‘Met lookwater?’ herhaalde mijn zus ongelovig aan de telefoon.

‘Natuurlijk,’ zei ik, ‘het lijkt me logisch dat die dieren bij het eerste geurspoor onmiddellijk gealarmeerd raken: Wie wil er nu in zijn eigen sop van uitgeperste look, peterselie en een klontje boter gaar gekookt worden? Escargots de Bourgogne is hen sinds mensenheugenis in het slakkengeheugen geprent, daar gaan ze onmiddellijk voor op de loop.’

‘Wat vind je ervan?’ vroeg ik.

‘Alles kan ik verdragen…Maar jonge sla in september, net geplant, slap nog, in vochtige bedjes, nee.’

Kopland leeft nog, dacht ik en legde de mobiel op het nachtkastje neer.

Noli me tangere

 

In deze om verschillende redenen onvergetelijke maand juli waarin ik gemoedstoestanden ondervond, gelijkend op de onweders die plots in alle hevigheid losbarstten en even onverwacht weer overgaan in een zonnige dag, nam ik tijdens een wandeling langs het ‘sentiero azzurro’, (het zeeblauwe pad), een foto van een cactusplant die roekeloos langs de richel van een afgrond groeide en verplantte hem naar het kader van mijn profielfoto op Facebook. ‘Non toccare’, dacht ik er in gouden drukletters bij, maar schreef de zin niet op omdat het  beeld al voor zichzelf sprak.

Enkele jaren geleden had ik tijdens een andere wandeling in de Jardin Majorelle, een botanische tuin in Marrakech, al grondig kennis gemaakt met de oranje cactusvrucht die de kleur van een zonsondergang heeft en zijn vruchten draagt als waren het brandende lampions aan een kandelaar. Onweerstaanbaar door de kleur, de vorm en de onbekende smaak van de cactusvijg aangetrokken, plukte ik in de tuin de verboden vrucht en zette er mijn tanden in. In een hels ogenblik werd ik een ontelbaar aantal speldenprikken gewaar in mijn gehemelte. De minuscule stekeltjes – door het verlangen en de roekeloosheid, onzichtbaar geworden waren als de donshaartjes van een perzik – doorprikten mijn lippen. Om hulp roepend bracht de tuinman, een Spaanse immigrant, Cristoforo genaamd, mij voortrekkend aan de mouw van mijn djellaba die over de grond en het stof sleepte, naar het souvenirwinkeltje in de tuin en droeg me over aan twee dames die er ondanks de temperatuur van 42°C onberispelijk fris en verzorgd uitzagen.

De dames boden me een stoel aan en een van de twee haalde een pincet uit haar toilettas. Ze boog zich over mij en plukte de stekeltjes een voor een uit mijn bloedende lippen. Toen de operatie voorbij was kocht ik een flesje parfum waarvan de inhoud de subtielste geuren uit de tuin beloofde en de zeven typische Marokkaanse basisgeuren bevatte: oranjebloesem, Rosa Damascina, munt, saffraan, jasmijn, ceder uit het Atlas-gebergte en ijzerkruid. Ik bedankte hen uitvoerig en besloot nooit meer zonder pincet de deur uit te gaan. Buiten las ik naast de cactusplant op een schuin bordje in de net aangeharkte grond: Ne pas toucher. Niet aanraken. Non toccare. Do not touch. لا تلمسني (La timansi)

Zo verbleef ik in het gezelschap van de cactusvijg en de waarschuwende woorden die de vrucht als vanzelfsprekend vergezelden en bracht de wandeling langs het pad van de cactusvijgen die dag alsnog tot een goed einde.

In de nog relatieve koelte van de daaropvolgende ochtend bracht ik na een lange afwezigheid een bezoek aan de bibliotheek. Ik wilde er een boek ontlenen dat onlangs door een vriend vertaald werd maar het boek bleek na weken nog steeds niet beschikbaar. Ik vroeg aan de bibliotheekmedewerker waar het boek eigenlijk bleef en de man antwoordde na enig opzoekwerk dat het boek de status ‘in verwerking’ droeg en dat dit als een ‘containerbegrip’ beschouwd moest worden.
Dit betekende dat het boek ergens in een onbekende container op verscheping lag te wachten tot het zijn uiteindelijke bestemming zou vinden. Maar het tijdstip waarop de verscheping zou plaatsvinden, kende niemand. Ik wist opnieuw waarom ik de bibliotheek nog zelden bezocht. ‘Dan rest me niets dan het online verder op te volgen’, verzuchtte ik. ‘Inderdaad’ antwoordde de bibliotheek-medewerker, tevreden dat ik het containerbegrip begrepen had. Ik liep verder tussen de bekende en onbekende ruggen van de boeken, tot mijn liefkozende blik als een weerhaakje aan de kaft van een boek bleef hangen dat tussen de rekken uitgestald lag. Het boek was geschreven door Andrea Camilleri, de vader van de Italiaanse commissaris Salvo Montalbano. Een even charmant als scherpzinnig detective waar ik literair gesproken bewondering voor had. Dat hij naast detectives ook romans had geschreven, was me onbekend. De titel van het boek luidde echter als een bronzen klok: ‘Noli me tangere.’ Dat kon geen toeval zijn. Hier viel iets te ontdekken. Ik stopte het boek in mijn tas en las thuis op het balkon de honderddrieënvijftig bladzijden tellende psychologische roman nog dezelfde namiddag uit.

De gouden draad in het verhaal was het Noli me tangere- fresco van Fra Angelico in het Museo San Marco in Florence. Het kunstwerk verbeeldt het bijbels ogenblik  waarop Maria Magdalena de verrezen Jezus naast zijn lege graf vindt. Maria Magdalena snelt op hem toe en en wil hem aanraken maar hij houdt haar tegen met de woorden: ‘Noli me tangere.’ ‘Raak me niet aan.’ Camilleri schetst vervolgens in zijn verhaal een ongekende versie van het beroemde ogenblik in het schilderij. Hij laat zijn hoofdpersonage Laura, die een studie aan het kunstwerk wijdde, een bijzondere ontdekking doen: namelijk dat Maria Magdalena, toen ze Jezus in de tuin vond, hem al had aangeraakt. Een 3D reconstructie van het werk laat vermoeden dat Fra Angelico twee handen schilderde die zich pas nadat ze elkaar hebben aangeraakt opnieuw van elkaar verwijderen. De spanning die van de verwijdering na de aanraking uitgaat, is in de compositorisch perfect geschilderde ruimte, tussen de twee handen, op het ogenblik dat ze elkaar terug loslaten, bijna tastbaar. Hiermee werpt Camilleri een ander licht op de gangbare theorie dat de Jezusfiguur Maria Magdalena weerhield hem aan te raken omdat hij nog een menselijk lichaam had en nog niet ten hemel was opgestegen. Camilleri gaf met zijn visie de betekenis van het schilderij een andere wending. ‘Elkaar na de dood en verrijzenis terug bij de hand nemen was voor de schrijver een bewijsstuk van een teken van continuïteit.’ En belicht hiermee de mysterieuze band die er tussen de Jezusfiguur en Maria Magdalena bestond voor hij stierf.

Een andere kijk op een kunstwerk en op een plaats waar je het helemaal niet had verwacht.

Zo vielen de dingen op het einde van de wandeling weer op hun plaats en vormden de plaveisels van het pad een veelkleurige mozaïek. De zin die mij al zo lang begeleidde vond uiteindelijk een plaats waardoor hij meer zin werd, een andere zin kreeg en verschillende vormen aannam: van cactusplant tot een Renaissance meesterwerk en tevens de wedergeboorte van een interpretatie van een fresco van Fra Angelico in een roman van Andrea Camilleri.

Fra Angelico. Noli me tangere

Koren

Jean-Antoine_WatteauCeres_ou_l'été_(1717-18)

 

‘For those cities that were great in earlier times must have now become small, and those that were great in my time were small in the time before….Man’s good fortune never abides in the same place.’ Herodotus, Historiën

 

 

Gisteren liep ik met een vierjarig meisje op mijn rug van het eilandje waar de flamingo’s van de zoo op één poot, glinsterend in het goudroze water, verkoeling zochten – want het was al vier weken 30°C – over De Keyserlei en het stoffige plein van de Vlaamse Opera dat nog steeds opengebroken lag, naar een bushalte aan de Franklin Rooseveltplaats. Het meisje, Oona, had tijdens het wandelen twee blaren op haar hielen gekregen en kon niet meer lopen zonder een schurende pijn te voelen. Ik stelde voor haar te dragen, spelenderwijs, gelijk een kangoeroe maar dan in een buidel op mijn rug want je wil niet dat een kleuter van vier jaar pijn moet lijden. Ze ging op een bank staan en hup, met een sprongetje voelde ik het vederlichte gewicht van een vierjarige. Meteen dacht ik aan al de reizen die ik vroeger met de rugzak had gemaakt. Dit gewicht was iets heel anders, een klein levend wezen, een reis die nog moest beginnen, nog in de kinderschoenen stond, zonder bagage, alleen een bloemenkleedje droeg, gekleurde kralen rond de hals en gouden sandalen die nog vleugels moesten worden. Sprankelende bruine, samengeknepen oogjes, gedachten en woorden die nog niet door de ziekten en kwalen van het leven waren aangetast.

Onder het lopen verscheen op het display van mijn gsm een bericht van mijn zus: ‘Waar ben je?’ Ik antwoordde dat ik met Oona in de zoo was en op de terugweg naar huis. Oona, die door de autocorrector op het display van mijn gsm Mona werd. Een romantisch schilderij. Een mini-versie van de Mona Lisa voor ze als portret uit het oog van Leonardo da Vinci geboren werd.

Zo liepen we door het stof en de hitte. Ik hoorde haar zingen, haar armpjes rond mijn nek en het was alsof ik terug in Heliopolis, Delphi, Pompeii en zoveel andere kleine en grote of – zoals Herodotus in zijn Historiën beschreef – verdwenen steden, met een kind gelijk een kruik vol dromen en grootste verwachtingen door een naar appeltabak geurende straat liep. Voetafdrukken smolten in het asfalt. Zoekend naar een door iedereen verlaten bushalte vanwaar een versleten vehikel ons weer naar andere steden en dromen zou voeren, waar weer hetzelfde stof en dezelfde hitte aan ons zouden kleven en het zingen ergens onderweg, in de droogte van de woestijn, die we altijd overleefden, weer de boventoon kreeg. Het tochtje van de zoo naar de bushalte duurde nog niet eens een half uur maar we waren alle twee onuitgesproken blij toen we op het fluwelen zitje van de stadsbus mijn lichte vermoeidheid en haar bloemenkleed konden uitspreiden.

Ik dacht aan alle vaders en moeders die met hun kinderen hun thuisland hadden moeten ontvluchten. De ontberingen die ze onderweg moesten doorstaan, in het achterhoofd slechts een povere hoop dat hun elders een veilig onderkomen wachtte. Aan een welkom dachten ze waarschijnlijk niet. De geestelijke en fysieke hel van de overtocht; je kind dat honger en dorst heeft, uitgeput is, niet meer kan lopen en dat je uiteindelijk niet meer kan dragen omdat je draagkracht het begeven heeft. Het alleen aan de elementen overgeleverd zijn. Opeengepakt in een boot, erger als dieren tijdens een transport.

Terwijl er een andere mogelijkheid was, als we zoals Holden Caulfield uit The Catcher in the Rye zouden kunnen zijn, die in een wederkerende droom aan de rand van een (humanitaire) afgrond ging staan: ‘Ik zie de hele tijd een heleboel kinderen voor me die een of ander spel aan het doen zijn in een groot graanveld. Duizenden kleine kinderen en er is niemand bij – geen grote mensen, bedoel ik behalve ik. En ik sta op de rand van een of andere krankzinnige afgrond. En wat ik nou moet doen is dat ik ze moet vangen als ze in de afgrond dreigen te vallen – als ze dus aan het hollen zijn en niet kijken waar ze lopen, moet ik ergens vandaan komen en ze vangen. Dat is het enige wat ik de hele dag zou doen. Dan was ik dus de vanger in het graan. Ik weet dat het gestoord is, maar dat is het enige wat ik echt zou willen worden. Ik weet dat het gestoord is.’

 

Il gigante, Eugenio Montale

 

il-gigante-primi-anni

 

De vroege aanwezigheid van de zwaluwen had reeds de belofte van een warme zomer ingehouden en zoals ieder jaar verzamelde ik gelijk een vogel takjes en weggewaaide paardenharen om een nest te bouwen, een stapel boeken van Eugenio Montale, de dichter in wiens gezelschap ik de komende zomermaanden zou doorbrengen, wiens woorden zich in de blakende zonne-uren van mijn geheugen zouden etsen en die ik misschien op het einde van dit leven, langsheen een andere dimensie van het zijn, zou kunnen meedragen naar een volgende existentie.

Zo was je dus nooit alleen en verbleef je altijd in excellent gezelschap, zelfs al kwam je als een vleermuis hangend in een paardenstal terug. Het was nog maar eind juni en de lucht was iedere ochtend helder blauw. Er een waaide een zachte wind die de hitte overdag draaglijk maakte en de zwaluwen met hun lange, gevorkte staarten scheerden van zonsopgang tot zonsondergang rondjes langs de wolkeloze hemel.

Hun klaaglijk roepend geluid trilde in de warme lucht, alsof de vogels iets duidelijk wilden maken en ik niet kon begrijpen wat het was. (Een gevoel van heimwee overviel me. Er zullen dagen komen, dacht ik, spiegelglad en eentonig als de oppervlakte van de zee, waar niets nog zin lijkt zin te hebben. Die dagen zal je op een of andere manier van rots naar rots zwemmend te boven moeten komen.)

Vorige zomer was ik begonnen met het vertaalde werk, of eerder het geheimschrift van de dichter die in 1975 de Nobelprijs voor Literatuur kreeg, te ontcijferen maar de omvang en de fonetische complexiteit van het werk was zo groot dat ik aan een seizoen niet genoeg had en het misschien een levenswerk was om het werk te doorgronden. De uitgave van Jonathan Galassi, Collected poems 1920-1054 met de oorspronkelijke Italiaans versie naast de Engelse vertaling, was voorzien van tweehonderd voetnoten, sleutels eerder. De vertalingen van zijn voorganger William Arrowsmith die in 1990 in Parma de Montale prijs voor zijn vertaalwerk ontving waren niet minder noemenswaardig. Het weinige dat er van zijn omvangrijk oeuvre naar het Nederlands vertaald werd was daarbij vergeleken een peulschil maar getuigde van heldenmoed, want het werk was eigenlijk onvertaalbaar verklaard.
In de wetenschap dat ik een berg ging beklimmen nam ik met de stapel boeken plaats aan de keukentafel. In de partjes citroenen van het plastieken tafelkleed zaten gele pitten waarvan ik niet wist of ze het meest op tranen of zweetdruppels leken, ik dronk mijn koffie op en keek door het raam naar de onverzettelijke voet van Il Gigante, de zeegod Neptunus die tijdens een bombardement in de tweede wereldoorlog zijn armen, drietand en een gigantisch zeeschelp op zijn schouders verloor, maar nog steeds over de baai van Monterosso waakte.

Monterosso al Marre hing ten noorden van de Ligurische kust aan een steile hoge klif die enkel met de trein of te voet bereikbaar was. Op deze romantische, alleen nog in het verleden bestaande, van de wereld afgezonderde plek, bracht de dichter de eerste dertig zomers van zijn leven door. Zijn werk verklankt en verbeeldt de verzengende, de stille zomers en het uitzicht van op de kliffen waar de golven van een altijd veranderlijke en toch dezelfde zee in schuim uiteenspatten. In de stilte van dit kurkdroge landschap, het gezelschap van een hagedis op een witgekalkte muur, het geluid van de zee en het gezang van de cicaden vonden Montales gedachten hun dichterlijke vorm. Elke porie van zijn voelen werd tijdens deze uren in eenzaamheid en trage observatie doorgebracht, door de wind, het water en de lucht uitgeschuurd, gestreeld, gewassen. Druppelend hars van de pijnboom. Tot enkel nog het tsjirpen van de cicaden overbleef en zijn zingen dat zinderend in de middaghitte, tussen de branding van de rotsen, uit de olievlek-kleurige cimbalen van zijn omhulsel brak.

Op de noordelijke helling van de Punta del Mesco stond Het huis met de Palmen, de pagode die Montales vader liet bouwen toen de dichter negen jaar was. Een bries bewoog de schaduw van de twee palmen op de pastelgele muur, een jasmijnhaag omringde het huis met de tuin. Palingen flitsten er tussen het riet van een verborgen kreek. Langs de geërodeerde kliffen van de kuststad liep een oud wandelpad dat de vijf dorpen van de Cinque Terre aan de grens met de hemel met elkaar verbond, en van alle kanten een uitzicht bood op de blauwe spiegel van de Ligurische zee. De geur van de heuvels begroeid met tamarisken, druiven, citroen- en mandarijnbomen, buxusstruiken, rode cactusvijgen, de aloë vera met haar dikke puntige bladeren, waaide de reiziger die met de trein het kuststadje binnenreed door het opengeschoven raam tegemoet. Een hoofd stak door het treinraampje naar buiten en keek uit naar het teken: de witte zakdoek waarmee iemand door een van de vensters van Het huis met de Palmen zou zwaaien, dan gauw naar binnen liep, een pot water op het vuur zou zetten en een glas bronwater uitschonk, om de reiziger te verwelkomen, die moe was, dorst en honger had.

Ossi di Sepia, Inktvisschelpen, Montales eerste gedichtenbundel, gepubliceerd in 1925, was een afspiegeling van het landschap en zijn instinctieve, poëtische reflectie op al die elementen die hem omgaven. De golven en de getijden van de zee die in hem heen en weer klotsten. Het oor van de lezer dat een gigantische schelp wordt, op het strand aangespoeld en waar zijn gedichten als het klotsen van de golven doorheen klinken. Soms spoelde er een fles aan met een boodschap, steeds aan een andere en eendere liefde geadresseerd, zoals de altijd veranderlijke en steeds dezelfde zee.

De zee lag uitgestrekt voor me. Aan de vloedlijn stond op zijn blote voeten, de dichter. Een rots schroeiend in de branding. Hij streek met zijn vingers door zijn dikke bos stug haar. Hij hield een roos in zijn hand. De roos uit de kermistent.

Ik wachtte nog op iets waarvan ik niet wist of het nog zou komen en liep tussen het zeewier, het kurk en de aangespoelde schelpen op het keienstrand verder, vermoedde dat ik een mogelijke schipbreuk kon overleven en dat iedere storm het waard was geweest. De schaduw van de gigantische schelp stortte zich in duikvlucht van de klif over mijn schouders. Ik sloot mijn ogen en luisterde naar de roep van de zwaluwen, het trillen van de cimbalen waarin de muziek van Eugenio Montales poëzie resoneerde en als een koor van cicaden in de stilte van een zomerdag besloten lag.