Tijdens mijn laatste meditatie, die in het beste geval een soort douche voor het brein zou moeten zijn, bevind ik me plotseling in een slachthuis waar net een massa levende wezens werden afgeslacht. In rubberen laarzen en een witte plastic voorschoot probeert iemand met een hoge drukspuit wanhopig de wit betegelde ruimte schoon te maken, maar toch kan wat daar plaatsvond, niet ongedaan worden gemaakt.
In mijn geest zoek ik naar een ruimte waar de inmiddels meer dan 28.000 doden zich hebben opgestapeld, gewikkeld in witte doeken, wachtend op een menswaardig graf. Ik zoek naar de naamlozen in het massagraf dat Gaza heet. Te midden van de doden verschijnen de beelden van de nog levenden; een vader schreeuwt om gerechtigheid terwijl hij zijn levenloze baby vasthoudt wiens overlijdensakte eerder werd opgesteld dan zijn geboorteakte. Een eindeloze stroom beelden van gewonde kinderen, in shock, schreeuwend, rillend van angst. Het hartverscheurende, troosteloze huilen van kinderen die hun ouders verloren in de genadeloze bombardementen.
Het verdriet van 17.000 weeskinderen uitgeput, ziek en getraumatiseerd, moederziel alleen rondzwervend in de verwoeste Gazastrook, vindt geen weerklank in het lege landschap. Er is geen veilige ruimte meer, geen mens om hen op te vangen.
Het water blijft stromen, maar tegelijkertijd blijft het bloed vloeien, iemand probeert met een hoge drukspuit wanhopig de wit betegelde ruimte schoon te maken, maar toch kan wat daar plaatsvond, niet ongedaan worden gemaakt.
Voor ik mijn ogen weer open zie ik de niet te beschrijven blik van een Palestijnse vrouw, haar hoofd bedekt met een hoofddoek, gedwongen haar eigen hoofd en dat van haar dochter kaal te scheren om ziekten aan de hoofdhuid te voorkomen. Beelden van kaalgeschoren gevangenen tijdens de Tweede Wereldoorlog vermengen zich met de gruwelijkheden van deze tijd, in een stroom zonder tijd, zonder genade.
Ik draai de kraan abrupt dicht en zoek verwoed in de ruimte die als een slachthuis is, naar iets als hoop en mededogen.
Het is vrijdag 30 december 2023. Volgens het Palestijnse ministerie van Volksgezondheid zijn in Gaza al meer dan 21.672 mensen gedood, voornamelijk kinderen en vrouwen, en zijn 56.165 mensen gewond geraakt, 8ooo mensen zouden nog onder het puin liggen. Sinds de bloedige aanval van Hamas en andere Palestijnse groepen op 7 oktober in Israël , waarbij 1300 burgers en militairen omkwamen en ongeveer 250 mensen werden gegijzeld (86 gijzelaars werden tijdens de gevechtspauze op 24 november door Hamas vrijgelaten) worden we dagelijks geconfronteerd met beelden van de ongeziene slachting die het Israëlische leger aanricht als vergelding. Het aantal kinderen dat de voorbije weken in Gaza is omgekomen, op dit ogenblik 8500, overtreft het totale aantal kinderen dat jaarlijks, wereldwijd gedurende de afgelopen drie jaar het leven heeft verloren als gevolg van gewapende conflicten. Terwijl ik dit neerschrijf verafschuw ik de kilheid van de cijfers.
De Britse krant The Guardian meldt dat na de aanhoudende bombardementen door het Israëlische leger, er vanuit de ruimte meer dan duizend kraters te zien zijn. Als onderdeel van ‘de blokkade’ sluit Israël de toevoer van brandstof, voedsel, water en elektriciteit af. Ziekenhuizen die nog functioneel zijn worden overspoeld door gewonden, waarvan de helft kinderen zijn, en een derde reeds overleden is bij het binnenkomen. Sommigen zijn voor het leven verminkt, hun gezichtjes met bloed besmeurd, de haren grijs van het stof; de wereld is boven hun hoofden ingestort. Huilend of doodstil van de schok staren ze ons met wijdopen ogen van angst aan, gedesoriënteerd en ontheemd tot in het diepst van de ziel. Dokters, chirurgen en verpleegkundigen werken zoals altijd en overal in crisissituaties, onder de meest afschuwelijke en veeleisende omstandigheden, de klok rond. Chirurgische ingrepen worden in Gaza uitgevoerd met het lampje van een gsm. Chirurgen getuigen dat ze de ledematen van kinderen moeten amputeren zonder pijnstillers. Ik hou mijn adem in. Volgens Unicef hebben meer dan 1000 kinderen in Gaza amputaties ondergaan zonder verdoving. De fosforbommen die het IDF dropt, branden gaten in de huid. Ik wil de beelden niet zien, maar dan besef ik dat ik niet kan en mag wegkijken. Het is onze plicht over deze ongeziene misdaden door het IDF uitgevoerd op onschuldige burgers te berichten.
Verbijsterd sluit ik mijn laptop.
Er komt geen einde aan de horror; dag na dag stapelen de doden zich op of sterven onder het puin. Zelfs het begraven van de doden wordt de burgers ontzegd. Het is een oorlog die ontmenselijkt en waarbij alles in de strijd wordt gegooid. Volgens een bericht van Al Jazeera werken de waterpompen van het Abu Rashidreservoir niet meer doordat ze geraakt zijn bij Israëlische bombardementen. Door het vernietigen en bombarderen van de infrastructuur in de Gazastrook is het rioleringssysteem buiten werking gesteld. Door de hevige regenval kunnen ambulances niet meer door de straten rijden. Infectieziekten verspreiden zich onder de ontheemde bevolking. Ook de essentiële waterzuiveringsinstallatie aan de rand van Gaza-Stad is recentelijk vernietigd (dit werd bevestigd door satellietbeelden), waardoor 70% van de bevolking afhankelijk is van vervuild water voor hun dagelijkse behoeften. De gewonden kunnen niet verzorgd worden, de doden kunnen niet begraven worden. Als er nu geen bestand wordt afgedwongen, wanneer dan wel? Ook de grond wordt gecontamineerd door schadelijke stoffen zoals asbest en zware metalen die bij het instorten van de gebouwen vrijgekomen zijn. Het AID (Vereniging voor Infectieziekten in Israël) bericht dat ‘ze verschillende medicijnresistente ziekteverwekkers hebben aangetroffen in de verwondingen aan de ledematen van soldaten, waaronder zeer resistente stammen van Klebsiella- en Escherichia coli-bacteriën, en Aspergillus-schimmels.’ Dit onderzoek werd uitgevoerd op 10 soldaten. ‘Er was geen reden voor paniek, er was geen sprake van een epidemie.’ Hoe kon dit vastgesteld worden? De wonden van de Gazanen werden uiteraard niet onderzocht. Inmiddels dropt het IDF bommen met behulp van artificiële intelligentie, waardoor alles en iedereen een doelwit wordt. Het doden wordt ‘efficiënter’. Gebied na gebied wordt gebombardeerd. Het tempo waaraan mensen in Gaza sterven is ongezien in deze eeuw, en er is nergens een veilige plek om naartoe te vluchten. De bevolking wordt van het noorden naar het zuiden verjaagd. Wie kan vlucht te voet, of met wat hen nog aan bezittingen rest, op een ezelskarretje geladen. Kinderen sterven van honger en dorst. De beelden die hiervan getuigen zijn hartverscheurend. Met duizenden wachten ze in de rij bij hulporganisaties die voedsel uitdelen. Ik hoor het holle geluid van lege potten, pannen en een plastieken emmers vooraleer ze met een schep linzen worden gevuld, uit de massa duikt een kleuter op die niet bij de voedselverdeling raakte, hij loopt verloren rond, tot hij een schep bonen uit een ander kom ontvangt. Het kind holt vervolgens met zijn kom en de handvol bonen, naar huis of wat er van overblijft. De hulpkonvooien raken Gaza niet binnen. In Rafah worden op onbebouwde terreinen en langs de kant van de weg tentenkampen opgezet, de opvangcentra zit overvol.
Meinie Nicolaï, algemeen directeur van Artsen Zonder Grenzen, ontvangt van haar collega’s in Gaza het bericht dat kleine kinderen zeggen ‘dat ze niet langer willen leven’.
Gaza is een slachthuis geworden. De mens als woedende, van haat schuimbekkende slachter. De gedreven verwoester. Gewetenloos, want wie een geweten heeft is niet tot zulke gruwel in staat. Ik denk aan een gedicht van Janos Pilinszky uit de bundel Krater. Pilinszky verbleef tijdens de Tweede Wereldoorlog als krijgsgevangene in een Duits concentratiekamp en beschreef ‘het feit dat Auschwitz zich in de christelijke cultuuromgeving heeft voorgedaan, voor het metafysische verstand niet te vatten was’. Dat de wreedheden door de mens begaan zich blijven herhalen zal nooit te vatten zijn. Krater ligt altijd binnen handbereik, nu op de tafel naast mijn aantekeningen voor het Venetiaans verhaal waar ik deze kerstvakantie aan wilde verder werken, maar mij in de huidige omstandigheden niet toe in staat zag. Het is aan de gedichtenbundel te zien dat hij al lang meegaat. Ik zou op de tweedehandsmarkt een nieuw exemplaar kunnen aanschaffen, maar dat zou niet hetzelfde zijn. De eerste aanblik verbeeldt de emoties die de gedichten opriepen toen ik ze voor het eerst las en sindsdien bleef herlezen. Woorden en gevoelens die zich in mij genesteld hebben en mij overal begeleiden, als waren het oude zielen uit een oorlog teruggekeerd die ik enkel kende uit de verhalen van mijn overgrootmoeder. Moeder was pas twintig toen ze mij ter wereld bracht. Mijn wieg werd bij mijn grootmoeder en overgrootmoeder aan vaderskant geplaatst. Twee oorlogsweduwen. In plaats van met moedermelk werd ik met verhalen gevoed. Verhalen doordrenkt van een verdriet dat ik toen niet kon bevatten, maar die me wel de essentiële menselijke normen en waarden hebben bijgebracht. Ik begreep de impact van de oorlog op hun leven pas echt toen mijn vader op een dag een klusjesman de toegang tot ons huis ontzegde, omdat het een Duister bleek te zijn. Ik was geschokt, en begreep tegelijkertijd dat dit nooit de bedoeling kon zijn.
Bij tijden, en in een bepaalde weerspiegeling van een parallelle werkelijkheid, zag ik langs mijn overgrootmoeder een glimp van een ontheemde, verweesde mensheid opstaan, die zo in mijn gedachtengoed een oorsprong vond.
De ochtend begint met het lezen van de berichten op de nieuwssites van Al Jazeera, Middle East Eye, berichten van vrienden, Facebookvrienden en journalisten die via kranten en sociale media volg. Een mens mag niet cynisch worden, maar ik besef dat deze oorlog de meest gedocumenteerde oorlog is. Tijdens de meditatiesessies ’s ochtends en ’s avonds, waarvan het nut steeds groter wordt, loopt het ingehouden verdriet over mijn gezicht, maar deze ongeziene barbarij laat zich niet van mijn netvlies wassen. Het spoelt hoogstens de wonden in de ziel.
Op 20 december komt het bevrijdende bericht dat Fatena Al Ghorra, onze Palestijns-Vlaamse landgenote en dichter, eindelijk met haar ouders in Rafah de grens met Egypte kon oversteken en ondertussen in Caïro in veiligheid is. We halen allemaal opgelucht adem. Het Midden-Oosten heeft zich na een afwezigheid van jaren weer helemaal in mijn bestaan geschreven. Wat ik mij van de Arabisch taal herinner is, tot mijn eigen schaamte, bitter weinig. Ik begin mij opnieuw te documenteren. Denk aan het moment dat ik begin jaren negentig op het punt stond om met het toenmalig Palestijns actiefront in Gent als vrijwilliger naar Gaza te reizen, met als missie kinderen te begeleiden op weg naar school. Uiteindelijk haakte ik na een weloverwogen ‘soul search’ af omdat ik een conflict in mijn geweten ervoer. Naïef als ik toen was, wilde ik een manier vinden die de wegen naar school voor alle kinderen veilig zou stellen, ook aan Israëlische kant. In Jeruzalem bevond zich het graf van een van mijn lievelingsdichters, Else-Lasker-Schüler (Elberfeld, 11 februari 1869 – Jeruzalem, 22 januari 1945) maar ik wenste het land niet te bezoeken onder een bezettingsmacht en bleef dus thuis. In Palestina flakkerde de hoop op een vredesproces even op met de Oslo-akkoorden, maar doofde tragisch genoeg, even snel weer uit, gelijk met de hoop op vrede en twee zelfstandige leefbare staten. Mijn innerlijk kompas stuurde me in de richting van Egypte. Het graf van Else Lasker-Schüler heb ik nog steeds niet bezocht. Intussen is Gaza een massagraf. Dichters sterven er een stille dood. Ik leg Krater terug op de tafel en loop naar buiten, de gietende regen in.
Ondertussen zijn er meer dan achtduizend kinderen gedood. De scholen, ‘shelters’ voor de twee miljoen ontheemden zijn ontoereikend. ‘Van de schoolbanken’, zo lees ik in een artikel van bezettingscorrespondent en vredesactivist Amira Hass, in Haaretz, ‘worden bedden gemaakt’. Raketten hebben kraters geslagen in de wegen naar de scholen. Elke dag worden steeds meer kinderen levend of dood van onder het puin gehaald. De lijst van gedode kunstenaars wordt steeds langer. In acht weken tijd zijn meer journalisten gedood dan in Oekraïne het afgelopen jaar. Een van hen is Samer Abu Daqqa, cameraman voor Al-Jazeera Arabic. Samer stierf aan zijn verwondingen opgelopen tijdens een drone-aanval terwijl hij verslag deed van de nasleep van artillerie-aanvallen in Khan Yunis, in het zuiden van de Gazastrook. Het IDF verhinderde de hulpdiensten om bij hem te komen. Hij laat in Leuven, een echtgenote en vier kinderen na.
Elke keer dat je denkt dat er een dieptepunt is bereikt, wordt er weer een andere krater geslagen. Op de tralies van een hek rondom een Arabische begraafplaats in de West Bank wordt als een misselijkmakende trofee het afgesneden hoofd van een ezel geplaatst. De oproep van Premier Netanyahu waarin hij verwijst naar het Bijbelse verhaal van de totale vernietiging van Amalek door de Israëlieten: “Spaar niemand, maar dood mannen en vrouwen, baby’s en zuigelingen, ossen en schapen, kamelen en ezels”, wordt verhoord. Het IDF moordt, plundert en steelt. ‘Is dit een mens?’ flitst voortdurend door mijn hoofd.
Het protest in de straten neemt ondertussen wereldwijd toe. Een zo nodig teken van hoop en solidariteit, maar de leiders van deze wereld hebben er geen oren naar. Er schuilt meer medeleven in een mummie dan in deze mislukte heersers.
Mosab Abu Toha, de Palestijnse dichter die op 21 november in Rafah bij de grensovergang door het IDF aan een militaire checkpoint werd opgepakt, plaatst op zijn Facebookpagina het interview met CNN waarin hij relaas uitbrengt over zijn gevangenschap. Hoeveel Gazanen werden zoals Mosab, onrechtmatig, ‘per vergissing’ opgepakt, geslagen en vernederd? Mosab is met zijn familie nog maar net uit de hel van Gaza ontsnapt wanneer hij het nieuws verneemt dat ook zijn goede vriend en dichter Refaat Alareer op 7 december in Gaza door het IDF is gedood. Refaat Alareer was hoogleraar Engelse literatuur aan de Islamitische Universiteit van Gaza, waar hij onder andere Shakespeare doceerde. Hij was medeoprichter van het project ‘We Are Not Numbers’, waarin hij schrijvers koppelde aan mentoren in het buitenland om hun verhalen in het Engels naar buiten te brengen. De lijst met gedode kunstenaars en dichters wordt elke dag langer. Bibliotheken, archeologische sites, musea, alles wat de identiteit van het Palestijnse volk vormt, wordt met de grond gelijk gemaakt. Nooit stierven zoveel mensen onder het puin. ‘Under the rubble’, de afgelopen maanden de meest gehoorde zin, staat in mijn geheugen gebeiteld. Bulldozers graven steeds dieper in wat ons rest aan menselijkheid. Wat moet er van de duizenden gewonde, verminkte, verweesde kinderen worden? Van al die ontheemde vrouwen en mannen, beroofd van de laatste kruimel menselijkheid? De gijzelaars in de tunnels? De nabestaanden van de Israëlische slachtoffers, de door Hamas en aanhangers, verkrachtte en seksueel verminkte meisjes en vrouwen? Er bestaan geen woorden voor deze misdaden; slechts een onherbergzaam, gewelddadig duister. Wanneer komt er een einde aan deze weerzinwekkende misdaden? Morgen is het Nieuwjaar.
Woke up this morning
with a heart so crushed and empty,
I thought it had bled to death.
Drop by drop, black ink stains
erase the words written
between the lines of your hand.
Je bereikte de einder van je gedachten
Als een schip, de verre horizon
Je handen lagen stil naast je lichaam,
Zeesterren streelden je huid
De fuik waaruit niets nog kon ontglippen
van wat al niet verloren was, stroomde leeg
Zeepaardjes dreven af en aan, tussen
het zeewier schitterde een verzonken Boeddha
Die ooit een mens van goud was geweest
Ochtendlicht viel door de blinden van de ramen, ik had mijn schipperstrui aangetrokken, wist nog niet of ik uit ging varen. De wind zat goed, de zon zou gaan schijnen
Onverwacht vroeg, viel het licht door de blinden van de ramen
Ze werden wakker in elkaars droom. De zee kwam op, trok zich terug. Een bed spoelde aan op het strand, onbeslapen
Het blauw van de hemel kwam het duister tegemoet, je lichaam loste op in het geluid van een verre hoorn, iemand fluisterde, een zeehond misschien
Zet koers, alle sterren verlichten je vertrek vannacht.
Zoals altijd vroeg ik haar bij het binnenkomen wat ze aan het lezen was. Ze schoof Fernando Pessoa over de tafel naar me toe. Ik sloeg het boek willekeurig open en las een zin door haar onderstreept: ‘Ik denk in afgronden’. Ik keek haar aan en schoot in de lach. Niet dat het om te lachen was. Het was helemaal niet om te lachen. Maar ik wist wel meteen wat ze dacht. Ze dacht in afgronden. Ze had zich vaak de afgrond in gedacht. Toch zag ze er die dag zo goed uit dat ik ondanks haar weemoedige stemming besloot om niet verder te peilen naar de diepte van de afgronden, want ik wist dat het schietlood in een mysterieuze mist zou verdwijnen waarvan wij beiden, over de rand van de dag gebogen, alleen maar het begin van het touwtje zouden kunnen zien. Ik nam een foto van het boek en boog mij over haar pas geschilderde schilderijen. De olieverf was nog niet opgedroogd. In gedachten stak ik een sigaret op en blies de rook langzaam uit. Toen ik naar buiten stapte reisde de zin met me mee en telkens als ik aan haar denk, denk ik in afgronden. De zin als een verbindingsteken tussen haar en mij. Een woord als een koord over de afgrond gespannen, waarover we, balancerend en wiebelend, heen en weer lopen. We hebben ons de afgrond ingedacht. Het is hilarisch. Een kloof in de ruimte. Waar zonder woorden niets bestaat. Behalve het niets, als een dof gemis.
Tijdens het vertellen van mijn laatste verhaal had M een eigenaardige blik in de ogen gekregen. Haar kauwgom kauwende kaken waren stilgevallen en voor ze kon vragen of ik niet een beetje over de rooie begon te raken zei ik dat alles opperbest ging. Beter kon het niet. Althans niet op dit moment en wat was het leven anders dan een aaneenschakeling van momenten? De afgelopen week had ik een marathongesprek van acht uur met een vriend die net terug was van een verre reis. Hij was vertrokken in een zwart pak van Dries Van Noten en stond in hetzelfde pak, waarop geen vlekje of kreukje te bespeuren viel, een jaar later weer in de stad. De dag erna interviewde ik Lucienne Stassaert. Tijdens het zeer geanimeerde gesprek bleef de dichter mijn glas volschenken. Toen ik wilde vertrekken en niet goed meer wist waar ik de opnames had gelaten haalde ze een pak crackers uit de kast, die we samen verorberden. De kruimels vlogen in het rond. Bij het afscheid kreeg ik een schilderij en het manuscript van haar nieuwe dichtbundel cadeau. Thuis legde ik het manuscript boven op de stapel nog te lezen manuscripten om er de volgende ochtend meteen werk van te maken. Het schilderij hing ik boven mijn bed. Ik schreef twee essays: De onkreukbaren en De edelmoedigheid van de dichter. Ondertussen had ik ook Oppenheimer en Barbie gezien. Alle dagen een roze bril en roze kleren gedragen. ‘s Avonds kookte ik zoals elke avond voor L, ook al wist ik dat L nooit zou koken voor mij, niet omdat L het niet wilde, maar omdat L het niet kon. L kon gelukkig wel eten. Anders was hij al van honger omgekomen en was de mensheid voor eeuwig verstoken geweest van de meesterwerken die hij zo goed restaureerde dat ze beter waren dan de oorspronkelijke versies zodat geen enkel museum ze nog wilde hebben omdat er aan de echtheid getwijfeld werd. Maar wat was echt en wat was fake, in het licht van elke regenachtige dag? Ook gaf ik de mussen in de dakgoot, en de kat van Y en Z, de buren, te eten. De Siamees kwam iedere dag voor het venster staan en keek miauwend naar binnen tot ik haar op de vensterbank wat tonijn uit een blik presenteerde. Ze liet me haar crèmekleurige vacht strelen tot het schoteltje leeg was. Dan sprong ze van de vensterbank naar binnen, vleide zich neer op de sofa en lag de rest van de dag, af en toe zwiepend met haar staart, te soezen en te spinnen. Als ik haar wilde buitenzetten begon ze te krabben en te blazen. De Siamees ging pas naar huis wanneer het haar beliefde. De volgende dag stond ze weer voor het venster te miauwen en gaf ik haar wat te eten zoals de mussen in de dakgoot en L die anders niet uit zijn restauratieatelier kwam, behalve om te slapen.
Op advies van Q, een andere vriend des huizes, begon ik tussen de schrijfsessies en bij wijze van ontspanning hier en daar wat te poetsen. Sommige meubelstukken had ik al een tijdje niet meer verplaatst omdat ik altijd dacht aan wat Susan Sontag (Amerikaanse auteur, filmmaker, filosoof, docent en politiek activist) over het verplaatsen van meubelen en het schrijven had gezegd: Writing is a little door. Some fantasies, like big pieces of furniture won’t come through. Terwijl ik dus de schrijfkamer stofzuigde viel mijn oog op een dichtgeklapte tafel die al meer dan tien jaar tegen de muur stond. Ik trok de tafel opzij, van de muur weg, en zag een spin traag over de vloer kruipen. Spinnen kunnen zich meestal niet snel genoeg uit de voeten maken eens hun schuilplaats is ontdekt, maar dit dier was helemaal anders dan de doorsnee huisspin. Het bewoog zich amper voort. Het leek een oog te hebben en straalde een soort droefheid uit. Ik dacht aan de tekeningen en sculpturen van de Frans-Amerikaanse kunstenares Louise Bourgeois. Dit was een Louise Bourgeois spin. Dit oude zichzelf voortslepende, dunne exemplaar zag er hoogbejaard uit. Dat het dier zich zo lang in mijn nabijheid, op twee meter van het bed waar ik al tien jaar onder een muskietennet sliep, in leven had weten te houden, was in zeker zin aandoenlijk. Het muskietennet moest er voor de spin als een gigantisch web uitzien, waaronder iets log lag te slapen. Maar voor die gedachten goed en wel tot mij waren doorgedrongen had ik haar al opgestofzuigd. Onmiddellijk na mijn impulsieve daad kreeg ik wroeging. Ik had een zwak en bejaard dier gedood. Dat was niet nodig geweest.
Dit alles vertelde ik aan M, omdat ik mij erg schuldig voelde sindsdien, en maar niet begreep waarom ik die ene bejaarde spin gedood had, terwijl ik honderden andere, nijdige, afzichtelijke monsters, het leven heb gered door ze in een bokaal te vangen en buiten te zetten. Het was niet te bevatten, ik kon er niet meer van slapen. M, die in Chicago opgegroeid was, had mij lang aangekeken en vertelde toen een verhaal over een gedetineerde die tien jaar in een cel van 3 op 4 meter gevangen zat en een spin als huisdier hield. De band met de spin was zo hecht geworden dat toen een medegevangene de spin van zijn eigenaar had gestolen, er tussen de gevangenen een gevecht op leven en dood uitbrak. De eigenaar sloeg zijn celmaat de hersenen in en zijn gevangenisstraf werd met enkele jaren verlengd. Ik vroeg haar wat er met de spin was gebeurd. M dacht dat ik maar eens wat frisse lucht moest scheppen. Ik deed wat M me opdroeg omdat zij uit Chicago kwam, een goed stel hersenen had van al dat kauwen, en veel beter wist hoe het plots de verkeerde kant kon opgaan, maar ondertussen sleepte de spin zich verder, een web wevend, waarin ze mijn gedachten tijdens slapeloze nachten gevangen hield.
(Bij deze tekst zou een afbeelding van de spin van Bourgeois goed gekozen zijn maar omdat ik die nog steeds wat angstwekkend vind, leek een foto van Susan Sontag waar ze aan een tafel zit, die vermoedelijk door geen enkele deur kan, een betere optie.)
Susan Sontag. Photo by Jill Krementz
Louise Bourgeois Arch of Hysteria 2000 with, from left, Fairy Dressmaker (1963), The Mirror (1998), and Lair (1986) at Galerie Karsten Greve, in Köln Skuptur
Het was zeven uur. Ik nam mijn jas en bracht snel wat mascara aan. In gedachten probeerde ik me voor te stellen hoe de avond zou verlopen. Na afloop van het optreden zouden we ongetwijfeld iets gaan drinken. Tegenover De Studio bevond zich Den Boer van Tienen, het stamcafé van Bruno, gelegen aan het Mechelseplein, in het hart van de stad. Ik zag mezelf er na een vermoedelijk feestelijke avond met het uitgelaten gezelschap binnenstappen, want waar anders zou je na een optreden in De Studio naartoe gaan?
Aan de tafel waar ik Bruno vorig jaar in juni voor het laatst had gezien, zou vanavond natuurlijk een onbekende persoon zitten, of nog erger, niemand. Onze laatste ontmoeting op het Mechelseplein was me lang bijgebleven. Ik had hem uitbundig begroet en zag dat hij om de een of andere reden rood aan liep. Dat had ik de voorbije dertig jaar nog nooit gezien, Bruno die rood werd in zijn gezicht.
Toen Marti en ik hem enkele maanden later in het ziekenhuis bezochten, werd het mij duidelijk: hij moet het toen al geweten hebben dat aan onze dagen op het plein van de wereld een einde was gekomen. Ogenschijnlijk, want telkens wanneer ik langs het plein fiets, zie ik Bruno daar zitten, La fin des certitudes van Ilya Prigogine bij de hand, de rook van zijn sigaret uitblazend, een koffie of een pintje, naargelang het tijdstip van de dag, filosoferend met een van zijn duizenden vrienden, elegant flirtend met het leven. De altijd nieuwsgierige en ondeugende blik op een ongekende, nog te schilderen verte gericht, het Warholwit haar. Zijn Cheshire Cat-glimlach zweeft me nu via een ander kanaal tegemoet.
Al die beelden gingen door mijn hoofd en terwijl ik verder in gedachten verzonk, besefte ik dat ik nergens kon gaan zitten, omdat er gewoonweg niet genoeg stoelen waren voor al het gemis dat ik die avond voelde. Uiteindelijk zou ik bij het verlaten van De Studio tegen het gezelschap moeten zeggen dat ik weg moest om een trein te halen. Ze zouden het terecht niet begrijpen want waar zou ik om middernacht nog heen gaan. Ik zocht mijn glazen muiltjes en bedacht dat je soms alleen nog het sprookje moet zien te redden, als de werkelijkheid verloren is gegaan. Tranen sprongen in mijn ogen, mijn mascara liep uit en ik keerde — nog niet eens vertrokken — met Bruno terug naar huis.
Ik legde mijn hand op het hart van de wereld en voelde hoe de tijd wegtikte. Behoedzaam ging ik de deur uit, het hart klopte steeds sneller en ik was bang dat het zou barsten. Onderweg zwaaide ik naar de hospita die het ijzeren traliehek van de laatste houten liftkooi in het oudste
gebouw van de waterstad, piepend en schurend dichttrok.
Zij zwaaide terug, daarom hield ik van de wereld zonder of met een wegtikkend hart, een hand die ergens een deur open en dicht deed, zonder ooit te weten waarom. In slow-motion liep ik door het park waar moeders en au-pairs met uitgelaten kinderen en honden in hun kielzog aan de speeltuin samen kwamen en een cederboom sinds tweehonderd jaar de ingang bewaakt.
De hemel scheurde mijn blik open. De zon wierp haar netten uit en strikte het hart van de wereld als een klein, wild dier.
II
Gans de nacht verloren gelopen, gans de nacht je schaduw gezocht. De jasmijnstruik bloeide maar geuren deed hij nog niet. De pas geasfalteerde weg verdween in de hoge wolken als een condenslijn. Je geest, een landingsbaan waar geen vliegroute werd uitgezet.
III
Een koele onderstroom vloeide langs de rivier van je lichaam, een ogenblik lang twijfelde je, niet wetend wat je had gevoeld, waar het vandaan kon komen. Het blauwe uur likte de ijskristallen van je gezicht.
De trein schoof door het landschap. Ik keek naar buiten, we reisden tegen de rijrichting het landschap in. Er was geen verleden dat we achter ons lieten en geen toekomst die we tegemoet gingen. Er was alleen het zacht gezoem van de trein die ons door het landschap vervoerde. Twee zwartbonte koeien stonden, als waren ze daar voor de eeuwigheid neergezet, hun flanken haast tegen elkaar, tussen de paardenbloemen te bloeien. Het frisgroen van de boomkruinen reikte naar de eindeloze hemel. Ik ademde de bomen, de bloesems en het blauw van de lucht in. Toen viel mijn blik uit de hemel op het sluike, schouderlange haar van de vrouw wier hoofd tegen de hoofdsteun van het zitje voor mij leunde. Het schitterde in het zonlicht dat door het venster van de treincoupé naar binnen viel. Als door een vergrootglas zag ik de wonderlijke schakering van de kleuren, gebundeld in het licht. De warme tinten, het koper, het saffloer, gemengd met een weinig saffraan. De gouden draad van het haar. Een baal opengevallen korenaren. Stuifmeel, onwezenlijk licht en door de wind gedragen. Het was zo mooi dat ik de tijd van het kijken vergat, het haar abstract werd, vloeibaar als honing, gesmolten bijenwas en ik mij niet eens had afgevraagd hoe haar gelaat er uitzag. Toen de trein het station binnenreed stond de vrouw recht en trok een sepia donsjas aan. Ik sloot mijn ogen en zag het gezicht zoals ik het tussen twee stations onderweg van ergens naar ergens, op het canvas van mijn vluchtige bestaan, haarfijn, in violetblauwe schaduwen, geschilderd had.
Andy Warhol. Details of Renaissance Paintings (Sandro Botticelli, Birth of Venus- 1482), 1984 Nique screenprint on Aquarelle Cold Pressed paper 32 × 44 in | 81.3 × 111.8 cm