’ Ik mag mijn handschoenen niet vergeten’ zei ze nog, maar toen de taxi vijf minuten nadat ze hem had opgebeld, al aan de deur stond en we samen de trap af stormden bleven ze op de tafel achter. Toen ik wakker werd waren de handschoenen het eerste wat ik zag. Twee beige fleecejes waarmee de dichteres haar handen tegen de koude beschermde. Ik liep er mee naar de badkamer, vulde een kom met zeep en warm water en dompelde er de handschoenen in. Niet dat ze vuil waren, integendeel, hoe zou een dichter ooit vuile handschoenen kunnen hebben, het was gewoon de eerste gedachte die bij me opkwam toen ik ze als de laatste getuigen van het oudejaarsdiner roerloos op de tafel zag liggen.

Misschien hoopte ik dat er tijdens het wassen een soort wonder zou gebeuren, een magisch woord aan het wateroppervlak zou verschijnen, of er uit de naden een draadje los raakte dat vanzelf gedichten spon. Ik wist niet waarom. Misschien moest ik ze aantrekken.Voorzichtig stak ik er mijn handen in en rolde het stuk zeep om en om. Buiten een verstilde ontroering, kwam er in de warmte van het water niets los of bovendrijven. Ik zag Lucienne die oudejaarsavond ontredderd in het schijnsel van het haardvuur staren, een ogenblik in zichzelf gekeerd, het verdriet had bijna het licht in haar ogen gedoofd. Robbi de poes, was nog steeds niets teruggekeerd.
„Het is alsof ik een kind verloren ben”.
Haar handen lagen leeg in haar schoot.

Haar nabijheid was toen zij nog in de Lange Lozanastraat woonde, altijd een grote geruststelling voor mij geweest. Gewoon te weten, dat er om de hoek een dichteres woonde, iemand die uitsluitend voor de dichtkunst leefde en iedere dag met woorden goochelde, zwoegde en worstelde, tot ze de juiste tonen vond. Want in de passionele ziel van de dichter huisde naast een poes ook nog, een schilder en een pianist.
Al die bezielde aanwezigheid was een troost in de duistere dagen van die tijd.

Maar wat mij eigenlijk in het verloop van die jaren steeds meer begon te grieven was hoe zij de tachtig naderend, nog steeds in oncomfortabele omstandigheden werkte. Ook al steeg zij daar met een fierheid, die aan het koninklijke grensde ver bovenuit, het bleef als een angel duwen in mij dat Lucienne Stassaert die naast haar oeuvre, gedichten van Sylvia Plath, Emily Dickinson, en andere dichters vertaalde, geen betere leefruimte bezat. Alsof het kunstenaarschap en schaarste een wetmatigheid was. Klagen deed ze niet. De muze bleef haar altijd trouw.

Met de handschoenen in het water, als in een bekken van tranen gedrenkt zag ik twee smaragdgroene kattenogen door mijn gedachten dringen.
Heel zacht trok ik die ochtend mijn vingers uit haar handschoenen terug.
Had ik maar zulke schrijvershanden. Een gedicht, als een poes op mijn schoot.

dichtershandschoenen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s