De stoel van Camille Claudel

 

De beeldhouwster Camille Claudel (1864- 1943) bracht de laatste dertig jaren van haar leven in een inrichting door zonder dat zij ooit nog een werk creëerde. Een dergelijk wreed lot valt niet te bedenken zonder onmiddellijk de wrangheid van dat lot te voelen en vooral de noodzaak er iets tegenover te zetten.

Sakountala, La petite Châtelaine, La Vague, Les Causeuses, La Valse, Persée et la Gorgone, het oeuvre dat ik als student leerde kennen stond in het museum van mijn geest onder een laken tegen het stof. Ik trok het doek weg en bekeek de beelden waarvan het levendige mij nog steeds aantrok en opzoog als water in klei. Bij het invallen van de nacht dekte ik alle beelden terug af en trof achter de deur van een andere kamer het portret van Camille Claudel aan, zittend op een stoel.

Het is de enige foto die in het gesticht van Montdevergues van haar genomen werd. Ze was toen 65 jaar. William Elbourne, de echtgenoot van haar Engelse vriendin en beeldhouwster Jessie Lipscomb nam de foto tijdens een uitzonderlijk toegestaan bezoek. Het portret van de gelaten, wat ineengedoken vrouw, ’in een afgedragen mantel en een oude hoed van de Samaritaine’ *, die ooit de grootste beeldhouwster van haar tijd was en al dood verklaard werd toen zij nog leefde, schreeuwde nog steeds om een justificatie.

Het lichaam in de stoel waar ze mee vergroeid lijkt en het immens trieste van haar blik hechten zich in al hun verlorenheid in mijn wezen vast en creëren de noodzaak iets tegenover het onrecht en het schrijnen te zetten. Een mogelijkheid om het korte ogenblik van schoonheid in het oeuvre dat ze achterliet opnieuw tot leven te wekken. Een beeld te scheppen dat tegenover al die geleden pijn en teloorgegane passie kan staan. Iets wat haar bij leven, en nu als nagedachtenis had kunnen ontroeren. Troosten, misschien. Iets tegenover de wrede stilte van de stoel te plaatsen waar ze dertig jaar in vast zat zonder dat iemand een gebaar maakte waardoor ze had kunnen opstaan.

Nochtans werd ze enkele jaren na haar verplichte internering zo goed als genezen verklaard van haar vervolgingswaan. Het was haar moeder Louise Claudel en ook haar broer, de schrijver en diplomaat Paul Claudel, die ervoor zorgden dat ze nooit meer uit de inrichting kwam ondanks de medische positieve adviezen. De opdracht van Louise Claudel om haar dochter in een compleet isolement te houden komt in alle correspondentie met de artsen en directie van de twee inrichtingen telkens weer terug. Die opdracht, altijd in het rood onderstreept, werd door hen zorgvuldig uitgevoerd.

Camille Claudel bracht volgens de directeur van de inrichting al haar tijd door met het schrijven van brieven. Maar niets van wie zij is geweest en zij al schrijvend bijeen probeerde te houden, raakte ooit nog buiten de muren van het gesticht. De brieven die ze schreef werden op vraag van haar moeder door het verplegend personeel achtergehouden of vernietigd. Ze getuigden van een heldere geest die slechts naar vrijheid hunkerde en niets liever wou dan naar huis terugkeren. In een brief van 3 maart 1927 schreef ze aan Paul Claudel: ’Ik schreeuw het uit om vrijgelaten te worden. Mijn droom zou zijn om meteen naar Villeneuve terug te gaan en er niet meer vandaan te komen. Ik zou nog liever een schuurtje hebben in Villeneuve dan hier eersteklas te zitten als pensionaire.’

In een andere brief van 2 februari 1927 verduidelijkt Camille Claudel dat er tussen de eerste en de derde klas helemaal geen verschil is. Ze kookte haar eten zelf, voornamelijk eieren en aardappelen, uit angst om vergiftigd te worden en omdat het eten het hele jaar door ’éénzelfde grote vette kliek’ was. Tevergeefs blijft ze haar broer smeken haar uit de inrichting weg te halen. Gedurende de dertig jaar opsluiting komt Paul Claudel haar twaalf keer bezoeken. Haar zuster één keer en haar moeder geen enkele keer.

Op 19 oktober 1943 sterft ze door iedereen vergeten en wordt begraven op een begraafplaats van de inrichting. In 1955 is het graf reeds geruimd.

26 maart 2017. Achter de deur van een kamer in het museum van Nogent-sur-Seine staat zij op uit haar stoel. De stoel die je alleen nog kan koesteren, want iedere vezel van haar lichaam bewoonde hem. De poten, het plateau, de rugleuning met bijenwas ingewreven en voorzichtig opgepoetst met een zachte wollen doek, om de afgesleten rand van het hout te bewaren daar waar haar vingertoppen rusteloos langs dwaalden, zoals zij tijdens haar kinderjaren in het bos van Le Gèyn bij Villeneuve zo vaak had gedwaald. Er voor het eerst de aantrekkingskracht van de rode klei voelde, gezoogd werd door de borst van pure aarde en opgezogen door de belofte die iedere schepping is.

De geur van het hout zal haar herinneringen bewaren, die er als de jaarringen van een boom doorheen lopen. Voorbij de rand van de eenzaamheid en de leegte waarin zij jaar na jaar verstarde, verhard als een beeld van klei.

Voorbij de rand zal iemand de stoel van aan de poten tot aan de rugleuning traag tot zaagsel vijlen en voor het overgebleven stof een kuiltje delven. Iemand zal voor haar stoffelijk overschot dat verdwenen is opnieuw een kuil moeten graven. En het zaagsel van de stoel daarin begraven. Voorbij de afgrond van haar leeg graf.

Musée Camille Claudel
Rue Gustave Flaubert 10
Nogent-sur-Seine
Frankrijk

20170504_213319_resized 3

Noten:

*(Brief van Camille aan Paul Claudel, 4 april 1932)

*(Brief van Camille aan Paul Claudel, 3 maart 1927)
Camille Claudel. Een leven in brieven. Samengesteld en vertaald door Anneke Alderlieste uit Correspondance de Camille Claudel, Anne Rivière et Bruno Gaudichon (Parijs, Editions Gallimard 2003)

Sierra Madre

 

Met de handen onder de kin, doodmoe voor me uitkijkend, nog zoekend naar een antwoord dat niet wou komen, zag ik de foto van de Tibetaanse lama die op een dag sereen en gracieus mijn leven binnenwandelde, die er door een vroege dood weer uit verdween en die ik vandaag nog meer dan al andere dagen erg miste. Het was een dag waar ik op een kruispunt kwam waarvan ik niet wist welke afslag ik moest nemen, en uren rond de rotonde bleef rijden, als een gek. Vermoeid gleden mijn handen van het denkbeeldige stuur, mijn ogen van de foto naar de rug van het boek dat twee boekruggen verder dan de foto op de boekenkast stond en las de titel Turning Tides. En begreep dat ik niet meer verder moest zoeken want het antwoord naast de foto van de lama had gevonden, zoals ik ooit hem had gevonden, of hij mij, op weg naar de Sierra Madre.

In een oneindige en van stilte doortrilde leegte, liep hij heel alleen de witte berg op. We kruisten elkaar terwijl ik langs diepe afgronden, zonder de top te bereiken, terug naar beneden liep. ’Are you already leaving?’ Ik knikte, groette hem en keerde tien jaar later langs hetzelfde pad en de afgronden weer terug. Ik droeg een lichtgroene sweater met een tekening van een regenboog. Altijd al vreemde kleren aangehad. De lama bewoog zich door de tijdloze tijd en kwam mij in een kastanjekleurige pij en een saffraangeel mouwloos vestje in de droom die wij ons droomden tegemoet.

Het was nu vier jaar en twee maand geleden dat hij naar de hoogste top van de witte berg vertrok en niet was teruggekeerd. Van de Sierra Madre tot in alle uithoeken van Vejer de La Frontera heb ik naar hem gezocht. Ergens moest hij te vinden zijn maar ik wist niet waar. Ik zocht naar een stem want als hij zong kwamen zelfs de haren recht van het tapijt waar wij op zaten. Alles wat klank was moest hem zich herinneren.

De meimaand schreed naderbij als een bruidsmeisje met een sluier van witte bloemknoppen. Voortdrijvend op het verlangen naar ontroostbaarheid liep ik door de straten van Jerez. Voor mij wiebelde het beeld van een brokaten madonna onder een hemelsblauw baldakijn van klimrozen en door vier nobele schouders gedragen deinde zij plechtig tussen de menigte en opvliegende duiven voort.

Viva tu madre! Viva tu madre! Uit de stoet van heiligen scheurde zich doorheen de stilte van de nacht in een langgerekte schreeuw de stem van La Paquera de Jerez los. Zij verhief zich in de holte tussen mijn ribben als was het de binnenkant van een cajón. Haar stem explodeerde in een oerklank waar al haar pijn en schoonheid in samengebald zat, als een prop uit haar schoot en die mij in één klank met het ontstaan verbond – het ogenblik waar een moeder het leven schenkt. Die kreet hoorde ik uit de mond van La Paquera die nacht. Als de klank die iedere geboorte is, zich herhaalt maar dan als zuivere klank en zoals alle geboorten, overal ter wereld klinkt. Uit de betovering, ontroering, de begeestering en de stilte van een mens ontstaat. Een harteklop uit de donzige borst van een vogel, voor hij uit de bron van zijn klank ontspringt.

Ik verwijderde mij uit de stoet en ging tegen de warme muur van een huis staan. Overweldigd door een intens verdriet dat onzichtbaar was gebleven en met een geweldige kracht naar boven kwam, onder de gestage slagen van een verre smid.
De mens die zo dichtbij was, versmolt in mij. Iemand moest het wel voor mij uitschreeuwen. Viva tu madre! La Paquera de Jerez. Sierre Madre.
De witte berg. De kostbare en de smid.

Mei 2017

1921934_10203440746446163_722917345_n

Lama Karta

Bindtouwtjes

Het was nog maar net acht uur in de ochtend geweest, en buiten de zonnige rand van het porseleinen koffiekopje moest de dag nog een aanvang nemen. Ik zocht een manier om mij tot de materie te dwingen maar het enige waar ik kon aan denken was spaghetti. Letterlijk vertaald bindtouwtjes. Spaghetti all’aglio, olio e peperoncino, all vongolé, al sugo e pecorino, alla matriciana, al pesto Siciliano, con pere, noci e gorgonzola,…Alle variaties die ik ooit gemaakt had kwamen in verschillende gangen en in diepe borden geserveerd voorbij. Van het ogenblik waarop ik mijn eerste tomatensaus bereidde en de kiem van de liefde ontsproot, tot aan dit ochtenduur, glanzend en perfect als een druppel olie uit een olijf geperst. Was ik ooit bang geweest dat er op het einde van mijn leven nog slechts een deegkluwen in mijn hoofd zou overblijven, beving mij nu de angst dat de perpetuele inhoud van het vergiet, ineens en voorgoed zou verdwijnen. De honger knaagde als een konijn een tunnel in mij en het begin van een culinaire depressie kondigde zich geur- en smaakloos aan. Ik moest iets doen, ingrijpen, de tijd overbruggen, het konijn bij het nekvel grijpen en in volle vaart de tunnel doorrijden.

De oplossing werd mij uit onverwachte hoek, gefrituurd op een schaaltje aangereikt.
Tijdens het diner dat ik de avond ervoor bijwoonde vertelde één van de gasten het volgend verhaal: De Britse topkok Heston Blumenthal zou er ongeveer drie dagen over doen om een portie frieten te bereiden. Heston Blumenthal’s Triple Cooked Chips.
De kok had naast zijn keuken ook een eigen laboratorium waar hij met moleculaire gastronomie experimenteerde. Ik haastte me naar de keuken en begon in plaats van een klassieke tomatensaus, waar je toch al gauw drie uur kooktijd mag voor uitrekenen, een klassieker van negen uur voor te bereiden. Op de kleinste pit van het gasfornuis kon je een kookpot gemakkelijk drie uur laten sudderen. Groenten, tomaten en kruiden gingen allemaal samen in de rood gelakte Creuset en voor ik de keuken uitging draaide ik het vuur nog wat lager. In een poging de komende uren de honger te stillen ging ik aan de schrijftafel zitten en liep om het kwartier naar de keuken om de sudderende massa om te roeren en het overtollig sap te laten verdampen. De afzuigkap maakte zoveel lawaai dat ik haar uitzette, het raam op een kier deed en naar de woonkamer terug keerde waar een onbekend parfum van pioenrozen, de geur van vers geplukte tomaten, fijngesneden rozemarijn, basilicum, oregano en look verdreef. Bedwelmd door geuren viel het konijn tegen de wand van de tunnel in slaap en vergat ik de pot saus.

De tocht die door het open raam was ontstaan blies het vuur onder de pot uit. De saus was er ongeveer in een laag van drie centimeter in aangekoekt. De bodem zag volledig zwart. De waterketel die ik enkele uren ervoor had opgezet was leeg gekookt en stond op ontploffen, net als het huis.

Het was al iets na de middag toen mijn zus de deur open deed en zichzelf binnen liet. De trap oplopend rook zij dat er uit de keuken een brandlucht en nog een andere geur kwam. Ze liep de keuken in en rook het gas dat, wie weet hoe lang al aan het ontsnappen was.

Door het gas bevangen vluchtten we het huis uit en als een dessertbord dat mij in de ijle lucht werd achterna gegooid, vroeg zij zich woedend af waar ik zo druk mee bezig was dat ik de deurbel niet meer hoorde en de spaghetti, de wereld, alles en iedereen vergat.
Ja, waar was ik eigenlijk mee bezig en vooral waar was het? In de gasbel van de keuken zag ik onder de glazen stolp van Sylvia Plath een rondspringend konijn, het weg koken van een negen-uur tomatensaus en de druk die door oververhitting in de gietijzeren waterketel was ontstaan. Het fluiten dat ik niet gehoord had en het tijdstip waar het kokende water overging in stoom en druk, het water verdampte, het zingen stopte en aan het springen van het konijn een einde kwam.

20170422_065214_resized 2

Geluiden uit de stad

 

De man die met de kersenbloesems sprak

Hij stond aan het Paleis van Justitie onder een van de Japanse kerselaars.
Als een natuurlijk tribunaal stonden daar de bomen voor hem, gelijk mensen in een rij. Zijn hoofd achterover gekanteld, de ogen achter de bril uitvergroot en smekend naar de roze kruin gericht. Zijn lippen bewogen als in een stille film, de armen opgeheven, twee takken tussen de takken in een schemerblauwe ochtendlucht. Declameerde hij een weeklacht of een gedicht. Was hij een rechter, beklaagde of zijn advocaat? Een dichter misschien. Hij sprak tot de bloesems zonder geluid, wat hij vertelde kon alleen een liplezer verstaan. Aan geen veroordeling of oordeel onderworpen hield hij voor de kerselaars zijn eenzaam betoog. De bloesems luisterden en bewogen zacht in het zuchten van de wind. Zonder weeklacht, alleen een trilling, amper geluid.

Stadspark

Op een bank in het stadspark zat een yogi, hij strooide broodkruimels en rijst in het rond. Yoho! Yoho! Yohooo! Galmend over de vijver werd zijn stem een rimpeling in het water.
Witte zwanen gleden onverstoorbaar voorbij. Yoho! Riep een jongen met een voetbal onder de arm van aan de overkant. Het ritmisch gekoer van een duif vloog klapwiekend op en waaierde open tegen een parelgrijze onweerslucht.
Twee roodborstjes pikten de overgebleven broodkruimels van de grond.

Zoo

In de vlindertuin strijken grote blauwe vlinders op de schouders
en de dromen van spelende kinderen neer.

Mandarijnen

Een mand vers geplukte Siciliaanse mandarijnen ~
de zonsopgang draagt de geur van een afwezig gelaat,
wat onaantastbaar is komt in het rood van pioenrozen
naderbij.

Korkorooo !

Eén dag uit het ei
Zal je ooit vrij zijn?
Vrijheid hoort je niet,
eens de schaal
opengebroken.

(Korkoro : vrijheid in het Romani)

kersenbloesem

Papillon

 

Het verhaal van Juana La del Pipa en grootmoeder Roberta was nog maar net geschreven of de onderwerpen, een waaier en een azuriet, begonnen al meteen een eigen leven te leiden. Terugkomend van de vlindertuin in de zoo trof ik in de woonkamer de dichteres Lucienne Stassaert aan. Op zich verbaasde mij dit niet, want zij kwam wel vaker bij ons thuis en strekte zich uit waar en wanneer zij daar zin in had, maar dat zij net die dag azurieten oorbellen en een trui van dezelfde kleur droeg, verwonderde mij enigszins. Als een blauwe vlinder lag zij uitgestrekt op de canapé van mijn vorig verhaal.

Zenuwen speelden haar parten en ze was bang dat er bij de voorstelling van haar boek niemand aanwezig zou zijn. Er belden net zo’n twintig mensen af. Ik zei dat ze zich geen zorgen hoefde te maken en schonk haar voor we vertrokken een glas rosé in en belegde een boterham met mozzarella en tomaat. ’s Avonds hield een bont gezelschap in de kapel van galerie De Zwarte Panter haar boek Souvenirs II boven de doopvont en buiten het gepiep dat uit de geluidsboxen kwam en de dichteres die stralend uit haar literaire cocon brak, gebeurde er verder niets ongewoon. Monika van Paemel was gewoon Monika van Paemel. Amazone en barones. Lucienne en Ingrid Vander Veken brachten ondanks het piepen van een vreemd kuiken in de microfoon, een prachtig duet. Uitgever en basso profundo, Leo Peeraer viel hen aan het slot bij.

De volgende ochtend vertrok ik naar mijn moeder voor de vrijdagse lunch, waar gewoontegetrouw het halve dorp, buren en familie, als in een theaterstuk het huis in en uit liep. Wij hadden net de taart aangesneden toen mijn nicht, zwaaiend met een papieren waaier binnen kwam. Tussen de plooien van de waaier had ze felblauwe bollen geschilderd, ter grootte van een olijf. Het was verbazend hoe grootmoeder sinds ik over haar geschreven had overal tevoorschijn kwam. Het nichtje vroeg of ze de waaier van mijn moeder van de muur mocht nemen. Zo stond ze zich met twee waaiers koelte toe te wuiven voor een hitte die we wel voelden maar er niet was. Niemand vond dit eigenaardig, want wij hielden nu eenmaal van veel wind in het leven, en als er geen wind was, dan veroorzaakte iemand hem wel. De vrijdagnamiddag dreef in sloten koffie en zandtaartjes traag voorbij.

Lichtjes vermoeid van de gastronomische en verbale overdaad ging het licht na het ondergaan van de zon ook bij mij uit. Nog geen twee uur later wekte mij een raar geluid, ik haastte me uit bed en zag dat er iets van de muur was gevallen ; een schilderij waarop een waaier als een vlinder met spelden vastgeprikt zat. Van de ochtend tot de avond regende het waaiers. Ervan overtuigd dat de geest van mijn grootmoeder in huis rond doolde en niet heel tevreden met mijn tekst bleek, ging ik terug naar bed. Met mijn hoofd onder de dekens bleef ik ineengedoken wachten op wat er nog van de muur kon vallen en hief om mijn angst te bezweren een gezang aan tot de verbleekte Madonna de Parto in de vergulde lijst boven het bed. Het duurde nog lang voor de slaap mij vond.
Uit een verre toren van klanken, ontsnapte een blauwe papillon.

papillon

Juana La del Pipa, La Guarida del Angel

 

Flamenco danseres Juana La del Pipa ontmoette ik voor het eerst in de documentaire ’When the road bends : tales of a gypsy caravan’, geregisseerd door Jasmine Dellal. La Juana trad er op met haar neef en flamenco danser Antonio el Pipa. In het verloop van de documentaire gaf ze bij haar thuis in Jerez een interview dat ik mij tot op heden herinner omdat het zo aangrijpend en eerlijk was. Ook omdat ik toen ontdekte dat La Juana een beetje op mijn grootmoeder Roberta leek. Niet alleen van uiterlijk maar hoe ze zich uitdrukte, bewoog, de expressie in haar gelaat wanneer iets haar verontwaardigde of droevig stemde. Zelfs als ze niets zei was zij één en al stem, werd zij heel haar diepste wezen en daarom hield ik van La Juana nog voor ik haar horen zingen had.Het contact met mijn grootmoeder was in het begin nochtans niet gemakkelijk geweest. Haar woonkamer zat altijd vol mensen.Iedereen sprak door elkaar en om het luidst want iedereen wilde gehoord worden en wie het luidste riep werd af en toe ook gehoord. Van de ochtend tot de avond stond de radio aan. Als een vogel die net uit de nis van een klooster kwam begreep ik niet goed waarom ik een volière was binnengevlogen en probeerde tijdens de lange dagen waar ik niet veel meer kon doen dan deel uit maken van een kwetterende groep, uit te vinden waar al dat lawaai voor nodig was.Het leek alsof hun drukte een antwoord was op hun angst voor stilte . Stilte was iets dat tot het rijk der doden behoorde, en omdat ik zo weinig sprak leek het voor mijn grootmoeder die tijdens de vakantie voor mijn opvoeding instond en zich zorgen maakte over mijn zwijgzaamheid, alsof mijn geest reeds tot het dodenrijk behoorde. Zij dacht dat er misschien een geest in mij huisde, een overledene die ik uit het klooster had meegebracht. Van het ogenblik dat dit vermoeden zich in haar denken had geplant werd mijn stilzwijgen niet langer geaccepteerd. De vermoede geest moest worden uitgedreven.Wanneer ze me ergens zonder duidelijke bezigheid zag zitten ontstak ze in kwaadheid en veegde mij met haar bezem, alsof ik stof was, uit mijn dromen weg. Dromerij zou de geest nog meer schaden omdat mijn eigen geest dan onbewaakt bleef. Op een ochtend, wij stonden iedere dag om zes uur op, werd ze zo wanhopig van mijn zwijgen dat ze zich luidop afvroeg wat ze misdaan had en of zij als grootmoeder misschien niet goed genoeg voor mij was, omdat ik niet wou spreken. Nijdig trok ze een kam door haar blinkend zwart haar en terwijl ze de kam vast zette zag ik in de spiegel hoe gekwetst ze keek. Ik antwoordde dat ik in iedere hoek van het huis had gezocht maar nergens woorden hadden gevonden.

Na deze ontboezeming vond grootmoeder Roberta dat het tijd werd om zich van de grote middelen te bedienen. Ze bracht, ik weet niet waar vandaan een ronde blauwe steen, ter grootte van een olijf mee. Later leerde ik dat het een azuriet was, dezelfde steen maar dan tot poeder vermalen, waarmee Piero Della Francesca de mantel van de Madonna de Parto in fresco schilderde. De Madonna staat erop afgebeeld met een gesloten boek op haar buik, een verwijzing naar het belichaamd woord. Het zou me verbazen mocht ze van dit toeval op de hoogte geweest zijn, maar het was een toepasselijke symboliek. Ieder morgen moest ik bij het douchen de steen als een aspirine onder mijn tong houden en opletten dat er, behalve mijn speeksel, geen water aan kwam. Na een tijdje zei ze, zou ik genezen zijn, want het was nu duidelijk dat ik bezeten was. Zelf nam ze iedere dag een poedertje van Dr. Mann. Het duurde enkele weken van warme en koude douches en toen ik in plaats van te spreken, tot haar verbazing begon te schrijven besloot ze mij te laten zoals ik was. De enige vogel in de volière met een blauwe steen in de bek.

Vanzelfsprekend ging het spreken van toen af aan beter en wanneer ik het woord nam maar in volume niet boven haar uit steeg negeerde ze mij om duidelijk te maken dat ik nog steeds niet luid genoeg sprak. Als er bezoek kwam werd ik voorgesteld als de kleindochter die geen woorden vond, maar verder geen gebreken had. Zo kreeg ik weer wat moed en gingen er veel zomers in zinderende hitte en luidruchtigheid voorbij.

Juana La del Pipa en grootmoeder Roberta hadden naast eenzelfde wezen, nog iets anders met elkaar gemeen : het waren alle twee sigaretten rokende vrouwen. Mijn grootmoeder rookte tot ze geen adem meer had en nog voor haar tijd gekomen was, met de rook haar laatste adem uitblies. Ze stierf terwijl ik onderweg naar haar huis op een perron op de trein stond te wachten. Het laatste wat ik van haar zag was de kam die uit haar haren viel en twee mannen die haar zonder kam, de trap afdroegen. Het werd toen ineens heel lang ondraaglijk stil. De lente was in volle bloei.

Op maandag 5 maart van het jaar 2017 zat La Coneja Blanca, mijn flamenco dansende vriendin die voor zij betoverd werd, als Martina Haesen op de wereld kwam, in de afgeladen zaal van La Guarida del Angel te wachten op het verschijnen van Juana La del Pipa.La Juana zou er optreden maar bleef om onduidelijke reden tot iets na middernacht van het podium weg. Toen zij eindelijk in vol ornaat over het podium schreed was haar kleed alleen al een beschrijving van enkele bladzijden waard. Ze keek een ogenblik in de zaal en hief toen haar lettra aan. Je kon niet zeggen dat ze zong. Ze schreeuwde iets uit dat uit haar binnenste naar buiten barste, een gat in de ruimte sloeg waardoor zij struikelde en voorover viel. Iedereen hield verschrikt de adem in, alsof er iets op ontploffen stond. Geschokt stond La Juana van de grond op en richtte zich tot zowel het onbekende als tot het publiek : ”…Eso , es que tiene guasa…de verdad!’*, klopte verbouwereerd het stof van zich af, rechte haar rug en ving een nieuwe letra aan.
Soy Juana La del Pipa! Haar voeten maakten zich stampend van de planken los, en de zwaartekracht misprijzend, steeg zij met haar stem en heel haar wezen boven de verbijsterde gezichten uit. En met een laatste verscheurende kreet, verjoeg ze, als was het de bezem van de duende, al het stof van de geesten uit de hoeken van het werelds bestaan. Over de koepel van La Guarida del Angel viel een azurieten sterrenregen. Het was nog steeds, – iets na middernacht.

20170401_092534_resized

Juana La del Pipa

* ’…Wat is dat hier allemaal,…mensenlief,..
maak zoiets mee,…echt! ’ ( vrij vertaald)

Rite van de lente

 

Het was een week waarin ik alles maar één seconde vast kon houden voor het tegen de grond ging. Het was onbegrijpelijk, ongehoord en er was geen verklaring voor. Het leek alsof mijn contact met de zwaartekracht van de dingen ontregeld was. Zo stond ik nog maar net op het eerste verdiep van de bibliotheek tussen de libretto’s en de boeken te snuisteren, of er viel geruisloos een boek uit het rek. Ik wilde net de stadswacht van dienst roepen om te melden dat het om een aanslag ging toen er van tussen de bladzijden een pluimpje dwarrelde. Glanzend wit van aan de spoel tot aan de schacht, uitwaaierend in een oranje licht. Het pluimpje kwam me bekend voor, maar het was vooral de kleur die als een flamingo mijn herinnering binnen vloog. Een vergeten gewoonte kwam opnieuw tot leven in een boek dat ik lang geleden uit de bibliotheek had ontleend en met een donsveer van een flamingo erin terug had gebracht. In de hoop dat de woorden van de schrijver altijd vleugels zouden vinden. De pluimpjes haalde ik in de zoo. Het hek rond de vogels op één poot, was zo laag dat ik er gemakkelijk over heen kon om mij van een degelijke lading te voorzien. Ontelbaar is het aantal boeken dat ik van bladwijzers voorzag, maar nog nooit kwam er één met een veer terug. Tot vandaag. Het leven van Igor Stravinsky. Wanneer had ik dit boek ontleend? Ik moet een jaar of dertien geweest zijn. Vermoedelijk ben ik daarna met het veren stelen om als bladwijzers tussen de bladzijden te leggen gestopt. Ik hield mijn oor tegen de partituur op het omslag van het boek. Muzieknoten vielen als kersen op de grond.

Zoiets had ik nog nooit gehoord, dit was Stravinsky niet, maar pianist en componist Emile Naoumoff. Het was het kloppen van een hart op het versneld ritme van een paukenslag. Wat ik vast wilde houden leek uit mij weg te springen. Klanken botsten tegen de wand van mijn borstkas, knoppen ontsprongen in mij, blauw en roos als een gekneusde plek. De takken van mijn handen omklemden het boek. Uit mijn enkel ontsproot een blad. Mijn voeten zogen zich als nappen tegen de grond. In een roes van bloeipijn trok ik mij los en haastte mij door het labyrint van de metamorfose ~ de dertien duizend regels van een sonnet. Langs de geur van donkergroene ligusters drong ik dieper in het labyrint, tot ik niet meer wist hoe ik er nog kon uit terugkeren. In het midden lag een tuin, waaruit een symfonie van ongekende vogelgeluiden weerklonk. De marmeren buste van een Griekse god lag omgevallen op de grond, overgroeid met mos. Er stond een bank waarop nog nooit een levende ziel had plaatsgenomen. Ik ging er zitten, onder de bloesemde boom, naast een ontwakende faun.

Het regende, maar ik voelde de regen niet, had enkel oog voor de bloesems die van de boom weg waaiden, treurig en mooi tegelijkertijd. Ik vroeg me af welk gevoel van de twee het meeste woog. De herinnering droeg de blaadjes in haar bloeiende schoot. Een stil geweld scheurde alles uit het bolgewas van de winterse benauwenis los. Wat omrankt was trok zich met een onstuitbare kracht omhoog. Sappen stegen langs de wortels, stammen, takken, twijgen en stengels, hoorbaar op. De aarde rilde van levenskracht. Ik rook het parfum van de regen dat de bomen en gewassen en de terracotta daken van de huizen benevelde. De wilde ganzen in de v-vorm van hun witte vlucht. Wat bewoog, bewoog mij. Het hipte op de rand van de bank.Vogelgetsjilp. Ik stond op, de faun verdween, een roodborstje dat onder een heg een nest jongen had sprong van tak naar tak, en leidde mij kwetterend door het labyrint naar de bibliotheek terug.

20170325_085129_resized 2

Dansers van ‘Le sacre du printemps’ bij de première in het Théâtre des Champs-Elysées  (Parijs, 29 mei 1913)

Amandelbloesems

 

Soms voel je van bij het aanbreken van de dag al een lichte weerstand omdat je weet dat je met een kaars, die maar enkele uren brandt, weer de mijn in moet. Met beitel en moker je steeds dieper in het duister zal afdalen, ondertussen aandachtig luisterend of de kanarie nog fluit. Tegen de avond zal je langs dezelfde ladder als langs waar je de schacht in ging, terug naar boven klimmen. In de binnenzak van je stofjas een fossiel, een kristal, een schilfer, of een scherf waar je natuurlijk al tevreden mee bent. Uit het duister tevoorschijn komend zie je nog net de laatste stralen van de dag achter de horizon verdwijnen en de eerste bloesems aan je driejarige amandelboom in de tuin, sluiten in hun tere witte kelkjes een saffraan rode droom. Voor je ogen van vermoeidheid dichtvallen bekijk je door de loep één voor één je vondsten en blijken die blinkende dingen geen kostbaar gesteente maar gewoon glas en schittert de punt van de afgespoelde beitel ineens veel meer. Uiteindelijk val je uitgeput van het kappen en vijlen, door de lange schacht van de nacht in de goudzeef van de slaap. Onrust cirkelt rond de flakkerende vlam. 

20170316_121854_resized 2

Een nieuwe geboorte

3601238505

Herman Teirlinck (1879 – 1967)   (Henri Storck)

Toen op 23 februari 2017, een dag voor de verjaardag van Herman Teirlinck bekende raakte dat een anonieme koper het huis had gekocht en er een writers in residence wilde van maken stelde Steph Feremans, omdat ik volgens hem de juiste achternaam en antecedenten had, mij speels als eerste gaste voor. Eerder dacht ik aan Jeroen Brouwers omdat hij door een speling van het lot en de zomerse escapades van de toenmalige conservator Kris Vanhemelrijck, nog nooit eerder een voet in het Teirlinckhuis had gezet.*

Ik antwoordde Steph dat hij een grappigaard was en dat we allemaal samen naar de Uwenberg zouden gaan. In één lange processie, als was het een literair bedevaartsoord.
’De rozenhaag voor de deur was toegegroeid’, zoals Teirlinck voor zijn heengaan voorspelde, maar de rozen bloeiden nog. Zoveel mensen hoorden er ondertussen met hun persoonlijk, geschreven of ongeschreven verhaal thuis. Steph omdat hij in de zomer van 2013 als eerste een petitie voor het behoud van het huis opstartte, een achternaam met veren en de juiste bril, met hartjes droeg.

Mijn voornaamste antecedent met het huis was het bad. Het zou me niet verwonderen mocht ik er tijdens mijn verblijf meer uren in doorgebracht hebben dan Herman Teirlinck zelf, die er van 1935 tot 1967 woonde en het bad daarna niet meer nodig had.
Vele voorbij vlietende uren van onschatbare waarde, mijmerde, las en schreef ik er,
de ellebogen rustend op de turkoois geschilderde, afbladerende rand.

Er was geen tijd in het huis waar aan de muur een klok met veren hing, waarop geschreven stond : Het is altijd al tijd geweest.*

Toch duurde het meer dan vijftien jaar eer ik Herman Teirlinck in woorden kon naderen, mijn stem tot hem zou richten en zijn alomtegenwoordige aanwezigheid in het huis, een weerklank kreeg die ik voorheen niet vond. Doorheen de seizoenen had ik naar die aanwezigheid geluisterd als was het een Japanse nachtegaal in een kersenboom, steeds veranderend van toon. Zonder te lezen las ik hem en wachtte in het water tot de woorden vanuit de diepte op het schuim van de kabbelende golven vanzelf kwamen aangerold.
Ik wachtte tot de stroom over de rand van het bad en mijn gedachten vloeide en wat ik hem wilde zeggen de zuivere lijnen als de mouwen van een kimono had.

Hoe graag wil ik mij, als een rite van de lente, nog eens onderdompelen in het Teirlinck bad. Wanneer door het venster de stralen van de zon, de druppels in regenbogen uiteen doet spatten.Uit de parelmoeren schelp van het denken de Venus van Botticelli geboren wordt, in de lucht onverklaarbaar, de zachte rook van een sigaar hangt, gans de Zennevallei en de zinnen bedwelmend. En beneden, de argeloze bezoekers, zich niet bewust van het wonder dat zich boven hun hoofd voltrekt, in lange rijen voor de deur staan aan te schuiven en ongedurig op de bel beginnen te drukken.
Want de processie houdt nooit op.

Ik hoop dus uit het diepst van mijn hart, dat de gelukkige eigenaar van het huis met het originele bad, het water van mijn tranen die ik er de laatste dag van mijn verblijf in stortte, niet weg zal gooien.De Venus van Botticelli die iedere keer als je een bad neemt verschijnt, niet met het water weg laat lopen. Zich over de onverklaarbare aanwezigheid van de sigarenrook geen zorgen zal maken, het is niet iets om je over te verontrusten, integendeel, het is een verwelkoming in zijn meest verfijnde, etherische vorm. Het is de schrijver van het gevecht met de engel, die in de rook van zijn sigaar, neerdaalt.
De eeuwige behoeder van het huis.

*Hier komt nooit niemand niet. Op expeditie naar Herman Teirlinck.
   p. 149 tot 166. Jeroen Brouwers, De brakke hond, zomer 2002- 75
* Uurwerk, Kris Vanhemelrijck