Merel op een tak

merel closeAan de overkant van de parkvijver stond een groepje gesluierde vrouwen met gele plastieken handschoenen en een stok die op een bezemsteel leek, aan de afrastering van de vijver, rond een tamme kastanje bijeen. Het was niet duidelijk wat ze precies gingen doen. Wilden ze bladeren harken, noten rapen of was hun bijeenkomst een hymne aan de herfst? Twee orthodoxe joodse mannen, liepen alsof ze net het bericht hadden ontvangen dat de langverwachte plots gekomen was, de vrouwen in hoge snelheid vanuit de andere richting tegemoet. Regendruppels vielen op hun ronde bonthoeden in plastiek verpakt. De zwarte panden van hun zijden jassen wapperden als zwaluwstaarten achter hen aan. Meeuwen scheerden over de leeggelopen vijver die nu een tuin van onkruid, wilde bloemen en lange grashalmen geworden was. In het midden sprong er een kolonie witte, zwarte en bruine konijnen rond. Mussen, mezen en vinken hipten op zoek naar broodkruimels tussen het bladertapijt op de grond. Van onder de taxus met rode bessen waaronder ik schuilde voor de regen zag ik, tussen de roestbruine en groene weerschijn van de naaldtakken, een merel als een muzieknotatie tussen de lijnen van een notenbalk, op gedempte toon fluiten.
Al wat werelds was dwarrelde op en vloog weg. De vrouwen met hun gele handschoenen en de twee orthodoxe joodse mannen kruisten elkaar aan de overkant van de vijver en verdwenen tegen het blauwe licht van de lucht. Witte meeuwenvleugels klapwiekten tussen het gouden en vuurrode van de esdoorn. Heel even was het stadspark een impressionistisch schilderij waar ik op een bank onder een taxus met rode bessen, tegenover een merel op een tak, een steeds lichter geschilderd personage werd. Een schouwspel dat in een heldere droom ontstond en in een oogwenk weer was opgelost. Boven mijn hoofd rekten de naaldtakken zich uit en omsloten mij, gelijk de stilte achter een zacht gesloten kloosterdeur.

 

 

 

Insomnia (over Marina Tsvetajeva)

 

Het was vier uur in de nacht toen ik gewekt werd door het gezang van een mezzo sopraan. Het hoeft niet iedere nacht het lawaai van een generator te zijn. Ik hield mijn ogen gesloten tot ik hoorde dat het gezang niet van buiten kwam maar van binnen. Iemand zong vanbinnen in mijn middenrif. Het was een aria die ik niet kende of herkende. Soms klonk het als een oefenen van toonladders, hoge en lage tonen. Het zingen continueerde zonder dat ik er vat op had en zong zich door alles heen. Te wakker om nog te kunnen slapen, ging ik aan de tafel bij het raam zitten en luisterde naar de aria die zich in stanza’s met af en toe een adempauze steeds in hoger tonen verder zong.

Ik sloeg het boek open dat voor mij lag en las de eerste zin: De avondrook steeg op boven de stad. Zevenhonderddrieënzestig bladzijden, meer dan 650 gedichten, gedrukt op 70 grams Delphi dundruk papier. De ivoorkleurige bladzijden van mijn zopas verworven tweedehands exemplaar, Werken van Tsvetajeva geurden naar tabak als waren het vloeitjes van een net gerolde sigaret. Ik liet de bladzijden open waaieren en rook hoe het boek van het begin tot het einde van tabak doordrongen was. De vorige eigenaar moet net als Tsvetajeva een kettingroker geweest zijn zoals er waarschijnlijk geen meer bestaan. Ik probeerde mij iemand voor te stellen die hartstochtelijk van deze gedichten hield en zoveel tijd aan ieder gedicht had gewijd, dat er tussen elk blad van het 763 pagina’s tellende boek, een vleugje tabak was blijven kleven. Een andere benadering van de poëzie van Tsvetajeva, dan een totale overgave, was ook niet mogelijk. Je kon niet anders dan er in opgaan, tot er geen verloop van tijd meer was. Een zucht ontsnapte mij en ik begon te lezen in het besef dat wanneer de gedichten op een ander, nog onbekend tafelblad zullen liggen, zowel de geur van tabak, als beide eigenaars, uit het boek zullen verdwenen zijn.

In het huis waar Marina Tsvetajeva de laatste dagen van haar leven doorbracht, had mevrouw Brodelsjtsjikova haar getoond hoe zij van krantenpapier een sigaret kon rollen. Samen hadden ze de sigaret opgerookt. De hospita kon van de grijs geworden dichteres die met haar zestienjarige zoon Mur bij haar was ingetrokken geen hoogte krijgen en de armoedige dichteres stond haar eerst niet aan. Haar kleren waren afgedragen maar in de bloemensjaal rond haar hals hing nog de sfeer van Parijs. Het had mevrouw Brodelsjtsjikova verbaasd dat Tsvetajeva niets kon. Tussen haar bagage zaten enkele zakken bloem, zout en suiker maar ze was niet in staat geweest om te koken, of om eender wat te doen. Eén keer per dag ging ze met Mur in een gaarkeuken wat te eten halen.

Enkele dagen na hun aankomst in Yelabuga vertrok Tsvetajeva  met de rivierboot naar Tsjistopol waar ze een verblijfsvergunning wilde aanvragen en hoopte, met een baan als afwasser in de schrijverskantine, in hun onderhoud te kunnen voorzien. In Yelabuga kon ze niet blijven, er woonden geen mensen volgens haar en er was alleen een wodkafabriek. Al van bij haar aankomst was ze door een lokale agent van de NKVD, de voorloper van de KGB, benaderd en verzocht informant te worden. Haar vertrek naar Tsjistopol was een zoveelste vlucht.

De schrijfster Lydia Chukovskaya getuigt in The double beat of Heaven and Hell dat Tsvetajeva bij haar aankomst in Tsjistopol een verloren indruk maakte. Ze was angstig en gedesoriënteerd. Ze sprak zonder intonatie, haar ogen hadden hun glans verloren, haar huid was vaal en opgezwollen. Ze had overal hulp bij nodig en was ervan overtuigd dat de raad van de Schrijversbond haar geen verblijfsvergunning zou geven. Als aan een laatste strohalm klampte ze zich aan Chukovskaya vast. Toen de verblijfsvergunning haar mede door de aanwezigheid van Chukovskaya werd toegekend en ze alleen nog maar een kamer voor haar en Mur moest vinden, zag ze plots van alles af. Ze vroeg Chukovskaya of het nog wel zin had verder te leven. Haar gedichten werden niet meer gepubliceerd. Ze schreef niet meer. De pogingen van Pasternak om in Moskou een bundel van haar te publiceren waren op niets uitgedraaid. Ze werd politiek als onbetrouwbaar aanzien. Haar man Sergej Efron was als Sovjetagent ontmaskerd en kort na zijn aankomst in Moskou samen met hun dochter Alya gearresteerd en opgesloten. Sindsdien had ze niets meer van hen vernomen. Er was niemand meer, zelfs haar zoon niet, die haar nog nodig had.

Terwijl ze door de straten wandelden, op zoek naar een kamer, vertelde  Chukovskaya dat ze blij was dat Anna Achmatova niet in Tsjistopol ingekwartierd was. Ze zou het niet overleefd hebben want ze was tot niets praktisch in staat. Tsvetajeva, met alleen nog een baan als afwasser in de schrijverskantine voor ogen, ontstak in woede. Zij moest kunnen wat Achmatova nooit gekund of gedaan zou hebben: de vuile borden van collega’s afwassen in de schrijverskantine. Ironischer kon een lot niet meer worden. Alsof ze tegenover Achmatova, de mindere dichter was, in staat tot praktische dingen. Alsof er tussen de twee dichters een verschil in grootsheid en dus een andere maatschappelijke verwachting kon bestaan. Reeds in 1922 schreef ze aan de Berlijnse uitgever Visjnjak: ‘Zodra ik probeer te leven, voel ik me een armzalig naaistertje dat nooit iets moois zal maken, dat alleen de boel kan verknoeien en zichzelf verwonden, dat alles – schaar, lappen, garen – erbij neergooit en gaat zingen. Voor een raam waar het voor eeuwig regent.’

De laatste draad die haar nog met het leven verbond, knapte onverwacht.

Chukovskaya had haar niet met opzet willen kwetsen, maar het kwaad was geschied. De opmerking moet een diepe wonde geslagen hebben. Tsvetajeva wilde plots in geen enkele straat van Tsjistopol meer wonen. Ze vond alles angstwekkend en lelijk. Chukovskaya bracht haar naar het huis van vrienden waar ze met open armen ontvangen werd. Ze kon in hun huis overnachten, de volgende dag zouden ze haar verder helpen met het zoeken van een woning en werk. Even flakkerde zij terug op, droeg nog enkele gedichten voor, vertelde over de arrestatie van haar man Sergej Efron en hun dochter Alya en eindigde de avond met het gedicht Homesick. Halverwege stopte ze met lezen, zei dat ze weg moest, en vertrok. Ze beloofde dezelfde avond nog terug te komen maar kwam niet meer terug. Ze overnachtte in een slaapzaal van een Sovjetpension en keerde, van alle dromen en illusies ontdaan, op 27 of 28 augustus 1941 naar Yelabuga terug.

Voor het raam waar het eeuwig zou regenen rookte, ze een laatste sigaret.

Op zondag 31 augustus 1941 terwijl de bewoners van de Tataarse stad Yelabuga ontwaakten verhing Marina Ivanovna Tsvetajeva zich aan een henneptouw. Het jaar ervoor had ze al geschreven dat ze niet wilde doodgaan maar er eenvoudig niet meer wilde zijn. Het touw was waarschijnlijk het touw dat Boris Pasternak haar geleend had om bij haar vertrek uit Moskou haar bagage mee samen te binden.

Tussen de verschillende briefjes die ze naliet, was er één voor haar zoon Mur:

‘Murlyga! Forgive me, but to go on would be worse. I am gravely ill, this is not me
anymore. I love you passionately. Do understand that I could not live anymore.
Tell Papa and Alya, if you ever see them, that I loved them to the last moment and
explain to them that I found myself in a trap.’

Bij het afleggen van haar lichaam vond de kistenmaker in een binnenzak van haar kleed nog een klein boekje waar één woord in geschreven stond: de naam van het goelagkamp waar haar dochter Alya vermoedelijk opgesloten zat. De man hield het boekje tot het einde van zijn leven bij zich en gaf het daarna aan de familie van Tsvetajeva terug.

Buiten schoof een wolk voor de kastanjekleurige maan, een eekhoorn sprong tussen de opgekrulde bladeren, van tak naar tak. Ik legde mijn hoofd op het boek en hoorde als van iemand die achter de schutting van een verlaten tuin, zacht te snikken staat, het laatste geluid. Haar stem verhief zich in de ruimte tot een lichte, allesomvattende noot. Een ziel barstend uit de bolster van de tijd. De koperen samovar borrelde dag en nacht.

foto35-1

 

 

Geraadpleegde bronnen

Marina Tsvetaeva: The Double Beat of Heaven and Hell (Lily Feiler)
1994 Duke University Press

Tsvetajeva: Victoria Schweitzer 1994. Nederlandse vertaling Yolanda Bloemen 1996.
Uitgeverij De Bezige Bij 1996

Wegen naar Insomnia. Elegieën voor Marina Tsvetajeva: Johan de Boose 1996
Uitgeverij Poëziecentrum VZW

Tsvetajeva: Werken. Vertaling Margriet Berg, Marko Fondse, Anne Stoffel en Marja Wiebes. Uitgeverij G.A.Van Oorschot 1999

Foto Marina Tsvetaeva. Moskou, juni 1941. (Nasledie Mariny Tsvetavy: website, archief)

 

 

 

Een gouden steppenpaard

 

‘… Dus jij zoekt iedere dag naar woorden? Zit daar niet iets onnatuurlijks in, in het altijd met woorden willen bezig zijn? Sta jij ‘s ochtends nooit eens op met het gevoel dat je er geen zin in hebt?’ We zaten over onze sandwich gebogen en ik wist even niet wat ik moest antwoorden. We kenden elkaar bijna vier jaar en elk gesprek was zowel ontspannend als een uitdaging voor mij. Haar afwisselend melancholisch en sprankelend wezen, de altijd wakkere zin voor rechtvaardigheid en humor waren in de poel van mensen waar je gemakkelijk in verdronk, een verademing geweest. In de nazomer van 2012 stapte ze langs de keukendeur voor het eerst mijn in rijstmelk overkokend leven binnen. Om haar te verwelkomen had ik mijn Frida Kahlo T-shirt aangetrokken. Het T-shirt had ik al veel gelukkige dagen gedragen, en toen haar glimlach de ruimte binnenstroomde, wist ik dat zij de uitkomst van een voorspelling was. Haar vader moest een smid geweest zijn, ze straalde zijn warmte uit in het aambeeld van haar ogen. Van haar moeder, een paardenmenster, had ze een lange zwarte staart mee gekregen, waar ze op het einde van de dag, een dikke elastiek uittrok zodat het haar weer vrij tot op haar heupen kon hangen. Snel en vurig bewoog ze zich achter het fornuis, soms dromend onder de damp van de koperen koepel, die een versluierde sterrenhemel werd. Met een nieuw mes, stond ze ineens naast mij, de dagen van de week als een groot rond brood in fijne sneden te snijden. Haar aanwezigheid was als het Turks oog, het kwade en het boze weerde ze met een oogopslag af. Haar naam was Elif Özer. Een goudkleurig steppenpaard.

Bij het kraaien van de haan stond ik op, dronk koffie, at een geroosterde boterham en hoopte dat, voor ik het huis verliet, de doos met woorden zich in mijn hoofd zou openen en misschien iets nieuws zou tonen. Iedere ochtend koos ik een ander pad, speurend naar een plaats die nog onaangeroerd, verborgen lag. Soms vond je, als je de tijd had om ver te wandelen en diep te graven, tussen de aarde en het zand wat potscherven en fossielen, heel af en toe raapte je iets levends op. Een nieuwe vondst was waar je bij aanvang altijd op hoopte. Zoals die keer toen je langs een pad dat, hoog in de duinen, de ene duin met de andere verbond, een melanistische das in zijn hol aantrof.
Uit de droogte van het zand groeiden wilde roosjes in de volle bloei van hun zomer.

Ik slikte het laatste stuk sandwich door, nam een slok koffie en antwoordde dat het mij sinds ik kon lezen nog nooit overkomen was dat ik eens geen zin in woorden had. Je kreeg eenvoudigweg nooit genoeg van de mogelijke magie die uit de naast elkaar gezette woorden kon ontstaan. De variaties waren eindeloos. De levens die zich op het papier afspeelden verveelden nooit. Het waren tijdloze verhalen, meeslepend als de zangen van een Slavisch koor. Boeken en muziek waren reddingsboeien op een altijd woelige zee. Naar de oevers van het woord en de klank kon je altijd terugkeren. Zolang een leven duurde en misschien nog een leven daar voorbij.

We verlieten de sandwichbar in de regen en stapten om te schuilen de Groene Waterman binnen. In de stad is een droge ruimte altijd binnen bereik. Elif betreurde het dat ze te weinig tijd had om te lezen of om met iets anders bezig te zijn dan de kunst van het koken en wat we gemeen hadden: het overkoken. Tegen de avond als de kinderen alle drie in bed lagen kon ze van vermoeidheid, de armen uitgestrekt op bed, alleen nog maar de slaap omvatten.

Ik zag haar ogen nerveus over de bladzijden dwalen, haar dunne vingers ritselden door het papier. Dan keek ze van het blad op en hield ze haar hoofd schuin. De paardenstaart op de kruin vastgespeld viel opzij. ‘Wat een mooi liedje!’ Ze richtte zich tot de boekenverkoopster en vroeg haar of ze even kon nagaan wie dit zong. De boekenbediende keek verrast op en zocht in de playlist van haar Ipod naar het liedje. ‘Marco Farracio, heet de zanger en hij zingt Paris je t’aime’. ‘Fantastisch! Dank u wel. En hebt u ook nog een koffietje misschien?’
Ik zag de verbazing van de verkoopster boven het omzetcijfer van die dag uitstijgen. Glimlachend boog ik mij over de Verhalen van Tsjechov. De schrijver hield stevig vast aan de revers van mijn jas. Een paar minuten later stonden we zonder koffie met onze boeken opnieuw in de regen op de stoep. ‘Zullen we dan nu iets gaan drinken?’
Dit was helemaal Elif. Het één was altijd met het ander verweven. Felgekleurde knopen vormden over de dag en de nacht uitgespreid, de tekening van haar Smyrnatapijt.
Het verhaal verbeeldend van een Trojaans meisje dat uit het verbond tussen een Oud-Griekse smid en een paardenmenster uit Hisarlik werd gesmeed. Schat van Priamus. Wonderlijk Turks Oog!

Pascal Mouawad
Akhal Teke (foto: Pascal Mouawad)

 

Mya

 

In de stad wonen heeft af en toe zijn voordelen. Aan de overkant van de straat zie ik soms, als het licht ’s avonds brandt, de overbuurvrouw in haar kamerjas vanuit de keuken naar de woonkamer struinen. De overbuurvrouw heet Mya en omdat zij mij door deze aanblik aan mijn grootmoeder laat denken, sturen deze avondlijke beelden een soort van huiselijk gevoel naar mijn hersenen waar ik rustig van word. Mya en ik waren maar zeven meter van elkaar gescheiden. Naast haar woning lag nu het braakland waar net een rij huizen afgebroken was en de leegte gaapte.
Vanmiddag stond ik met mijn sleutel in de hand op het punt het huis binnen te gaan toen ze mij van op haar balkon met een gekromde vinger wenkte. ‘Kom even naar boven, ik heb een taartje gebakken.’ Ineens kreeg ik een licht Roodkapje in het betonnen bos gevoel en antwoordde wat ongerust dat ik niet zoveel tijd had. ‘Het duurt maar een minuutje,’ riep ze terug. Ik zette mijn fiets binnen en ging met de trap naar de tweede verdieping van het flatgebouw waar ik iedere dag vanuit mijn schrijfkamer op uitkeek.
Hoe het mogelijk was weet ik niet, maar toen ik in haar woonkamer stond bleek dat ze mijn lievelingscake had gebakken: citroencake!  Ik kon haar wel omhelzen maar hield me wijselijk in, het was de eerste keer dat ik bij haar op bezoek kwam en wilde nu ook niet te enthousiast overkomen. Ik keek door het raam van haar woonkamer naar buiten en zag wat zij zag als ze naar buiten keek. Aan de overkant zat Kris, de meester-portretschilder achter het brede raam van zijn atelier aan zijn vijfentachtigste portret te werken, een grote lamp verlichtte de tekening en zijn hoofd. Daarnaast lag mijn werkkamer, de gordijnen aan één kant gesloten. Mya wou heel graag eens op atelierbezoek komen, want ze had altijd de indruk dat ze, als ze naar buiten keek, kunstwerken in een museum zag. Of dat ik, als ik heel vroeg in de ochtend mijn licht aanstak en voor het scherm van mijn laptop schoof, als in een sneeuwdoosje zat. Je moest er alleen nog maar mee schudden. Ze vroeg of we onze telefoonnummers konden uitwisselen want Mya verzamelde graag mensen die om haar heen leefden om hen, als ze ergens heen moest, van haar afwezigheid op de hoogte te stellen. Dat vond ik een mooi idee, in een stad waar je eigenlijk amper je buren kent: toch de moeite doen ‘om mensen om je heen te verzamelen’. Aan tafel zat haar kleinzoon Tanguy een knutselwerk te maken, op een voetbankje lag het boek dat ze aan het lezen was: ‘Een verwend nest’, van een onbekende schrijver.
Ik stelde haar voor enkele boeken uit mijn bibliotheek te komen lenen.

Een week later vond het burenfeest in de Haantjeslei plaats. Ik tikte haar nummer in en vroeg of ze zich al ingeschreven had. Ze had van het feest gehoord maar als nieuwkomer geen inschrijvingsstrookje ontvangen. Haar zangerig stem sleepte wat na. Ik reserveerde een vegetarische paella voor haar en om zes uur schoven we aan lange tafels naast elkaar aan. Links van mij namen haar Roemeense buren plaats, een jong gezin met twee kinderen dat na Berlijn in Antwerpen een nieuwe thuis had gevonden. De man die zich aan mij voorstelde en wiens naam ik niet begreep omdat hij iets te ver van mij verwijderd zat, voerde in een onberispelijk Nederlands zacht het woord. Zijn accent was grappig, maar absoluut niet om te lachen.
Met een ongelooflijke vastberadenheid om de taal zo zorgvuldig mogelijk te spreken vertelde hij ons duidelijk articulerend de laatste weetjes wat het wonen in Antwerpen betrof. Zijn vrouw herinnerde ik mij sinds ze bij hun aankomst in een perkje dat door de groendienst van de stad was aangelegd en waar een bonsai groeide, bloemen had geplant. Een week later gooide een andere stadsdienst het perkje met de zware voet van een verkeersbord volledig plat. Toch schoten de korenblauwe bloemen en de bonsai samen de hoogte in. Charmante doorzetters waren onze nieuwe Roemeense buren.

Aan de overkant van de tafel was een koppel Nederlandse duifjes neergestreken. Op het einde van WO II, geringd en weggevlogen, nog steeds op de vlucht. Het meisje had blond haar, een beige baret schuin op het hoofd, grijsblauwe ogen en rode gestifte lippen in een licht abrikoos bepoederd gelaat. Een beige trenchcoat, gecentreerd in de taille, nylons en pumps. De jongen ontbeerde een deukhoed en een regenjas en droeg gewoon sneakers, een jeans en een slobbertrui, maar kende zijn klassiekers. ‘We will always have Casablanca’, mijmerde hij en knipoogde naar de deejay: ‘Play it Sam… When time goes by, for old times’ sake!’ Naoorlogse rook verblindde onze ogen. Ik dronk mijn Tangueray gin met rozenwater en een takje verse rozemarijn zo traag mogelijk op en keerde in de laatste zwoelte van de avondwind met mijn woestijnvos aan de leiband terug naar huis.

De volgende ochtend stak Mya aan de overkant van de straat om zes uur haar lichten aan. Ik maakte koffie en ging aan mijn schrijftafel zitten. Om tien uur rinkelde zij mij met haar mobiel uit mijn dromen wakker en vroeg of ze mij in mijn inspiratie stoorde en of ik iets nodig had. Ze ging naar de bakker, die nog tot twaalf uur open was. Ik herinnerde mij het lijstje dat ik haar onlangs doorstuurde met, naar mijn smaak, de beste bakkers van de stad. Daar wou ze nu even langsfietsen. Ik bedankte haar uitgebreid en wist ineens wat mij volgende week rond tien uur te wachten stond: ‘Meidje,’ want zo noemde ze mij en in haar dialect betekende dit liefje, ‘ik stoor je toch niet in je inspiratie? Kan jij voor mij misschien een brood halen? Bakker Aldo is tot twaalf uur open vandaag!’

 

20171005_200249

 

Koktebel

 

Waar bevindt zich het hart van de zomer? (Het waait en regent alsof het een herfstige oktober- in plaats van een septembermorgen is. De roep van de eerste trekvogels, in hun lange vlucht naar warmere oorden, kondigt een te vroeg ingetreden herfst aan. Buiten houden de merels en stadsmussen die van verenkleed veranderen, zich al dagen stil.)

In Levend over levend schrijft Marina Tsvetajeva dat 11 augustus het middaguur van het jaar is. Het hart van de zomer. De dichter, schilder en criticus Maximilian Voloshin overleed die dag in Koktebel om twaalf uur ‘s middags. ‘…Met zijn leeftijd in jaren minder verbonden dan met de seizoenen en de uren van de dag.’* Sinds het in het hart van de zomer op een van de warmste uren van 2017 voor de duur van een andante cantabile herfst en vervolgens winter werd, had ik het gevoel dat naarmate de uren van de dag of de nacht, ook de seizoenen konden wisselen. De sfeer en de intensiteit van enkele minuten, elk seizoen kon oproepen en je de warmte of de koude van een innerlijk seizoen gewaar kon worden, dat onafhankelijk van een aan temperatuur gebonden tijd bestond. Een verschuiving die ook langs het literaire gebied trok. De Russische schrijvers, die ik voorheen alleen tussen 21 november en 21 april las – want in maart begon na de dooi de eerste bloei, en al wat ontdooide kon onmogelijk Russisch zijn -, kondigden zich die dag, tegen het wit uitspansel van mijn gemoed, onmiskenbaar aan.

De zomer verdween in de kleur van een ginkgoblad en door het vooruitzicht van een sneeuwstorm voortgestuwd keerde ik nog voor de herfst begon, met de seizoenen op een slede gebonden, over de Alma rivier naar het Koktebel van Maximilian Voloshin en Marina Tsvetajeva terug. De handen op de rug gevouwen, schaatsten hun levende zielen in capes, helderrood als de vruchtdozen van de kardinaalmutsenboom, over het licht krakende ijs voorbij. De seizoenen schommelden heftig heen en weer.

Levend over levend was een ode aan Maximilian Voloshin, die alles voor Tsvetajeva betekende. Zij vereerde hem als een mythologisch wezen.Voor de dichter was zij de rode toermalijn die hij tussen de stenen op zijn berg gevonden had. ‘Later zou zij nooit, hetzij als emigrante, hetzij in Sovjet-Rusland, zoveel diep en oprecht medegevoel ondervinden.’* Maximilian Voloshin, de eeuwig stralende zon, die haar dichterlijk wezen, die dolende ziel oplichtte, was in al haar seizoenen aanwezig. Daarom kon ik zoals op de dag dat ik dit stuk begon te schrijven en op het internet naar een foto van hem zocht, en tot mijn verbazing 8 november 1932 als de datum van zijn overlijden vond, niet geloven dat hij op een grijze dag in november overleden zou zijn, maar eerder die dag als een heldere ster na een donkere augustusnacht, opnieuw verschenen was. Zijn toermalijn schitterend op de berg, waar hij als een versteende reus te slapen lag.

 

 

marina_tsvetaeva-0-11
Elena Voloshina (Pra), Maximilian Voloshin, Sergey Efron, Ariadna (Alya) en Marina Tsvetajeva. Foto GLM archief, internet

 

132252347_RRSRyoRR_RRRSRRRR_Ryo_RRSRRR_RSSRR_RR_SRRRSR_SSRRRR_R_RRRR_RRRSRyoRRyoRRyoRRR_RRRRSRyoRR_R_RRRSRRRRR
Marina Tsvetayeva, Lilya Efron, Sergey Efron,Vladimir Sokolov, Vera Efron, Yelena Voloshina. Koktebel’, 1914 g. Foto GLM archief, internet

 

 

Noten:

Marina Tsvetajeva. Levend over Levend. Vertaald uit het Russisch door Anne Stoffel (Voor- en nawoord Irina Grivnina) Uitgeverij: De Bezige Bij, Amsterdam 1996

* Marina Tsjevatjeva, p.13
* Irina Grivnina, voorwoord, p.8

Kikker

Op vrijdag 14 september 1597 werd Josijne van Vlasselaer, geboren in Kampenhout en gehuwd met Aert van Beethoven, op de Grote Markt in Brussel tot de dood op de brandstapel veroordeeld. Deze ongelukkige vrouw, door haar buren beschuldigd van hekserij omdat ze haar tegen een kikker hadden zien praten, bleek een voorouder van Ludwig van Beethoven te zijn. Ik legde het boek waarin de geschiedenis van de vermeende heksen uitvoerig beschreven stond (Heksenprocessen in de Nederlanden) verbouwereerd opzij en luisterde van op het dakterras tussen de kamperfoelie, het kaasjeskruid en de jonge ginkgo-, amandel- en olijfbomen naar de kikker die op de parking van uitgeverij De Vries-Brouwers woonde en zonet één keer had gekwaakt. Luid en duidelijk. Kwaak!

Hij kwaakte nooit meer dan één keer en, met een interval van tien minuten, soms een tweede en een derde keer.

Daarna viel elk geluid op de parking stil zoals in het weekend altijd het geval is. De kikker wilde vermoedelijk laten horen dat hij er nog was. En ondanks het snoeien van de treurwilg en de populier in zijn buurt, het neerhalen van de decennia oude gevels en het stof dat iedere dag op ons neerdwarrelde alsof we in een bombardement terecht gekomen waren, was hij niet van plan een poot te verzetten van de plaats waar hij had post gevat, alsof hij net uit een onder het stof bedolven verhaal van een van de boeken uit het magazijn van de uitgever was ontsnapt.

Het magazijn stockeerde sinds de oprichting van de uitgeverij in 1946, duizenden boeken. Elke week zag ik Patrick, de magazijnier, nieuwe paletten vol boeken het magazijn binnen rijden en de ruimten puilde steeds verder uit. Kinderboeken, jeugdromans, proza, poëzie, geschiedenis, sprookjes, esoterie, kookboeken, filosofie, dier- en plantkunde, dieetboeken, psychologie, sport en spel, mythen en sagen, uitgever Isy De Vries: liet in zijn bestaan weinig onderwerpen ongemoeid.

Het magazijn liep van aan de parking in een L-vorm onder ons huis door en mondde langs een nauwe kruipgang, terug op de begane grond, aan de voorkant van de straat uit in een boekenantiquariaat. Het was onmogelijk in de lange gang nog ergens een lege vierkante meter te vinden. Op een herfstige avond van een onbekend jaar deed Isy De Vries om 18 uur het licht uit, liet de rolluiken naar beneden en trok de deur van het antiquariaat voorgoed achter zich dicht. Sindsdien was alles wat in het antiquariaat hing, stond of lag onaangeroerd gebleven. Zelfs het potlood waar hij die dag de prijs van een boek of iets anders mee had genoteerd, lag nog scherp geslepen op het blad van zijn bureau. Als een stilleven dat nog geschilderd moest worden en waarop, als kaftillustratie, alleen nog een kikker of een prins zou ontbreken.

Eenmaal in de buitenlucht, had de kikker zich buiten het blikveld van Isy De Vries en zijn personeel een nieuw leven aangemeten. Gans de lente en de zomer hield hij mij tijdens het schrijven gezelschap. En liet zich nu vanuit zijn grote ommuurde put, bij het opkomen van de halve maan in de heldere zomerhemel, nog één keer horen. Donker en droevig. Kwaak! Ik legde een afgevallen blad van de ginkgo als bladwijzer in mijn boek, opende de laptop, en zette onder het zachte schijnsel een lied op voor de kikker: Beethovens Piano Sonata No. 14 in C sharp minor Op. 27 No. 2.
De volgende ochtend zouden bulldozers en grijpkranen hem uit zijn traag barstende, paradijselijke put verdrijven.

 

(Heksenprocessen in de Nederlanden, Fernand Vanhemelryck,
Davidsfonds Leuven, 1982)

Het koekje

 

Hartverscheurend, huilde hij. De jongen die een koekje wou.
Vijf minuten lang hoorde ik hem dezelfde zin herhalen, dat hij een koekje wou en braaf zou zijn. Ze stonden beneden op de stoep aan de overkant van het huis waar ik op de eerste etage in een boek verdiept was. Zijn lament was zo indringend dat ik mij niet meer kon concentreren. Het verbaasde me dat hij het zolang volhield en geen andere argumenten bedacht om zijn moeder te overhalen. Ze zei iets dat ik niet kon verstaan omdat ze al die tijd haar stem niet boven zijn stem verhief, maar ze moest een compromis gesloten, een toegeving gedaan hebben want ineens stopte het snikken en jammeren en hoorde ik hen, hij weer bedaard achter op haar fiets, verder rijden. Ik legde het boek opzij en vroeg me af of er nu uit zijn vraag naar een koekje en het antwoord van zijn moeder daarop, iets ontsproten was dat de rest van zijn leven zou bepalen en de essentie van zijn toekomst samenvatte. Krijg je het koekje of niet? Hoe kan je het krijgen en als je het niet krijgt, kan je het dan gewoon nemen als het er ligt? Zal het verlangen naar het koekje zo overheersend zijn dat je het niet eens als iets wegnemen ervaart, maar het gewoon neemt als een uit noodzaak geboren handeling waar je de oorsprong nog niet van kent? Om een onverklaarbare trek te stillen, want honger heb je nooit gekend, alleen het verlangen dat nog de vorm en de smaak van een koekje had. Misschien troost bood voor wat je nog niet onder woorden kon brengen, maar je buiten jezelf bracht tot iemand er een einde aan maakte en je een klap of het koekje gaf. Zo ging het verlangen naar zoetigheid dat zich eerst stil knagend aanbood tot het als een droef lament losbarstte, de wereld van de geluiden in. Wie wist waartoe het zou leiden, op welke rots het klotsend voor de voeten van de Sirenen te pletter zou slaan, maar voor de kleuter beneden op de stoep manifesteerde het zich nog in één en dezelfde, steeds herhaalde zin, het begin van alle ellende:
‘Ik wil een koekje, ik zal braaf zijn.’

cookie-monster-favorite-cookies 2

Weeping camel

 

Hij liep op het voetpad waar ik langs fietste en viel als een boom waar een hakbijl in gezet werd schuin omver. Roerloos bleef hij enkele seconden liggen. Ik liep naar hem toe en vroeg of hij zich bezeerd had. Hij hief zijn hoofd op en krabbelde recht maar ik zag dat hij mijn vraag niet begrepen had. Zijn trui met capuchon hing vol bladeren en hij zag eruit alsof hij al dagen niet meer geslapen had. Hij mompelde iets onsamenhangend, stak zijn hand op en strompelde verder.

Ik volgde hem met mijn blik en zag hem enkele passen verder opnieuw languit over het voetpad vallen. Een bejaard paar dat net de straat wilde oversteken bleef bedremmeld staan. Intussen kroop de man weer recht en ging op de drempel van een bloemenwinkel zitten. ‘Hij heeft wat pintjes op,’ zei ik tegen de vrouw om de situatie niet verder te dramatiseren. ‘We weten niet of hij pintjes op heeft,’ antwoordde ze, ‘maar ik kan hem niet rechttrekken want ik heb last van mijn rug.’ De man was duidelijk lazarus maar ik ging er verder niet op in, want of hij dronken was of niet, het maakte uiteindelijk geen verschil. Het bejaarde paar wandelde verder en ik bleef met de man op de drempel achter. Op het voorstel een ambulance te bellen begon hij wild met zijn armen te zwaaien. Er ontstond een dilemma.
De man had hulp nodig maar wilde het niet. Hij bracht zijn handen naar zijn mond om duidelijk te maken dat hij wou drinken en wat water wilde. Ik gaf hem het halfvolle flesje limonade dat in mijn tas zat en vroeg waar hij woonde. Hij wees naar het stadspark. Ik kende het park en ook een aantal van de mensen die er ’s nachts onder een dak van gebladerte woonden maar hem had ik er nog nooit gezien. Hij was nieuw. ‘Where do you come from? Where is your country, your home?’ herhaalde ik nog een keer. Hij antwoordde dat hij uit Mongolië kwam, wees opnieuw naar het park en hield zijn handen samengevouwen naast zijn hoofd, om duidelijk te maken dat hij daar sliep. Met handen en voeten probeerde ik hem uit te leggen dat hij zich op een boogscheut van een plaats bevond waar hij kon douchen, eten, drinken en slapen. De Vaart, het dagcentrum voor daklozen, was sinds enkele weken opnieuw in de zorgzame handen van het CAW en ik veronderstelde dat hij er terecht kon. Ik belde naar het opvangcentrum maar het was half tien ‘s avonds en er nam niemand meer op. Op mijn vraag of hij wat centen had trok hij de lege zakken uit zijn broek. Hij had niets en wat nog erger was, hij wilde niets. Zelfs de paar euro’s die ik hem gaf om water te kopen weigerde hij en nam ze aan nadat ik erop aandrong. Toen ik aanstalten maakte om te vertrekken stond hij op en gaf mij onhandig een hand. Het was schrijnend, even schrijnend als de vaststelling dat al die tijd dat de man op de stoep zat, de mensen hem voorbij liepen alsof hij een hond met vlooien was. Neus in de lucht en de blik op oneindig.

Het aantal thuisloze mensen die in het park verbleven nam steeds sneller toe. De afgelopen week dwaalde er in de buurt een vrouw gekleed als poetsvrouw door de straten. Haar inboedel zat in een caddy en enkele witte plastieken zakken. Met stofdoekjes rond de schouderbanden van haar onderhemd geknoopt, een doek rond haar hoofd en een voorschoot aan, veegde ze met een handborstel het stof van de gevels. Het was een eigenaardige handeling voor iemand die zelf geen woonplaats bezat.

 

Ik schreef het adres van De Vaart op een briefje en probeerde de steppeman nog eens duidelijk te maken dat hij zich op een boogscheut van het inloophuis bevond. Een boogscheut. Waar waren wij eigenlijk een boogscheut vandaan? Ver weg was het Altaigebergte, de Gobiwoestijn, paarden en ruiters, melkwitte yoerten onder een wolkenloze hemel in een cirkel bijeen. Een adelaar rustend op een gehandschoende hand. Twee jongens en een keelklankzanger die spelend op een paardenhalsviool, een kameel en zijn verstoten wit kalf van hun geboortetrauma genas.*
Zijn verloren Mongolië trok aan mijn geestesoog voorbij.

Ik keek naar de man die daar op de stoep zat en wist het even niet meer.
De coördinaten van het opvangcentrum hield hij als een verkreukelde landkaart in zijn hand. Ik zag afgeknakte berken in een lege toendra. De wortels nog in de grond. Een kudde kamelen zonder herder in de woestijn. Vrieskou van min veertig graden en veel te droge zomers. Nomaden die geen nomaden meer konden zijn en zonder kudde rondtrokken in de hoop iets beter te vinden. Ik kon hem niet vragen waarom hij naar deze stad was gekomen want hij sprak buiten het Mongools en vijf woorden Engels, geen enkele andere taal. Als een hoopje mens liet ik hem op de stoep achter en toen ik vanmorgen opstond, wankelde ik heftig op de scherpe rand van zijn nomadisch bestaan.

 

*The story of the weeping camel
(Mongolië/Duitsland, 2003 | Byambasuren Davaa & Luigi Falorni)

a14105-7

 

 

 

 

 

Appels

 

Vanmorgen las ik in een online persbericht van De Standaard dat de appels dit jaar te groot zijn. Door de vrieskou in het voorjaar zijn de weinige appels die er aan de bomen groeiden twee centimeter meer gegroeid. Twee centimeter! De fruittelers maken zich nu al zorgen, scholen willen deze reuze-appels niet omdat ze ‘half opgegeten in de vuilnisbak belanden’. Een perfecte appel moet namelijk ‘in een kinderhand passen.’ Een appel in twee of in vier snijden wordt blijkbaar niet gedaan. Volgens bepaalde diëtisten bevatten deze appels omdat ze zo groot zijn ook weer meer suikers dan goed voor ons is. Bijgevolg moeten we de dagelijks aanbevolen drie stukken fruit terugbrengen naar twee, behalve als je een reuze-appel eet, dan is een appel per dag genoeg. Was dit een bericht uit de komkommertijd of werden wij echt tot consumenten gekneed die een appel, omdat hij niet meer in een kinderhand past, niet willen kopen, laat staan opeten omdat hij wat meer suiker bevat? Ondertussen bekeek ik een videofilmpje van Brandpunt over de aanwezigheid van suikers in voedingsmiddelen: zevenvijftig klontjes suiker in een één liter Heinz tomatenketchup, achtentwintig klontjes suiker in een potje satésaus… en ga zo maar verder. De suikerlobby verkocht het leven mierzoet. Ik scrolde onthutst verder en las in een ander artikel dat met fipronil besmette eieren preventief uit de rekken van de supermarkten en winkels werden gehaald. Zoals gewoonlijk kreeg ik het onheilsbericht pas onder ogen wanneer ik al een half dozijn met het luizenbestrijdingsmiddel besmette eieren naar binnen had gewerkt. Voor die ene keer dat ik eens geen bio-eieren kocht. Ik werd een beetje onpasselijk bij de gedachte maar had verder nog geen klachten. Nergens werd echter de vraag gesteld wat er met het besmet eigeel gebeurde dat in fabrieken met kartonnen tegelijk in het deeg van wafels, koekjes en andere met eieren bereidde gerechten werd gemengd. Nergens las ik dat er preventief producten uit de rekken waren gehaald omdat er misschien besmet eigeel in zat. Van ongemak leunde ik op de twee achterste poten van mijn stoel achterover tot ik de grens van het evenwicht overschreden had, plat op mijn hoofd viel en het plafond begon te draaien alsof ik een zware cocktail gedronken had.

Een cocktail waar de stiefvader-en moeders van de bio-industrie ons systematisch en bewust mee vergiftigden, een cocktail gemengd met het gedachtenpulp van decadente geesten waarin de diameter van een Jonagoldappel niet groter dan 65 millimeter mag zijn. Uit welke, door bladluizen bewoonde hoofden, was deze cocktail ontsproten? In welke protserige villa’s en exotische buitenverblijven hielden deze gifmengers zich schuil? Waarom werden ze niet naar een ballingsoord verdreven en waarom dronken ze hun gifbekers niet zelf leeg?

‘Crito, we zijn een haan verschuldigd aan Asklepios; betaal hem, vergeet het niet,’
dacht ik nog terwijl ik voor de tijd van een verloren seizoen het bewustzijn verloor.

 

De dood van Socrates (Jan Cox)

T’aves sasto taj bachtalo

 

Met een interval van twee dagen bezocht de accordeonist de tweedehandswinkel.
Meteen bij het binnenkomen parkeerde hij zijn accordeon die in een oude naaidoos opgeborgen zat en hij met fietsbinders op het geraamte van een caddy vastgebonden had, aan de rechterkant van de deur. Dan begon hij doordrongen van een plechtige stilte waarin je alleen het verschuiven van de kleerhangers op het metalen rek hoorde, een hemd te zoeken dat voor hem geschikt was. Iets passen deed hij nooit, hij kocht altijd alles op het zicht. Hij wist precies of zijn bolle buik waar de accordeon tijdens het spelen op moest rusten erin paste of niet. Zo speelde hij om de twee dagen in de buurt van het treinstation voor het voorbijkomend publiek, in een nieuw hemd zijn brood bijeen. Soms kwamen er kort nadat hij was binnen gekomen andere, jongere musici bij en ontspon zich in het Romani een discussie over welk hemd het beste was. De winkel liep dan vol onbegrijpelijke, prachtige, muzikale klanken en ik hoorde de stem van de onfortuinlijke Roma zangeres Ljiljana Buttler, wiens weemoedig lied ‘Nocas mi srce pati’, ik ooit uit het hoofd had geleerd. Ljiljana Buttler was onder de dreiging van de Balkanoorlog in 1989 naar Duitsland verhuisd waar ze haar zangcarrière moest opgeven en als schoonmaakster in een fabriek eindigde. De laatste jaren van haar leven kende ze opnieuw succes.
De Bosnische muziekproducent Dragi Šestić spoorde haar in 2002 in Düsseldorf op en gaf ‘The mother of Gypsy soul’ voor ze ziek werd en op zesenvijftigjarige leeftijd overleed, aan haar publiek terug.

Eén van de jongere Roma moet de klanken die in de kleine ruimte vol kleren rondzweefden opgevangen hebben want hij kwam ineens met het hemd dat hij gepast had uit de paskamer en vroeg discreet mijn advies. Waren de mouwen niet te kort, zat het hemd niet te strak? Ik adviseerde hem zo correct mogelijk, wat hij erg apprecieerde. De laatste week van de koopjes werden alle hemden tegen 1 euro verkocht. De accordeonist en de zanger bezochten nu elke dag de winkel om een hemd van één euro te kopen. Bij het afrekenen aan de kassa vroeg de zanger of ik nog lang in de winkel zou werken of alleen in de vakantie. Ik antwoordde dat ik alleen in de vakantie werkte. Hij stak zijn duim op en vertrok. ’T’aves sasto taj bachtalo’ , dacht ik en stuurde de woorden als gelukbrengende vogels achter hem aan. Het was mijn laatste dag in de winkel, maar dat zei ik hem niet omdat al wat naar afscheid neigt een onnodige of overbodige bijklank krijgt. De stad was een dorp waar je toch altijd iedereen tegenkwam. Je moest niet eens met iemand afspreken. Zelfs de heengeganen liepen er op sommige dagen opnieuw rond.

Toen ik om vijf uur de deur achter mij sloot, braken net als op de dag dat ik er begon te werken, in alle hevigheid de hemelsluizen open. Het donderde, het bliksemde en regende hagelbollen en ik fietste er zonder haast doorheen. Aan het station draaide het immense reuzenrad in rondjes rond. Het leven als illusionaire droom, een ultieme illusie van de geest waarin de mensheid zich als een hamster, gevangen in een rad, suf trapte. Halverwege de Keyserlei hoorde ik accordeon muziek, door opgewekte stemmen begeleid. Onder het afdak van het UGC- cinéma gebouw stond de accordeonist, omringd door een trio zangers voor de wolkbreuk te schuilen en trok in een onverstoorbare vrolijkheid alle registers van zijn instrument open. Ik liep met mijn handen boven mijn hoofd, de hagelbollen afwerend, op hem toe en legde één euro in zijn hoed. ‘Morgen terugbrengen voor een nieuw hemd’, voegde ik er schertsend aan toe. Zijn lach doorsneed de donder, de bliksem, de hagel en vrij als een vogel steeg het zingen op. Aan de overkant van de aarde weerkaatste de koperen schijf van de zon het immense ronddraaiend rad.

 

 

*Nocas mi srce pati : Tonight, my heart aches.
*T’aves sasto taj bachtalo : Dat je gezondheid en geluk mag hebben.

IMG_0878(Foto: Kris Vanhemelrijck)