Het was vier uur in de nacht toen ik gewekt werd door het gezang van een mezzo sopraan. Het hoeft niet iedere nacht het lawaai van een generator te zijn. Ik hield mijn ogen gesloten tot ik hoorde dat het gezang niet van buiten kwam maar van binnen. Iemand zong vanbinnen in mijn middenrif. Het was een aria die ik niet kende of herkende. Soms klonk het als een oefenen van toonladders, hoge en lage tonen. Het zingen continueerde zonder dat ik er vat op had en zong zich door alles heen. Te wakker om nog te kunnen slapen, ging ik aan de tafel bij het raam zitten en luisterde naar de aria die zich in stanza’s met af en toe een adempauze steeds in hoger tonen verder zong.

Ik sloeg het boek open dat voor mij lag en las de eerste zin: De avondrook steeg op boven de stad. Zevenhonderddrieënzestig bladzijden, meer dan 650 gedichten, gedrukt op 70 grams Delphi dundruk papier. De ivoorkleurige bladzijden van mijn zopas verworven tweedehands exemplaar, Werken van Tsvetajeva geurden naar tabak als waren het vloeitjes van een net gerolde sigaret. Ik liet de bladzijden open waaieren en rook hoe het boek van het begin tot het einde van tabak doordrongen was. De vorige eigenaar moet net als Tsvetajeva een kettingroker geweest zijn zoals er waarschijnlijk geen meer bestaan. Ik probeerde mij iemand voor te stellen die hartstochtelijk van deze gedichten hield en zoveel tijd aan ieder gedicht had gewijd, dat er tussen elk blad van het 763 pagina’s tellende boek, een vleugje tabak was blijven kleven. Een andere benadering van de poëzie van Tsvetajeva, dan een totale overgave, was ook niet mogelijk. Je kon niet anders dan er in opgaan, tot er geen verloop van tijd meer was. Een zucht ontsnapte mij en ik begon te lezen in het besef dat wanneer de gedichten op een ander, nog onbekend tafelblad zullen liggen, zowel de geur van tabak, als beide eigenaars, uit het boek zullen verdwenen zijn.

In het huis waar Marina Tsvetajeva de laatste dagen van haar leven doorbracht, had mevrouw Brodelsjtsjikova haar getoond hoe zij van krantenpapier een sigaret kon rollen. Samen hadden ze de sigaret opgerookt. De hospita kon van de grijs geworden dichteres die met haar zestienjarige zoon Mur bij haar was ingetrokken geen hoogte krijgen en de armoedige dichteres stond haar eerst niet aan. Haar kleren waren afgedragen maar in de bloemensjaal rond haar hals hing nog de sfeer van Parijs. Het had mevrouw Brodelsjtsjikova verbaasd dat Tsvetajeva niets kon. Tussen haar bagage zaten enkele zakken bloem, zout en suiker maar ze was niet in staat geweest om te koken, of om eender wat te doen. Eén keer per dag ging ze met Mur in een gaarkeuken wat te eten halen.

Enkele dagen na hun aankomst in Yelabuga vertrok Tsvetajeva  met de rivierboot naar Tsjistopol waar ze een verblijfsvergunning wilde aanvragen en hoopte, met een baan als afwasser in de schrijverskantine, in hun onderhoud te kunnen voorzien. In Yelabuga kon ze niet blijven, er woonden geen mensen volgens haar en er was alleen een wodkafabriek. Al van bij haar aankomst was ze door een lokale agent van de NKVD, de voorloper van de KGB, benaderd en verzocht informant te worden. Haar vertrek naar Tsjistopol was een zoveelste vlucht.

De schrijfster Lydia Chukovskaya getuigt in The double beat of Heaven and Hell dat Tsvetajeva bij haar aankomst in Tsjistopol een verloren indruk maakte. Ze was angstig en gedesoriënteerd. Ze sprak zonder intonatie, haar ogen hadden hun glans verloren, haar huid was vaal en opgezwollen. Ze had overal hulp bij nodig en was ervan overtuigd dat de raad van de Schrijversbond haar geen verblijfsvergunning zou geven. Als aan een laatste strohalm klampte ze zich aan Chukovskaya vast. Toen de verblijfsvergunning haar mede door de aanwezigheid van Chukovskaya werd toegekend en ze alleen nog maar een kamer voor haar en Mur moest vinden, zag ze plots van alles af. Ze vroeg Chukovskaya of het nog wel zin had verder te leven. Haar gedichten werden niet meer gepubliceerd. Ze schreef niet meer. De pogingen van Pasternak om in Moskou een bundel van haar te publiceren waren op niets uitgedraaid. Ze werd politiek als onbetrouwbaar aanzien. Haar man Sergej Efron was als Sovjetagent ontmaskerd en kort na zijn aankomst in Moskou samen met hun dochter Alya gearresteerd en opgesloten. Sindsdien had ze niets meer van hen vernomen. Er was niemand meer, zelfs haar zoon niet, die haar nog nodig had.

Terwijl ze door de straten wandelden, op zoek naar een kamer, vertelde  Chukovskaya dat ze blij was dat Anna Achmatova niet in Tsjistopol ingekwartierd was. Ze zou het niet overleefd hebben want ze was tot niets praktisch in staat. Tsvetajeva, met alleen nog een baan als afwasser in de schrijverskantine voor ogen, ontstak in woede. Zij moest kunnen wat Achmatova nooit gekund of gedaan zou hebben: de vuile borden van collega’s afwassen in de schrijverskantine. Ironischer kon een lot niet meer worden. Alsof ze tegenover Achmatova, de mindere dichter was, in staat tot praktische dingen. Alsof er tussen de twee dichters een verschil in grootsheid en dus een andere maatschappelijke verwachting kon bestaan. Reeds in 1922 schreef ze aan de Berlijnse uitgever Visjnjak: ‘Zodra ik probeer te leven, voel ik me een armzalig naaistertje dat nooit iets moois zal maken, dat alleen de boel kan verknoeien en zichzelf verwonden, dat alles – schaar, lappen, garen – erbij neergooit en gaat zingen. Voor een raam waar het voor eeuwig regent.’

De laatste draad die haar nog met het leven verbond, knapte onverwacht.

Chukovskaya had haar niet met opzet willen kwetsen, maar het kwaad was geschied. De opmerking moet een diepe wonde geslagen hebben. Tsvetajeva wilde plots in geen enkele straat van Tsjistopol meer wonen. Ze vond alles angstwekkend en lelijk. Chukovskaya bracht haar naar het huis van vrienden waar ze met open armen ontvangen werd. Ze kon in hun huis overnachten, de volgende dag zouden ze haar verder helpen met het zoeken van een woning en werk. Even flakkerde zij terug op, droeg nog enkele gedichten voor, vertelde over de arrestatie van haar man Sergej Efron en hun dochter Alya en eindigde de avond met het gedicht Homesick. Halverwege stopte ze met lezen, zei dat ze weg moest, en vertrok. Ze beloofde dezelfde avond nog terug te komen maar kwam niet meer terug. Ze overnachtte in een slaapzaal van een Sovjetpension en keerde, van alle dromen en illusies ontdaan, op 27 of 28 augustus 1941 naar Yelabuga terug.

Voor het raam waar het eeuwig zou regenen rookte, ze een laatste sigaret.

Op zondag 31 augustus 1941 terwijl de bewoners van de Tataarse stad Yelabuga ontwaakten verhing Marina Ivanovna Tsvetajeva zich aan een henneptouw. Het jaar ervoor had ze al geschreven dat ze niet wilde doodgaan maar er eenvoudig niet meer wilde zijn. Het touw was waarschijnlijk het touw dat Boris Pasternak haar geleend had om bij haar vertrek uit Moskou haar bagage mee samen te binden.

Tussen de verschillende briefjes die ze naliet, was er één voor haar zoon Mur:

‘Murlyga! Forgive me, but to go on would be worse. I am gravely ill, this is not me
anymore. I love you passionately. Do understand that I could not live anymore.
Tell Papa and Alya, if you ever see them, that I loved them to the last moment and
explain to them that I found myself in a trap.’

Bij het afleggen van haar lichaam vond de kistenmaker in een binnenzak van haar kleed nog een klein boekje waar één woord in geschreven stond: de naam van het goelagkamp waar haar dochter Alya vermoedelijk opgesloten zat. De man hield het boekje tot het einde van zijn leven bij zich en gaf het daarna aan de familie van Tsvetajeva terug.

Buiten schoof een wolk voor de kastanjekleurige maan, een eekhoorn sprong tussen de opgekrulde bladeren, van tak naar tak. Ik legde mijn hoofd op het boek en hoorde als van iemand die achter de schutting van een verlaten tuin, zacht te snikken staat, het laatste geluid. Haar stem verhief zich in de ruimte tot een lichte, allesomvattende noot. Een ziel barstend uit de bolster van de tijd. De koperen samovar borrelde dag en nacht.

foto35-1

 

 

Geraadpleegde bronnen

Marina Tsvetaeva: The Double Beat of Heaven and Hell (Lily Feiler)
1994 Duke University Press

Tsvetajeva: Victoria Schweitzer 1994. Nederlandse vertaling Yolanda Bloemen 1996.
Uitgeverij De Bezige Bij 1996

Wegen naar Insomnia. Elegieën voor Marina Tsvetajeva: Johan de Boose 1996
Uitgeverij Poëziecentrum VZW

Tsvetajeva: Werken. Vertaling Margriet Berg, Marko Fondse, Anne Stoffel en Marja Wiebes. Uitgeverij G.A.Van Oorschot 1999

Foto Marina Tsvetaeva. Moskou, juni 1941. (Nasledie Mariny Tsvetavy: website, archief)

 

 

 

2 gedachtes over “Insomnia (over Marina Tsvetajeva)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s