Het duel

 

Op zondag 25 december 2016, meende ik in het boek ‘Herinneringen en portretten’ van Marina Tsvetajeva, bij aanvang van het verhaal ‘Mijn Poesjkin’, een drukfout ontdekt te hebben. Het boek werd als 73ste telg uit de serie Privé Domein door uitgeverij De Arbeiderspers uitgebracht en het verbaasde me dat er op pagina 107 in de eerste alinea, aan het einde van de zesde zin, een aanhalingsteken verkeerd stond. Er stond namelijk : -‘Het duel’. Maar moest dit niet – ‘Het duel.’ zijn? Kwam het aanhalingsteken niet na de punt? Ik wandelde naar CronopiO, het boekenparadijs en legde mijn vraag voor aan Ine Schepmans, romanist en schatbewaarder van al wat literair kostbaar was. Haar antwoord gaf meteen duidelijkheid, van een drukfout was geen sprake en ik kon met een gerust gemoed verder lezen. Maar vanwaar die drukte in mijn hoofd, om een punt en een aanhalingsteken. Waarschijnlijk zou de punt na het aanhalingsteken mij niet eens opgevallen zijn, mocht het onderwerp niet zo zwaar beladen geweest zijn en mijn zintuigen van bij de eerste zin op scherp waren gesteld, alsof ik door een vizier naar ‘Het duel’ keek.

‘Duel of Alexander Pushkin and Georges d’Anthès’, een schilderij van Aleksej Naumov, verbeeldt de moord op de dichter Aleksandr Sergejevitsj Poesjkin. In een besneeuwd landschap ergens buiten Sint-Petersburg, daagt de dichter, de officier d’Anthès uit tot een duel, slechts tien passen van elkaar verwijderd treft d’Anthès, Poesjkin in de buik. Twee afgezanten brengen het gewonde lichaam in een slede naar het huis aan de Mojka nr. 12, waar hij op 29 januari 1837, zesendertig jaar oud, aan zijn verwondingen bezwijkt.

Aan de hand van het schilderij dat bij haar moeder in de slaapkamer hangt, beschrijft Marina Tsvetajeva het noodlot van de dichter en bezegelt daarmee het lot van alle dichters. Het pistoolschot in de buik van de dichter wordt voor de toen vierjarige Tsvetajeva een ijkpunt. Vanaf dat ogenblik is ’het grauw’ waar zij een deel van de mensheid in opsplitst‚ schuldig aan de dood van alle dichters.
‘Wij zijn allen door dat schot in de buik gewond geraakt.’

Want altijd kijkt er wel iemand als door een vizier, naar de dingen.
En raken wij gewond en staan op en lopen verder, bezweette haren, bevroren in de nek, het hoofd fier opgeheven, alsof in alle landschappen van de wereld, dat ene besneeuwde landschap van de dichter Poesjkin sinds eeuwen besloten lag en zijn hete tranen – witte vlokken in ons gezicht – , laten overal sporen na.

Marina Tsvetajeva in deze nacht, tekent jouw portret zich af, koningsblauwe contouren op de turkooizen achtergrond van een boekomslag. Een roos bloedend in de sneeuw. De navel van Sint-Petersburg.

943988ef95d9_468

Duel of Alexander Pushkin and Georges d’Anthès. (Aleksej Naumov 1885)

De nachtegaal en de geredde

 


Je gaf de indruk gered te zijn, maar je was niet gered. Je speelde de geredde. Een rol die je je uit het voorbije leven moeiteloos herinnerde. Zoals alle rollen die je niet altijd op het lijf geschreven stonden, maar toch tot de laatste noten uitgezongen had. Het leek geloofwaardig want je zag een zekere opluchting in hun ogen. Ogen die je lange tijd bezorgd en met een lichte paniek hadden gade geslagen. Verbaasd toekeken hoe je iedere keer, als na een Shakespeariaanse storm, ongeschonden weer tevoorschijn trad.
Ze hadden zich afgevraagd hoe je dat voor elkaar kreeg. Nu was er dus weer zo’n storm voorbij. En daar zat je dan. Ondergesneeuwd op de bergkam van het bestaan. Tsjilpend en kwetterend. In een nieuw veren pak. Wachtend tot iemand het goudbrokaten gordijn verschuift en de nachtegaal, gekooid tussen de rekwisieten, Siberisch verder zingt in jou.

thumbnail_20161227_085041_resized-2

 

Ik lig op mijn rug in de sneeuw en kijk naar de wolkenloze hemel.
De hemel is blauw, zoals de ogen van mijn Siberische husky Sveta.
Sveta draagt haar naam om mijn vader te eren, ik draag de naam van
mijn vader, om mijn dode broer te eren. Zo liggen wij tezamen,
ons lichaam tegen de aarde gedrukt, mijn vader, mijn broer, ik en mijn hond.
Ons gezicht, een schotwond in de sneeuw.

sveta

Het onzegbare

 

Ik weet nog precies hoe het gegaan is. Op een dag werd er aangebeld en stond er iemand met een pakketje voor de deur. Een bundeltje van niets. Daar zat alles in gewikkeld. Ik liet hem binnen, hij ging zitten en schonk zich uit een fles die hij zelf had meegebracht, een vodka in. Om van de lange reis hierheen te bekomen. Hij dronk en zweeg en keek rond. Beduidde dat ik het bundeltje mocht opendoen en schonk mij zonder dat ik er om vroeg, ook een vodka in. Al na de eerste slok brandde mijn keel en kon ik een tijd lang niets meer uitbrengen. Zo zaten we enkele uren bij elkaar, als aan een schaakbord, de bundel ongeopend op de houten tafel. De man wachtte en dronk ondertussen zijn fles leeg en ook van mijn notenbolster port, bediende hij zich. En al die tijd vroeg ik niet wat ik wilde vragen en deed mijn best niet te zeggen wat ik wilde zeggen, en zei enkel maar wat aan het Onzegbare, ondergeschikt was. Want wat ik niet zei, kon ik nog vasthouden. Een bundeltje van niets. Gewikkeld in een bruin postpapier.

het-onzegbare

 

 

Onder een oorverdovend klokkengelui dat uit de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal weerklonk, fietste ik afgelopen zaterdag de binnenstad in. Zo ongeveer moet het in de middeleeuwen geklonken hebben wanneer de Spaanse Furie de stad in brand stak. Ik was onmiddellijk gealarmeerd, maar toch net iets te laat voor het gevaarte dat vanuit de straat, voorbij confiserie Elisa, ineens tergend traag mijn richting uit kwam. Een lange zwarte wagen met aan weerszijden, zes dragers. Op mijn mobiel ging de alarmklok af en van pure schrik kreeg ik bijna de stuipen. Met mijn fobie voor begrafenissen op de hielen, sloeg ik aan de Korenmarkt onmiddellijk rechtsaf, denderde over de kasseien langs de trappensteeg van de Tempelstraat terug naar beneden en reed recht op de mensen in, die traditioneel in het zwart gekleed, stil en plechtig de kathedraal verlieten. Ook ik droeg een zwarte mantel, en zou daarom niet opgevallen zijn, mocht ik met mijn koersfiets op hen ingereden zijn. Onder het geluid van de negenduizend honderd kilogram wegende do-klok en de gewone, vijfduizend kilogram wegende Mariaklok gebukt, stapte ik af en liep te voet verder door de stad. Gans mijn wezen galmde en ik begon van schrik steeds sneller te lopen. Langs de Blauwmoezelstraat kwam ik in de Minderbroedersrui terecht. In het Letterenhuis was sinds enkele weken de tentoonstelling Escaut! Escaut! geopend. Een eerbetoon aan vijf Franstalige Belgische schrijvers. Ik vluchtte het museum binnen en haastte me naar het eerste verdiep, waar de sfeer al net zo duister en ontluisterend was als de droevige vertoning waar ik vandaan kwam. Uit een van de kamers achteraan klonk een stem en pianomuziek. Iets haalde wat adem in mij en ik liep snel rechtdoor, naar de plek waar de menselijke stem vandaan kwam. Als een mokerslag trof mij daar het graf van Emile Verhaeren, als een boot aan de oever van de Schelde in Sint -Amands aangemeerd. Geprojecteerd op een groot scherm en in een donkere ruimte met witte vierkante kussentjes, om er knus bij te gaan zitten. Ik was van de ene kist naar de andere gelopen. In een eigenaardige samenloop van omstandigheden. Perplex en om van de vreemdheid der dingen te bekomen ging ik toch even zitten en alsof de goden het afgesproken hadden klonk als door een megafoon, ‘Le sonneur‚ De klokkenluider’ van Emile Verhaeren. Het gedicht beschreef het tragisch lot van een man die in een brandende kerktoren de klokken luidde tot de toren instortte, en de klok zijn graf werd. Hoe kon een levende ziel hier nog van bekomen. Overdonderd besloot ik de dingen te laten zoals ze waren en liep zonder nog iets van de tentoonstelling te bekijken, kwaad en aangeslagen terug naar buiten. Ik sprong op mijn fiets, reed voorbij het lege plein voor de kathedraal en liep aan de pizzeria van Da Giovanni de trappensteeg weer op. De ober groette me in het voorbij gaan. ‘Buongiorno’! ‘Buongiorno’, schreeuwde ik terug. Zijn warme groet schoof als een Napolitaanse pizza voor het duister van de dag. Ik moest wel van deze stad houden, in het volle besef dat het de plaats is waar ik zoals alle andere bewoners, ook iedere herfst, als pizzadeeg in de zon, afbladeren moet.

il-pizzaiuolo-franceso-de-bouchard

 Il pizzaiuolo (Francesco De Bourcard 1847-1866)

 

Het jongetje moet een jaar of zeven geweest zijn. Hij kwam het prieeltje binnen gelopen en het eerste wat ik zag waren de pientere, blauwgrijze ogen waarmee hij de omgeving in zich opnam.
Niet de ogen van een kind van die leeftijd, dacht ik.
Hij zette zich op de bank tegenover mij en toen hij zich over zijn fototoestel boog, zag ik dat hij aan een ernstige vorm van kyfose leed. Voorzichtig verschoof ik mijn blik naar de grootvader die met een fototas in zijn handen, naast het kind kwam staan en zag de vertwijfeling in zijn ogen.
De bezorgdheid en de onmacht die hij als grootouder altijd en overal mee zou dragen.
Het kleinkind zal geen kind als alle andere zijn, nooit als de andere volwassenen.
Hoe moeilijk het voor hem later wordt, of al geweest is. Hoe het kind zich een plaats zal moeten veroveren in een wereld die ons langs alle kanalen, het verwrongen beeld van perfecte mensen met perfecte lichamen opdringt. De jongen hield een rooskleurig fototoestel in zijn handen geklemd en was zich in zijn kinderlijk enthousiasme niet bewust van de bezorgde blikken.Verrukt riep hij uit hoe gezellig het was in het prieeltje.

Die enkele minuten, waarin wij elkaar als onbekenden troffen, legden zich in één klik in mijn geheugen vast, als de foto die het kind niet nam, omdat hij gelukkig was.

20161203_131738_resized-2

 

Je ligt in een strak opgemaakt bed tussen witte gesteven lakens. 
Naast jou, de afstandsbediening die het bed met één druk op 
de knop wat lager zou kunnen zetten, zodat je er uit kan stappen.
Mocht je hand die knop kunnen bereiken, mocht je geest die knop kunnen bereiken. 
Er staat ook een tafel en een stoel. Verder niets. 
Ik vraag of je thee wil. Je glimlacht slechts.
Waarschijnlijk om het groene masker dat ik voor mijn mond draag, 
en het groene papieren pak waaronder ook ik, bij ieder bezoek, steeds witter weg trek.
Je ligt al weken in quarantaine. Er komt zo goed als geen bezoek.
Ik zet de thee op de tafel naast je bed, en begin te neuriën, 
steeds dezelfde klassieke melodie. Muziek is het enige wat je nog herkent.
In de kast hangen enkele jurken, een paar broeken van vervlogen snit en een regenjas 
die, hoeveel en hoelang het nog regent, je nooit meer zal dragen. 
Schoenen opgeblonken voor de eeuwigheid. 
Alleen je bloemetjesnachtkleed hangt iedere dag aan de kapstok klaar. 
Ik neem een avondjurk met een motief dat op een schilderspalet lijkt en
leg de jurk op de stoel, om als je opstaat aan te trekken.
Niemand weet wanneer je weer op zal staan. 
Er wordt niet veel moeite meer voor je gedaan.
Alleen de tien vergeelde zwart-wit foto’s naast elkaar aan de muur,
tonen wie je werkelijk was.
Een panoramische kijk op je leven als sopraan bij het Russisch Staatsorkest van Moskou.
Harpen, violen, altviolen, cello’s, hobo’s, klarinetten, dwarsfluiten,
een piano, een dirigent.
En helemaal vooraan. Jij. Mrs. Braude.
In een lang gewaad. Statig en groots. 
Alleen nog in klanken en schoonheid gehuld.  
Moskou 1952.

collection_musique-4

( E. Schiaparelli 1939)

 

De zielhond

Het was al iets na de middag toen ik met de ziel, die als een hond zonder leiband achter mij aanliep, van uit het park naar de gaarkeuken van de Plataan in de Blindestraat vertrok. Hij had behoefte aan koffie en wat warmte en liep zo snel als zijn verkleumde ledematen het toe lieten. Af en toe keek ik om, om te zien of de ziel mij nog volgde. Onderweg begon het te regenen en ik zag dat de ziel doorweekt raakte. Binnen afzienbare tijd zou hij dezelfde geur als een natte hond verspreiden en ik versnelde mijn pas. Op een bank voor de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, die naast de Plataan gelegen was, trof ik Fred Bervoets in het gezelschap van Adriaan, zijn kleine witte hond.

Als altijd hing zijn groene regenjas over de te smalle schouders en tussen zijn duim en wijsvinger, schroeide een groene Michel. Ik begroette hem en liep door de poort van de academie de binnentuin in. In de tuin stond een beeld waarvan ik dacht dat het nog ademde en in zijn materie leefde. Zoals Michelangelo’s Pietà leefde, toen zij nog niet achter een glazen plaat stond, en je in de gepolijste koelte een heldere stroom gewaar kon worden, die door de marmeren aderen van de moeder en de zoon vloeide en hen vervulde met het elixir van eeuwig leven. Langs het gelaat van de Pietà druppelde toen een traan die geen traan was maar een druppel goud.

Het beeld in de tuin was van Gaspard Joarlette. Uit arduin gekapt, en het weende nog niet.

Op de binnenplaats van de Plataan bond ik de ziel aan een ijzeren stang, naast de witte hond van Fred en stapte de refter binnen. Ik hoorde de ziel zacht janken maar ik schonk hem geen aandacht, in de hoop dat hij vanzelf zou ophouden.De chef-kok verwelkomde ons met een grote kop koffie en vroeg hoe het ons ging. Ik voelde meteen dat ze het gewoon waren om daklozen en honden met vreemde baasjes op een dergelijk menselijke manier te ontvangen, iets wat de dakloze man die tegelijk met mij en Fred binnenkwam, scheen te verbazen. Het was iets wat hij niet meer herkende en kroop van verlegenheid en schaamte in zijn denkbeeldige marmeren schelp, waar hij zich schuil hield voor genegenheid als was het een regenbui. De schelp werd plots zo broos en doorzichtig als wat.

Buiten begonnen de ziel en de witte hond, tegelijkertijd te blaffen. Alsof ze onraad roken en iets onwaarneembaar hun baasjes bedreigde. Ik liep naar buiten hurkte neer tussen de ziel en de witte hond en aaide hen beiden tegelijkertijd over de rug.Het blaffen van de ziel ging nu over in een onbedaarlijk gejank en ik maakte hem los van de stang. Zo stil als wat trippelde hij mee de refter in. Achter mij zag ik de afdrukken van zijn pootjes op de tegels verschijnen. Niemand die er iets over zei. Ik vroeg nog een koffie en drie klontjes suiker. Eén klontje gaf ik aan de ziel. Voorzichtig likte hij er aan, en terwijl ik in mijn koffie roerde, zag ik dat hij smolt. 

20161119_105218_resized-versie-3

kwal-19574059

Angst is een strand vol rode kwallen,
wanneer de zee der illusies
zich traag teruggetrokken heeft,
blijft zij, glazig loerend 
op het zand achter.