Wees liever de troostende engel van mijn familie

Wanda Toscanini en haar vader Arturo Toscanini net gearriveerd in New-York op 23 februari 1933. (Foto: Gettyimages, Bettmann)

 

Als dochter van de wereldberoemde dirigent Arturo Toscanini was er merkwaardig genoeg geen muziekcarrière voor haar weggelegd maar een voetnoot in de geschiedenis van de muziek werd ze allerminst. Wanda Toscanini. Haar naam alleen al klinkt als muziek. Muziek die ze echter nooit zelf heeft kunnen maken. In haar jeugd speelde ze piano, maar haar vader, de grote Toscanini, kon geen enkele valse of verkeerd aangeslagen noot verdragen. Een valse noot was ‘als een dolk in zijn maag’. Als dirigent was hij gevreesd om zijn woedeuitbarstingen en stelde zowel aan zichzelf als aan zijn musicerende naasten de grootst mogelijke eisen. Van solisten en zangers vroeg hij het uiterste. Een absolute toewijding en passie voor de muziek waren zijn stokpaardjes en niet alleen wanneer hij als dirigent in alle grote operahuizen van de wereld, op de bok stond.
Zijn muzikale standaard, die het hoogst mogelijke belichaamde, gold voor alles en iedereen, en misschien nog het meest voor zijn eigen kinderen.Voor minder getalenteerde mensen was er in zijn omgeving geen plaats. Muzikanten die er niet in slaagden de juiste toon uit hun instrument te halen bedolf hij onder een salvo van schunnige beledigingen die hij uit de volksbuurt van Parma waar hij als kind opgroeide had geleerd. Uit angst of ontzag boden de onfortuinlijke musici, bedolven onder zijn door muzikale passie ontstoken vuurspuwende blikken en scheldpartijen, geen enkele tegenstand, maar bogen het hoofd en ondergingen deemoedig hun lot. Arturo Toscanini was ook een voorstander van de welbeproefde onderwijsmethode: ‘wie niet horen wil moet voelen’ en sloeg volgens ooggetuigen af en toe zijn dirigeerstok op het hoofd van een onwillige stuk.

Ook het omgekeerde gebeurde, dat de dirigeerstok niet op iemands hoofd brak, maar in tegendeel een onderdeel van het hoofd werd, als een soort verlengstuk van het geheugen dat een eigen leven begon te leiden. De getuigenis van de bariton Robert Merrill in ‘Toscanini, The Maestro’, een documentaire van Peter Rosen, is hiervan een beklijvend voorbeeld. Robert Merrill vertelt dat hij tijdens een repetitie van La Traviata waarin hij de rol van Giorgio Germont zingt, tijdens het duet met Violet in het tweede bedrijf, een terugkerend probleem ondervond met een tegenmaat in de zin ‘Siate di mia famiglia l’angiol consolator’. Toen Toscanini dit hoorde legde hij het orkest stil en riep Merril bij zich. En terwijl hij de bariton de frase opnieuw liet zingen, gaf hij met zijn dirigeerstok zachtjes op Merrill’s hoofd tikkend, de downbeats aan. Tot op heden voelt en hoort Robert Merrill als hij het duet moet zingen, en hij zong het ondertussen een honderdvijftig keer, Toscanini’s dirigeerstok, zacht het ritme tikken op zijn hoofd. ‘Siate di mia famiglia l’angiol consolator.’ (Wees liever de troostende engel van mijn familie.)

Wanda herinnerde zich van haar jeugd vooral het geschreeuw en getier van haar vader wanneer zij aan de piano zat te oefenen en de noten correct probeerde te spelen of te zingen. Ze bezat volgens eigen zeggen een mooie stem waar ze graag operettes mee had willen zingen en nam in het geheim zanglessen. Eén keer trad ze op onder een pseudoniem en bracht met succes de aria ‘Ah fors’ è lui’ uit La Traviata van Verdi. Jammer genoeg bestaat er geen opname van.Toen haar vader het vernam wilde hij niet dat een telg van Toscanini een tweederangszangeres zou worden en verbood haar het zingen. Zij gehoorzaamde hem omdat ze niet in haar talent geloofde en daarmee kwam aan de droom van Wanda om een operazangeres te worden abrupt een einde. Misschien kreeg zij sindsdien in haar gelaatsuitdrukking die kenmerkende gestrengheid die door de tijd heen iets onverbiddelijk weerspiegelde. Een verbeten en verborgen bittere noot die niemand ooit zou horen en door niets of niemand meer te kraken was. ‘Ah, fors’e lui’! ‘Addio il passato’, klonk het antwoord in mineur. Ze trouwde met Vladimir Horowitz, die de grootste pianist van zijn tijd werd genoemd, en werd zijn impresario, beschermer en toeverlaat. Ook toen Horowitz gedurende zijn leven, vier periodes, de laatste duurde twaalf jaar, niet meer kon of wilde spelen en hij in de lethargie van een depressie verzonk, bleef Wanda bij hem. In een documentaire over Vladimir Horowitz zag ik, tijdens een televisieopname in hun woonkamer, terwijl hij weer vrolijk en als herboren aan het spelen was, hoe zij zich schertsend achter de deur van hun woonkamer verborg. ‘Opdat ze niet volledig door hem betoverd zou zijn.’ Maar Wanda was toen al heel lang betoverd. Ondanks de turbulenties en het feit dat Horowitz van mannen hield bleven ze tot het einde van zijn leven samen.

Velen vreesden haar om haar temperament en soms bars, onbehouwen optreden. Maar er school ondanks een verbeten pijn, ook humor en speelsheid in haar voorkomen. Haar gezicht had de scherpe contouren van een Romeinse camee en in de uitdrukking van haar ogen was steeds een levendig steekspel gaande, zelfs wanneer ze niet aan het woord was. Iedere tegenstander, een ware of een vermeende, zou verbaal, bij voorbaat het onderspit delven. Er ging een grote scherpte in haar schuil die zich niet alleen in haar getraind en feilloos oor bevond, maar tekenend was voor haar. Ze werd door journalisten al even gevreesd voor haar bits optreden als haar vader wanneer hij met ijzeren hand een orkest dirigeerde. Had ze anders kunnen zijn? Ik geloof het niet. De tragiek van haar leven kwam nooit aan de oppervlakte maar ging als een peillood de diepte in. Over het overlijden van hun enige dochter Sonia in 1974 sprak ze nooit en kwam het wrede afscheid ook niet te boven. De muziek was haar redding. Het verdriet en de vreugde ondanks het spijt, vormde haar tot wie ze was. Het hoofd lichtjes afgewend, voor altijd gebogen onder het gebod van haar vaders dirigeerstok: ‘Siate di mia famiglia l’angiol consolator. ’ Even aanwezig als afwezig, onuitwisbaar als de pas geslepen punt van een zwart potlood drukkend op een onbeschreven blad. Wanda Toscanini overleed op 24 augustus 1998 op negentigjarige leeftijd. Moge zij rust gevonden hebben, als na de laatste noot van Verdi’s partituur.
‘Addio del passato! Ah, fors’e lui!’

De dame met de kersenrode laarzen

Foto: Henry Cartier-Bresson

 

Het had Charlotte Mutsaers kunnen zijn, de dame met de kersenrode laarzen, die zo gezwind de straat overstak. Ze leek een beetje op de schrijfster maar ze hield geen Fox Terrier aan de lijn. Toch bewoog zij zich voort alsof er een aangelijnde viervoeter voor haar uit liep. Alleen zag niemand wat het precies was dat haar voorttrok aan die lijn. Ze moet een jaar of zeventig geweest zijn en stak zo opvallend energiek het zebrapad over dat ze van haar leeftijd geen weet scheen te hebben. Kaarsrecht haastte ze zich met grote passen door het vizier van de stad. Gehuld in een zwarte jas, kersenrode laarzen tot aan de knie en twee touwtjes, de teugels van een papieren tas, tussen wijsvinger en duim geklemd. De wind golfde door haar in lagen opgeknipt kort ravenzwart haar. ‘Mevrouw,’ wilde ik haar vragen, ‘vanwaar die kersenrode laarzen, het elan van vrijheid dat u bij elke pas verspreidt, uw Louis Bourgeois jas? Vanwaar deze elegantie, zoals ik lang niet meer in het straatbeeld zag?’ Maar als een voorbode van de polar vortex stak de eerste gure windvlaag op, die haar in de rug nog sneller voorwaarts duwde, en mij aan de overkant van het zebrapad, voor ik haar kon inhalen, al in een andere richting blies. En voor ik haar daadwerkelijk kon vragen: ‘Mevrouw, waar gaan die laarzen met u heen? Wie heeft uw haar zo dreigend mooi geknipt?’ was ze met het aangelijnde dier alweer uit mijn gezichtsveld verdwenen.

De tijd van een kattenbelletje

 

girl with horse

 

Beste Charlotte, na veel tumult over paarden, ezels, losers en winnaars:

Toch nog maar even een kattenbelletje omdat het sinds Harnas van Hansaplast geleden is dat ik er nog eentje schreef. Ik stuur het je maar niet op omdat het uiteindelijk langer werd dan verwacht! Enkele dagen terug werd me onverwacht een bijzonder voorstel gedaan. Op het wereldwijde web las ik een advertentie waarin iemand een gepassioneerd verzorger voor vier ezeltjes zocht. Nu was ik wel op zoek naar een leuk bijbaantje maar omdat ik meer een paardenmens ben, en bij gebrek aan plaats nog steeds geen paard had, opperde ik dat ezeltjes mennen misschien een even fijne bezigheid was. En stelde me de vraag wat er op termijn het beste was: het gehinnik volgen van een paard dat ergens op een onbekende vlakte galoppeerde, of het nabije gebalk van vier ezeltjes in een wei? Het antwoord van de kandidaat-sollicitant werd pas maandagochtend verwacht. Het was vrijdagavond en ik had nog twee dagen voor de boeg om uit te puzzelen wat het zou worden.

De volgende ochtend reed ik met de fiets naar een plek, niet ver buiten de stad, om met de vier ezeltjes in hun habitat kennis te maken. Het was uitzonderlijk helder weer en vanuit de hemel landden er luid snaterend twee wilde ganzen in de ezelweide neer. Een beeld als uit een sprookje, waarin alleen Nils Holgersson ontbrak. De ezels stonden tegen elkaar aan en keken onverstoord de wereld in. Ik maakte wat klikgeluiden zoals dat gewoonlijk bij paarden gedaan wordt om ze te roepen, maar de dieren bleven onbeweeglijk voor hun stal staan. Misschien was de weide te drassig om er doorheen te lopen maar toen er na een kwartier nog geen beweging in de ezels kwam vroeg ik me af wat ik daar deed en kwam het me voor alsof er geen vier maar vijf onbeweeglijke dieren stonden. Aan de overkant van de landweg kwamen twee mannen uit een witgeschilderde, honderd jaar oude hoeve naar buiten. Een van de ezels liep onmiddellijk op hen af, maar de beide mannen stapten in hun auto en reden weg. Ik probeerde de ezel die nu een armlengte van mij verwijderd was dichterbij te lokken met dezelfde klikgeluiden als voorheen en kon net even zijn snuit aaien vooraleer hij zich omkeerde en sloom naar de stal terug wandelde.

Hadden deze ezels mij wel nodig? Was ik degene die hun stal met passie zou uitmesten, het hooi zou aanvoeren, de drinkbakken met vers water vullen (een ezel drinkt tot 20 liter per dag en dit maal vier) hun vachten kammen, keitjes en anderen onnuttige dingen uit hun hoeven krabben, de oren masseren, ze voorzichtig de halster omdoen, om hen met rieten manden bepakt langs afgronden te leiden waaruit alleen nog de echo’s van gebalk weerklonken? Beste Charlotte, ik wist het niet.

Zonder de ezels te groeten nam ik mijn fiets en vloog als een pijl uit een boog naar de vogeltjesmarkt en kocht een pak kaaskroketten bij Polle de geitenhoeder. Ineens twaalf stuks.  ‘Niet tegen elkaar leggen als je ze gaat invriezen, anders breken ze bij het ontdooien’, zei hij, om hun teerheid bezorgd.  ‘Het is om direct te nuttigen, Polle’.  ‘Ah!’ antwoordde hij en sloeg begripsvol zijn ogen ten hemel. Ik legde de kroketten voorzichtig op de bodem van mijn tas en ging er alsof ik ontzettend gehaast was, onmiddellijk vandoor. Zenuwachtig tussen de marktstalletjes laverend vroeg ik me opnieuw af wat ik met het voorstel aan moest en het gevoel een menner te zijn die het dier dat als maar voor hem uit draafde, maar niet te pakken kreeg, liet me niet los.

Ik raakte buiten adem, mijn arm was moe van de lasso draaiend in de lucht te houden en het duizelde in mijn hoofd. De buitenlucht, de ezels en de neerstrijkende wilde ganzen waren me naar het hoofd gestegen. Intussen ging er in de secretaire van mijn prefrontale cortex een lade open en hup daar schoof de naald van mijn moeders pick-up over een willekeurige plaat en denderde John Denver op een bokkende, rosse merrie voorbij. ‘Country roads, take me home, to the place I belong, West Virginia Mountain mamma, take me home Country roads.’
Denver zat stevig in het zadel en toen de plaat een paar toeren in mijn hoofd had rondgedraaid en hij in het opvliegende stof zijn dier de sporen gaf, viel er iets uit mijn rechteroog dat op een grove, schurende zandkorrel leek.  ‘All my memories, gather round her modest lady, stranger to blue water. Dark and dusty, painted on the sky, misty taste of moonshine, teardrop in my eye.’ Ik stond voor een berg witte bloemkolen, netjes uitgestald en besefte dat hoeveel rondjes Denver ook zou draaien, met een carouselpaard raakte ik nooit over deze berg heen. Maar welk dier moest het dan worden, een ezel of een paard? Een muildier was er niet. De lasso sleepte achter mij door het stof over de grond. Beste Charlotte, ik wist het niet.

Het leek me tijd voor een cappuccino bij een van de laatste Che Guevara getrouwen. Een van oorsprong Italiaanse man die enkel koffie brandde van bonen die op een eerlijke manier in Zuid Amerika verbouwd en verhandeld waren. Alles wat hij verkocht was biologisch en Fair Trade. Rijk zou hij er niet van worden maar gelukkig misschien wel. Het viel me op dat zijn gezicht spitser was dan de laatste keer dat ik hem zag. Zijn Vermeers blauwe ogen waren enkele tinten bleker dan de lucht boven zijn coffeetruck, waar het melkmeisje van de zon schuimende roomhartjes in kartonnen bekers schonk. Ik bestelde een cappuccino (er was keuze tussen gesuikerde, ongesuikerde soja-, amandel-, hazelnoot- of havermelk en marshmallows als topic) en ging in de zon aan een tafel, naast twee grasgroene, keuvelende jongens zitten.

Ze hadden het over de hipste plaatsen in de stad. Hotspots waar een barista op twintig verschillende manieren een perfecte espresso kon maken, de laatste Latte-art technieken in de vingers had, blaadjes en hartjes in minuscule kopjes macchiato achterliet en waar je, indien gewenst, ook nog een passende hippe snack bij je koffie kon krijgen. Een van de jongens vertelde dat hij plaats x niet graag meer bezocht omdat hij, als hij er rond keek, het gevoel had niet goed genoeg te zijn om zich tussen de habitués te bewegen. Zijn opmerking trof me, omdat het zo’n jongen was waarvan ik dacht dat hij net overal zijn draai kon vinden. Maar meer nog trof me het idee dat je ergens kon gaan zitten waar je voor anderen misschien niet goed genoeg was. Het was iets wat ik steeds vaker hoorde: dat mensen zich in het algemeen niet goed genoeg voelden. Ik had me graag in het gesprek willen mengen om het tegendeel te beweren, maar begreep uit eigen ondervinden dat het allemaal niet zo eenvoudig lag. Als we ons ergens niet comfortabel voelen is het misschien onze plek niet, maar dat iemand niet goed genoeg zou zijn voor zoiets banaals als ergens een koffie drinken? Het gesprek tussen de twee jongens ging verder en ik hoorde hen nog over andere vrienden praten waar het ook niet best mee ging. Dertigers die zich ongemakkelijk in hun vel voelden en waar de jongens zich echt zorgen om maakten. Aan de andere kant van de rij met tafeltjes zat een dichter die in mijn buurt woonde naar de zon te kijken.

Het werd steeds duidelijker dat we in een wereld leefden waarin een keurslijf van druk en een streven gecreëerd werd waar heel veel mensen niet meer in pasten. Hoge verwachtingen werden niet ingelost en steeds vaker zagen mensen geen enkele andere uitweg dan er zich uit te wringen op de meest tragische manier. Volgens psychoanalyticus Paul Verhaeghe was ‘loser’ vandaag het voornaamste scheldwoord op de speelplaats. ‘Omdat iedereen een winnaar wil zijn.’ Ook op de arbeidsmarkt waren holle woorden dagelijkse kost: competentie, scoren, targets, flexijobs. Voor elke baan werd een polyvalente duizendpoot gevraagd, als het mocht in regenboogkleuren of geur- en genderloos. Robocop in een maatpak, werkoverall of in een plooirok van glitter, armzalige werkkrachten voor een prikje op de menselijke slavenmarkt gekocht. Zo hielden wij allemaal samen, met een hoofd van pijn verdraaid en een schuimend bit, in een wolk van stof, de carrousel draaiend.
Beste Charlotte, dit was het leven niet.

Bedrukt dronk ik mijn cappuccino op en mijn oog viel, als volgde het van alles een natuurlijk vervolg, op de kop van een krantenartikel: ‘Drie sterren? Nee, bedankt.’ De Franse drie-sterrenchef Sébastien Bras van het restaurant Le Suquet was er als eerste in geslaagd zich uit de Michelingids te laten schrappen. Hij wilde hiermee aan het publiek duidelijk maken dat hij geen sterrenchef meer wil zijn. Bras is de zoon van een van de grootste vernieuwers van de Franse keuken die als de meest invloedrijkste chef ter wereld wordt beschouwd. De druk om op hetzelfde niveau te blijven presteren was voor de zoon onhoudbaar. Van zijn twee collega’s Bernard Loiseau en Benoît Violier wordt beweerd dat ze uit het leven stapten omdat ze de druk niet aankonden. Bras besefte dat de sterren eerder ‘een rem dan een motor waren geworden.’ De vraag of het allemaal goed genoeg voor die of die inspecteur zal zijn, doet er niet meer toe. Het zal goed genoeg zijn voor hem en de smaakpapillen van de klant. Het voor anderen goed genoeg moeten zijn, is een race die je op lange termijn nooit kan winnen en gelukkig heeft Bras dit op tijd begrepen. Zijn beslissing toont de andere kant van een medaille waar sterren van een ander firmament zijn werk even stralend zullen bekronen.

Maandagochtend, klokslag zes uur. De twee dagen die ik nodig achtte om uit te puzzelen wat het zou worden waren in gemijmer en gedraaf voorbij gevlogen.
Ik moest een mail naar de dame versturen. Een ver paard of een vier ezels balkend in een nabije wei? Zoals ik zelf kon raden bleef het antwoord uit. Puffend en zuchtend, de wanhoop nabij sloeg ik Kersebloed En Paardejam’ open en trof op de laatste bladzijden het bevrijdend signaal: ‘Als het woord vlees wordt, hinnikt het paard’. En hup weer was ik vertrokken, voor een paar uur van de twijfel gered: of het een paard of ezel zou worden deed er even niet toe, en een muilezel was er nog niet.

 

 

 

Geraadpleegde bronnen:

*Charlotte Mutsaers: Harnas van Hansaplast. Das Mag, Amsterdam 2017
& Kersebloed En Paardejam. Meulenhoff, Amsterdam 2000

*Paul Verhaeghe in De Tijd (11.02.2012) ‘We genieten ons te pletter. Maar niemand is  tevreden.’

*Bruno Vanspouwen in De Standaard (31.01.2018) Drie sterren? Nee, Bedankt

Het olifantje van Bernini (of het kuikentje van Minerva)

Houtsnede uit het boek: Hypnerotomachia Poliphili, Fancesco Colonna 1499

 

Het feest was voorbij, de porseleinen borden en kopjes stonden nog op de tafel.
Eén bord, één kopje, bleven onaangeroerd. Er kwamen twee monniken en een olifant binnen.

Ondanks de melancholie die mij overviel toen het feest weer voor een jaar voorbij was, de grijze lucht die nu al meer dan zes weken alles bedekte en de wachtkamers van de psychologen voller liet lopen dan het jaar ervoor, was ik toch weer wat opgemonterd door de komst van de kloosterlingen en Bernini’s olifant.

In het jaar 1665 vonden enkele Dominicaner monniken tijdens graafwerken in de tuin van hun klooster dat op de ruïne van een tempel was gebouwd, een Egyptische obelisk. De 5,47 meter hoge obelisk vervaardigd uit roze graniet droeg de inscripties van farao Apriës en dateerde uit de periode 589-570 v. Chr. Vermoedelijk werd hij van de stad Saïs, de toenmalige hoofdstad van Egypte, naar het Marsveld in Rome gebracht en opgesteld in de Tempel van Isis en Serapis. Paus Alexander VII, een kunstminnend geestelijke, besloot de obelisk op het plein voor de gotische basiliek Santa Maria sopra Minerva te plaatsen en schreef een opdracht uit om een basis te ontwerpen die als ondersteuning moest dienen.

Beeldhouwer en architect Gianlorenzo Bernini kreeg de opdracht de sokkel voor de obelisk te ontwerpen en liet zijn oog vallen op een olifant. Vermoedelijk liet hij zich inspireren door een illustratie uit de ‘Hypnerotomachia Poliphili, of ‘De strijd van Poliphili om liefde, in een droom’, een novelle in 1499 geschreven door Francesco Colonna, verlucht met 135 houtsneden, en uitgegeven door de drukker Aldus Manutius, een Venetiaanse humanist. In het boek ontmoet het hoofdpersonage Poliphili in zijn droom, onder andere, een olifant met een obelisk op zijn rug. In het eerste ontwerp van Bernini steunde de obelisk rechtstreeks op de vier poten van de olifant die als sokkel diende. De paus verwierp het ontwerp omdat het niet stabiel genoeg zou zijn en gebood Bernini de poten te verkorten alsof het geen kunstwerk maar een tafelblad betrof. De beeldhouwer gaf toe en in een laatste poging om zijn oorspronkelijke, elegante olifant te redden, legde hij een zadelkleed over de rug dat de korte pootjes en plompheid die het beeld uitstraalde moest verbergen.

Het beeld bleef echter plomp en het symbool van de olifant dat voor kracht en wijsheid stond en de inscriptie droeg: ‘Documentum intellige robutae mentis esse solidam sapientiam sustinere’ (Het vereist een krachtige geest om de last der wijsheid te dragen.) werd door de Romeinen spottend, il porcellino, het varkentje genoemd. Later kreeg het in het Romeinse dialect de naam Pulcino (kuikentje) van Minerva toebedeeld. Het beeld werd dus alsmaar kleiner en schattiger in de ogen van de toeschouwer.

Terwijl ik de afbeelding van Bernini’s olifant met de drukprent in het boek van Francesco Colonna vergeleek, hoorde ik uit de belendende kamer, die als keuken dienstdoet, een geweldig klap.
De ganse verdieping daverde, schudde en trilde, de plankenvloer kraakte onder mijn voeten. Het leek wel een aardbeving. Ik liep naar het raam en keek naar de overkant van de straat waar werkmannen met een kraan stalen balken in de grond aan het drijven waren. Buurvrouw Mia stond aan het raam met haar handen over de oren. Maar de trillingen kwamen niet uit de muil van de straat. Ik zuchtte en vloekte en ging naar de plek waar het onheilsgeluid vandaan was gekomen en vond in de keuken, voor de openstaande kastdeur, een grote stapel borden op de grond. De borden stonden al jaren in die kast en waren door de trilling van de grondboringen tot aan het punt opgeschoven waar de zwaartekracht het van de stapel had gewonnen en de borden als een toren naar beneden waren getuimeld.

Geen enkele schadeclaim zou het beeld van dit vernield servies ooit kunnen dekken.

Het porseleinen servies dat eerst aan mijn overgrootmoeder en daarna aan mijn grootmoeder had toebehoord kwam twee jaar geleden, naar aanleiding van een verhuizing van mijn zus, die de hoeder van ons verleden was, bij mij terecht. Zij had geen plek meer gevonden om het op te bergen en de dozen waarin de breekbaarheid van vier generaties in 36 stuks in krantenpapier verpakt zat, waren haast niet te tillen. Dus haalde ik er een aantal borden uit en borg ze op in de kast.

De borden toonden sporen van een intens gebruik maar toch bleef er binnen het witte vlak van de met fijne rozenknopjes versierde rand, die enkel het gekras van messen en vorken prijsgaf, iets stralen dat zich met geen enkel afwasmiddel weg liet spoelen. Ik hield eraan de borden iedere dag te gebruiken zoals de grootmoeders het hadden gedaan. En vroeg mij vaak tijdens het avondmaal af waar deze wondere, voor mij heilige wezens, toch heengegaan waren en onder welk gesternte ze herboren waren? Maar hoe lang ik ook van mijn bord, waarop in tijden van hoge morele nood meestal een garnaalkroket lag, vergezeld van een toefje peterselie en een schijfje citroen, naar de hemel tuurde, nooit kon ik hun schittering ontwaren. Ook niet bij de blauwe supermaan van vannacht. Het leven aan hun zijde was een doorlopend feest geweest, van ontbijt tot avondmaal. Maar zoals ieder feest was het op een bepaald uur afgelopen en waren gastvrouw noch genodigden teruggekeerd. En restte mij enkel nog het geluk van diegenen, die net als ik op een dag, nadat ze hun bord leeggegeten hadden, in het wit gekraste vlak, met guirlandes van roze bloemenknopjes en groene blaadjes versierd, een glans hadden ontdekt die onuitwisbaar de glans van gastvrijheid was. Het servies van zesendertig borden, soepkommen en terrine, de koffiekoppen en het zilveren bestek kende sinds zijn intrede in 1939, geen enkele ongenode gast. Daar was ik door de grootmoeders van overtuigd geweest als was het een onweerlegbaar wetenschappelijk feit. Mijn maag kromp ineen van heimwee bij de aanblik en mijn hart bleef maar breken tot het naast de borden in scherven aan mijn voeten lag. Zo eindigde het jaar 2017, en kwam nog voor 2018, de olifant van Bernini de huiskamer binnen.

Bloeiende wijnstok

 

 ‘Sicily: The Wonder of the Mediterranean’ (screenshot)

Temidden van alle wereldlijke ellende voelde ik de afgelopen week een steeds grotere noodzaak een boom of een plant te vinden, waar ik mij met de rest van de mensheid kon aan vasthouden, zodat we niet meegevoerd zouden worden door een onverschillige, voortstuwende en alles overspoelende stroom.

Naast een kamperfoelieplantje van twee centimeter, een geschenk dat ik met kerst van een vriend en eigenaar van het domein  ‘Montagne de Miel’ had gekregen, en een zoet geurende belofte inhield, groeide er in mijn nabije omgeving niets dat voor dit doel kon dienen. Gelukkig bracht op dit moment de televisie soelaas en werd ik tijdens het bekijken van de Britse documentaire  ‘Sicily: The Wonder of the Mediterranean’ gegrepen door de ontdekking van een bijzondere wijnstok op de flanken van de Etna.De ontdekking betrof een wijnstok die zich veertig jaar lang vanonder een dikke laag gestolde lava – die tijdens de uitbarsting van de Etna in 1981, in één kolkende stroom de noordelijke heuvel bedolven had – gestaag een weg naar het licht had gezocht. De wijnstok behoorde tot het domein Fattorie Romeo del Castello in Randozza en droeg vruchten.

Chiara Vigo, eigenares van het domein, woonde er als kind met haar ouders tot de Etna uitbarstte en keerde pas in 2007, na haar studies in Bologna, Parijs en Milaan, naar het ouderlijke huis terug. Omdat de kolkende lavamassa op een onverklaarbaar ogenblik, een bocht had genomen en zich naar een rivier had gekeerd, bleef er van de 30 hectaren nog 14 hectaren over en werd de honderdjarige wijngaard niet vernietigd. Ook de duizendjarige olijfboom bleef gespaard. Sindsdien omcirkelt een twee meter hoge muur van versteende lava het domein, waardoor er een microklimaat ontstond dat de groei en de smaak van de druiven op een voor het eiland ongekende manier beïnvloedde. Zevenhonderd meter boven de zeespiegel en beschermd door die lavamuur vond Chiara Vigo de overlevende wijnstokken. De stokken waren tussen de 70 en 100 jaar oud en stonden in volle bloei.

Met de steun van oenoloog Salvo Foti begon ze een jaar later, samen met haar moeder Rosanna Romeo, wijn van de Siciliaanse Nerello Mascalese druif te verbouwen. De nobele blauwe druif verleende aan de wijn een toets van kersen, aardbeien en de typische vulkanische mineraliteit van de terroir waarin de wijnstok geworteld was. De druiven werden met de hand geplukt en rijpten volgens de oude methode in open eiken vaten. Haar eerste wijn,Vigo Etna Rosso DOC 2007 ,werd dankzij deze wonderlijke blend meteen een succes. In 2009 produceert ze Allegracore Etna Rosso DOC, die de naam van de streek draagt waar het landgoed zich bevindt en ‘Plaats waar het hart zich gelukkig weet’, betekent. Op het scherm van mijn laptop waarop ik de documentaire herbekijk zoemt de camera in op de vruchten van de wijnrank die veertig jaar lang, van onder de brokken lava, gestaag een weg naar het licht zocht. Zijn violetkleurige druiven baden in de zon. Het is een wonder. Dit onbaatzuchtig, nobel streven van de natuur grijpt mij diep aan. Wanneer documentairemaker en historicus Michael Schott vraag hoe de wijn van deze stok zal heten antwoordt Chiara Vigo trots dat ze hem ‘De overlever’ zal noemen.
Heel even overstijgt het onbaatzuchtig streven van de natuur het vaak vruchteloos, tegen wil en dank, en omdat het niet anders kan, hetzij passief of actief, streven van de mens. Het was een merkwaardig contrast.

Temidden van alle menselijke ellende, groeide er toch altijd iets dat het leed niet kon opheffen maar er een zeker tijdelijke troost tegenoverstelde die de indruk gaf eeuwig te zijn. Zoals de kleur van een druif. Alleen al door ernaar te kijken en te weten dat deze wijnstok bestond bleef hij in mijn gedachten verder bloeien, de wortels stevig in de zwarte vulkanische grond geplant. Te weten dat er uit het onvoorspelbare natuurgeweld toch ook iets kan ontstaan, dat ondanks het donker, het licht zocht en uiteindelijk vruchten voortbracht. Een beeld waar ik mij met de rest van de mensheid, nog eens veertig jaar kon aan vasthouden. Bloeiende druiven aan een wijnrank, en nu de wilde kamperfoelie nog!

 ‘Sicily: The Wonder of the Mediterranean’ (screenshot)

Wals voor een smartphone

images-2 2

Het was nog maar enkele minuten geleden dat ik mijn zus op haar werkplek had bezocht (de droesem van de koffie die ik er dronk was nog niet eens bezonken) of er verscheen al een boodschap op het scherm van mijn smartphone: Laat andere bezoekers weten wat je van Auping Plaza vindt. Nu is er niet veel geheimzinnigs aan het bezoeken van een etablissement waar springboxen, matrassen en beddengoed worden gesleten, maar de wetenschap dat een onbekend, onzichtbaar oog mijn reilen en zeilen voortdurend in de gaten houdt, het registreert en mij vervolgens sommeert een deel van mijn privacy op te offeren en te delen met de rest van de wereld ging mij plots te ver. Er begon in mijn bloedbaan iets te borrelen dat in een recordtempo tot in mijn hersenen naar een kookpunt steeg.

Het was nog maar enkele dagen geleden dat ik met de slimme mobiel in een drogisterij een foto van een product nam om het een van mijn vrienden aan te bevelen. Het betrof een product dat eerder voor doeleinden werd gebruikt waarvan je net niet wil dat een ander er zijn neus insteekt. Het volgende ogenblik open ik via de smartphone mijn Facebookaccount en zie tot mijn afschuw dat dit product gewoon op mijn tijdlijn tussen de dagelijkse berichten staat, met de vraag of ik het product wil delen met mijn vrienden. Afgrijzen vervulde mij en ik begon de zogenaamde slimheid van mijn telefoon ineens te haten alsof het een mij vijandig gezind wezen was, dat ik het best zo snel mogelijk kon vernietigen. Ik haastte mij naar het eerste beste openbaar toilet, legde de smartphone op de grond en zette er in de aanwezigheid van de toiletdame mijn naaldscherpe hakken in. Het scherm kraakte en barste langs alle kanten. Ik uitte nog enkele kreten waardoor er op de eerste verdieping van het winkelcentrum bij enkele shoppers een lichte paniek uitbrak en stopte het half verbrijzeld ding, dat op de vernietiging en de teloorgang van vele wezens uit was, in mijn jaszak. Graag had ik er nog met een pletwals overheen gereden.

Niet dat het mijn woede over dit vergrijp had kunnen bekoelen. De smartphone produceerde nog een zwak geluid. Op het gebroken display verscheen het nummer van mijn grootmoeder die al lang niet meer onder ons was, maar langs een resem geheugenkaarten, ongemerkt van toestel naar toestel mee was gereisd, begeleid door een romantisch deuntje. Mijn adem stokte in mijn keel. Het was een wals waarvan de zwierige passen (met mijn kousenvoeten bovenop de hare) de ballroom van mijn kindertijd doorkruisten en pas tot stilstand was gekomen op het moment dat ik voor het laatst in haar armen had rondgezwierd. Machtige armen die mij sinds het eerste uur van mijn geboorte van een legendarische voorraad warmte hadden voorzien. Weldadige uren, al dan niet bewust of onbewust, in een nog fragiele geest voor altijd opgeslagen, als een kachel in de schatkamer van een altijd bereikbare warmte.

En terwijl ik besefte dat dit een laag-bij-de-grondse streek van het alziend, onbekend en onzichtbaar oog was, erop uit mij en alle andere wezens te vernietigen, liet ik de smartphone smartelijk in mijn jaszak glijden en barste in een onbarmhartig snikken uit. De toiletdame bood mij gratis een tissue aan en met het gebarsten, loerend oog, dat ook op haar vernietiging uit was, want hoe lang zou het duren vooraleer je voor haar nobele diensten met een app moest betalen, vervolgde ik heftig snikkend, door de opengebroken straten van de stad walsend mijn voor altijd teloorgegane weg.

Battagliaanse kronieken

Letizia Battaglia: Passion, Justice, Freedom–Photgraphs of Sicily

Op een koude winteravond in januari 2011 stapte ik tijdens een van de Nocturnes in Antwerpen de Maes & Matthys Gallery in de Pourbusstraat binnen en maakte toen voor het eerst kennis met het werk van Letitiza Battaglia. Het was de vernissage van haar tentoonstelling. De fotografe zat aan een bureau in de galerie, omringd door mensen en keek, voortdurend rokend, intens om zich heen. Aan de witte muren hingen foto’s van in bloed gedrenkte lichamen, door de Cosa Nostra op straat vermoord. Ik was verbijsterd en tegelijkertijd gefascineerd. Hoe was het mogelijk dat deze vrouw dit had gefotografeerd?

Haar loopbaan als fotografe begon in Milaan in 1972 toen ze voor een tijdschrift schreef waar ze haar journalistiek werk zelf van foto’s moest voorzien. Vanaf 1974 werkte ze voor de linkse krant l’Ora. Haar foto’s zijn stuk voor stuk met rouw omrande aanklachten. Zonder het te willen bouwde ze ‘een archief van bloed’ op. Naast de dagelijkse wreedheid fotografeerde ze ook de vrouwen en kinderen van Palermo, en de extreme armoede van de mensen die in de buitenwijken in flatgebouwen woonden, waar geen water of elektriciteit was. Negentien jaar lang begaf ze zich dag en nacht op een Vespa met een fototoestel om de hals naar het slagveld dat Palermo tijdens de jaren tachtig en negentig, onder de dictatuur van de maffia, geworden was. Ze was de eerste vrouwelijke fotojournaliste in Sicilië en het eerste jaar moest ze zich, schreeuwend tegen agressieve agenten die haar wilden tegenhouden, een weg banen om haar werk te kunnen doen.

Het was moeilijk om tussen de bijeen gedrongen menigte bij haar te raken en te vragen wat die tijd voor haar betekend had. De vonkjes die uit haar blik sprongen en de nervositeit die ze bij iedere trek aan haar sigaret, als een rookwolk uit de krater van een vulkaan leek uit te blazen, verhaalde het eigenlijk allemaal. Haar blik liet me niet meer los, maar om door de blik te kijken waarmee ze de misdaden op het Siciliaanse eiland om haar heen had vastgelegd, was enige moed vereist. Het waren geen vrijblijvende foto’s. Ze bleven onuitwisbaar aan je kleven, als een bloedvlek op een wit hemd.

Haar liefde voor het ‘vermaledijde Sicilië’, zoals ze het eiland noemt waarop ze geboren is, bleef gelukkig als een witte schaduw tegenover het zwarte oeuvre overeind. Een levendige schaduw die zich op tweeëntachtig jarige leeftijd nog steeds gedreven en strijdbaar voortbeweegt.

Haar moed twee decennia lang ondanks de verschillende doodsbedreigingen aan haar adres, haar werk toch verder te zetten, lag ver buiten het referentiekader van wat ik tot nog toe in de wereld van de fotografie had gezien. In de kern toonde haar intense betrokkenheid bij het lot van de medemens parallellen met het werk van fotograaf Koen Wessing, die in de jaren zeventig het geweld en de armoede in Zuid-Amerika fotografeerde en het documenteren van onrecht als een ononderbroken levensmissie en revolte zag.

Letizia Battaglia slaagde erin zowel het gezicht van de maffia te tonen als de gezichten van de slachtoffers die voorheen in een vlug toegedekte dood verdwenen. Sinds enkele jaren is aan het openbaar moorden in de straten van Palermo een einde gekomen. De maffia is geïnfiltreerd in de politiek om haar economische belangen te dienen. De leden zijn hoog opgeleid en dragen witte hemden. Onzichtbaar voor de buitenwereld. Gezichtsloos. Hun bedrijven strekken zich uit over heel Europa: het uitvoeren en verkopen van groenten en fruit dat op zwaar vervuilde, ongecontroleerde grond geteeld wordt en op de internationale veilingmarkt aan dumpingprijzen verkocht wordt, het verwerken van gevaarlijk afval, het witwassen van misdaadgeld, de bezigheden van betonboeren en vastgoedbedrijven.

November 2017. Intussen waren er zeven jaar voorbij en liep ik nog steeds met de fotografe en haar foto’s in mijn gedachten rond. Eén keer had ik contact opgenomen met Ron Lang Art gallery waar reeds de derde tentoonstelling van haar liep, maar het was toen net de laatste dag.
De catalogus was uitverkocht en Battaglia, bij elke opening aanwezig, was al teruggekeerd naar Palermo. Misschien moest ik naar Palermo reizen? Maar wilde ik haar wel ontmoeten, was het noodzakelijk haar te zien of te spreken om mijn portret over haar te schrijven? Kon ik met wat ik op video’s gehoord en gezien had, de geraadpleegde artikels en interviews, en tot slot een oeuvre met 600.000 foto’s die niemand ooit allemaal zou zien, een tekst schrijven die een blik zou werpen op het innerlijk van de vrouw achter de foto’s? Ik wist het niet, maar ik bleef de noodzaak voelen om de indruk die haar ‘Siciliaanse kronieken’ op mij nalieten te verwoorden en de onverschrokkenheid van deze wonderlijke vrouw onder de aandacht te brengen. In een recensie op de website van Ron Lang Art Gallery las ik dat haar werk wordt vergeleken met Caravaggio, de tovenaar van schaduw en licht, er een nevelzucht van Francesco Petrarca omheen hangt en Ragazzi di Vita van Pier Paolo Pasolini op de achtergrond speelt. Voor mij als toeschouwer was de meest onwaarschijnlijke ontdekking uiteindelijk, ondanks de hardheid, toch een vorm van poëzie.

Soms lag er over de foto’s een donkerte die de beelden een onbeweeglijkheid gaf als van geronnen bloed. Een residu van het ogenblik waarop de fotograaf alleen in de donkere kamer zijn of haar negatieven ontwikkelt en dan pas de impact van de beelden ziet, die met volle kracht terug in het open blikveld van de fotograaf als toeschouwer geslingerd worden. Geleidelijk ging ik beseffen dat iemand die zo’n archief opbouwt uiteindelijk geheel alleen komt te staan. Ongeacht de mogelijkheid die een galerie of een tentoonstellingsruimte biedt om de foto’s als een verhaal met een publiek te delen. Haar oeuvre baart een eenzaamheid die nergens toonbaar is en de fotografe waarschijnlijk nog amper kon dragen. Ik herinnerde mij een gedicht van János Pilinszky waarin hij schrijft: ‘…in al zijn poriën kon je zijn eenzaamheid zien.’ De dichter zag ik een close-up datgene wat je alleen maar kon zien als je onmenselijk lang alleen was geweest.

Tijdens het beluisteren van verschillende recente gesprekken met Letitzia Battaglia voelde ik de worsteling met de eenzaamheid waartoe ze eerst veroordeeld werd als aanklager van de maffia en later als maakster van een reusachtig, onzichtbaar geworden oeuvre. Waardoor ze tenslotte zelfs een afschuw van haar eigen werk ontwikkelde. Er waren foto’s uit haar archief die ze in brand wilde steken. Opdat ze niet meer zouden bestaan, of om ze niet meer te moeten zien. Het opnieuw bekijken van de beelden maakte haar triest. Zelfs verklaarde ze dat het heel gevaarlijk was om alleen te zijn, zonder precies uit te leggen waarom.

Het waarom was in de korte stilte tijdens de opname heel even in haar opengesperde ogen te zien.

In 1987 wordt haar leven gemarkeerd door de moord op de tienjarige jongen Claudio. Het kind wordt op straat neergeschoten nadat hij een getuigenverklaring tegen een maffialid heeft afgelegd. Het schokte haar zo erg dat ze de filmrol tot op heden niet ontwikkeld heeft.
Vijf jaar later, op 23 mei 1992, betekent de moord op de onderzoeksrechter Giovanni Falcone, zijn echtgenoot en drie lijfwachten opnieuw een onvermijdelijk keerpunt in haar leven als mens en fotograaf. De massa van ‘eerlijke mensen’ die naar de plechtigheid in de kathedraal van Palermo was gekomen stond tot ver buiten de kerk samengedromd. De inslag van de bom, een halve ton TNT die onder het wegdek verborgen zat, blies de auto en het half wegdek op en bracht een schok teweeg als na een aardbeving. Een naschok die door Sicilië en Italië trok en de mensen in diepe verslagenheid en verdriet achterliet. Het was een nooit eerder gezien machtsvertoon, een oorlogsverklaring aan de staat. Zevenvijftig dagen later werd Borsalino, de opvolger van Giovanni Falcone in het centrum van Palermo in zijn auto opgeblazen. Op twee maand tijd verloor ze twee van haar dichtste vrienden en ‘de hoop op een schoon Sicilië’.

Ook de begrafenis van Falcone fotografeerde ze niet. Hij bleef bewaard in de geheugens van miljoenen Italianen. Zoals ze in de documentaire van Jos van Put verklaart ‘… was het genoeg geweest’. Tussen de eerste foto van de vermoorde jongen Claudio en de niet gemaakte foto’s van de uitvaartplechtigheid, lag een leven van dagelijks fotograferen, revolte en strijd.

Het portret dat Battaglia maakte van Rosaria Schifani, de weduwe van één van de lijfwachten, is ondanks de diepe droefheid die erachter schuilt een van de meest beklijvende die ik zag. In verschillende interviews vertelt ze hoe moeilijk het was geweest, om oog in oog met Rosaria Schifani, een portret te maken. De eenentwintigjarige weduwe die zich in de San Domenica rechtstreeks tot de maffia had gericht en hen in haar toespraak ter verantwoording had geroepen, iets wat niemand ooit had durven doen, had sinds die dag een woedende uitdrukking in haar blik gekregen. Een uitdrukking die niet meer overeen stemde met de manier waarop Battaglia haar in de kathedraal had ervaren. Daarom vroeg ze Schifani om naast de gesloten blinden voor het raam te staan en haar ogen te sluiten. ‘Ik wilde dat ze haar ogen sloot, om niet alles aan de buitenwereld prijs te geven,’ vertelt ze in de documentaire ‘Speeches’.

Op de voorpagina van het boek ‘Passion, Justice, Freedom: Photgraphs of Sicily’ staat het portret van Rosaria Schifani verdeeld in schaduw en licht. De gesloten ogen en de naar binnen gerichte blik, ‘waar zich de waarheid bevindt,’ symboliseren voor mij als toeschouwer ook de innerlijke blik van de fotograaf. Het oog dat door de lens kijkt en het oog dat zich achter de gesloten oogleden bevindt, zijn één geworden. Als zij beiden weer de ogen openen valt het licht al elders en staat in een ander landschap een andere schaduw op.

Batagglia bleef voor het blad l’Ora foto’s maken tot het in 1992 moest worden opgedoekt. Daarna richtte ze het vrouwenblad Mezzocielo op, zetelde in de gemeenteraad van Palermo en was plaatsvervanger in het regionaal parlement van Sicilië. Tijdens die jaren kwam het fotograferen op een lager pitje te staan. Het altijd beschikbaar moeten zijn, had onvermijdelijk een tol geëist. Haar samenwerking met Leoluca Orlando, de huidige burgermeester van Palermo, beschouwt ze als een gelukkige tijd omdat ‘ze het beste van zichzelf kon geven’. In de verpauperde delen van Palermo legde ze perken aan, beplant met palmbomen en bloemen.
Later moest ze constateren dat de palmbomen omgezaagd werden omdat ze zogenaamd ziek waren. Het verhaal van het ‘vermaledijde Sicilië’ kende geen einde.

Op 27 november 2017 post Ron Lang Art Gallery in Amsterdam op zijn facebookpagina het volgende bericht: Update about Letizia Battaglia: she is still in a hospital in Palermo but she quit smoking and all our positive thoughts help her to get better soon. Ik ga naar de facebookpagina van haar dochter en fotografe Shobna Angela Stagnatti en zie foto’s van Letizia Battaglia in een zwartzijden hemd op een ziekenhuisbed in Azienda Osperdaliera liggen. In het onderschrift staat dat ze onophoudelijk hoestend, samen met andere patiënten op een gang in het ziekenhuis op hulp wacht die niet komt: ‘Nog slechter behandeld dan iemand in een hospitaal voor leprozen.’
Het ziekenhuis is nochtans eén van de grootste in Palermo. In een daaropvolgende post lees ik dat ze uiteindelijk naar een privé-ziekenhuis is gebracht en aan de beterhand is en haal opgelucht adem. Battaglia strijdt, zoals haar naam zegt, zelfs van op een ziekbed in een vermaledijd ziekenhuis nog elke seconde van haar tweeëntachtig jarige leven verder, met de kracht van een vulkaan. Enkele dagen later, 4 december 2017 bericht Sobha Angela Stagnitta dat La Battaglia weer thuis is. Het begin van een nieuwe Palmeritaanse Odyssee vangt aan.

Forza Signora Letizia Battaglia! Felice Anno Nuovo 2018!

Droombomen

 

Tegen sluitingstijd ging hij de winkel binnen en kocht enkele boeken. Het winkelmeisje aan de kassa vroeg of hij een tas nodig had.
‘Nee dank u, een tasje heb ik niet nodig, want ik weet niet of u dit weet maar een schrijver kan met zo’n papieren ding niets aanvangen. Iedere schrijver van formaat draagt namelijk zoveel creaturen van alle maten en gewichten in zich, dat zelfs de geringste gedachte aan al die overbevolkte boeken die de schrijver elke dag met zich mee troont, alvorens ze op papier ter wereld te brengen, gelijk welke tas onmiddellijk zou scheuren. Begrijpt u? Trouwens, denkt u ooit wel eens aan al die gesneuvelde bomen?’ Hij boog zijn lichaam over de toonbank en zijn neus kwam vervelend dicht bij de hare.
De winkeldeur ging open en er wandelde een eland binnen met een gewei als een takkenbos. ‘Kijk eens aan, al die droombomen!’
‘Bent u dan zelf ook een schrijver?’ vroeg het winkelmeisje.
‘Kent u mij dan niet?’
Het winkelmeisje schuifelde ongemakkelijk heen en weer op haar stoel. ‘Nee, het spijt me, ik ben nochtans al tien jaar werkzaam in het boekenvak en herinner mij niet dat er een foto van u op een achterflap van een boek door mijn handen is gegaan, en het waren er duizenden, tienduizenden misschien. Mocht er ooit een boek van u verschenen zijn, dan had ik het toch geweten. Uw gezicht zegt me werkelijk niets.’
‘Gelijk hebt u’, antwoordde het mannetje. Mijn portret staat op geen enkele boekenflap, mijn rug verschijnt in niet één edele boekenkast, maar ik ben dan ook geen schrijver van gewone boeken als het dat is wat u wil weten. Ik schrijf alleen stationsromans, in de trein op weg naar mijn baan, als rijtuigen na elkaar. En tenslotte slingeren ze overal rond. Vergeten en natgeregend op banken van natuurreservaten en pretparken naast een half verorberd lunchpakket. Achtergelaten in vertrek- en aankomsthallen van luchthavens en treinstations zonder ooit op hun bestemming te raken.
Maar misschien gaat u nooit op reis, of neemt u nooit een trein, en kent u daarom mijn boeken niet. Maar ik verzeker u dat ze over gans de wereld tot in de dutyfree shop van Guantanamo verkrijgbaar zijn. Ziet u, het is erg eigenaardig allemaal. Ik ben de best betaalde auteur ter wereld, maar niemand kent mij omdat ik in wat de mensheid het echte leven noemt, een gewone man met een gewone baan ben. Maar kijk nu eens naar mijn ogen. Het is zo dat bij schrijvers het ene oog altijd groter of kleiner is dan het andere, beide ogen zijn nooit gelijk. Het beste is als het ene oog wat loenst, dan weet je dat er een heel goede schrijver voor je staat. Vandaag loenst het mijne nu net niet, op andere dagen weer wel, afhankelijk of ik een goede nachtrust had of niet. Het is een eigenschap als iedere andere, zoals een pianist lange vingers nodig heeft om het klavier zo breed mogelijk te bestrijken en polsstokspringers lange benen moeten hebben om hen moeiteloos over de stok te zwieren. Nu begon mijn rechteroog op een bepaald ogenblik zodanig te loensen dat ik mijn baan als machinist moest opgeven en dus een schrijver van stationromans werd.
Zo eenvoudig is het. Je moet dan vanzelfsprekend een andere, geschikte machinist vinden, dan ga je meteen weer overal heen en kom je als vanzelf waar je zijn wil. Of misschien niet, maar dat doet hier nu niet terzake.’
De winkeljuffrouw gaf te kennen dat ze de winkel wou sluiten. Hij beëindigde zijn betoog, nam de boeken van de toonbank en sloot hen in zijn armen als waren het kinderen.
‘U houdt in ieder geval toch wel erg van boeken,’ zei de winkeljuffrouw nog.
‘Meer papieren hoofden gekust dan echte!’ riep hij uit.
‘Toch geen tasje dan?’
De winkeldeur vloog open en het mannetje en de eland verdwenen er in een wervelende sneeuwvlaag doorheen.

Foto: Stacy Hamilton

 

Archery

Het eerste woord dat vanochtend tijdens het scrollen op mijn scherm voorbijkwam was ‘archery’. Boogschieten. Heel toepasselijk en bijna wonderlijk leek dit woord te zijn ontsproten aan de samenkomst de avond ervoor, in het Herman Teirlinckhuis in Beersel, waar de voorstelling van de biografie van Stefan Van Den Bossche over Herman Teirlinck had plaats gevonden. Om praktische redenen, er waren meer genodigden toegestroomd dan het huis kon herbergen, was het nog naar drukinkt geurende boek, ‘Gij zijt zoveel mensen geweest’, in De Drie Fonteinen, het stamcafé van Herman Teirlinck, boven de doopfontein gehouden. Naar aloude streekgewoonte werd de turf van zeshonderdachtenzeventig bladzijden tekst en honderdvijftig bladzijden eindnoten, duizendvierhonderd grammen wegend, overvloedig besprenkeld met ambrozijn. Om de literaire honger te stillen die onder de genodigden was ontstaan, droegen dertien koorknapen terstond enkele dozijnen pareloesters, pasteitjes, truffels uit het Zoniënwoud en knapperige gouden kaaskroketjes op zilveren schotels aan. De gasten begonnen als bij toverslag gelijk opengebroken parelmoeren schelpen te blinken en te glanzen. Een waar Breugheliaans feest barst los. In het midden van de zaal sprong uit een kubieke muziekdoos ter opluistering van het feest de laatste prima ballerina van deze eeuw en danste in het midden van de pracht en praal, onder een kristallen kroonluchter uit de tijd van Louis XIV, tweeëndertig fouettés en tournant achtereen. Uit de glazen trompetten die voor het raam hingen parelde hemelse kerstmuziek. En in de kerktoren op het plein begonnen de klokken te luidden alsof het een aankondiging van een geboorte betrof. Herman Teirlinck, bedreven boogschutter als hij was, spande zijn boog hemelwaarts en een feestelijke vuurpijl zweefde vanuit zijn weidse ziel geruisloos door de klankvolle nacht. De pijlpunt, gesmeed in een heilig woudvuur en in een honingraat van de zon gedrenkt, raakte lichtjes de staart van een komeet, die in een fonkelende sterrenregen naar beneden stortte. De meester blies het glinsterend stof van zijn hoed en keerde met de regenjas over zijn arm, naar zijn huis, tussen de goden en godinnen, op de Uwenberg terug. De Uwenberg die opnieuw van u is en van ons. Onzen berg en Uwen berg.

‘Gij zijt zoveel mensen geweest’. Gefeliciteerd!

 

images-2

Het Kindje

 

Over Vulkanen, kraters en het Kindje zwalpend op een oceaan van Hokusai-golven.

Wij lopen rondjes op een kokende, kolkende vulkaan die op uitbarsten staat of welks grommend gerommel in stil stromende lava gesmoord zal worden en wij weten nog niet waarheen. Het wordt met de dag kouder en wij lopen rondjes om ons warm te houden. Want eens je stopt met lopen, zo vertelden de mensen die al lang rondlopen zonder eens een keertje neer te kunnen zitten, en je voelt ineens een klein vuurtje in je tenen, dan is het te laat en met de tenen, de voeten en het lopen gedaan.

Op de flanken van de vulkaan hangen de sinaasappels te koken aan de bomen.
De heilige man kon dit jaar, ginds niet komen, omdat hij nog geen nieuwe kolonie zwarte, witte of anders gekleurde knechten gevonden had.

De hemel zij geprezen moesten wij ons hier niet druk over maken want buiten het gekrioel van alle dagen, ontstond ineens een plein, een open vlakte, waar het voor de armen onder ons, vol met gratis knuffelberen lag. Er waren waarachtig nog heidenen.

En wie nog benen had die konden lopen en voeten om die benen te dragen,
liep voorbij het gekrioel, tot aan het plein, tot aan de Venus zonder armen, die behalve zij die uit de zee herrezen waren, niemand meer kon omarmen, en bleef onder een amethisten hemel staan, op de bodem van een ziel verzonken, tussen de doden, de levenden en een aangespoelde knuffelbeer.

Wij lopen rondjes op een kokende, kolkende vulkaan, onze voeten vol blaren liggen open van het lopen, op die hoogte en in een hitte, de negen hellekringen van Dante gelijk. En onze harten koken over en in onze hoofden smelten de gedachten, als ijsblokjes in een lavastroom.

Aan alle kanten door de Zee ingesloten, klotsen kleine stipjes in gevlochten manden tegen de golfbrekers, en spoelen blauwe en roze schelpen, tussen palmbomen en vissersloepen, in netten gevangen op het strand aan.

Over vulkanen, kraters en de lamp van Lampedusa, Pietro Bartolo en het zoeklicht dat een eeuwigheid lang over het lot van de mensheid scheen.

Wie zal volgend jaar het Kindje redden, duizend blauwe en roze stipjes, geboren op de schuimende Hokusai-golf van de Middellandse Zee?

 

The night sky over Lampedusa, August 2016. ©Marco Panzetti