Ik lig op mijn rug in de sneeuw en kijk naar de wolkenloze hemel.
De hemel is blauw, zoals de ogen van mijn Siberische husky Sveta.
Sveta draagt haar naam om mijn vader te eren, ik draag de naam van
mijn vader, om mijn dode broer te eren. Zo liggen wij tezamen,
ons lichaam tegen de aarde gedrukt, mijn vader, mijn broer, ik en mijn hond.
Ons gezicht, een schotwond in de sneeuw.

sveta

Het onzegbare

 

Ik weet nog precies hoe het gegaan is. Op een dag werd er aangebeld en stond er iemand met een pakketje voor de deur. Een bundeltje van niets. Daar zat alles in gewikkeld. Ik liet hem binnen, hij ging zitten en schonk zich uit een fles die hij zelf had meegebracht, een vodka in. Om van de lange reis hierheen te bekomen. Hij dronk en zweeg en keek rond. Beduidde dat ik het bundeltje mocht opendoen en schonk mij zonder dat ik er om vroeg, ook een vodka in. Al na de eerste slok brandde mijn keel en kon ik een tijd lang niets meer uitbrengen. Zo zaten we enkele uren bij elkaar, als aan een schaakbord, de bundel ongeopend op de houten tafel. De man wachtte en dronk ondertussen zijn fles leeg en ook van mijn notenbolster port, bediende hij zich. En al die tijd vroeg ik niet wat ik wilde vragen en deed mijn best niet te zeggen wat ik wilde zeggen, en zei enkel maar wat aan het Onzegbare, ondergeschikt was. Want wat ik niet zei, kon ik nog vasthouden. Een bundeltje van niets. Gewikkeld in een bruin postpapier.

het-onzegbare

 

 

Onder een oorverdovend klokkengelui dat uit de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal weerklonk, fietste ik afgelopen zaterdag de binnenstad in. Zo ongeveer moet het in de middeleeuwen geklonken hebben wanneer de Spaanse Furie de stad in brand stak. Ik was onmiddellijk gealarmeerd, maar toch net iets te laat voor het gevaarte dat vanuit de straat, voorbij confiserie Elisa, ineens tergend traag mijn richting uit kwam. Een lange zwarte wagen met aan weerszijden, zes dragers. Op mijn mobiel ging de alarmklok af en van pure schrik kreeg ik bijna de stuipen. Met mijn fobie voor begrafenissen op de hielen, sloeg ik aan de Korenmarkt onmiddellijk rechtsaf, denderde over de kasseien langs de trappensteeg van de Tempelstraat terug naar beneden en reed recht op de mensen in, die traditioneel in het zwart gekleed, stil en plechtig de kathedraal verlieten. Ook ik droeg een zwarte mantel, en zou daarom niet opgevallen zijn, mocht ik met mijn koersfiets op hen ingereden zijn. Onder het geluid van de negenduizend honderd kilogram wegende do-klok en de gewone, vijfduizend kilogram wegende Mariaklok gebukt, stapte ik af en liep te voet verder door de stad. Gans mijn wezen galmde en ik begon van schrik steeds sneller te lopen. Langs de Blauwmoezelstraat kwam ik in de Minderbroedersrui terecht. In het Letterenhuis was sinds enkele weken de tentoonstelling Escaut! Escaut! geopend. Een eerbetoon aan vijf Franstalige Belgische schrijvers. Ik vluchtte het museum binnen en haastte me naar het eerste verdiep, waar de sfeer al net zo duister en ontluisterend was als de droevige vertoning waar ik vandaan kwam. Uit een van de kamers achteraan klonk een stem en pianomuziek. Iets haalde wat adem in mij en ik liep snel rechtdoor, naar de plek waar de menselijke stem vandaan kwam. Als een mokerslag trof mij daar het graf van Emile Verhaeren, als een boot aan de oever van de Schelde in Sint -Amands aangemeerd. Geprojecteerd op een groot scherm en in een donkere ruimte met witte vierkante kussentjes, om er knus bij te gaan zitten. Ik was van de ene kist naar de andere gelopen. In een eigenaardige samenloop van omstandigheden. Perplex en om van de vreemdheid der dingen te bekomen ging ik toch even zitten en alsof de goden het afgesproken hadden klonk als door een megafoon, ‘Le sonneur‚ De klokkenluider’ van Emile Verhaeren. Het gedicht beschreef het tragisch lot van een man die in een brandende kerktoren de klokken luidde tot de toren instortte, en de klok zijn graf werd. Hoe kon een levende ziel hier nog van bekomen. Overdonderd besloot ik de dingen te laten zoals ze waren en liep zonder nog iets van de tentoonstelling te bekijken, kwaad en aangeslagen terug naar buiten. Ik sprong op mijn fiets, reed voorbij het lege plein voor de kathedraal en liep aan de pizzeria van Da Giovanni de trappensteeg weer op. De ober groette me in het voorbij gaan. ‘Buongiorno’! ‘Buongiorno’, schreeuwde ik terug. Zijn warme groet schoof als een Napolitaanse pizza voor het duister van de dag. Ik moest wel van deze stad houden, in het volle besef dat het de plaats is waar ik zoals alle andere bewoners, ook iedere herfst, als pizzadeeg in de zon, afbladeren moet.

il-pizzaiuolo-franceso-de-bouchard

 Il pizzaiuolo (Francesco De Bourcard 1847-1866)

 

Het jongetje moet een jaar of zeven geweest zijn. Hij kwam het prieeltje binnen gelopen en het eerste wat ik zag waren de pientere, blauwgrijze ogen waarmee hij de omgeving in zich opnam.
Niet de ogen van een kind van die leeftijd, dacht ik.
Hij zette zich op de bank tegenover mij en toen hij zich over zijn fototoestel boog, zag ik dat hij aan een ernstige vorm van kyfose leed. Voorzichtig verschoof ik mijn blik naar de grootvader die met een fototas in zijn handen, naast het kind kwam staan en zag de vertwijfeling in zijn ogen.
De bezorgdheid en de onmacht die hij als grootouder altijd en overal mee zou dragen.
Het kleinkind zal geen kind als alle andere zijn, nooit als de andere volwassenen.
Hoe moeilijk het voor hem later wordt, of al geweest is. Hoe het kind zich een plaats zal moeten veroveren in een wereld die ons langs alle kanalen, het verwrongen beeld van perfecte mensen met perfecte lichamen opdringt. De jongen hield een rooskleurig fototoestel in zijn handen geklemd en was zich in zijn kinderlijk enthousiasme niet bewust van de bezorgde blikken.Verrukt riep hij uit hoe gezellig het was in het prieeltje.

Die enkele minuten, waarin wij elkaar als onbekenden troffen, legden zich in één klik in mijn geheugen vast, als de foto die het kind niet nam, omdat hij gelukkig was.

20161203_131738_resized-2

 

Je ligt in een strak opgemaakt bed tussen witte gesteven lakens. 
Naast jou, de afstandsbediening die het bed met één druk op 
de knop wat lager zou kunnen zetten, zodat je er uit kan stappen.
Mocht je hand die knop kunnen bereiken, mocht je geest die knop kunnen bereiken. 
Er staat ook een tafel en een stoel. Verder niets. 
Ik vraag of je thee wil. Je glimlacht slechts.
Waarschijnlijk om het groene masker dat ik voor mijn mond draag, 
en het groene papieren pak waaronder ook ik, bij ieder bezoek, steeds witter weg trek.
Je ligt al weken in quarantaine. Er komt zo goed als geen bezoek.
Ik zet de thee op de tafel naast je bed, en begin te neuriën, 
steeds dezelfde klassieke melodie. Muziek is het enige wat je nog herkent.
In de kast hangen enkele jurken, een paar broeken van vervlogen snit en een regenjas 
die, hoeveel en hoelang het nog regent, je nooit meer zal dragen. 
Schoenen opgeblonken voor de eeuwigheid. 
Alleen je bloemetjesnachtkleed hangt iedere dag aan de kapstok klaar. 
Ik neem een avondjurk met een motief dat op een schilderspalet lijkt en
leg de jurk op de stoel, om als je opstaat aan te trekken.
Niemand weet wanneer je weer op zal staan. 
Er wordt niet veel moeite meer voor je gedaan.
Alleen de tien vergeelde zwart-wit foto’s naast elkaar aan de muur,
tonen wie je werkelijk was.
Een panoramische kijk op je leven als sopraan bij het Russisch Staatsorkest van Moskou.
Harpen, violen, altviolen, cello’s, hobo’s, klarinetten, dwarsfluiten,
een piano, een dirigent.
En helemaal vooraan. Jij. Mrs. Braude.
In een lang gewaad. Statig en groots. 
Alleen nog in klanken en schoonheid gehuld.  
Moskou 1952.

collection_musique-4

( E. Schiaparelli 1939)

 

De zielhond

Het was al iets na de middag toen ik met de ziel, die als een hond zonder leiband achter mij aanliep, van uit het park naar de gaarkeuken van de Plataan in de Blindestraat vertrok. Hij had behoefte aan koffie en wat warmte en liep zo snel als zijn verkleumde ledematen het toe lieten. Af en toe keek ik om, om te zien of de ziel mij nog volgde. Onderweg begon het te regenen en ik zag dat de ziel doorweekt raakte. Binnen afzienbare tijd zou hij dezelfde geur als een natte hond verspreiden en ik versnelde mijn pas. Op een bank voor de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, die naast de Plataan gelegen was, trof ik Fred Bervoets in het gezelschap van Adriaan, zijn kleine witte hond.

Als altijd hing zijn groene regenjas over de te smalle schouders en tussen zijn duim en wijsvinger, schroeide een groene Michel. Ik begroette hem en liep door de poort van de academie de binnentuin in. In de tuin stond een beeld waarvan ik dacht dat het nog ademde en in zijn materie leefde. Zoals Michelangelo’s Pietà leefde, toen zij nog niet achter een glazen plaat stond, en je in de gepolijste koelte een heldere stroom gewaar kon worden, die door de marmeren aderen van de moeder en de zoon vloeide en hen vervulde met het elixir van eeuwig leven. Langs het gelaat van de Pietà druppelde toen een traan die geen traan was maar een druppel goud.

Het beeld in de tuin was van Gaspard Joarlette. Uit arduin gekapt, en het weende nog niet.

Op de binnenplaats van de Plataan bond ik de ziel aan een ijzeren stang, naast de witte hond van Fred en stapte de refter binnen. Ik hoorde de ziel zacht janken maar ik schonk hem geen aandacht, in de hoop dat hij vanzelf zou ophouden.De chef-kok verwelkomde ons met een grote kop koffie en vroeg hoe het ons ging. Ik voelde meteen dat ze het gewoon waren om daklozen en honden met vreemde baasjes op een dergelijk menselijke manier te ontvangen, iets wat de dakloze man die tegelijk met mij en Fred binnenkwam, scheen te verbazen. Het was iets wat hij niet meer herkende en kroop van verlegenheid en schaamte in zijn denkbeeldige marmeren schelp, waar hij zich schuil hield voor genegenheid als was het een regenbui. De schelp werd plots zo broos en doorzichtig als wat.

Buiten begonnen de ziel en de witte hond, tegelijkertijd te blaffen. Alsof ze onraad roken en iets onwaarneembaar hun baasjes bedreigde. Ik liep naar buiten hurkte neer tussen de ziel en de witte hond en aaide hen beiden tegelijkertijd over de rug.Het blaffen van de ziel ging nu over in een onbedaarlijk gejank en ik maakte hem los van de stang. Zo stil als wat trippelde hij mee de refter in. Achter mij zag ik de afdrukken van zijn pootjes op de tegels verschijnen. Niemand die er iets over zei. Ik vroeg nog een koffie en drie klontjes suiker. Eén klontje gaf ik aan de ziel. Voorzichtig likte hij er aan, en terwijl ik in mijn koffie roerde, zag ik dat hij smolt. 

20161119_105218_resized-versie-3

kwal-19574059

Angst is een strand vol rode kwallen,
wanneer de zee der illusies
zich traag teruggetrokken heeft,
blijft zij, glazig loerend 
op het zand achter.

 

 

Voor zover ik mij herinnerde had ik haar nog nooit een winterjas weten dragen, ze had er geen nodig omdat ze zich altijd in een auto wist te verplaatsen. Zelfs om naar de overkant van de straat te gaan nam ze de auto. Toen ze haar eerste auto tot schroot reed was ze zo aangeslagen dat ze overwoog haar appartement op te zeggen om in het gedeukte vehikel te gaan wonen. Zij en ik, deels opgegroeid in een garage annex benzinestation, het parfum van motorolie in onze haren en grootouders wiens kleren en handen altijd naar diesel, super en twee-takt geurden, wisten als geen ander wat het betekende autoloos te zijn. Dat was voor ons even dramatisch als dakloos of kinderloos.

Vandaag belde ze mij vanuit een klerenwinkel in de stad. Ze was op zoek naar een winterjas en stuurde me met haar mobiel vier foto’s van jassen waarvan ze dacht dat het winterjassen waren en vroeg mij wat ik er van vond. Ik bekeek de jassen, duidelijk gefabriceerd in een land dat de arbeidswetten aan zijn plastieken slippers lapte en werknemers als slaven behandelde. Vergeet het zusje, berichtte ik terug. Koop asjeblief geen treurige vodden. Nu je geen auto meer hebt, je baan kwijt bent, Donald Trump president van de Verenigde Staten is, de oorlog voor de deur staan en jij overal met een city bike heen zal moeten, raad ik je een lange, gevoerde parka aan. Te koop in de betere kledingzaak, of tweedehands. Groen is de kleur. Ik verwacht je vanavond voor het eten.

Tegen alle wetten van de logica in vond zij diezelfde dag naast een winterjas, ook nog een nieuwe baan. Een droombaan. Op haar contract stond dat zij vanaf heden slaapconsulent was. Terwijl ik uien voor de saus stond te snijden, liet ik mijn tranen de vrije loop. Hoeveel duizenden spaghettislierten had ik sinds mijn prille jeugd voor haar en ontelbare anderen al gekookt. En zij werd slaapconsulent. Laurentius van Rome, beschermheilige van bibliothecarissen, koks, pastei- en banketbakkers, kolenbranders en brandweerlieden, keek mij van aan de muur verbleekt aan, alleen hij wist hoe mijn culinaire verdiensten zich opstapelden, in één toren tot aan zijn hemelse blik. Zoals de wafels van Madame Pheip, aan het einde van een Nero stripverhaal. Zwijgend aten we die avond onze pasta op. 
Zij zat te stralen in haar nieuwe hoedanigheid. Toen ik langzaam besefte dat zulke wonderjobs werkelijk bestonden, begon ik die nacht en de nachten daarop, luidop te dromen. Op een ochtend sms’te ik haar : Zoeken ze in de beddenwinkel nog een extra collega zusje ? We wisten allebei dat onze vorige samenwerking geen succes was geweest en een herhaling hiervan, kon hoe zeer het haar ook speet, niet meer tot de mogelijkheden behoren. Ik kreeg geen antwoord. De volgende dag belde ik haar op.
‘Ik kan nu niet met je praten want er zijn klanten’, fluisterde ze door de telefoon.
‘Het duurt maar heel even’, zei ik.
‘Wat is er dan zo dringend?’
‘Ik kan sinds jij die baan hebt niet meer slapen.’
‘Hoezo?’
‘Als ik blijf koken, vrees ik dat er binnen enkele jaren, alleen nog maar pasta en saus in mijn hersenpan over blijft. Dan moet jij misschien voor mij zorgen.’
Ze zuchtte geĂŻrriteerd en haakte onmiddellijk in.
Tussen het geruis van zijden beddengoed, zachte donsdekens en matrassen met springveren, werd zij die dag, een fonkelnieuwe nachtmerrie gewaar.

20161112_111254_resized

 

Op zoek naar een flesje nagellak dat ze niet kon vinden, of eerder, niet meer bestond, liet ze me een voormiddag lang, alle kasten overhoop halen, tot ze ineens bedacht dat het waarschijnlijk tussen alle andere spullen, gewoon in de badkamer lag. Lichtjes zuchtend trok ik de deur van de badkamer achter mij dicht, ging op de rand van het bad zitten en draaide de kraan open. Wat zou ze willen dat ik zocht als de nagellak gevonden was. De nagelknipper, de vijl, het pincet, de wimperkrultang misschien. Tijd schilferde af in haar manicure. Ik liet het bad vol heet water lopen en met mijn hoofd in de damp, dacht ik al gauw aan niets meer. Al wat verloren, gezocht en gevonden moest worden ging op in stoom, alleen de korenblauwe bloemen op de wasmand zag ik nog, verstild in een hoek.
Bij iedere verhuis had zij die mand meegenomen, van de ene badkamer naar de andere gebracht, en hadden de bloemen een blauwdruk in mij achtergelaten alsof ze niet van plastiek, maar van een zeldzame materie waren, en in een hoek van mijn geheugen als in een vaas van de tijd hadden gestaan, om mij vandaag eindelijk hun mysterie te onthullen. Hun aanblik bracht een soort kalmte in het rusteloze van ons bestaan.
Damp steeg op tot aan het plafond.
Ik verplaatste de mand naar een andere hoek, maar er veranderde niets, de mand paste overal, in elke hoek van een andere en toch eendere kamer. Uiteindelijk keerde ik haar om en vond een flesje dissolvent en ook nog een moleculair deeltje van mijn wezen terug. Gerustgesteld liet ik het bad weer leeglopen, keerde zonder nagellak naar de woonkamer terug en begreep dat het misschien mogelijk was, om ons in madeleine koekjes en wasmanden te huisvesten, tot we terug de machine in moeten, en gewassen worden.

20161106_111400_resized