Oostende, Koningin der Badsteden

 

Om kwart na acht in de ochtend ontvluchtte ik met een boek en een zonnebril in mijn tas het huis. Het was de veertiende dag op rij dat van bij het ochtendkrieken een drilboor in mijn denken werd gezet en met een niets ontziende hardnekkigheid elke mogelijke poëtische gedachte doorboorde. Dag na dag elk pogen tot dromen bij de wortel uittrok en ontzenuwde. Ik nam de trein naar Oostende in de hoop dat de aanblik van de zee en een frisse bries mij tot rust zou kunnen brengen.

In een halfvolle coupé zat een reiziger met een laptop op schoot en een koptelefoon op het hoofd drukke gesprekken te voeren.Uit één van de gesprekken begreep ik dat de reiziger een woordvoerder van het WWF was en in contact probeerde te komen met Johan Vande Lanotte, de burgemeester van Oostende. De burgemeester had, na enkele klachten over de agressieve aanpak van sommige fondsenwervers in zijn stad, besloten hun vergunning om fondsen te werven in te trekken. De woordvoerder verontschuldigde zich voor het enthousiasme van sommige jonge wervers en legde er de nadruk op dat de meeste verhalen over WWF positief waren, maar dat één negatief verhaal natuurlijk de pers haalde. Bij het uitstappen in Oostende verontschuldigde de woordvoerder van het WWF zich tegenover de medereizigers voor de drukte tijdens de reis. Ik antwoordde dat het helemaal niet erg was, hij trachtte ook maar zijn werk te doen en wenste de verdediger van het World Wide Fund for Nature veel succes in zijn onderhandeling met de burgemeester van Oostende. Natuurlijk had ik sympathie voor zijn zaak, gans mijn kindertijd was ik lid geweest van wat toen nog De Pandaclub heette en later het WWF werd, een niet onbesproken wilde berenclub. Als vanouds hoorden daar dieren bij die overenthousiast uit het struikgewas sprongen en de voorbijganger verpletterden met praatjes over het beschermen van de natuur, iets waar zich in de winkelwandelstraat niemand voor interesseerde.

Toen we in Oostende uitstapten, was het eerste wat mij op het perron tegemoet kwam een groepje studenten in kanariegele T-shirts. Zij deelden flyers uit die het shoppen in Oostende moesten promoten. Niet echt een onthaal waar je naar uitkijkt als je uit de stad komt en je je erop verheugt de zee te zien. De koningin der badsteden gepromoot als shopping mall. Dan toch nog liever de wilde fondsenwervers van het WWF. Ensors geraamte draaide zich schaterlachend om.

Ik versnelde mijn pas en moest tot mijn ergernis nog tussen enkele rode ingedeukte metershoge dozen laveren die als kunstwerk in het midden van de zeedijk waren neergepoot en mij zowel de adem als het zicht op de zee ontnamen.
De boodschap van Arne Quinze miste duidelijk zijn doel. De beelden ontnamen de toeschouwer de kans te kijken en waren niet in de ruimte geïntegreerd. Alle mogelijkheid tot het verder schouwen werd afgeblokt. Op mij hadden ze dezelfde uitwerking als een rode lap op een in de arena aantredende stier.
Haastig daalde ik de dijktrap af die op het strand uitkwam. In lotushouding zat daar in het zand een drie meter hoge boeddha in een licht blauwe verschoten kleur. Achter de god van de verlichting was een Beach Bar opgetrokken, ingericht met blauwe parasols in hetzelfde baby blauw, plastieken palmbomen en witte strandstoelen. Uit de luidspreker spuwde een rapper zijn gal, zijn woorden vlogen als vliegende kwallen door lucht.

Welkom in Oostende, O Koning van vergane glorie! Gelukkig lag het gedicht van Pessoa er nog, gebroken in zijn blauwe steen. En was de zee nog steeds hetzelfde, en waaide er een sterke wind, zodat als je dichtbij de vloedlijn, het werelds geruis niet meer kon horen.

Een uur later, ik had mij net een kuil in het zand gegraven van waaruit ik de dag, turend naar de zee zou doorbrengen, viel er ineens een heftige regenbui uit de hemel. De blauwe boeddha barstte voor het eerst in de geschiedenis in tranen uit. Geen ziel die onder de lekkende parasols beschutting vond.

Ik kroop uit de natte kuil, rende over de dijk tot aan de Venetiaanse Gaanderijen, waar koning Boudewijn verkleumd zijn kraag ophield en werd uit het met bliksems verlichtte Niets een gloednieuwe tearoom binnen gezogen. Sneeuw een Tibetaans Tearoom, las ik op de pancarte. Een sympathieke Tibetaan bracht me de kaart.
Een waaier van culinaire mogelijkheden plooide zich open, van momo’s tot daal soup of wafels met slagroom en cappuccino, alles kon je in dit paradijs bestellen. Trump en Macron zwaaiden van op een beeldscherm dat de helft van de tearoom in beslag nam een voor mij onzichtbaar publiek toe. Aan de muur wapperden vlaggetjes met windpaarden. ‘Wat mag het zijn?’ vroeg de Tibetaanse man in een feilloos West-Vlaams. ‘Een cappuccino graag.’ Ik kreeg hem geserveerd met een speculaasje van Lotus erbij. Het in de cappuccino gedoopte koekje smolt Proustiaans tegen mijn gehemelte, het neerstorten van de regen op het dak van Tibet overstemde alle geluiden. Als vanzelf verzonk ik in mediatie en kon van het werelds geruis al gauw niets meer horen. Toen ik weer ontwaakte scheen de zon.

Op weg naar het station stapte ik nog snel het antiquariaat van Monsieur Albert binnen. Van achter zijn boeken keek hij verstrooid op. Hij had net een gedicht geschreven, een ode aan zijn overleden vrouw. In het Frans en met veel krullen. Ik vroeg of hij nog iets speciaals in huis had en hij antwoordde dat ik maar eens moest zoeken. Als een zeldzaam strootje in een hooiberg vond ik een biografie over de violist Jascha Heifetz tussen de boeken, geschreven door Wenneke Savenije. Tevreden over mijn vondst noteerde Monsieur Albert de aankoop van het boek met drukletters in het boekhoudkundig schrift. ‘Kijk eens, voor de aankopen gebruik ik een ander schrift.’ Fier liet hij mij het verschil tussen zijn boekhoudkundig en het muzikaal geschrift met de krullen zien. Daarmee had hij voor zichzelf een duidelijk onderscheid tussen de dichter en de handelaar in boeken willen maken. We schoten allebei in de lach. ‘Doe als je wil mijn papieren vrienden in Antwerpen de groeten.’ En met Jascha Heifetz onder de arm liep ik voorbij de baby blauwe boeddha en de ingedeukte rode dozen terug naar het station. De gele flyers die het shoppen in Oostende moesten promoten, kleefden mistroostig en gescheurd op de natte grond.

 

20170714_124948_resized
Koning Boudewijn (Josyane Vanhoutte)

 

 

De tijd is een jager

 

Van in een bootje dat aan de kust lag aangemeerd belde ze mij op om te vertellen dat ze in de Middellandse Zee tussen de dolfijnen ging zwemmen. ‘Ik wist niet dat je kon zwemmen,’ antwoordde ik. ‘Nee, het is niet echt zwemmen wat ik ga doen, maar in een grote rubberen band dobberen op zee.’ Als in een fresco aan de muur van een paleis in Knossos zag ik haar in het water drijven, door opspringende grijze Minoïsche dolfijnen omringd. Het gesprek kabbelde verder op de golven van haar stem en toen ik door de telefoon de motor van een boot hoorde starten namen we afscheid. ‘Verdrink niet en let op voor verdwaalde haaien,’ zei ik nog snel, maar de stem aan de andere kant was al verdwenen. Waarom ze nu ineens in een rubberen band in de zee wilde dobberen was me een raadsel.

Wie was deze op een kinderlijke manier altijd enthousiaste en opgewekte vrouw?
Zo kende ik haar niet. Haar sterrenbeeld was waterman maar ze hield niet van water en ook niet van vliegen, zij was een aardwezen, pur sang. Wat wist ik eigenlijk van haar innerlijk leven? We zagen elkaar niet vaak en als we samen waren wisten we niet wat we tegen elkaar moesten zeggen. Meestal ging ik bij haar op bezoek met mijn zus die het gesprek voerde en het moeiteloos een paar uur gaande kon houden. Zij vloeide doorheen ons leven zoals een rivier in zijn bedding en dat was blijkbaar genoeg.

Enkele jaren terug deed ik haar een gedichtenbundel van Anna Achmatova voor haar verjaardag cadeau. Toen ik vroeg of ze het gelezen had en wat ze ervan vond antwoordde ze dat het was alsof het boek voor haar geschreven was. Meer viel er niet te vertellen en naast mijn eerste verzen waren het de enige gedichten die zij tot op heden las.

Terwijl mijn moeder in de Middellandse Zee dreef dacht ik terug aan een literair moment dat vooral uit woestijn en droogte bestond, zandkastelen gebouwd aan de vloedlijn van het bestaan. Het was midden in de zomer en onder een klamboe die als een sluier tussen mij en de wereld hing, lag ik eindeloos te dromen. Een glas muntwater met ijsblokje in de ene hand en The Seven Pillars of Wisdom van T.E. Lawrence in de andere. Op het nachtkastje rinkelde mijn eerste mobiele telefoon.
La coneja blanca Martina vroeg of ik zin had om naar de film te gaan, in Kinepolis vertoonden ze Lawrence of Arabia. In de zwoelheid van de avond reden we erheen in haar kever zonder airco. Bijna vier uur lang keken we zonder één woord te wisselen naar het gigantische scherm, de ijspralines smolten op onze schoot. Het was de vijfde keer dat ik Lawrence of Arabia zag. En na El Sol del Membrillo (De Zon van de Kweeperenboom), de tweede film waar ik met La coneja blanca naartoe ging. In beide films kwam geen enkel vrouwelijk personage in beeld.

Zowel het verstilde beeld van een man die op zijn patio een perenboom in alle seizoenen schilderde en geen woord sprak, als het heroïsch epos, de eindeloze zandvlakten, de wind die door de woestijn waaide en T.E. Lawrence de geur van de leegte noemde, hypnotiseerden mij. Wat La coneja erin terug vond heb ik nooit kunnen achterhalen. Misschien zochten wij die dag vergetelheid voor iets wat we ondanks alle woorden, niet konden vertalen.

De dag daarna vertrok zij in haar kever naar Madrid en waadde ik met mijn kudde gedachten, door roze flamingo’s, zwarte stieren en wilde paarden geflankeerd, langs de waterweilanden van de Camargue. Hevige stormen en gure mistrals brachten me drie seizoenen later van de kust naar de ravijnen van de stad terug. De tijd waar in de weilanden niemand vat op had en niet eens leek te bestaan, liep nu als een jager voor mij uit en joeg de kudde die verwilderd over de steppe van mijn wezen rondzwierf ongenadig voort. Af en toe hoorde ik uit de huls van de tijd een kogel ontsnappen en hield de grazende dieren dan dicht bij elkaar. De pas geboren dieren liepen onder de weidse hemel meestal achterop. Op een ochtend, de kudde sliep nog, werd er van dichtbij met hagel geschoten. De oudere dieren gingen op de vlucht, veulens stierven onder hun moeders pas ontloken ogen, de donkere wimpers nog dicht van de slaap.

‘De tijd is een jager’, schreef ik in mijn dagboek, hij richtte een bloedbad aan en van de kudde bleven maar enkele dieren over, waar ik mee verder trok.

Het was eind mei toen ik met de uitgedunde kudde terug aankwam op de plek waar ik vertrokken was. Aan de kust van Les Saintes-Maries-de-la-Mer waadden vier mannen met de zwarte patrones Sainte Sara door woest opspattende baren om haar in zee te baden. La coneja blanca kwam me van tussen een menigte van paarden en mensen met een baby in haar armen tegemoet, het kind geurde naar salie en rozemarijn. Aan de horizon dobberde mijn moeder in een rubberen band, blauwgrijze dolfijnen omringden haar. Ik zag haar benen onder water spartelen, iets naderde haar in het fresco van ons uitvloeiend wezen.

 

il-membrillo-antonio-lopez
“El membrillo”, Antonio López García

 

 

 

Het hoofd

 

Het hoofd lag tegen de baleinen van de omgevallen parasol, zo blauw als een walvis te zieltogen en vroeg zich af hoe het verder moest, nu hij ontslag van zijn taken gevraagd en gekregen had. Na lang geknikt en geschud te hebben, zijn woorden gewikt en gewogen op de balans van het grote geduld en tenslotte omdat het niet anders meer kon. Het hoofd geen uitweg meer vond, de ogen geen mogelijkheden meer zagen. Het zicht op de dingen versleten was en er voor zulke vormen van bijziendheid nog geen bril bestond. Zijn reukorgaan, door wolken oud stof verstopt, onophoudelijk niesde en snoof alsof hij een chronische sinusitis had, alweer een gebrek. Een hoofd met zoveel gebreken, daar had niemand wat aan. En zo kwam het onvermijdelijke steeds dichterbij. En lag het hoofd lichtjes bedwelmd door de geur van lindebloesems tegen de baleinen van de parasol te bekomen van zijn ontslag. Een ander hoofd dat vanachter het blauwe zeil uit het ongewisse verscheen, vroeg hem hoe het nu verder moest. Het hoofd rolde met zijn ogen en trok meelijwekkend de wenkbrauwen op. Het kon niet antwoorden en kreeg van het andere hoofd een harde trap. Als een bal vloog het hoofd vanonder de parasol de lucht in, stuiterde de trappen van een Napolitaanse steeg af en rolde rood aangelopen en diep geschrokken over het strand de zee in. Een walvis slokte hem in één keer op. De zon trok zich van schaamte achter de horizon terug. Uit de Vesuvius stegen witte rookpluimen op.

bluewhale_1971029b 2

 

Clizia

 

Sotto l’anima
del cielo,
il girasole si
gira verso
il Sole
Ineluttabile

1881 The Artist's Garden at Vétheuil oil on canvas 80 x 65 cm Private Collection
Claude Monet (1840-1926) 
 Le jardin de l’artiste à Vétheuil

De haas

 

Met de handen op haar heupen geplant stond zij achter de toonbank, tussen karkassen, gedroogde hammen en vleeswaren in fijne plakjes uitgestald.
Ze had een witte katoenen hoed op en een witte voorschoot aan en met die goedmoedige, ietwat flegmatische blik van haar, vroeg ze wat ik hebben wou.
Ik staarde naar de rode homp die ze van de haak haalde en antwoordde niet. ‘De hazenpaté hebben wij gisteren gemaakt. Onze leerjongen heeft de haas hier zelf uitgebeend, hij is zo vers als ik weet niet wat.’ Mijn blik schoot alle kanten op. ‘Honderd gram petit Paris dan maar, zoals gewoonlijk, of weet je het nog niet?’ De slagersvrouw van Vermeulen ontroerde mij, in al haar eerlijkheid. ‘Ik wil eigenlijk niets mevrouw, ik kwam vandaag alleen maar kijken naar uw blik waarmee u de tot charcuterie versneden dieren en de mensheid die dit alles tot zich neemt, zo zachtmoedig aankijkt. Dat heb ik lang niet meer in deze stad gezien zo’n blik, ook niet in de ogen van vegetariërs. Het is een troost mevrouw, in het onophoudelijke lijden van de wereld, uw ogen te zien.’
Het hoofd en het hoedje wat schuin houdend, nam zij mij met haar ogentroost, blauw als vergeet-mij nietjes, een beetje onbegrijpend op en vroeg nogmaals, wat het was dat ik hebben wou. ‘Ik wil eigenlijk niets mevrouw, ik kwam alleen maar kijken naar uw blik, waarin als goudspikkels in het heelal, al uw liefde voor de mensheid en de dieren ligt vervat.’ Ze glimlachte mat, haalde haar schouders op en begon haar messen te slijpen. Zo mak als een lam dat naar de slachtbank wordt geleid liep ik terug naar buiten, het slachthuis van de wereld in. In mijn handen klopte het hart van de haas, zijn poot bewoog de grashalm waar ik mee schreef.

 

felix-bracquemond-after-albert-de-balleroy-the-hare-ca-1860
Felix Bracquemond (1833-1914) Le lièvre

Medusa

 

In de vooravond van 20 mei viel ik met mijn hoofd op het boek dat ik aan het lezen was in slaap en werd de volgende ochtend om kwart na vijf wakker met het beeld van een slang die uit een katoenen zak kroop. Het leek alsof ik maar enkele minuten had geslapen, maar toch was er een ganse nacht voorbij en kwam ineens de zon weer op. Waar die slang vandaan kwam begreep ik niet. Eerst was ik van afschuw vervuld maar besloot het dier met de vreemde voortglijdende platte kop te volgen om te zien waar het precies naartoe ging. Zolang ze haar gespleten tong in haar bek hield was er geen reden tot angst. Het leek me geen gevaarlijk dier, het zag er alleen eigenaardig uit, zo vroeg in de ochtend, maar minder afschuwwekkend dan een spin op dit uur zou geweest zijn. De slang kroop, met haar kop heen en weer schuivend, langs mijn neerliggende arm omhoog, zodat het geheel plots op een caduceus leek, waarvan de tweede slang die het symbool vormde ontbrak. Hermes, de god van de slaap en de dromen had mij door de aanraking met zijn gevleugelde staf laten inslapen en mij met één slang rond de arm weer gewekt. Ik vroeg me af waar het andere serpent naartoe was.

Met de slang rond mijn arm stond ik op, zette zoals iedere ochtend koffie, en bladerde verder door het boek van de metamorfosen dat mij de ganse nacht als hoofdkussen gediend had. Ik zocht naar de afbeelding waar ik iets over wilde schrijven, maar voelde dat het verhaal nog niet rijp was. Als bij een bas-reliëf zag ik de contouren van de vorm, maar het verhaal van Perseus en de Gorgonen zat nog vast in de steen en gaf zijn geheim niet prijs.

Had ik te lang naar Medusa gekeken, of net niet lang genoeg? Wie haar aankeek versteende, woorden verpulverden onder de beitel van haar blik. Perseus, uit een gouden regen geboren, hield haar afgehakt hoofd in zijn hand, aan zijn voeten lag haar lichaam tussen vleugels neergestort. Wat was het waar ik mij blind op staarde, een blikkerend schild in het oog van de zon? Pegasus vloog op uit het koraal van haar druppelend bloed.

De volgende nacht kroop er door de kier van een droom een andere, zwarte slang, op mij af, haar kaken waren opengesperd en in de bek blikkerden sikkelvormige giftanden. Dit moest de slang zijn die aan de gevleugelde staf had ontbroken, maar wat dichterbij kwam was een dodelijke beet. Ik rechtte mijn rug tegen het kussen, greep met één hand het naderend dier achter de kop, klemde met de andere hand de kaken dicht en draaide de zwarte slang in één beweging de kop om. Ik hoorde iets sissen en toen werd het stil. De andere slang die nog rond mijn arm lag gleed weg zoals ze gekomen was. In de tuin van de Hesperiden, onder de boom met de gouden appels, fonkelden de ogen van Medusa in een dichtgeknoopte zak.

575px-Rondanini_Medusa_Glyptothek_Munich_252_n2 2
(c) Rondanini Medusa Glyptothek Munich.

Le Rêve au coin du feu

 

Soms ging je met je mantel nog aan bij het vuur zitten. Je hoofd rustend tegen de wand van de schouw. Boven de gloed van de vlammen smolten de beelden van je verbeelding tot bijenwas. Buiten vroor het zo hard dat ook ’s nachts het vuur moest blijven branden. Als je sliep lag je mantel op een stoel gedrapeerd, naast het bed waar aan een haak in de muur een rode avondjurk hing. De jurk was het enige waar je in een telegram naar had gevraagd omdat alles in het atelier onder een laag van onyx en marmerstof lag en er geen kledingstuk meer overbleef waarmee je naar de opening van je tentoonstelling had kunnen gaan. Ook de hakken van je laarzen waren afgetrapt. De avond voor de opening werd de jurk je nog snel door een loopjongen bezorgd. Toen je zag dat hij een nummer droeg, trok je de gehuurde jurk weer uit en ging voorgoed nergens meer heen. Tevergeefs wachtte men op jou en de beeldengroep die in het atelier op een sokkel bleef staan. Je ging terug aan het werk in je oude jurk en fluwelen mantel. De nacht trok weg, wit als marmer, de droom verteerde je. Als het maanlicht door de spleten van de luiken naar binnen viel, leek het alsof de mantel iets menselijks kreeg, het fluweel ademde en de kilte buiten hield. Niets in jou kon vermoeden dat de ergste koude nog moest komen.
De mistral door je heen zou snijden, achtentwintig winters lang. De mantel niet alleen je buitenkant maar ook je binnenkant zou beschermen. De zoom tot op de draad van je ziel zou verslijten. Het ondoordringbare landschap zou bedekken dat steeds ontoegankelijker en onherbergzamer werd. Tot je op de top van een berg in de Vaucluse een woestenij van uitzichtloosheid bereikte. Je alleen nog achterom kon kijken naar het dichtgetimmerde raam dat na die nacht bij het eerste daglicht stuk werd geslagen en je angstig en verwaarloosd uit je atelier werd weggerukt. Die nacht dat je besloot je mantel aan te houden, lang nadat het vuur was gedoofd en in een droom twee marmeren leeuwen ontwaakten. Het maanlicht om je schouders gedrapeerd.

Claudel_Reve-Coin-Cheminee_Dra

Le Rêve au coin du feu (Camille Claudel 1864-1943)
(c) Musée des Beaux-Arts, Draguignan

De stoel van Camille Claudel

 

De beeldhouwster Camille Claudel (1864- 1943) bracht de laatste dertig jaren van haar leven in een inrichting door zonder dat zij ooit nog een werk creëerde. Een dergelijk wreed lot valt niet te bedenken zonder onmiddellijk de wrangheid van dat lot te voelen en vooral de noodzaak er iets tegenover te zetten.

Sakountala, La petite Châtelaine, La Vague, Les Causeuses, La Valse, Persée et la Gorgone, het oeuvre dat ik als student leerde kennen stond in het museum van mijn geest onder een laken tegen het stof. Ik trok het doek weg en bekeek de beelden waarvan het levendige mij nog steeds aantrok en opzoog als water in klei. Bij het invallen van de nacht dekte ik alle beelden terug af en trof achter de deur van een andere kamer het portret van Camille Claudel aan, zittend op een stoel.

Het is de enige foto die in het gesticht van Montdevergues van haar genomen werd. Ze was toen 65 jaar. William Elbourne, de echtgenoot van haar Engelse vriendin en beeldhouwster Jessie Lipscomb nam de foto tijdens een uitzonderlijk toegestaan bezoek. Het portret van de gelaten, wat ineengedoken vrouw, ’in een afgedragen mantel en een oude hoed van de Samaritaine’ *, die ooit de grootste beeldhouwster van haar tijd was en al dood verklaard werd toen zij nog leefde, schreeuwde nog steeds om een justificatie.

Het lichaam in de stoel waar ze mee vergroeid lijkt en het immens trieste van haar blik hechten zich in al hun verlorenheid in mijn wezen vast en creëren de noodzaak iets tegenover het onrecht en het schrijnen te zetten. Een mogelijkheid om het korte ogenblik van schoonheid in het oeuvre dat ze achterliet opnieuw tot leven te wekken. Een beeld te scheppen dat tegenover al die geleden pijn en teloorgegane passie kan staan. Iets wat haar bij leven, en nu als nagedachtenis had kunnen ontroeren. Troosten, misschien. Iets tegenover de wrede stilte van de stoel te plaatsen waar ze dertig jaar in vast zat zonder dat iemand een gebaar maakte waardoor ze had kunnen opstaan.

Nochtans werd ze enkele jaren na haar verplichte internering zo goed als genezen verklaard van haar vervolgingswaan. Het was haar moeder Louise Claudel en ook haar broer, de schrijver en diplomaat Paul Claudel, die ervoor zorgden dat ze nooit meer uit de inrichting kwam ondanks de medische positieve adviezen. De opdracht van Louise Claudel om haar dochter in een compleet isolement te houden komt in alle correspondentie met de artsen en directie van de twee inrichtingen telkens weer terug. Die opdracht, altijd in het rood onderstreept, werd door hen zorgvuldig uitgevoerd.

Camille Claudel bracht volgens de directeur van de inrichting al haar tijd door met het schrijven van brieven. Maar niets van wie zij is geweest en zij al schrijvend bijeen probeerde te houden, raakte ooit nog buiten de muren van het gesticht. De brieven die ze schreef werden op vraag van haar moeder door het verplegend personeel achtergehouden of vernietigd. Ze getuigden van een heldere geest die slechts naar vrijheid hunkerde en niets liever wou dan naar huis terugkeren. In een brief van 3 maart 1927 schreef ze aan Paul Claudel: ’Ik schreeuw het uit om vrijgelaten te worden. Mijn droom zou zijn om meteen naar Villeneuve terug te gaan en er niet meer vandaan te komen. Ik zou nog liever een schuurtje hebben in Villeneuve dan hier eersteklas te zitten als pensionaire.’

In een andere brief van 2 februari 1927 verduidelijkt Camille Claudel dat er tussen de eerste en de derde klas helemaal geen verschil is. Ze kookte haar eten zelf, voornamelijk eieren en aardappelen, uit angst om vergiftigd te worden en omdat het eten het hele jaar door ’éénzelfde grote vette kliek’ was. Tevergeefs blijft ze haar broer smeken haar uit de inrichting weg te halen. Gedurende de dertig jaar opsluiting komt Paul Claudel haar twaalf keer bezoeken. Haar zuster één keer en haar moeder geen enkele keer.

Op 19 oktober 1943 sterft ze door iedereen vergeten en wordt begraven op een begraafplaats van de inrichting. In 1955 is het graf reeds geruimd.

26 maart 2017. Achter de deur van een kamer in het museum van Nogent-sur-Seine staat zij op uit haar stoel. De stoel die je alleen nog kan koesteren, want iedere vezel van haar lichaam bewoonde hem. De poten, het plateau, de rugleuning met bijenwas ingewreven en voorzichtig opgepoetst met een zachte wollen doek, om de afgesleten rand van het hout te bewaren daar waar haar vingertoppen rusteloos langs dwaalden, zoals zij tijdens haar kinderjaren in het bos van Le Gèyn bij Villeneuve zo vaak had gedwaald. Er voor het eerst de aantrekkingskracht van de rode klei voelde, gezoogd werd door de borst van pure aarde en opgezogen door de belofte die iedere schepping is.

De geur van het hout zal haar herinneringen bewaren, die er als de jaarringen van een boom doorheen lopen. Voorbij de rand van de eenzaamheid en de leegte waarin zij jaar na jaar verstarde, verhard als een beeld van klei.

Voorbij de rand zal iemand de stoel van aan de poten tot aan de rugleuning traag tot zaagsel vijlen en voor het overgebleven stof een kuiltje delven. Iemand zal voor haar stoffelijk overschot dat verdwenen is opnieuw een kuil moeten graven. En het zaagsel van de stoel daarin begraven. Voorbij de afgrond van haar leeg graf.

Musée Camille Claudel
Rue Gustave Flaubert 10
Nogent-sur-Seine
Frankrijk

20170504_213319_resized 3

Noten:

*(Brief van Camille aan Paul Claudel, 4 april 1932)

*(Brief van Camille aan Paul Claudel, 3 maart 1927)
Camille Claudel. Een leven in brieven. Samengesteld en vertaald door Anneke Alderlieste uit Correspondance de Camille Claudel, Anne Rivière et Bruno Gaudichon (Parijs, Editions Gallimard 2003)

Sierra Madre

 

Met de handen onder de kin, doodmoe voor me uitkijkend, nog zoekend naar een antwoord dat niet wou komen, zag ik de foto van de Tibetaanse lama die op een dag sereen en gracieus mijn leven binnenwandelde, die er door een vroege dood weer uit verdween en die ik vandaag nog meer dan al andere dagen erg miste. Het was een dag waar ik op een kruispunt kwam waarvan ik niet wist welke afslag ik moest nemen, en uren rond de rotonde bleef rijden, als een gek. Vermoeid gleden mijn handen van het denkbeeldige stuur, mijn ogen van de foto naar de rug van het boek dat twee boekruggen verder dan de foto op de boekenkast stond en las de titel Turning Tides. En begreep dat ik niet meer verder moest zoeken want het antwoord naast de foto van de lama had gevonden, zoals ik ooit hem had gevonden, of hij mij, op weg naar de Sierra Madre.

In een oneindige en van stilte doortrilde leegte, liep hij heel alleen de witte berg op. We kruisten elkaar terwijl ik langs diepe afgronden, zonder de top te bereiken, terug naar beneden liep. ’Are you already leaving?’ Ik knikte, groette hem en keerde tien jaar later langs hetzelfde pad en de afgronden weer terug. Ik droeg een lichtgroene sweater met een tekening van een regenboog. Altijd al vreemde kleren aangehad. De lama bewoog zich door de tijdloze tijd en kwam mij in een kastanjekleurige pij en een saffraangeel mouwloos vestje in de droom die wij ons droomden tegemoet.

Het was nu vier jaar en twee maand geleden dat hij naar de hoogste top van de witte berg vertrok en niet was teruggekeerd. Van de Sierra Madre tot in alle uithoeken van Vejer de La Frontera heb ik naar hem gezocht. Ergens moest hij te vinden zijn maar ik wist niet waar. Ik zocht naar een stem want als hij zong kwamen zelfs de haren recht van het tapijt waar wij op zaten. Alles wat klank was moest hem zich herinneren.

De meimaand schreed naderbij als een bruidsmeisje met een sluier van witte bloemknoppen. Voortdrijvend op het verlangen naar ontroostbaarheid liep ik door de straten van Jerez. Voor mij wiebelde het beeld van een brokaten madonna onder een hemelsblauw baldakijn van klimrozen en door vier nobele schouders gedragen deinde zij plechtig tussen de menigte en opvliegende duiven voort.

Viva tu madre! Viva tu madre! Uit de stoet van heiligen scheurde zich doorheen de stilte van de nacht in een langgerekte schreeuw de stem van La Paquera de Jerez los. Zij verhief zich in de holte tussen mijn ribben als was het de binnenkant van een cajón. Haar stem explodeerde in een oerklank waar al haar pijn en schoonheid in samengebald zat, als een prop uit haar schoot en die mij in één klank met het ontstaan verbond – het ogenblik waar een moeder het leven schenkt. Die kreet hoorde ik uit de mond van La Paquera die nacht. Als de klank die iedere geboorte is, zich herhaalt maar dan als zuivere klank en zoals alle geboorten, overal ter wereld klinkt. Uit de betovering, ontroering, de begeestering en de stilte van een mens ontstaat. Een harteklop uit de donzige borst van een vogel, voor hij uit de bron van zijn klank ontspringt.

Ik verwijderde mij uit de stoet en ging tegen de warme muur van een huis staan. Overweldigd door een intens verdriet dat onzichtbaar was gebleven en met een geweldige kracht naar boven kwam, onder de gestage slagen van een verre smid.
De mens die zo dichtbij was, versmolt in mij. Iemand moest het wel voor mij uitschreeuwen. Viva tu madre! La Paquera de Jerez. Sierre Madre.
De witte berg. De kostbare en de smid.

Mei 2017

1921934_10203440746446163_722917345_n

Lama Karta