Van in een bootje dat aan de kust lag aangemeerd belde ze mij op om te vertellen dat ze in de Middellandse Zee tussen de dolfijnen ging zwemmen. ‘Ik wist niet dat je kon zwemmen,’ antwoordde ik. ‘Nee, het is niet echt zwemmen wat ik ga doen, maar in een grote rubberen band dobberen op zee.’ Als in een fresco aan de muur van een paleis in Knossos zag ik haar in het water drijven, door opspringende grijze Minoïsche dolfijnen omringd. Het gesprek kabbelde verder op de golven van haar stem en toen ik door de telefoon de motor van een boot hoorde starten namen we afscheid. ‘Verdrink niet en let op voor verdwaalde haaien,’ zei ik nog snel, maar de stem aan de andere kant was al verdwenen. Waarom ze nu ineens in een rubberen band in de zee wilde dobberen was me een raadsel.

Wie was deze op een kinderlijke manier altijd enthousiaste en opgewekte vrouw?
Zo kende ik haar niet. Haar sterrenbeeld was waterman maar ze hield niet van water en ook niet van vliegen, zij was een aardwezen, pur sang. Wat wist ik eigenlijk van haar innerlijk leven? We zagen elkaar niet vaak en als we samen waren wisten we niet wat we tegen elkaar moesten zeggen. Meestal ging ik bij haar op bezoek met mijn zus die het gesprek voerde en het moeiteloos een paar uur gaande kon houden. Zij vloeide doorheen ons leven zoals een rivier in zijn bedding en dat was blijkbaar genoeg.

Enkele jaren terug deed ik haar een gedichtenbundel van Anna Achmatova voor haar verjaardag cadeau. Toen ik vroeg of ze het gelezen had en wat ze ervan vond antwoordde ze dat het was alsof het boek voor haar geschreven was. Meer viel er niet te vertellen en naast mijn eerste verzen waren het de enige gedichten die zij tot op heden las.

Terwijl mijn moeder in de Middellandse Zee dreef dacht ik terug aan een literair moment dat vooral uit woestijn en droogte bestond, zandkastelen gebouwd aan de vloedlijn van het bestaan. Het was midden in de zomer en onder een klamboe die als een sluier tussen mij en de wereld hing, lag ik eindeloos te dromen. Een glas muntwater met ijsblokje in de ene hand en The Seven Pillars of Wisdom van T.E. Lawrence in de andere. Op het nachtkastje rinkelde mijn eerste mobiele telefoon.
La coneja blanca Martina vroeg of ik zin had om naar de film te gaan, in Kinepolis vertoonden ze Lawrence of Arabia. In de zwoelheid van de avond reden we erheen in haar kever zonder airco. Bijna vier uur lang keken we zonder één woord te wisselen naar het gigantische scherm, de ijspralines smolten op onze schoot. Het was de vijfde keer dat ik Lawrence of Arabia zag. En na El Sol del Membrillo (De Zon van de Kweeperenboom), de tweede film waar ik met La coneja blanca naartoe ging. In beide films kwam geen enkel vrouwelijk personage in beeld.

Zowel het verstilde beeld van een man die op zijn patio een perenboom in alle seizoenen schilderde en geen woord sprak, als het heroïsch epos, de eindeloze zandvlakten, de wind die door de woestijn waaide en T.E. Lawrence de geur van de leegte noemde, hypnotiseerden mij. Wat La coneja erin terug vond heb ik nooit kunnen achterhalen. Misschien zochten wij die dag vergetelheid voor iets wat we ondanks alle woorden, niet konden vertalen.

De dag daarna vertrok zij in haar kever naar Madrid en waadde ik met mijn kudde gedachten, door roze flamingo’s, zwarte stieren en wilde paarden geflankeerd, langs de waterweilanden van de Camargue. Hevige stormen en gure mistrals brachten me drie seizoenen later van de kust naar de ravijnen van de stad terug. De tijd waar in de weilanden niemand vat op had en niet eens leek te bestaan, liep nu als een jager voor mij uit en joeg de kudde die verwilderd over de steppe van mijn wezen rondzwierf ongenadig voort. Af en toe hoorde ik uit de huls van de tijd een kogel ontsnappen en hield de grazende dieren dan dicht bij elkaar. De pas geboren dieren liepen onder de weidse hemel meestal achterop. Op een ochtend, de kudde sliep nog, werd er van dichtbij met hagel geschoten. De oudere dieren gingen op de vlucht, veulens stierven onder hun moeders pas ontloken ogen, de donkere wimpers nog dicht van de slaap.

‘De tijd is een jager’, schreef ik in mijn dagboek, hij richtte een bloedbad aan en van de kudde bleven maar enkele dieren over, waar ik mee verder trok.

Het was eind mei toen ik met de uitgedunde kudde terug aankwam op de plek waar ik vertrokken was. Aan de kust van Les Saintes-Maries-de-la-Mer waadden vier mannen met de zwarte patrones Sainte Sara door woest opspattende baren om haar in zee te baden. La coneja blanca kwam me van tussen een menigte van paarden en mensen met een baby in haar armen tegemoet, het kind geurde naar salie en rozemarijn. Aan de horizon dobberde mijn moeder in een rubberen band, blauwgrijze dolfijnen omringden haar. Ik zag haar benen onder water spartelen, iets naderde haar in het fresco van ons uitvloeiend wezen.

 

il-membrillo-antonio-lopez
“El membrillo”, Antonio López García

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s