Iets.Uit een hoed.

Chaya was net zo bijgelovig als ik en toen ze mij de Borsalino voor vijf euro, tweedehands verkocht, suggereerde ze dat het beter was er eerst wat mee rond te wandelen voor ik hem zou opzetten. Ze verzekerde me dat hij mij goed paste, ook al had hij een lange tijd op het hoofd van een man gepast en ik geloofde haar. Om de aanwezigheid van het hoofd dat nog in de hoed aanwezig moest zijn, de mogelijkheid te geven een ander onderkomen te zoeken, bedacht ze dat het best was er mee naar het stadspark te gaan, daar liep veel volk, waar het hoofd ooit bij gehoord had. Zijn nog geringste aanwezigheid zou dan vanzelf verdwijnen. Toen ik terug buiten stond liep ik meteen naar het park en ging rustig met de hoed in mijn hand aan de rand van de vijver staan. De zon scheen, de eenden peddelden in het water en voor mij op het grasperk, zat een wondermooi mollig konijntje. Op zich niets bijzonder, want er zaten ganser konijnenfamilies in het park, alleen zat dit konijn zo eigenaardig ineengedoken en stil. Verwonderd bleef ik wachten tot het op zou springen en met zijn vrolijke staart over het grasperk verder zou huppelen. Minuten verstreken, ik maakte wat zachte geluiden om zijn aandacht te trekken, maar het konijn bleef roerloos zitten.Ook voorbijgangers bleven nu staan, keken een seconde naar het konijn en dan, iets langer naar mij, om daarna hun wandeling weer verder te zetten. De hoed begon in mijn handen te trillen. Verontrust vroeg ik me af wat er met het konijn aan de hand kon zijn. Was het mogelijk dat, nu het niet meer sprong en huppelde zoals we dat van een konijn verwachten, misschien geen konijn meer was. Maar wat was het dan wel. Tot welke wereld behoorde dit ontroerend ineengedoken bolletje, de lange oren plat tegen zijn zachte, witte kop gedrukt.Toen zag ik wat elke voorbijganger in één oogopslag had gezien. Halsstarrig weigerde ik, om wat zich nog als stoffelijk manifesteerde, als vergaan te beschouwen. Ook toen zijn staat van zijn, onverbiddelijk tot mij doordrong, kon ik mij van het dier niet afwenden en bleef tot verbazing van de omstaanders, naar het konijn kijken, tot het zich van het grasperk losmaakte en weg sprong. De hoed in mij.

20161023_165200_resized

Amatrice

 

15434795

Het is drie uur in de nacht,
een duif landt op de vensterbank.
Ergens slaat een klok drie keer,
iets, verlaat opgeschrikt de wijzers van de toren,
dan wordt alles stil.
Zwaluwen verlaten hun nesten,
iets, ik weet niet wat,
luidt het einde van de zomer in.

 

Amar

 

Mijn naam is Amar, ik woon aan de rand van de stad.
Aan de achterkant van de zoo, om precies te zijn.
De benedenstad, zoals wij haar noemen, was toen ik hier kwam wonen heel mooi.
Nu zie ik haar met andere ogen. Dat ligt grotendeels aan de kooien die aan de huizen palen en aan het gebrul van dieren, dag en nacht in kooien.
Hoe mooi iets is doet er dan uiteindelijk niet meer toe.
Het is vroeg in de ochtend als ik mijn huis verlaat.
De vogels slapen nog. Aan de voet van de heuvel stopt een oude bus die twee
keer per dag naar de bovenstad rijdt, waar ik al heel lang niet meer geweest ben
Mannen, vrouwen en kinderen komen uit het niets tevoorschijn.Manden
met vijgen, dadels, brood en kaas worden in de bus geladen.We vertrekken langzaam.
De straten liggen overal opengebroken. De aanblik ontredderd ons,
we weten het maar zeggen niets.
In de zanderige stegen tussen braakliggende stukken grond, waar lege
appartementsblokken onder de hitte van de zon afbrokkelen,spelen kinderen
voetbal met een blikken doos.
Het was hier dat we elkaar voor het eerst zagen.
In gedachten zie ik de huizen ineenstorten. Stof verspreidt zich.
Alles wordt bedolven onder een ijzingwekkende geluidloosheid.
De verschrikking die ervan uitging. De omheining van prikkeldraad, daarna.
Heel langzaam leerden wij er doorheen te kijken zonder onze ogen te verminken.

Ik herinner mij het lichaam van een man dat in de schaduw van de bus roerloos
op de grond lag, een dun straaltje bloed liep uit zijn mondhoek. De vrouw
die naast hem neerknielde en zijn hoofd in haar schoot nam.
Scherven, een krater en stof, dat achter ons uit de krater opwaaide,toen we
uren later weer verder mochten rijden. Jij, steeds kleiner wordend, bleef naast
het roerloze lichaam achter, langs de kant van de weg.
De gelatenheid en het zwijgen in de bus, in de ondraaglijke hitte opeengepakt.
De onverschilligheid van de zon in alle omstandigheden, drong toen voor het eerst tot me door.
Een week later stapte je alleen terug de bus op. Je kwam naast me zitten. Ik vroeg hoe het je ging,
je antwoordde dat je niet wist hoe het met je ging, het er niet toe deed. Je moest voor je moeder,
je broer en zussen zorgen,dat was alles wat je wist. We wisselden telefoonnummers uit,
maar er werd nooit gebeld.Elke keer we elkaar in de bus ontmoetten werd je zwijgzamer.
Er verscheen wanhoop in je ogen.
Ik kon je niet helpen, je was ontroostbaar.
De laatste keer dat ik je zag drukt je bij het uitstappen een zandroos in mijn hand en
zei dat als de roos bloeide, de stenen terug zouden beginnen spreken.
De tijd ging voorbij maar ik zag je niet meer.
De buschauffeur hoorde dat ook je broer op weg van school naar huis gedood werd.
Je keerde niet meer op de bus terug.
De roos bloeide.
Desalniettemin bloeide de roos.

De bus kruipt voorzichtig de helling op. De chauffeur glimlacht in zijn
achteruitkijkspiegel, zijn gelaat is duizend jaar ouder maar hij glimlacht nog.
Ik glimlach terug.
We zijn eeuwen oud, mijn grootouders, mijn moeder en vader zijn begraven.
Vrienden werden vijanden en heel soms werd een vijand een vriend.
Allemaal begaven wij ons onafgebroken langs dit pad van de bovenstad naar de benedenstad,
waar de toekomst lag waar wij van droomden.

Het is meer dan vierentwintig uur geleden dat ik geslapen heb.
Om 12.20 u zal jij op de binnenplaats van de gevangenis van de stad terechtgesteld worden.
Je had mijn naam genoemd.
Je kende de wijk waar ik woonde.
Je had nog om uitstel gevraagd.
De aanvraag werd verworpen.

Als verdoofd staar ik naar buiten, de doffe pijn van de machteloosheid is met niets te vergelijken,
laat enkel leegte na als een landschap waarin alles oplost. Onmeetbaar en vluchtig.
Het was alsof iedere seconde die ik in beton voorbij zag gaan ook in mij versteende,
mijn gedachten samensmolt tot lava.
Tussen de beneden en de bovenstad gaapt een diepe kloof.
Ik schrijd over een onzichtbare koord van de ene zijde naar de andere.
Het is bloedheet in de stad. De zon stond haast op haar hoogste punt.
De huizen met hun witgekalkte muren boden al geen beschutting meer.
Op dit uur van de dag drong de hitte overal genadeloos door.
De bus kwam met een schok tot stilstand.
Ik stapte uit en liep naar het gebouw.
Een bewaker bracht mij door de lange gangen en zware deuren die achter ons
in het slot vielen naar een kleine kamer.’Hier achter deze deur,’
zei hij en draaide het slot open. ‚U krijgt twintig minuten.’
Uit één van de cellen ontsnapte een ijzingwekkend gebrul.
Het werd nacht in mij.

De koord waarop ik balanceerde begon opeens heftig te trillen.
Ontzet van angst twijfelde ik, een ogenblik.
Herstelde mijn evenwicht, ging binnen en nam plaats aan de tafel.
Enkele minuten later werd je binnengebracht.
De handboeien waren het eerste wat ik zag.
Jouw fijne polsen in die boeien.
Van je handen keek ik op naar je gelaat, was vergeten hoe het er uit zag.
Van je honingkleurige huid bleef niets over.
De melancholie in je ogen.
De kleur van je hemd projecteerde zich op mijn netvlies.
Een ruïne van jaren.
We huilden. Onzichtbaar.
Toen je van de tafel opstond en het volstrekt niet meer duidelijk was, wie van
wie afscheid moest nemen werd er kort op de deur geklopt.
Voorbij de tijd. We stonden recht tegenover elkaar.
‘De roos,’ zei je. ‘Het spijt me van de roos.’
Ik zei dat het niets was. Niets.
Dat de stenen al begonnen waren te spreken

De moeder

(Er mag van het gezicht als van een kostbaar gesteente, niets verloren gaan.)

Ze zit aan tafel, haar hand over de asbak gebogen, rook ontsnapt uit haar mond, ze tikt de as van haar sigaret. Haar geblondeerd haar zit goed, zoals altijd, op haar voorhoofd krult het wat, tegendraads zoals zij zelf, een weerborstel noemt ze het.
Ze lacht. Ze heeft mooie witten tanden. Ze ziet er goed uit, zoals meestal, altijd. Soms kijk ik naar haar alsof het de eerste keer is dat ik haar zie.We drinken een prosecco, op de bodem van het glas ligt een maraschino kers, daar houdt ze van.
Als het glas leeg is en de zoete smaak van de gekonfijte kers het enige is wat op mijn gehemelte achterblijft, vraagt ze of ik bij de bakker een brood en taart wil halen. Het is jaren geleden dat ik voor haar nog naar de bakker ging. Het is zaterdag en markt in het dorp. Ik koop een vers brood dat nog naar de houtoven geurt en hoorntjes,
rijkelijk gevuld met echte banketbakkersroom, die je nergens anders nog vindt. Of verbeeld ik me dat. Met het brood onder de arm en de koord van de taartendoos rond mijn vingers gedraaid loop ik het marktplein op.Ik kijk rond maar herken niemand, onbekende gezichten glijden langs me heen, niemand herkent mij. Ik ben een onbekende in het dorp geworden. In het midden van het plein word ik gegrepen door de gedachte dat ook mijn geringste aanwezigheid hier, met het heengaan van mijn moeder,
voor altijd zal verdwijnen.Er zal geen reden meer zijn om naar het dorp te komen, alle banden met ons leven daar, zullen voorgoed verbroken worden.
Ik weet niet wat die plek met mij dan zal doen, of ik met die plek. Dit mooie grote dorpsplein dat ik in alle schoenmaten ben overgestoken, zal ophouden te bestaan.
Met haar zal alles uitgevaagd worden, als een veeg verf op een doek, de navelstreng voor altijd doorgeknipt. Alles zal verdwijnen, alsof het er nooit geweest is en ik zal terugkeren als een wees, naar een plek waar ik nooit zal van thuiskomen.

 

Het kloppend hart van Signori Renato Bialetti

Op 11 februari 2016 las ik in een krantenbericht dat Signori Bialetti, de uitvinder van de Italiaanse percolator op 93-jarige leeftijd ter ziele was gegaan. Tot mijn grote verbazing was het zijn wens geweest om wat van hem overbleef, in een op zijn maat gemaakte wereldbekende achthoekige Bialetti te bewaren.

Zo geschiedde het dus dat Signori Bialetti op het kerkaltaar in Casale Corte in Piëmont, in een Mokka Express met een watertank van misschien wel honderden kopjes mokka opgeborgen werd. Toen ik het beeld zag ontstond er een niet geheel onbegrijpelijke, verpletterende associatie van gemalen koffie en de overblijfselen van Signori Bialetti in mijn hoofd. Daar had hij ons op Italiaanse wijze flink te grazen genomen. Nooit zouden wij nog naar onze op het vuur stomende, pruttelende percolator kunnen kijken zonder aan hem te denken. Voor altijd was hij op een gitzwarte
wijze onafscheidbaar van zijn Mokka Express. Nooit zouden wij hem nog achteloos kunnen weggieten, als droesem zou hij in de trechter van onze geest achterblijven. Bij iedere slok verplichtte hij ons met deze laatste uitgestorte wens, aan hem te denken, zonder het te willen of te wensen. We waren tot hem veroordeeld en ik nam er tot op zekere hoogte vrede mee, was het niet dat op een dag ook zijn hart in mijn Bialetti begon te kloppen.

Het was een ochtend waarop ik niet kon gaan werken omdat zich tijdens de nacht iets vreemds met mijn ledematen had voorgedaan. Mijn armen en benen waren plots bewegingloos geworden en als een lappenpop lag ik in mijn bed. Het was al tegen een uur of tien toen ik er min of meer in slaagde mij naar de keuken te slepen, in de veronderstelling mij met een extra sterke mokka terug op de been te helpen. Toen de koffie opborrelde sleepte ik mij met de Bialetti en mokkatas van Sant Eustachio terug naar bed, schonk mij een kopje in en ging zuchtend en uitgeput terug liggen. Ineens hoorde ik een gelijkmatig dof kloppen, ik legde mijn hand op mijn hart en luisterde, maar het geluid bleek niet uit mijn eigen lichaam te komen. Het geluid kwam links van mij, aan de kant van het nachtkastje waar de Mokka Express stond. Ik boog me voorover, naar het nachtkastje toe, en tot mijn schrik hoorde ik dat het gestaag kloppen uit de Bialetti kwam. Ik greep het handvat beet en schonk me nog snel een koffie
uit, in de hoop dat het kloppen dan zou ophouden. Maar het hield niet op.

Omdat niemand dit ooit zou geloven besloot ik het verschijnsel te filmen en terwijl mijn gsm alles registreerde, klopte het hart in de Mokka Express gewoon verder, en ineens wist ik waarom. Signori Bialetti had er zich immers in laten opbergen, opsluiten, en was nu op zijn beurt veroordeeld om overal rond te zwerven. In alle Mokka Expresso’s ter wereld klopte kortstondig zijn hart. Na een tijdje voelde ik enige vertwijfeling, ik had net de laatste koffie uitgedronken en de pot was nu helemaal leeg. Wat moest ik doen. Alleen de droesem lag nog in de trechter filter tussen de watercontainer en de koffiepot geperst. Ik legde mijn hand op het deksel dat nog warm aanvoelde. De aangename warmte stroomde langs mijn handpalm naar mijn hart, en ik luisterde nog heel lang en onbeweeglijk, tot de hartklop van Signori Bialetti heel geleidelijk in mijn hart oversloeg.

 

foto-op-10-07-16-om-06-30