Mijn naam is Amar, ik woon aan de rand van de stad.
Aan de achterkant van de zoo, om precies te zijn.
De benedenstad, zoals wij haar noemen, was toen ik hier kwam wonen heel mooi.
Nu zie ik haar met andere ogen. Dat ligt grotendeels aan de kooien die aan de huizen palen en aan het gebrul van dieren, dag en nacht in kooien.
Hoe mooi iets is doet er dan uiteindelijk niet meer toe.
Het is vroeg in de ochtend als ik mijn huis verlaat.
De vogels slapen nog. Aan de voet van de heuvel stopt een oude bus die twee
keer per dag naar de bovenstad rijdt, waar ik al heel lang niet meer geweest ben
Mannen, vrouwen en kinderen komen uit het niets tevoorschijn.Manden
met vijgen, dadels, brood en kaas worden in de bus geladen.We vertrekken langzaam.
De straten liggen overal opengebroken. De aanblik ontredderd ons,
we weten het maar zeggen niets.
In de zanderige stegen tussen braakliggende stukken grond, waar lege
appartementsblokken onder de hitte van de zon afbrokkelen,spelen kinderen
voetbal met een blikken doos.
Het was hier dat we elkaar voor het eerst zagen.
In gedachten zie ik de huizen ineenstorten. Stof verspreidt zich.
Alles wordt bedolven onder een ijzingwekkende geluidloosheid.
De verschrikking die ervan uitging. De omheining van prikkeldraad, daarna.
Heel langzaam leerden wij er doorheen te kijken zonder onze ogen te verminken.

Ik herinner mij het lichaam van een man dat in de schaduw van de bus roerloos
op de grond lag, een dun straaltje bloed liep uit zijn mondhoek. De vrouw
die naast hem neerknielde en zijn hoofd in haar schoot nam.
Scherven, een krater en stof, dat achter ons uit de krater opwaaide,toen we
uren later weer verder mochten rijden. Jij, steeds kleiner wordend, bleef naast
het roerloze lichaam achter, langs de kant van de weg.
De gelatenheid en het zwijgen in de bus, in de ondraaglijke hitte opeengepakt.
De onverschilligheid van de zon in alle omstandigheden, drong toen voor het eerst tot me door.
Een week later stapte je alleen terug de bus op. Je kwam naast me zitten. Ik vroeg hoe het je ging,
je antwoordde dat je niet wist hoe het met je ging, het er niet toe deed. Je moest voor je moeder,
je broer en zussen zorgen,dat was alles wat je wist. We wisselden telefoonnummers uit,
maar er werd nooit gebeld.Elke keer we elkaar in de bus ontmoetten werd je zwijgzamer.
Er verscheen wanhoop in je ogen.
Ik kon je niet helpen, je was ontroostbaar.
De laatste keer dat ik je zag drukt je bij het uitstappen een zandroos in mijn hand en
zei dat als de roos bloeide, de stenen terug zouden beginnen spreken.
De tijd ging voorbij maar ik zag je niet meer.
De buschauffeur hoorde dat ook je broer op weg van school naar huis gedood werd.
Je keerde niet meer op de bus terug.
De roos bloeide.
Desalniettemin bloeide de roos.

De bus kruipt voorzichtig de helling op. De chauffeur glimlacht in zijn
achteruitkijkspiegel, zijn gelaat is duizend jaar ouder maar hij glimlacht nog.
Ik glimlach terug.
We zijn eeuwen oud, mijn grootouders, mijn moeder en vader zijn begraven.
Vrienden werden vijanden en heel soms werd een vijand een vriend.
Allemaal begaven wij ons onafgebroken langs dit pad van de bovenstad naar de benedenstad,
waar de toekomst lag waar wij van droomden.

Het is meer dan vierentwintig uur geleden dat ik geslapen heb.
Om 12.20 u zal jij op de binnenplaats van de gevangenis van de stad terechtgesteld worden.
Je had mijn naam genoemd.
Je kende de wijk waar ik woonde.
Je had nog om uitstel gevraagd.
De aanvraag werd verworpen.

Als verdoofd staar ik naar buiten, de doffe pijn van de machteloosheid is met niets te vergelijken,
laat enkel leegte na als een landschap waarin alles oplost. Onmeetbaar en vluchtig.
Het was alsof iedere seconde die ik in beton voorbij zag gaan ook in mij versteende,
mijn gedachten samensmolt tot lava.
Tussen de beneden en de bovenstad gaapt een diepe kloof.
Ik schrijd over een onzichtbare koord van de ene zijde naar de andere.
Het is bloedheet in de stad. De zon stond haast op haar hoogste punt.
De huizen met hun witgekalkte muren boden al geen beschutting meer.
Op dit uur van de dag drong de hitte overal genadeloos door.
De bus kwam met een schok tot stilstand.
Ik stapte uit en liep naar het gebouw.
Een bewaker bracht mij door de lange gangen en zware deuren die achter ons
in het slot vielen naar een kleine kamer.’Hier achter deze deur,’
zei hij en draaide het slot open. ‚U krijgt twintig minuten.’
Uit één van de cellen ontsnapte een ijzingwekkend gebrul.
Het werd nacht in mij.

De koord waarop ik balanceerde begon opeens heftig te trillen.
Ontzet van angst twijfelde ik, een ogenblik.
Herstelde mijn evenwicht, ging binnen en nam plaats aan de tafel.
Enkele minuten later werd je binnengebracht.
De handboeien waren het eerste wat ik zag.
Jouw fijne polsen in die boeien.
Van je handen keek ik op naar je gelaat, was vergeten hoe het er uit zag.
Van je honingkleurige huid bleef niets over.
De melancholie in je ogen.
De kleur van je hemd projecteerde zich op mijn netvlies.
Een ruïne van jaren.
We huilden. Onzichtbaar.
Toen je van de tafel opstond en het volstrekt niet meer duidelijk was, wie van
wie afscheid moest nemen werd er kort op de deur geklopt.
Voorbij de tijd. We stonden recht tegenover elkaar.
‘De roos,’ zei je. ‘Het spijt me van de roos.’
Ik zei dat het niets was. Niets.
Dat de stenen al begonnen waren te spreken

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s