Maybe someday, without knowing it,
we’ll trash the masks that hide our faces.
It’s because we’re masked that it’s so hard
to identify the men we meet.
Maybe among so many men, among millions,
there is one whose face and mask coincide,
and only he could utter the word
we’ve always been waiting for. But no doubt
even he knows nothing of his privilege.
The man who knew, if any man ever did,
paid for his gift with stuttering or worse.
Finding him wasn’t worth the trouble. His name
could never be pronounced, and not only
for phonetic reasons. Science
has other agendas or non-agendas.

Eugenio Montale (Poetic Notebook 1974-1977) 
Vertaling: William Arrowsmith

Ik had mij nog maar net in de maïsgele sargie opgerold en mijn hoofd op het hoofdkussen te rusten gelegd, toen ik aan de andere kant van de papierdunne wand een ontstellend geluid hoorde. Er moest iets van de muur gevallen zijn, maar ik kon aan het geluid niet opmaken wat het was. Ik trok de klamboe opzij, die met de komst van de tijgermug winter en zomer over het bed hing, schoof in mijn slippers en deed in de belendende kamer het licht aan. Op het eerste gezicht was er geen enkel schilderij van de muur gevallen. (Iets anders dan schilderijen hing er trouwens niet.) Tot mijn blik op de etstafel viel, waar het gipsen gelaat van Herman Teirlinck met het aangezicht naar beneden op het glazen blad van de tafel lag. 

De haak in de muur waar het gipsen portret aan ophing was krom getrokken, de kalk brokkelde van de muur. Met pijn in het hart tilde ik het zware hoofd op, vreesde het meest voor de neus, die kon het zo recht naar beneden vallen niet overleefd hebben. Maar het gipsen hoofd dat mij in het maanschijnsel ongenaakbaar aankeek bleek volledig ongedeerd. Opgelucht legde ik mijn handen rond zijn slapen, bevoelde voorzichtig het gezicht en toen ik nergens een barst kon ontdekken, legde ik zijn oosterse hoofd op de enige voor hem bestemde plaats: de Japanse tatami, waar de altijd aanwezige geest van Herman Teirlinck zich voortaan zou kunnen uitstrekken op het gedroogde en gebundeld riet.

Ergens in de jaren vijftig van de twintigste eeuw boetseerde Jozef Cantré het originele portret van Herman Teirlinck in klei en maakte er een plaasteren afgietsel van dat later als model gebruikt zou worden om het portret uit hout te kappen. Er waren ter voorbereiding overal potloodkruisjes aangebracht. Het originele afgietsel bleef echter jaren onaangeroerd in een glazen toonkast in het huis van Herman Teirlinck gestaan. Toen Kris Vanhemelrijck zijn intrek in het huis nam, besloot de bronsgieter Eduard Troucheau van het gipsen portret een siliconen mal te maken en in brons af te gieten. Kris gebruikte de mal van het plaasteren afgietsel en reproduceerde het aangezicht in gips op 30 exemplaren, ter gelegenheid van 30 jaar HTH: ‘De onmogelijke tentoonstelling’. 

In de lente van het jaar 2009 liet de toenmalige interieurverzorgster van het HTH, het gepatineerde en verniste plaasteren origineel van het portret van Herman Teirlinck tijdens het afstoffen uit haar handen vallen. De brokstukken waren niet meer samen te voegen en het beeld was onherstelbaar beschadigd. De neus was van het aangezicht gebroken. De mal van Eduard Troucheau was verdwenen en een reproductie was dus niet langer mogelijk. Het ebbenhouten portret verhuisde na de sluiting van het Herman Teirlinckhuis in 2013, samen met de wandelstok en Teirlinck’s hoed, naar het AMVC-Letterenhuis in Antwerpen. 

Er is iets eindeloos fascinerend aan een portret dat een mens van zijn medemens maakt. Of het nu een schilderij, een tekening, een foto of een illustratie is. De poging die iemand onderneemt om vanuit een adoratie, liefde, begeestering of wat dan ook, een glimp van het mysterie van een mens in olie, pastel, zwart-wit of technicolor te vangen is altijd een wonderlijke gebeurtenis. Het oplossen van een raadsel zoals in de Japanse koan ‘Toon mij je oorspronkelijke gelaat nog vóór je ouders geboren werden’. Vaak denk ik aan het schilderij (een kopie) van Degas dat mijn moeder zichzelf voor haar achttiende verjaardag cadeau had gedaan: zij zag niet alleen de dansende figuren, maar begon na verloop van tijd deel uit te maken van het schilderij enkel door ernaar te kijken. Het schilderij van de gracieuze in tule dansende meisjes was het eerste kunstwerk dat ik te zien kreeg. Het hing in de woonkamer boven mijn wieg. Ik groeide op onder dit werk. Het reisde overal met me mee. Degas maakte vanaf het prille begin deel uit van mijn leven als een nooit ophoudende dans.

Soms hangt iemand met één zin een portret in de galerij van je geheugen op. Zo vertelde Julien Schoenaerts mij ooit dat ‘Herman Teirlinck rook als een god’. Tijdens de toneellessen in de Studio zat hij vaak naast Teirlinck die dan zijn pink vasthield. Heel lang heb ik geprobeerd om mij daar een voorstelling van te maken, hoe ze daar zaten, de pinken in elkaar gehaakt. Uiteindelijk zag ik hen wanneer ik aan die uitspraak dacht, altijd samen, vereeuwigd in één fotoframe. Julien Schoenaerts, zwijmelend in de geur van zijn god. Tijdens het lezen van Zelfportret of het galgenmaal ontdekte ik dat de geur waarschijnlijk een parfum van de Franse ontwerpster Jeanne Lanvin was.

Soms krijg je ook een portret te zien van een leven dat er niet is of niet meer is. Een portret van een soort afwezigheid van leven. Op een zomeravond een eeuwige tijd geleden, wandelden Julien en ik door de stad en zagen tegen de zijmuur van de kathedraal een vrouw zitten. We keken een ogenblik naar de vrouw en toen naar elkaar en ik merkte geschokt hoe doorgroefd het gelaat van de vrouw was. Het was misschien iemand die veel had meegemaakt, had ik geopperd. ‘Of misschien net niets heeft meegemaakt’, vulde Julien mij aan. Zoveel jaren later spreekt zijn antwoord nog steeds tot mij. Bestaat er een mens die niets heeft meegemaakt? En hoe ziet die er dan uit? Hij bedoelde dit natuurlijk in overdrachtelijke zin. Als iemand die niet langer meer de bereidwilligheid bezit zich aan het leven in al zijn facetten bloot te stellen, geen geluk noch verdriet wil ervaren. Zich in een soort van monotonie geweven heeft, langzaam onverschillig is geworden en ’s nachts de ziel prijsgeeft aan een slaap zonder dromen. Het dagen van de dag ontwijkt. Zo zat die avond daar misschien een mens die de dingen aan zich voorbij liet gaan, zonder ze te willen voelen, in het midden van het leven, als een verdroogde wijnstok tegen de muur van de kathedraal, en zagen wij haar eenzaamheid, met de onze verweven, tussen de spleten verder groeien. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s