Vorige zomer waren er op een ochtend een tiental kraaien op de vensterbank van de slaapkamer neergestreken en hadden mij met hun gekras ruw uit mijn slaap gewekt. Eerst had ik geprobeerd hen weg te jagen maar brutaal als ze waren bleven ze naar het raam terugkomen, steeds dichterbij, als wilden ze mij uitdagen. Tijdens dit eigenaardige schouwspel hadden de kraaien op het venster ineens hun eigen spiegelbeeld ontdekt dat op een bende indringers leek die uit de weg moesten worden geruimd. Een half uur lang keek ik perplex toe hoe de vogels zichzelf aanvielen en de zwarte snavels gaatjes in het glas en hun spiegelbeeld pikten. Toen ik er eindelijk in slaagde hen van achter het glas te verjagen had het gevecht van de kraaien met zichzelf het raam al ernstig beschadigd. Het metaalachtig gekras liet een behoorlijke onbehaaglijkheid achter, om niet te zegen: een beklemmende angst.

Het was een vogel in wiens gezelschap ik van kinds af aan al een zeker onbehagen had gevoeld dat mettertijd naar bijgelovigheid was geëvolueerd. De vogel was een mythische boodschapper uit een andere wereld en bakende hier zijn territorium af. Natuurlijk had het ook te maken met The Raven van Edgar Allen Poe. Sinds ik het gedicht in treurige omstandigheden leerde kennen was de vogel in zijn dreigende vorm en als onheilsvoorspeller altijd in mijn achterhoofd aanwezig gebleven. Pas toen mijn partner Kris Vanhemelrijck een portret van Poe schilderde, met de vogel op zijn schouder, begon het beeld in mijn beleving een beetje te transformeren. De dichter en zijn zielenvogel werden één. De angst loste op in lijnen en kleuren. Op papier weliswaar.

De kraaien woonden lang voor onze komst op het dak van het huis, dat lang genoeg had leeggestaan om ook nog andere geesten te herbergen, zoals ik later ontdekte. Zo hing er een melkblauwe Venetiaanse spiegel aan de slaapkamermuur die wanneer het zonlicht er in weerkaatste een gezicht met een schitterende, levendige blik weerspiegelde. Bovendien bleek de spiegel ook als een vergrootglas te werken, waardoor het gevecht van de kraaien ineens duidelijk werd. Al deze gedaanten verjagen zou een enorme bovenmenselijke inspanning gevraagd hebben en na verloop van tijd besloot ik met de meest luidruchtigen onder hen vriendschap sluiten. Ik voederde hen broodkorsten en hondenbrokken en zette in de zomer schalen met water op het platdak. Het krassen had intussen een andere klank gekregen en ik luisterde geïnteresseerd naar het onderonsje in de dakgoot, tot ze weer uit elkaar vlogen, ieder een andere kant op. Als ik de deur uitging en wegfietste vlogen ze meestal een drietal meter boven mijn hoofd nog een eindje met me mee. De vogels kenden mij. Ik begon mij wat te verdiepen in de dieren en las in een recentelijke verschenen studie dat kraaien menselijke gezichten en zelfs verschillende stemmen uit elkaar konden houden. 

Dit bleek uit het verhaal van een Texaanse boer die op het idee was gekomen om uit een zwerm kraaien die over zijn land vloog, er één uit de lucht te schieten. Als afschrikkingsmiddel voor de rest van de groep. De grote zwarte vogel was na één schot dood op het land neergezegen. De man dacht dat hiermee het probleem opgelost was, maar het volgend jaar kwam op hetzelfde tijdstip de zwerm kraaien terug over het land gevlogen en probeerden de man die een van hun soortgenoten had gedood, in groep aan te vallen. De kraaien zinden duidelijk op wraak. Hij durfde er geen een meer neer te schieten. Toch de kraaien bleven ieder jaar terugkeren en hem aanvallen, ze kenden nu eenmaal zijn gezicht.

Enkele decennia terug. Op de tak van een populier aan het raam van de klas waarin ik verstrooid naar buiten zat te kijken streek een grote kraai neer. Het was de eerste schooldag na de herfstvakantie en Chris Van Herzele, de klasgenoot waar ik een bank mee deelde, was nog steeds niet present. Die vogel had Chris moeten zien dacht ik, maar om een of andere reden was mijn kameraad om kwart na negen nog steeds niet in de klas. Mijnheer Verbeke, de klastitularis, gedroeg zich niet zoals gewoonlijk. Hij zag erg bleek en liep zenuwachtig heen en weer. Chris was nog nooit te laat gekomen. Zijn stiptheid in alles was nu net wat ons bond, naast de liefde voor vogels, amfibieën en kikkerdril. Verder had er geen groter verschil kunnen bestaan tussen twee kameraden. Hij het rekenwonder en ik de woordengoochelaar. Twaalf jaar naast elkaar op de bank gezeten en nu op het ogenblik van wat het laatste jaar van een levensperiode zou worden liet hij het afweten. Ik dacht nog dat hij onderweg naar school door iets was opgehouden. Maar uit deze, toen nog geruststellende illusie, werd ik snel geholpen. 

Uiteindelijk ging mijnheer Verbeke achter zijn lessenaar zitten. Hij wist zich geen houding te geven, maar raapte toch zijn moed bijeen om ons het treurige nieuws te brengen; onze kameraad was niet meer. Tijdens de vakantie werd hij, terwijl hij in het bos aan het spelen was, door de verdwaalde kogel van een jager geraakt. Hij was ter plaatse aan de verwondingen bezweken, zoals dat heette. ‘Aan de verwondingen bezweken,’ bleef het in mijn hoofd gonzen. Mijn kameraad was niet meer! Er werd verder geen verklaring gegeven; je werd geboren en op je twaalfde ging je dood. We waren verbijsterd en na een stilte die een mensenleven was, hernam mijnheer Verbeke langzaam de les. Het was de eerste keer dat ik in de loop van een geweer keek en een enorme woede voelde tegenover de jager die mijn vriend als een wild dier de dood had ingejaagd.

De rest van het jaar was er die lege plek. We waren het er allemaal over eens dat er niemand anders zijn plaats kon innemen en zo zat ik de rest van ons laatste jaar aan een bank naast een lege stoel. Toch voelde ik zijn aanwezigheid. Het was alsof hij nog naast mij zat in zijn grijze, door zijn moeder gebreide trui. Zijn moeder! Zijn vader! Zijn broers en zussen! Al dat verdriet had zich op die plek tussen ons in de klas bijeen gepakt. Ik schuimde de maanden nadien op mijn eentje de beken af op zoek naar kikkerdril, maar zonder Chris was er niets meer aan. Wat viel er te beleven als je de wonderen van het moment niet kon delen? De dagen schreden voort, balancerend op de rand van volwassenheid besefte ik dat onze klas nooit nog ergens volledig zou zijn zonder hem. De wind waaide kil door de prille bloesems van ons leven. Chris Van Herzele bleef voor altijd twaalf jaar.

‘De dood wat was dat voor iets?’ vroeg mijnheer Verbeke. Buiten, terwijl wij naar onze schriften zaten te staren, begon de kraai opnieuw hartverscheurend te krassen. ‘Een zwarte krassende kraai mijnheer,’ antwoordde ik. (Maar ik vergiste mij toen, de dood was een jager.) Verbeke, die een kalme mens was, stond recht en droeg toen terwijl hij rond de klas bleef lopen, alsof hij met zijn passen een magische cirkel rond ons trok, uit zijn hoofd, een vertaling van The Raven van Edgar Allen Poe voor. En nadat hij de laatste zin had uitgesproken streek op de lege bank naast mij de zwarte vogel neer. Ik keek door het venster en volgde de opvliegende zwarte vlek naar een plek in het bos waar tussen de varens een hert zich naast het dodelijk gewonde lichaam van mijn vriend neervlijde en niet van zijn sterven week. Tussen de schoolbanken weerklonk een gedempt snikken, dat gans die dag niet meer ophield.

Schilderijen: Kris Vanhemelrijck

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s