Foto: Bernd Urban

7 augustus 2026

Onze dierbare vriendin en dichter Lucienne Stassaert is vandaag heengegaan. Anouk en Régine lieten weten dat ze enkel haar woordenboek had meegenomen. Régine zei “dat ze een serene uitdrukking had, alsof ze de gedaante van een engel had.”

Ik besluit haar niet meer te gaan bezoeken en bewaar enkel de levendige, heldergroene blik.

Naast haar Woordenboek, waar ze erg aan verknocht was en dat ze nu naar het hiernamaals had meegenomen, was er het Mudraboek. Op een bepaald ogenblik kreeg Lucienne dit zelfhulpboek cadeau en is ze, met de intensiteit en passie die haar eigen waren, alle yoga-mudra’s beginnen inoefenen. Na verloop van tijd kende ze alle, van oorsprong Indische, handgebaren vanbuiten. Het boek zag er dan ook zo uit: hier en daar had ze er zelfs een blad uitgescheurd voor een vriend of vriendin die dringend een bepaalde oefening voor zijn of haar welzijn nodig had.

Zelf oefende ze ongeveer drie kwartier per dag. Ze zei dat ze de energiestroom van de oefeningen voelde en dat het haar enorm hielp, zowel geestelijk als fysiek. Ik was dan ook blij verrast toen ik aan het einde van de inleidende biografie van Anneleen De Coux in het Lucienne Stassaert-Handboek hiernaar een verwijzing las, afkomstig uit het dagboek Souvenirs V.

“Ik heb toch een nieuwe naam gevonden: de jonkvrouw met de mudra’s. Dankzij die Indische vingeroefeningen kom ik ’s morgens min of meer tot rust, kan ik aantekeningen maken of lezen malgré tout.” (Souvenirs V, blz. 166, Uitgeverij P.)

Foto:Carine Lampens

Het vertrek van Lucienne heeft iets onwezenlijks. Toen ik de ochtend waarop ze haar reis begon aan te vatten, door de Schulstraat fietste, viel mijn oog op de kleurrijke Tibetaanse windvlaggetjes voor de deur en het raam van een van de bewoners. Ik was er al zo vaak voorbijgereden, maar vandaag zag ik ze. De symbolen en de mantra’s, het hele Ali Kali-alfabet*, werden als goede wensen door de warme wind gedragen en verspreid. Meer had een schrijver tijdens zijn reis niet nodig.

Een reis waarvan niemand ooit was teruggekomen of toch niet in een vorm waarin we hem of haar zouden herkennen. Net als Lucienne hechtte ik een sterk geloof aan de kracht van de geest als energie. Ook deelden we een diepgeworteld gevoel voor mystiek dat van bij het begin en in heel haar oeuvre een rode draad, zoniet een reddingsboei was.

In Notities voor een Requiem (Nov. 1984 – Febr. 1986) schreef ze “In wezen ben ik een mislukte mystica, al mijn metamorfosepogingen ten spijt. Veel, zeg maar al mijn evenwichtsoefeningen, is daartoe te herleiden.”Uit de hertaling van de gezangen van Hadewijch, haar poëzie, proza, de dagboekaantekeningen (vijf delen) en de biografische romans blijkt vooral dat ze een mystica pur sang was.

Enkele decennia geleden waren we op een woensdagavond met Kris (Vanhemelrijck )naar het Tibetaans centrum in Huy gereden om er bij volle maan een puja bij te wonen. Tijdens dit maandelijkse ritueel werd de Tibetaanse yogi-dichter Milarepa herdacht. Lucienne zat in de tempel op een stoel. Kaarsrecht zoals altijd. Hoe slecht ze er fysiek of mentaal ook aan toe was, ik heb haar nooit ergens onderuitgezakt zien zitten. Altijd in volle concentratie, even vol verwachting als de maan die avond.

Dit beeld roept een ander beeld op. Marcel van Maele, de blinde dichter en boezemvriend van Lucienne, in het ‘winkeltje’ van Adriaan Raemdonck in galerie De Zwarte Panter, op een stoel voor zich uitkijkend. “Ik werd vanmorgen wakker”, verkondigde hij ineens heel luid, als wilde hij een gedicht voordragen, “en het eerste woord dat in mij opkwam was Milarepa.” En hij spelde het nog eens duidelijk uit. Mi La Re Pa. Als toonlettergrepen.

Zo kwam de yogi-dichter die in het begin van de twaalfde eeuw twaalf jaar lang in eenzaamheid in een grot had gemediteerd en zich, volgens de overlevering, met brandnetels had gevoed tot hij groen zag, via de gedachten van Marcel van Maele mijn leven binnen gestroomd.

Sinds ons gezamenlijk bezoek informeerde Lucienne tijdens elk telefoongesprek of ik nog een retraite in het boeddhistische centrum in het vooruitzicht had. Gevolgd door een even bezorgd “heb je nog iets kunnen schrijven?” We waren altijd rust maar konden het zelden of nooit konden vinden, behalve in het schrijven en in onze meditatie-oefeningen, die in zekere zin hun vruchten afwierpen.

Vanmorgen ben ik opgestaan en heb de laatste dagboekaantekening van Lucienne nog eens herlezen. Enkele weken geleden had ze mij de handgeschreven aantekeningen meegegeven met de boodschap: “je kan er misschien gebruik van maken om mijn biografie te schrijven. Jij kent me goed genoeg om dit te doen. De tekst heeft geen literaire ambitie. Het is louter informatief. Er staan dingen in die ik nog niet gezegd heb.”

Ik viel uit de lucht. Het Handboek was net verschenen en ik had nooit over het idee van een biografie nagedacht. Ik antwoordde dat het me waarschijnlijker leek dat ik eerder doorheen het lezen en herlezen van haar werk en de spirituele band die er tussen ons is, op een organische, spontane manier tot het schrijven over haar zou komen. Ze knikte bedachtzaam, instemmend en nam een lange trek van haar sigaret. Het zouden een van de laatste sigaretten zijn. En het viel me op hoe ze er, letterlijk met volle teugen van genoot. In het ziekenhuis kon ze niet meer roken en was te zwak om in een rolstoel naar buiten te gaan. Ik had geen belofte durven maken, niet in die omstandigheden.

Toen Lucienne in het ziekenhuis werd opgenomen, bracht ik haar drie boeken: Job (Joseph Roth) dat volgens Kris het meest troost zou bieden, de Gedichten (Fernando Pessoa) en Verroeren (Samuel Beckett). Verroeren was een vreemde, intuïtieve keuze geweest. Lucienne zou niet meer uit haar bed opstaan. Ik stond voor mijn boekenkast en het lag ineens in mijn handen. 

Het was pas enkele weken na haar overlijden, toen ik Lucienne Stassaerts orakeltaal van Henri-Floris Jespers ontdekte, dat ik de invloed van Beckett op haar literair werk, haar leven en de strijd tegen het zwarte, gapende gat beter zag. In de biografie die volgens Lucienne nog steeds het beste is wat er over haar werk is geschreven, beschrijft Henri-Floris Jespers ‘de finale’ invloed van Beckett die zich manifesteerde op het kruispunt van haar muzikale en literaire carrière.

“In feite was Lucienne Stassaert op drift en dit op elk gebied. Op zoek en zonder kompas. Het zou niet lang meer duren voor zij ‘de finale tekst’ zou vinden: Malone meurt van Samuel Beckett.”

“In de leegte beginnen en, na alle omzwervingen, in de leegte eindigen: was dat de weg? Ik vermoedde van wel. Het was een verpletterende ervaring, met niets te vergelijken. Dit was menens – hier kwam het op aan.” (L.S)

Ze droeg de leegte moedig en onverzettelijk. Maar het was pas sinds een week, na het bezoek aan een blogpost van een vroegere collega* dat ik echt begreep en aanvaardde dat de leegte iets was dat je op een of andere moest leren dragen. Niet als een opzichtig of minimaliserend kledingstuk, niet als een honger waar geen voedsel voor bestaat. Niet als een verlangen dat met het openen van je ogen ’s ochtends wakker wordt en pas gaat slapen als je ze weer sluit. Of zich alsmaar verder en verder van je missie wegdroomt.

Foto: Kris Vanhemelrijck, Het Huis van Herman Teirlinck, Beersel

“Leegte is vorm, vorm is leegte. ” * Ik herhaal de Hartsoetra en kijk naar de plank op mijn boekenkast, waar zo’n vijftig werken van haar staan, die ik opnieuw of toch voor een groot deel in de toekomst zal herlezen. Zo lijkt het nu of mijn vriendschap met haar opnieuw begonnen is. Mantra’s, Sutra’s, Mudra’s en Poëzie in al hun vormen.

Een dag na Luciennes heengaan begint er nog iets anders te steken, net zoals ik tien jaar geleden in Dichtershandschoenen reeds schreef was niet zozeer het afscheid van deze wereld dat mij pijn deed, maar de wetenschap dat zij in materiële armoede was gestorven. Haar serviceflat was klein en bovendien al uitgewoond door de vorige bewoner toen zij er in 2023 haar intrek nam. Het trof me dat een kunstenaarsleven zich zo vaak moet afspelen in een ruimte, fysiek en maatschappelijk, die daar nauwelijks plaats voor lijkt te bieden. Ik dacht aan de componist Erik Satie die zoals hij het zelf noemde, in een ‘placard ‘in Montmartre, aan de 6 rue Cortot bewoonde. De kast van Satie was nauwelijks 1,80 bij 1,40 meter en 2,70 meter hoog, met slechts een klein, driehoekig dakraam waardoor een weinig licht naar binnen viel. Er stonden een bed en een piano, waaraan hij componeerde. Wie hem wilde bezoeken, moest eerst over het bed heen stappen om binnen te kunnen komen en dan plaatsnemen op het bed.

De kast van Lucienne was met haar 7 bij 7 vierkante meter ietwat ruimer en had een raam dat haast even breed was als de lengte van de woonkamer. Voor het venster stonden hoge bomen waar duiven, merels en mussen in woonden. Het gezang en getsjilp was van bij het ontwaken een bron van troost en inspiratie. Ze was een stadsmens maar werd vaak geïnspireerd door het contact met de natuur:

“Tot voor kort hielden vier wilgebomen, op een boogscheut van de straat waar ik woon, zich op de Desguinlei temidden van het drukke verkeer in leven. Ziek leken die smoorzachte en als door de wind benevelde treurwilgen niet, en toch moesten ze eraan. (Pas vandaag kom ik ertoe om het te noteren, ik wou er geen woorden voor vinden. Uit verontwaardiging kan ik niet meer schrijven; die nogal naïeve pretentie komt me nu heel verdacht voor. Wat volgt is al meer een ode: wat mijn koppig natuurgeheugen me influistert.) 

Een verpletterende want verminkte stilte was het eerste wat voor mij in beeld kwam toen ik ze vanuit de verte als grote schijven wit licht zag liggen. Wortels, vruchteloos als vingers verkrampt. Gedoofd groen en geen geritsel, verstrengeld met hun diepste bloed. Nee, geen zeilen van loof tussen hun oudtijdse lichamen meer. Op die plaats heerst voortaan de finale eentonigheid van asfalt bij asfalt, grijs in grijs dat in de striemende regen blinkt. Vooral ’s nachts, en in een vlakte overgeleverd aan niets dan koplichten.(…)

(…)Vanuit mijn atelier kan ik dagelijks een kroost jonge duiven bewonderen – een roerloos gevleugeld stilleven tegen de parelmoeren sneeuwlucht. Zodra er een of meer van het platformpje in de tuin van mijn buurman opvliegen, veert er een rilling door al dat wit. Oogverblindend wordt dan meteen de stilte, zoals bij de oever van de Middellandse zee. Dat klapwieken doet me daar vaak aan denken. Mijn gehoor, dat kompas van mijn verbeelding, wekt als vanzelf fantasma’s die zich nadien nog als metaforen zullen ontwikkelen.” (Notities voor een Requiem, nov. 1984-febr. 1986, DBNL.)

Van het zeer karige meubilair was de ronde houten tafel waaraan ze schreef, tekende, las en naar muziek luisterde het belangrijkst. (Schilderen deed ze aan een klein tafeltje in het slaapvertrek). Aan die tafel ontving ze ook iedereen die het vertrek binnenkwam. Ze had geen sofa of een comfortabele leunstoel. Niets van dat alles. De geschiedenis van dichters die tot op het einde van hun leven in armoedige omstandigheden leven, blijft zich herhalen. Ook de dichteres Else Lasker-Schüler had tot op het einde van haar leven geen bed. Ze sliep rechtop in haar kamer in een pension in Jeruzalem. Ze stierf arm en berooid, zoals ze geleefd had, al werd ze de belangrijkste Duitse expressionistische dichter van haar tijd genoemd.

Ondanks de talloze publicaties en vertalingen bleef Lucienne verstoken van de aandacht en erkenning die haar werk verdiende. De literaire pers liet vaak na haar oeuvre de plaats en kritische waardering te geven die het toekwam. Als schrijfster voelde ze zich echter vaak “uitgerangeerd, als de afgekeurde stoptreinen”. (Souvenirs, p. 38). Gelukkig was er Leo Peeraer van Uitgeverij P in Leuven die zich vanaf 2001 met veel zorg en toewijding over het werk van de dichteres ontfermde. Een samenwerking die vervolgens twee decennia zou voortduren.

In Nederland liet de onlangs veel te vroeg overleden auteur Lieke Marsman zich vorig jaar op Bluesky eveneens over het onderwerp uit. Ze ontving de ‘Fluister Award’ voor het beste luisterboek van 2025, maar kreeg voor 525157,7334 minuten beluistering van Op een andere planeet, omgerekend 2454 volledige audioboeken, slechts 207 euro. Dat kwam neer op 8,5 cent per volledig beluisterd boek. Een abonnement op Fluister kost 9,99 per maand en DPG, het moederbedrijf van Fluister, maakt 275 miljoen winst per jaar. Er is dus wel geld, maar niet voor de auteur.

Leg maar eens aan iemand uit hoeveel tijd het kost om een oeuvre bijeen te schrijven. Of het kunstwerk nu een beeld, een foto, een compositie, een film of een andere artistieke uiting is; er gaat gewoonlijk heel veel tijd aan vooraf, broedtijd, wachttijd. Tijd die door niets of niemand wordt vergoed. Maar wat het werkelijk gekost heeft in termen van toewijding, waarmee je automatisch bij het economisch aspect en zelfs sociaal aspect aanbelandt, vraagt zich zelden iemand af. Schoonheid ontstaat nooit vanzelf maar wordt wel zo gepresenteerd: alsof het compleet moeiteloos de wereld ingeworpen werd. De kunstenaar als eeuwig hotsende, botsende dobbelsteen.

Uiteindelijk raak je helaas aan heel veel dingen, noodzakelijkerwijs gewend. Lucienne was na zoveel ontberingen aan het gebrek van enig basiscomfort gewoon geraakt. Ook op dat vlak was ze zeer stoïcijns. Ze vroeg nooit iets en had nooit iets nodig, behalve dus die tijd en ruimte om te werken, een kat en het contact met de vrienden en haar dochters Régine en Anouk.

Waar het poëtische werk, een onophoudelijk gevecht met de dood en jeugdtrauma’s zwaar van toon was, verliepen onze uitwisseling meestal in een ander licht, ongedwongen, vanzelfsprekend en altijd inspirerend. Je ging nooit met lege handen naar huis. Er was altijd een boek, een gedicht, een beeld of compositie waar ze je naar huis mee stuurde en je weer verder kon.

Als ik tijdens een bezoek iets meebracht — een koffiekoek met pistachevulling, een pakje noten- en vruchtenmix of de volkorenbeschuiten die ze zo graag at — toonde ze telkens weer een soort verwondering. Alsof ze niet meer wist dat zulke dingen nog bestonden. Met aardse zaken als lekker eten hield ze zich nauwelijks bezig, op een chocoladereep met noten na. Zulke luxe had ze eenvoudigweg uit haar leven gewist.

Ze had een huishoudhulp die twee of drie keer per week de noodzakelijke boodschappen deed, en kon daarnaast rekenen op de dagelijkse hulp van twee medebewoners, Anita Ketels en de buurman Luc, die mee voor haar zorgden. Zonder die hulp zou alleen wonen nooit mogelijk zijn geweest. De serviceflat in de Fonteinstraat voelde voor haar, zoals ze het vaak zei, “als een gevangenis”. Nu ze niet langer zelfstandig naar buiten kon, zat ze er als het ware opgesloten, afgesneden van de buitenwereld.

De dichter blijft alleen achter in zijn blauw geschilderde kast vol witte schaapjeswolken. Na elke worp. De lammeren voeden. Schrijven is een eenzaam beroep. Wat is een dichter waard? Elk woord, elk gebaar. Onbetaalbaar. De bomen en de vogels treuren nu bij de lege plaats aan het raam.


Wat een gemis dat mij onverwacht in het gezicht zal slaan.

Schilderspalet van Lucienne Stassaert (Privé collectie Carine Lampens)

8 augustus 2026

Antwerp Pride Protest. Tweehonderdduizend aanwezigen. In het Handboek somt Anneleen De Coux op welk onderzoek over het werk van Lucienne Stassaert voorlopig nog ontbreekt. Het Handboek is een springplank naar verschillende studies. Waaronder ook een studie over de queertheorie in het werk van de schrijfster. Het oeuvre, ik denk hierbij aan Parfait Amour, bevat uitgesproken elementen van wat wij vandaag als queer kunnen lezen. Er kan dus nog veel over geschreven worden en het is vandaag meer dan ooit nodig. Wie had dat begin jaren negentig gedacht, toen iedereen uit zijn, haar of hun kast begon te komen.

9 augustus 2026

In het park, onder de prinsessenboom in het Handboek gelezen. Toen de wind opstak, legde ik het boek even terzijde. Op dat moment viel er een opgekruld blad van de boom naar beneden. Door de aanhoudende hitte en droogte laten de bomen hun bladeren los en soms ook een tak die te zwaar geworden is. Je moest dan ook opletten onder welke boom je ging zitten. Op het neervallende blad zat een fluogroene sprinkhaan die op mijn kraakwit hemd sprong. Ik schrok en sprong zelf ook op. Hittestress.

De deur van de cel waarin de schrijver opgesloten zit zwaait open. Het verdict?
Vrijgesproken van het leven. Springt hij eindelijk de leegte in. Een andere vorm tegemoet.

Ik zou een gouden plaatje op de deur van haar serviceflat willen.

Hier heeft de dichter Lucienne Stassaert gewoond.
Ruimte onbetaalbaar verklaard.

10 augustus 2026 (avond)

Zoals ik mij had voorgenomen, zou ik na het heengaan van Lucienne in zekere mate solidair zijn. Dus ging ik met het witte, pas gestreken hemd, en mijn nieuw goudkleurig Casio-uurwerk in bed liggen om te doen alsof ik stervende was. Het was 13u30 en 22 seconden. De uurwerkenverkoopster had de tijd bij de aankoop meteen goed gezet en het uurwerk rond mijn pols gedaan. Bij het naar buiten gaan drukte ze beide handpalmen licht tegen elkaar, ter hoogte van haar lippen en glimlachte. De tijd zij met u. Haar groet droeg de fragiele belofte van een toekomstig, onbekend geluk. Het was een zachtmoedige geest, dat was bij het binnenkomen meteen zichtbaar. Hoe ze naar de uurwerken keek. Een heel leven de tijd goed gezet. Ook wist de uurwerkenverkoopster met zekerheid dat ik geen huidirritatie zou ondervinden, zoals ik eerst geopperd had. Ze kreeg gelijk. Na bijna twee maanden viel er nog steeds geen irritatie rond mijn pols te bespeuren; ik was al erg verknocht aan het uurwerk. Het was een heel mooi ding. Het bleef me wijzen op de hoogdringendheid van alle dingen en terwijl de seconden wegglipten, bleef ik verder rondrennen en toertjes draaien.
Tot ik er net niet bij neerviel.

Mijn hart klopte zwaar en traag. Ik vroeg me af waar de geest of ziel van Lucienne nu naartoe was. “Je sterft niet als je wil”, zei ze de laatste weken. Maar soms wilde ze het ook niet. Het was heel dubbel. Net zoals veel dingen in haar leven.

Tijdens een van mijn bezoeken in het ziekenhuis stopte ze me een brief toe. “Een noodkreet”, zoals ze het noemde. Ze vroeg me of ik de brief wou overtypen en naar de krant Gazet van Antwerpen sturen. Een van de recensenten, “iemand die veel van haar plastisch werk hield”, had onlangs twee kunstwerken van haar gekocht en zou de brief zeker publiceren. Ze wilde onder andere de lange wachttijden en het tekort aan palliatieve plaatsen in het zorgsysteem aanklagen, en ook de problematiek rond het verkrijgen van euthanasie.

Thuis las ik de brief en zag meteen dat er heel wat ontbrak om het doel dat ze wou bereiken voor een publiek duidelijk te maken. Ik stuurde de mail naar onze gezamenlijke vriendin Carine Lampens en vroeg haar opinie. Ze beaamde mijn vermoeden en antwoordde dat de klacht niet genoeg gestoffeerd was. Een lastige zaak, maar ik kon de brief zoals hij nu opgesteld was, ter bescherming van de auteur die doodmoe was van alles en het onderwerp niet voldoende had kunnen uitwerken, niet naar de krant versturen.

Bij het volgende bezoek vroeg ze natuurlijk of ik de brief al verstuurd had en moest ik haar duidelijk maken dat de aanklacht zoals nu geformuleerd, niet onderbouwd genoeg was. Ook was er het probleem van de tweestrijd geweest. Haar dochter Régine vertelde over de plotse angst dat ze na de euthanasie “niet echt dood zou blijken en wakker zou worden in haar kist”. Haar opnieuw confronteren met al die angsten en beklemmingen was gewoonweg veel te pijnlijk op dat moment.

Ze wilde sterven omwille van haar jarenlang afmattende fysieke toestand, en anderzijds wilde ze graag blijven leven omdat haar geest nog zo alert was en ze dag na dag omgeven werd door liefde, vriendschap en zorg. Ze wilde vooral leven om haar artistiek werk verder te zetten. Ik zag haar even slikken, maar uiteindelijk gaf ze toe dat ze er niet genoeg aan had kunnen werken. De vermoeidheid en het fysieke ongemak namen de levenswil met het uur over. Ook de morfine deed zijn werk. Ze was sinds haar aankomst in het ziekenhuis ook in hongerstaking gegaan. Ze leefde op soep en yoghurt. Een enkele keer had ze zichzelf nog een chocolade-éclair gegund. Koffie, cappuccino’s en cola stelden haar in staat te schrijven tot het laatste moment. Nee, je stierf niet als je het wilde.

Ondertussen was het 20u05 en 43 seconden. Mijn hart klopte nog altijd. De tijd bleef gewoon verder lopen. Het witte hemd was verkreukeld en ik kon zo de deur niet meer uitgaan. Het was 28 graden Celsius in mijn schrijfkamer. Ondanks de hitte viel ik uitgeput in een diepe slaap. De volgende ochtend leefde ik nog en ben gewoon weer opgestaan. Er kwam voorlopig ook nog water uit de douchekraan.

11 augustus 2026

Lucienne werd vandaag gecremeerd. De angst om in haar doodskist wakker te worden en alle andere dagelijkse angsten en beklemmingen zijn nu voorgoed voorbij. Ik geloof dat het nog een hele poos zal duren vooraleer haar afwezigheid in deze wereld volledig tot mijn bewustzijn is doorgedrongen. Of misschien zal het nooit helemaal doordringen. En waarom zou ze ook afwezig moeten zijn? Het is niet altijd de vorm of de fysieke verschijning die ertoe doet, meestal niet. Ik heb toch altijd meer met de doden in mijn boekenkast dan met levenden geleefd. En zijn de doden op sommige momenten niet meer levend dan degene die denken te leven?

Vandaag de hele dag met haar geschriften op schoot doorgebracht. Op de tijdlijn van dirigent Ilan Volkov vond ik een heel mooi fragment uit een boek van Zora Neale Hurston. Ik had nog nooit van de auteur gehoord en mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Ik zocht verder op het internet en vond toen dit gedicht als een geschenk. Ik stuur het meteen naar Lucienne, met de hemelpost.

“I have been in Sorrow’s kitchen and licked out all the pots.
Then I have stood on the peaky mountain wrapped in rainbows,
with a harp and a sword in my hands.”

12 augustus 2026

Het is wachten tot dit zwaar makende gevoel volledig verdampt is. Het verloopt iets gemakkelijker in deze officieel tweede hittegolf. Helaas. De bodem is zo goed als volledig uitgedroogd, ligt er des te meer, hunkerend bij. Een herfst in de zomer. Bladeren worden roestbruin, krullen op en vallen van de takken. De takken vallen van de uitgedroogde bomen. Hittestress. Europa staat in brand. Ik kan nu niet meer gaan klagen bij Lucienne. Haar begrip en steun vallen weg. Soms zei ze dat ze wou dat ze een tiende van mij kon zijn. Daarbij doelde ze op ‘mijn moed en humor’. Hoe goed kan ik het allemaal ‘spelen’ ? Of ben ik dan echt? Ik weet het niet. Mijn zus zei onlangs: “vroeger was jij veel grappiger, ik mis dit in jou.” Ze heeft gelijk. Maar. ‘We lachen om niet te moeten huilen.’ (Gustave Flaubert)

Donderdag 13 augustus 2026

Peter Holvoet-Hanssen & Artur Rimbaud op bezoek bij Lucienne Stassaert in het Middelheim

De dag van de zonsverduistering. Oostende. Tot laat in de namiddag voelde ik me uitgeput en lusteloos. Toen ik voor de tweede keer in zee ging, gaf ik mijn lichaam de opdracht alles te laten varen. Vroeg de zee de ballast, de boeien en ankers die het vlot verzwaarden weg te nemen. Nadat ik alles bij elkaar drie uur in het water had rondgedobberd, met de schuimende, uiteenspattende golven, op mijn rug drijvend, de ogen op de helderblauwe hemel gericht, ontsnapte er eindelijk een lang onderdrukte snik uit mijn middenrif. Van toen af aan ging het weer helemaal beter. Ik voelde dat de zwaarte uit mij was verdwenen en ergens op de golven dreef, of naar de bodem was gezonken. Een Oostendse zeeduivel zwom me met krachtige slagen voorbij. Water parelde op het getaande lichaam, van bij de geboorte op het strand gezandstraald door de wind, de zon en het zoute water. Dat zulke mensen nog bestaan. De maan schoof voor de zon. Er ontbrak alleen nog een kano met een dichter in.

14 augustus 2026

Vanmorgen zat Timo, de straatkat die door een buurvrouw uit de Hertsdeinstraat uit Egypte werd meegenomen, te wachten op het platte dak. Elke ochtend of avond komt hij eten. Timo is een kat die altijd honger heeft en bovendien ongelooflijk slim is. Lucienne zou Timo fantastisch gevonden hebben.

De oude Egyptenaren geloofden dat de goden zich manifesteerden in de vorm van bepaalde dieren. Bastet, de godin van de vruchtbaarheid, werd voorgesteld als een kat; bijgevolg werden alle katten in Egypte heilig en beschermd verklaard, zoals de koeien in Indië. In Historiën schreef Herodotus: “Wanneer iemand een van die dieren doodt, krijgt hij bij opzettelijk handelen de doodstraf. Is er geen opzet in het spel, wordt hem een straf door de priesters opgelegd. Wie echter een ibis of havik doodt, met of zonder opzet, moet in elk geval sterven” (Hist. II.65).

Buddy op de palliatieve eenheid van de Hoge Beuken.

Timo als boodschapper tussen de wereld van de goden en het aardse bestaan.

(Robbie was na tien jaar vermist te zijn geweest eind augustus in een asielcentrum gespot, maar dat wisten wij nog niet!)

Toen Timo zijn zwerftocht langs de daken verder zette, fietste ik naar het treinstation.

In de Fonteinstraat 33 zat Lucienne aan het raam met een sigaret in de hand naar buiten te kijken.
Haar andere hand naast de loep en de leeslamp op de tafel.

Vergezeld door een van haar laatste zinnen stapte ik op het perron:

“Het is voldoende te weten dat er elke dag van hieruit een trein naar Parijs vertrekt.”


Bronnen:

*Ali Kali vormt de grondslag van het Tibetaanse schrift: Ali staat voor de klinkers, Kali voor de dertig medeklinkers. Elke medeklinker draagt van nature de klank ‘a’ in zich; door een van de vier klinkertekens toe te voegen, ontstaat een andere klank en daarmee een lettergreep. In de Tibetaanse spirituele traditie zijn deze letters echter meer dan schrifttekens. Klank en vorm worden beschouwd als dragers van betekenis en als manifestaties van een diepere werkelijkheid. Een lettergreep is daardoor niet louter een middel om een woord weer te geven, maar kan ook een rituele en meditatieve kracht in zich dragen.

Alana De Stobbeleir Leegte dragen
https://www.instagram.com/she.rises07?fbclid=IwY2xjawULb_pwZG9mBWV4dG4DYWVtAjEwAGJyaWQRMEFqN0I1YkdyUUtCbTlZTUNzcnRjBmFwcF9pZBAyMjIwMzkxNzg4MjAwODkyAAEeSyTPay4qsheFRdcEW3IKOS0DQfvNC31EhrTYkqwKt4oxpco-VlTzmIDfku4_aem__POHNmZcJodV4d5E6w_02w

Henri-Floris Jespers, Lucienne Stassaerts orakeltaal,’van De verhalen van de Jonkvrouw met de Spade tot Bongobloesembloed ‘(L.S persoonlijke mededeling, maart 1991.)

Leegte is vorm, vorm is leegte: De Prajna–aparamita Hartsoetra wordt beschouwd als de kern van de boeddhistische leer. Het wordt in boeddhistische gemeenschappen overal ter wereld dagelijks gereciteerd.
In de Hartsoetra klinkt het: ‘er is geen oog, geen oor, geen…’. Daarmee wordt niet bedoeld dat het oog, het oor en al het andere letterlijk niet bestaan. Het betekent dat niets op zichzelf, permanent en onafhankelijk bestaat. Alles ontstaat in onderlinge afhankelijkheid en heeft geen inherente, onveranderlijke kern. Dit is de zogenaamde filosofie van de ‘leegte’ of shunyata in het Sanskriet.

Antoon Van den Braembussche, kunst- en cultuurfilosoof beschreef Lucienne als een ‘volbloed mystica’, ik ben hem in deze schatplichtig, maar koos voor “mystica pur sang”.

Lucienne Stassaert Biografie
https://schrijversgewijs.be/schrijvers/stassaert-lucienne/

https://www.dbnl.org/tekst/_vla001198601_01/_vla001198601_01_0052.php

Plaats een reactie