Het mooie herenhuis, le petit château, zoals Marianne Berenhaut het noemt, is makkelijk te vinden. Vanaf het treinstation van Vorst is het ongeveer een kwartier wandelen. Bij het betreden van het voortuintje zie ik aan het stenen bordes een papier hangen met het bericht dat de genodigden zich langs de zijgevel van het halfvrijstaande huis in eclectische stijl naar de tuin mogen begeven. Aanbellen is niet nodig. Zoals elke gast loop ik geruisloos over het zomergras de tuin in. Er staan een vijftiental ronde tafels, bekleed met mosgroene zijden tafellakens, in het midden van iedere tafel een boeket bloemen. De gasten staan in kleine groepjes rustig te praten met een glas in de hand; anderen zitten aan een tafel bijeen en nippen van hun drankje. Terwijl ik door de tuin loop, strijk ik met mijn hand over de wit-roze hortensiastruiken alsof het kinderhoofden zijn.
De jarige zit aan de eretafel en wordt overladen met bloemen, kussen en geschenken. Ik wens haar een gelukkige verjaardag en knijp haar even in de bovenarm, als wil ik mezelf ervan vergewissen dat het allemaal echt is. Marianne is negentig jaar geworden. Ze heeft die mooie, bijzondere glans in haar ogen waar ik altijd blij van word. Ze draagt een helderwitte, mouwloze zomerjurk met zeeblauwe wolken beschilderd, of zijn het golven? Het is fijn om haar zo te zien, ze stelt het goed en ik durf niet lang te kijken uit angst dat het moment vervliegt. Thomas en Serge Simon, haar twee zonen, hebben voor een schitterend buffet en diverse dranken gezorgd. De sfeer is gemoedelijk; de meeste genodigden hebben al een eerbiedwaardige leeftijd bereikt en het is nog steeds tropisch warm.
Op de eerste verdieping, waar zich het veelhoekig houten wachttorentje bevindt, woont en werkt Marianne. Ter gelegenheid van haar verjaardag wordt er doorlopend een zeven minuten durend filmpje van Serge Simon getoond. De cineast gebruikt hiervoor drie projectoren waarmee hij recente beelden uit haar solotentoonstelling ‘Mine de rien’ in het Genkse C-mine en oudere beelden uit eerdere tentoonstellingen tegelijk projecteert. Op sommige ogenblikken is Marianne drie keer op de schermen te zien: als zichzelf, als schaduw, en als afbeelding van een ander beeld van haar. Het lijkt alsof ze helemaal alleen in haar eigen universum dwaalt, zich telkens verdubbelt en toch ongrijpbaar blijft.
Het filmpje begint met een gedurfde zin: ‘Ik heb geen zin om de Shoah op mijn rug te dragen; het is een schokkende uitspraak, ik weet het’. Over deze uitspraak vertelt ze me tijdens een van onze telefoongesprekken dat ze in de context gezien moet worden. Het trauma is uiteraard altijd aanwezig. Het was pas toen ze Le lit (2000) maakte (recent aangekocht door het M KHA) dat er een soort kentering kwam. ‘A gratefulness to life, not to living’, verklaart ze nader, ‘niet dankbaar voor het feit dat je nog leeft, omdat het dan net is alsof je iemand zou moeten bedanken, maar dankbaarheid tegenover het leven zelf’. Anderzijds is haar oeuvre niet los te koppelen van zowel haar persoonlijke geschiedenis als de collectieve. Een groot deel van haar werk wordt begrijpelijker wanneer je de context kent, anderzijds is het noodzakelijk om de kunstwerken op zichzelf te waarderen, zonder ze voortdurend te herleiden tot ‘kunst van een overlevende’.
In haar atelier op de gelijkvloerse verdieping van het huis dat uitkomt op de tuin staat een werk waarover Marianne me in Londen al gesproken had. L’arbre à chaussures had ze het genoemd. Een van de gasten met wie ik net in gesprek ben, werpt een blik op de sculptuur die voor ons staat en zegt: ‘Je kan toch niet anders dan aan Auschwitz- Birkenau denken als je al die schoenen bij elkaar ziet’.
Ik werp een blik op het kunstwerk dat een tiental meter van ons verwijderd is en het beeld dat mij van kinds af in het geheugen is gegrift: een enorme kegelvormige berg achtergelaten schoenen van mannen, vrouwen en kinderen, schuift zich als een slide voor het kunstwerk dat daar teruggetrokken in het voorportaal van de ruimte staat. Ondanks de hitte loopt er een rilling over mijn rug. Een beklemmend gevoel maakt zich van mij meester. Ik dacht dat ik iets zag maar zie misschien niet wat er echt te zien is of zie iets helemaal anders. Maar wat is er dan werkelijk te zien? Ik weet het niet maar mijn geest, even eclectisch als het huis waarin ik me bevind schudt op zijn grondvesten.
Toch probeer ik die avond verder te denken en te voelen dan het beeld van de treurige berg schoenen dat zich abrupt voor het kleurige kunstwerk schoof. Dit lukt echter niet helemaal. Ik probeer terwijl ik de trap naar boven oploop, verschillende keren naar het beeld te kijken, maar kan het niet meer zien. Het is een vergeefse poging. Het kunstwerk staat er en niemand die er voorbij gaat kan er omheen. Het staat op het tuinfeest als een eregast. De belangrijkste: voorzien van mooie, elegante schoenen. Het lijkt van de plaats waar ik sta en het gadesla wel een geestverschijning. L’arbre à chaussures leeft. Zijn aanwezigheid vult de ruimte waarin hij zich bevindt.
Hij kijkt ons aan. Hij is onverzettelijk. Wij kunnen niet wegkijken.
De gast lijkt elk moment weg te kunnen stappen uit die ruimte, maar jij als toeschouwer kunt dat helemaal niet. Er is geen ontsnappen aan. Ik durf er nu amper nog een blik op te werpen; zijn aanwezigheid vult niet alleen de ruimte, maar ook het gat in mij. Het gat in ieder van ons, dat als wij niet oppassen, ons opslokt. Ik tast verschrikt naar mijn borst, waar ineens niets is, behalve puntige scherven, alsof er een steen door een raam van mijn wezen werd gegooid. Ik ben bang dat hij zal beginnen praten.
Ik voel hoe hij verder door mijn pantser breekt, zijn adem door de ingeslagen ruit, doorheen mijn wezen blaast, een echo vormt die steeds luider klinkt maar ik geef me niet gewonnen, loop opnieuw de trap op en kijk nog een keer naar het filmpje. Daarna vlucht ik weer de tuin in, tussen de genodigden, terwijl die ene gast, onhoorbaar, zachtjes blazend, de holte in mijn ziel aftast.
L’arbre à chaussures deed me ook denken aan de Golem in de roman van Gustav Meyrink. Bij Meyrink verbeeldt de golem onder meer ‘het onderbewuste in het individu, een onontgonnen gebied waar de mens letterlijk slechts een bezetene is, geleefd of gestuurd wordt door grotere krachten dan hijzelf’. Daar is hij volgens Meyrink ‘zijn eigen gevangene en bewaker. De bevrijding en bekroning vinden plaats als de tegenstellingen oplossen, in het beeld van de androgyne en zelf scheppende mens’. Hier waren enorme tegengestelde krachten aan het werk, die hoe dan ook opgelost moesten worden. Er zat niets anders op dan een nieuwe confrontatie aan te gaan. Alleen, zonder gasten. Ik moest het kunstwerk op een ander moment weer onder ogen zien.
Terwijl ik die avond laat op het sprookjesachtige perron van Vorst wacht op de laatste trein naar Antwerpen, scroll ik door Instagram en kom ik een video tegen waarin een kind uit Gaza vertelt hoe het tijdens zijn vlucht een schoen verloor. Het durfde niet terug te gaan om hem op te halen, uit angst dat hij een doelwit voor Israëlische soldaten zou worden. Hij liep twaalf kilometer met slechts één schoen. In een andere video zijn schoenmakers te zien die slippers repareren die nauwelijks nog te redden zijn. Een vader snijdt een paar slippers voor zijn kinderen uit een stuk hout. Een treurige berg van oude en nieuwe schoenen dringt zich aan de horizon van mijn blikveld op. De zon is inmiddels ondergegaan. De overweldigende omvang van dit verlies – zeventig procent van de slachtoffers in deze oorlog zijn vrouwen en kinderen – beneemt me de adem. Kunnen we werkelijk de omvang van deze tragedie en het niets ontziend, zinloos geweld bevatten? Wegkijken is onmogelijk.
Drie weken later breng ik opnieuw een bezoek aan Marianne. Op het einde van een lange, mooie namiddag vraag ik haar of ik nog enkele foto’s van haar recentste werk mag maken. Ze vindt het meteen goed en ik ga naar het atelier op de begane grond. De deur naar het privétuintje is afgesloten en er is geen lichtknop, of ik vind hem niet. Ik begin meteen te fotograferen en maak drie filmpjes zonder er veel bij na te denken of naar ‘iets’ op zoek te gaan. Ik wil dat de dingen zichzelf vinden. Zoals de elementen in de sculpturen van Marianne elkaar vinden. Als geliefden, vrienden, verwanten, zielsgenoten.
L’arbre à chaussures houdt zich deze keer stil in het halfduister van de ruimte. Hij roert zich niet zoals op Mariannes verjaardagsfeest. Omdat ik net uren met Marianne door haar Cahiers-Collages gebladerd heb, kan ik niet nog eens een half uur in het atelier in het gezelschap van het kunstwerk beneden doorbrengen. Er gaat een serene stilte van uit. Ik vroeg mij af hoe je iets kan vertellen zonder het daadwerkelijk te benoemen. Hoe zeg je iets zonder het te zeggen? Ik loop enkele rondjes om het werk heen. Het heeft de stilte van sneeuw, van een dennenboom in het hart van de winter. Het frame waarop de schoenen geplaatst zijn heeft dezelfde lichtgroene kleur als het houten kozijn van het raam in het wachttorentje. Ik blijf nog even wachten. In het halfduister is het net of al die elegante, zo goed als nieuwe schoenen in hun verschillende felle kleuren beginnen op te lichten. Het werk lijkt zichzelf te ontsteken en mij uit te nodigen om aan die verzameling onzichtbare voeten plaats te nemen. Ik wil mijn armen om hem heen slaan zoals ik altijd bij Marianne wil doen als ik haar zie. Het lijkt alsof hij me uitnodigt om in al die schoenen te stappen, die ooit aan de voeten van een mens hadden behoord en de eindeloze reis, de reis zonder tijd, begin of einde, tussen het puin van het verleden en het heden, in een ander licht aan te vatten.
Het is intussen half zes. Marianne is boven op mij aan het wachten. Ik loop de trap op. Ze vraagt of het gelukt is met de foto’s. Ik vraag haar of ze het resultaat wil zien, maar ze zegt dat ze me vertrouwt. We nemen afscheid. Ik loop naar buiten de zomerregen in. Drie kwartier later zit ik weer in de trein naar Antwerpen. Ik kijk naar buiten, weg van mijn telefoonscherm met de honderden foto’s die ik heb gemaakt, en één foto die ik omwille van haar privacy op haar verzoek heb gewist, maar niet uit mijn geheugen.
Alles raast voorbij, behalve datgene waar we van houden. L’arbre à chaussures loopt me, op een parallel spoor, in hoge snelheid voorbij.
The Shoe Tree
The beautiful mansion, le petit château, as Marianne Berenhaut calls it, is easy to find. It is about a fifteen- minute walk from Forest train station. When I enter the front garden, I see a paper hanging on the stone steps with the message that the guests may enter the garden along the side wall of the semi-detached house in eclectic style. There is no need to ring the bell. Like any other guest, I walk silently across the summer grass into the garden. There are about fifteen round tables, covered with moss-green silk tablecloths, with a bouquet of flowers in the middle of each table. The guests stand in small groups, chatting quietly with a glass in their hands; others sit together at a table and sip their drinks. As I walk through the garden, I run my hand over the white and pink hydrangea bushes as if they were children’s heads.
The birthday lady sits at the table of honour and is showered with flowers, kisses and gifts. I wish her a happy birthday and pinch her upper arm, as if to assure myself that it is all real. Marianne has turned ninety. She has that beautiful, special shine in her eyes that always makes me happy. She is wearing a bright white, sleeveless summer dress with sea-blue clouds painted on it, or are they waves? It is nice to see her like this, she is doing well and I dare not look for long for fear that the moment will pass. Thomas and Serge Simon, her two sons, have provided a wonderful buffet and various drinks. The atmosphere is friendly; most of the guests have already reached a venerable age and it is still tropically warm.
Marianne lives and works on the first floor, where the polygonal wooden room is located. On the occasion of her birthday, a seven-minute film by Serge Simon is shown continuously. The filmmaker uses three projectors to simultaneously project recent images from her solo exhibition ‘Mine de rien’ in C-mine (located in the city of Genk) and older images from previous exhibitions. At times, Marianne can be seen three times on the screens: as herself, as a shadow, and as an image of another image of her. It seems as if she is wandering all alone in her own universe, doubling herself every time and yet remaining elusive.
The film begins with a daring saying: “I have no desire to carry the Shoah on my back; it is a shocking statement, I know”. During one of our telephone conversations, she tells me that this statement must be seen in context. The trauma is of course always present. It was only when she made Le lit (2000) (recently acquired by the Museum of Contemporary art in Antwerp) that a kind of turning point occurred. “A gratefulness to life, not to living”, she explains, “not grateful for the fact that you are still alive, because then it is as if you should thank someone, but gratitude towards life itself”. On the other hand, her oeuvre cannot be separated from both her personal history and the collective one. Much of her work becomes more understandable when you know the context. On the other hand it is necessary to appreciate the artworks in themselves, without constantly reducing them to “art by a survivor”.
In her studio on the ground floor of the house that opens onto the garden stands a work that Marianne had already mentioned to me in London. She had called it L’arbre à chaussures. One of the guests I am talking to glances at the sculpture in front of us and says: “You can’t help but think of Auschwitz-Birkenau when you see all those shoes together”. I glance at the work of art that is ten metres away from us and the image that has been etched in my memory since childhood: an enormous conical mountain of abandoned shoes of men, women and children, slides like a slide in front of the work of art that stands there withdrawn in the vestibule of the space. Despite the heat, a shiver runs down my spine. A feeling of oppression takes hold of me. I thought I was seeing something but perhaps I am not seeing what is really there or I am seeing something completely different. But what is really there to see? I don’t know, but my mind, as eclectic as the house I’m in, is shaking to its foundations.
Still, that evening I try to think and feel beyond the image of the sad mountain of shoes that abruptly appeared in front of the colourful work of art. I do not succeed, however. While I am walking up the stairs, I try several times to look at the statue that is there, but I can no longer see it. It is a futile attempt. The work of art is there and no one who passes by can ignore it. It participates at the garden party as a guest of honour. The most important guest: equipped with beautiful, elegant shoes. From where I am standing and watching it, it looks like a ghostly apparition. L’arbre à chaussures is alive. Its presence fills the space. It looks at us from where it is standing. It is unyielding. We cannot look away.
The guest seems to be able to leave that space at any moment, but you as a spectator cannot. There is no escape. I hardly dare to look at him now; his presence fills not only the space, but also the hole in me. The hole in each of us, which, if we are not careful, will swallow us. I fearfully feel my chest, where suddenly there is nothing, except sharp shards, as if a stone has been thrown through a window of my being. I am afraid he will start talking. I feel how he breaks through my armour, his breath blows through the broken window, through my being, forming an echo that sounds louder and louder, but I do not give up, walk back up the stairs and watch the film again. Then I flee back into the garden, among the guests, while that one guest, inaudibly, softly blowing, probes the hollow in my soul. L’arbre à chaussures also reminded me of the Golem in Gustav Meyrink’s novel. In Meyrink’s work, the golem represents, among other things, “the subconscious in the individual, an unexplored area where man is literally just a possessed person, lived or controlled by greater forces than himself”. There, according to Meyrink, he is “his own prisoner and guard. The liberation and crowning take place when the contradictions dissolve, in the image of the androgynous and self-creating man”. Here, enormous opposing forces were at work, which had to be resolved in any case. There was no other option than to undergo a new confrontation. Alone, without guests. I had to face the work of art again at another time.
As I wait for the last train to Antwerp on the fairytale platform of Forest late that night, I scroll through Instagram and come across a video in which a child from Gaza tells how he lost a shoe during his flight. He did not dare to go back to get it, for fear that he would become a target for Israeli soldiers. He walked twelve kilometres with only one shoe. In another video, shoemakers are seen repairing slippers that are barely salvageable. A father carves a pair of slippers for his children from a piece of wood. A sad mountain of old and new shoes forces itself on the horizon of my field of vision. The sun has set by now. The overwhelming scale of this loss – seventy percent of the victims in this war are women and children – suffocates me. Can we really grasp the magnitude of this terrible tragedy and the relentless, senseless violence? Looking away is impossible.
Three weeks later I visit Marianne again. At the end of a long, beautiful afternoon I ask her if I can take a few more photos of her most recent work. She immediately agrees and I go to the studio on the ground floor. The door to the private garden is locked and there is no light switch, or I can’t find it. I start taking photos right away and fill three films without thinking much about it or looking for ‘something’. I want things to find themselves. Like the elements in Marianne’s sculptures find each other. Like lovers, friends, relatives, soulmates.
This time, L’arbre à chaussures remains silent in the half- light of the room. It does not stir as it did at Marianne’s birthday party. Because I have just spent hours leafing through Marianne’s Cahiers-Collages with her, I cannot spend another half hour in the studio in the company of the work of art downstairs. There is a serene silence. I wondered how you can recount something without actually naming it. How do you say something without saying it? I walk a few laps around the work. It has the silence of snow, of a pine tree in the heart of winter.
The frame on which the shoes are placed has the same light green colour as the wooden frame of the window in the wooden room. I wait a little longer. In the half-light, it is as if all those elegant, almost new shoes are beginning to light up in their various bright colours. The work seems to ignite itself and invite me to take a seat at this collection of invisible feet. I want to throw my arms around it as I always want to do with Marianne when I see her. It is as if it is inviting me to step into all those shoes that once belonged to the feet of a human being and to begin the endless journey, the journey without time, beginning or end, between the rubble of the past and the present, in a different light.
It is now half past five. Marianne is waiting for me upstairs. I walk up the stairs. She asks if the photos worked. I ask her if she wants to see the result, but she says she trusts me. We say goodbye. I leave the house into the summer rain. Three quarters of an hour later I am back on the train to Antwerp. I look outside, away from my phone screen with the hundreds of photos I have taken, and one photo that I have deleted at her request for the sake of her privacy, but not from my memory.
Everything rushes by, except for what we love. L’arbre à chaussures passes me by at high speed, on a parallel track.

© Text: Daisy Roman (from Gold Dust a book about Marianne Berenhaut)
Published by Tornado Editions, Montagne de Miel, 2024
Translation: Hans Theys