Het is vrijdag 30 december 2023. Volgens het Palestijnse ministerie van Volksgezondheid zijn in Gaza al meer dan 21.672 mensen gedood, voornamelijk kinderen en vrouwen, en zijn 56.165 mensen gewond geraakt, 8ooo mensen zouden nog onder het puin liggen. Sinds de bloedige aanval van Hamas en andere Palestijnse groepen op 7 oktober in Israël , waarbij 1300 burgers en militairen omkwamen en ongeveer 250 mensen werden gegijzeld (86 gijzelaars werden tijdens de gevechtspauze op 24 november door Hamas vrijgelaten) worden we dagelijks geconfronteerd met beelden van de ongeziene slachting die het Israëlische leger aanricht als vergelding. Het aantal kinderen dat de voorbije weken in Gaza is omgekomen, op dit ogenblik 8500, overtreft het totale aantal kinderen dat jaarlijks, wereldwijd gedurende de afgelopen drie jaar het leven heeft verloren als gevolg van gewapende conflicten. Terwijl ik dit neerschrijf verafschuw ik de kilheid van de cijfers.

De Britse krant The Guardian meldt dat na de aanhoudende bombardementen door het Israëlische leger, er vanuit de ruimte meer dan duizend kraters te zien zijn. Als onderdeel van ‘de blokkade’ sluit Israël de toevoer van brandstof, voedsel, water en elektriciteit af. Ziekenhuizen die nog functioneel zijn worden overspoeld door gewonden, waarvan de helft kinderen zijn, en een derde reeds overleden is bij het binnenkomen. Sommigen zijn voor het leven verminkt, hun gezichtjes met bloed besmeurd, de haren grijs van het stof; de wereld is boven hun hoofden ingestort. Huilend of doodstil van de schok staren ze ons met wijdopen ogen van angst aan, gedesoriënteerd en ontheemd tot in het diepst van de ziel. Dokters, chirurgen en verpleegkundigen werken zoals altijd en overal in crisissituaties, onder de meest afschuwelijke en veeleisende omstandigheden, de klok rond. Chirurgische ingrepen worden in Gaza uitgevoerd met het lampje van een gsm. Chirurgen getuigen dat ze de ledematen van kinderen moeten amputeren zonder pijnstillers. Ik hou mijn adem in. Volgens Unicef hebben meer dan 1000 kinderen in Gaza amputaties ondergaan zonder verdoving. De fosforbommen die het IDF dropt, branden gaten in de huid. Ik wil de beelden niet zien, maar dan besef ik dat ik niet kan en mag wegkijken. Het is onze plicht over deze ongeziene misdaden door het IDF uitgevoerd op onschuldige burgers te berichten.

Verbijsterd sluit ik mijn laptop.

Er komt geen einde aan de horror; dag na dag stapelen de doden zich op of sterven onder het puin. Zelfs het begraven van de doden wordt de burgers ontzegd. Het is een oorlog die ontmenselijkt en waarbij alles in de strijd wordt gegooid. Volgens een bericht van Al Jazeera werken de waterpompen van het Abu Rashidreservoir niet meer doordat ze geraakt zijn bij Israëlische bombardementen. Door het vernietigen en bombarderen van de infrastructuur in de Gazastrook is het rioleringssysteem buiten werking gesteld. Door de hevige regenval kunnen ambulances niet meer door de straten rijden. Infectieziekten verspreiden zich onder de ontheemde bevolking. Ook de essentiële waterzuiveringsinstallatie aan de rand van Gaza-Stad is recentelijk vernietigd (dit werd bevestigd door satellietbeelden), waardoor 70% van de bevolking afhankelijk is van vervuild water voor hun dagelijkse behoeften. De gewonden kunnen niet verzorgd worden, de doden kunnen niet begraven worden. Als er nu geen bestand wordt afgedwongen, wanneer dan wel? Ook de grond wordt gecontamineerd door schadelijke stoffen zoals asbest en zware metalen die bij het instorten van de gebouwen vrijgekomen zijn. Het AID (Vereniging voor Infectieziekten in Israël) bericht dat ‘ze verschillende medicijnresistente ziekteverwekkers hebben aangetroffen in de verwondingen aan de ledematen van soldaten, waaronder zeer resistente stammen van Klebsiella- en Escherichia coli-bacteriën, en Aspergillus-schimmels.’ Dit onderzoek werd uitgevoerd op 10 soldaten. ‘Er was geen reden voor paniek, er was geen sprake van een epidemie.’ Hoe kon dit vastgesteld worden? De wonden van de Gazanen werden uiteraard niet onderzocht. Inmiddels dropt het IDF bommen met behulp van artificiële intelligentie, waardoor alles en iedereen een doelwit wordt. Het doden wordt ‘efficiënter’. Gebied na gebied wordt gebombardeerd. Het tempo waaraan mensen in Gaza sterven is ongezien in deze eeuw, en er is nergens een veilige plek om naartoe te vluchten. De bevolking wordt van het noorden naar het zuiden verjaagd. Wie kan vlucht te voet, of met wat hen nog aan bezittingen rest, op een ezelskarretje geladen. Kinderen sterven van honger en dorst. De beelden die hiervan getuigen zijn hartverscheurend. Met duizenden wachten ze in de rij bij hulporganisaties die voedsel uitdelen. Ik hoor het holle geluid van lege potten, pannen en een plastieken emmers vooraleer ze met een schep linzen worden gevuld, uit de massa duikt een kleuter op die niet bij de voedselverdeling raakte, hij loopt verloren rond, tot hij een schep bonen uit een ander kom ontvangt. Het kind holt vervolgens met zijn kom en de handvol bonen, naar huis of wat er van overblijft. De  hulpkonvooien raken Gaza niet binnen. In Rafah worden op onbebouwde terreinen en langs de kant van de weg tentenkampen opgezet, de opvangcentra zit overvol.

Meinie Nicolaï, algemeen directeur van Artsen Zonder Grenzen, ontvangt van haar collega’s in Gaza het bericht dat kleine kinderen zeggen ‘dat ze niet langer willen leven’.

Gaza is een slachthuis geworden. De mens als woedende, van haat schuimbekkende slachter. De gedreven verwoester. Gewetenloos, want wie een geweten heeft is niet tot zulke gruwel in staat. Ik denk aan een gedicht van Janos Pilinszky uit de bundel Krater. Pilinszky verbleef tijdens de Tweede Wereldoorlog als krijgsgevangene in een Duits concentratiekamp en beschreef ‘het feit dat Auschwitz zich in de christelijke cultuuromgeving heeft voorgedaan, voor het metafysische verstand niet te vatten was’. Dat de wreedheden door de mens begaan zich blijven herhalen zal nooit te vatten zijn. Krater ligt altijd binnen handbereik, nu op de tafel naast mijn aantekeningen voor het Venetiaans verhaal waar ik deze kerstvakantie aan wilde verder werken, maar mij in de huidige omstandigheden niet toe in staat zag. Het is aan de gedichtenbundel te zien dat hij al lang meegaat. Ik zou op de tweedehandsmarkt een nieuw exemplaar kunnen aanschaffen, maar dat zou niet hetzelfde zijn. De eerste aanblik verbeeldt de emoties die de gedichten opriepen toen ik ze voor het eerst las en sindsdien bleef herlezen. Woorden en gevoelens die zich in mij genesteld hebben en mij overal begeleiden, als waren het oude zielen uit een oorlog teruggekeerd die ik enkel kende uit de verhalen van mijn overgrootmoeder. Moeder was pas twintig toen ze mij ter wereld bracht. Mijn wieg werd bij mijn grootmoeder en overgrootmoeder aan vaderskant geplaatst. Twee oorlogsweduwen. In plaats van met moedermelk werd ik met verhalen gevoed. Verhalen doordrenkt van een verdriet dat ik toen niet kon bevatten, maar die me wel de essentiële menselijke normen en waarden hebben bijgebracht. Ik begreep de impact van de oorlog op hun leven pas echt toen mijn vader op een dag een klusjesman de toegang tot ons huis ontzegde, omdat het een Duister bleek te zijn. Ik was geschokt, en begreep tegelijkertijd dat dit nooit de bedoeling kon zijn.

Bij tijden, en in een bepaalde weerspiegeling van een parallelle werkelijkheid, zag ik langs mijn overgrootmoeder een glimp van een ontheemde, verweesde mensheid opstaan, die zo in mijn gedachtengoed een oorsprong vond.

De ochtend begint met het lezen van de berichten op de nieuwssites van Al Jazeera, Middle East Eye, berichten van vrienden, Facebookvrienden en journalisten die via kranten en sociale media volg. Een mens mag niet cynisch worden, maar ik besef dat deze oorlog de meest gedocumenteerde oorlog is. Tijdens de meditatiesessies ’s ochtends en ’s avonds, waarvan het nut steeds groter wordt, loopt het ingehouden verdriet over mijn gezicht, maar deze ongeziene barbarij laat zich niet van mijn netvlies wassen. Het spoelt hoogstens de wonden in de ziel.

Op 20 december komt het bevrijdende bericht dat Fatena Al Ghorra, onze Palestijns-Vlaamse landgenote en dichter, eindelijk met haar ouders in Rafah de grens met Egypte kon oversteken en ondertussen in Caïro in veiligheid is. We halen allemaal opgelucht adem. Het Midden-Oosten heeft zich na een afwezigheid van jaren weer helemaal in mijn bestaan geschreven. Wat ik mij van de Arabisch taal herinner is, tot mijn eigen schaamte, bitter weinig. Ik begin mij opnieuw te documenteren. Denk aan het moment dat ik begin jaren negentig op het punt stond om met het toenmalig Palestijns actiefront in Gent als vrijwilliger naar Gaza te reizen, met als missie kinderen te begeleiden op weg naar school. Uiteindelijk haakte ik na een weloverwogen ‘soul search’ af omdat ik een conflict in mijn geweten ervoer. Naïef als ik toen was, wilde ik een manier vinden die de wegen naar school voor alle kinderen veilig zou stellen, ook aan Israëlische kant. In Jeruzalem bevond zich het graf van een van mijn lievelingsdichters, Else-Lasker-Schüler (Elberfeld, 11 februari 1869 – Jeruzalem, 22 januari 1945)  maar ik wenste het land niet te bezoeken onder een bezettingsmacht en bleef dus thuis. In Palestina flakkerde de hoop op een vredesproces even op met de Oslo-akkoorden, maar doofde tragisch genoeg, even snel weer uit, gelijk met de hoop op vrede en twee zelfstandige leefbare staten. Mijn innerlijk kompas stuurde me in de richting van Egypte. Het graf van Else Lasker-Schüler heb ik nog steeds niet bezocht. Intussen is Gaza een massagraf. Dichters sterven er een stille dood. Ik leg Krater terug op de tafel en loop naar buiten, de gietende regen in.

Ondertussen zijn er meer dan achtduizend kinderen gedood. De scholen, ‘shelters’ voor de twee miljoen ontheemden zijn ontoereikend. ‘Van de schoolbanken’, zo lees ik in een artikel van bezettingscorrespondent en vredesactivist Amira Hass, in Haaretz, ‘worden bedden gemaakt’. Raketten hebben kraters geslagen in de wegen naar de scholen. Elke dag worden steeds meer kinderen levend of dood van onder het puin gehaald. De lijst van gedode kunstenaars wordt steeds langer. In acht weken tijd zijn meer journalisten gedood dan in Oekraïne het afgelopen jaar. Een van hen is Samer Abu Daqqa, cameraman voor Al-Jazeera Arabic. Samer stierf aan zijn verwondingen opgelopen tijdens een drone-aanval terwijl hij verslag deed van de nasleep van artillerie-aanvallen in Khan Yunis, in het zuiden van de Gazastrook. Het IDF verhinderde de hulpdiensten om bij hem te komen. Hij laat in Leuven, een echtgenote en vier kinderen na.

Elke keer dat je denkt dat er een dieptepunt is bereikt, wordt er weer een andere krater geslagen. Op de tralies van een hek rondom een Arabische begraafplaats in de West Bank wordt als een misselijkmakende trofee het afgesneden hoofd van een ezel geplaatst. De oproep van Premier Netanyahu waarin hij verwijst naar het Bijbelse verhaal van de totale vernietiging van Amalek door de Israëlieten: “Spaar niemand, maar dood mannen en vrouwen, baby’s en zuigelingen, ossen en schapen, kamelen en ezels”, wordt verhoord. Het IDF moordt, plundert en steelt. ‘Is dit een mens?’ flitst voortdurend door mijn hoofd.

Het protest in de straten neemt ondertussen wereldwijd toe. Een zo nodig teken van hoop en solidariteit, maar de leiders van deze wereld hebben er geen oren naar. Er schuilt meer medeleven in een mummie dan in deze mislukte heersers.

Mosab Abu Toha, de Palestijnse dichter die op 21 november in Rafah bij de grensovergang door het IDF aan een militaire checkpoint werd opgepakt, plaatst op zijn Facebookpagina het interview met CNN waarin hij relaas uitbrengt over zijn gevangenschap. Hoeveel Gazanen werden zoals Mosab, onrechtmatig, ‘per vergissing’ opgepakt, geslagen en vernederd? Mosab is met zijn familie nog maar net uit de hel van Gaza ontsnapt wanneer hij het nieuws verneemt dat ook zijn goede vriend en dichter Refaat Alareer op 7 december in Gaza door het IDF is gedood. Refaat Alareer was hoogleraar Engelse literatuur aan de Islamitische Universiteit van Gaza, waar hij onder andere Shakespeare doceerde. Hij was medeoprichter van het project ‘We Are Not Numbers’, waarin hij schrijvers koppelde aan mentoren in het buitenland om hun verhalen in het Engels naar buiten te brengen. De lijst met gedode kunstenaars en dichters wordt elke dag langer. Bibliotheken, archeologische sites, musea, alles wat de identiteit van het Palestijnse volk vormt, wordt met de grond gelijk gemaakt. Nooit stierven zoveel mensen onder het puin. ‘Under the rubble’, de afgelopen maanden de meest gehoorde zin, staat in mijn geheugen gebeiteld. Bulldozers graven steeds dieper in wat ons rest aan menselijkheid. Wat moet er van de duizenden gewonde, verminkte, verweesde kinderen worden? Van al die ontheemde vrouwen en mannen, beroofd van de laatste kruimel menselijkheid? De gijzelaars in de tunnels? De nabestaanden van de Israëlische slachtoffers, de door Hamas en aanhangers, verkrachtte en seksueel verminkte meisjes en vrouwen? Er bestaan geen woorden voor deze misdaden; slechts een onherbergzaam, gewelddadig duister. Wanneer komt er een einde aan deze weerzinwekkende misdaden?
Morgen is het Nieuwjaar.

(Video still Youtube)

Plaats een reactie