Tijdens het vertellen van mijn laatste verhaal had M een eigenaardige blik in de ogen gekregen. Haar kauwgom kauwende kaken waren stilgevallen en voor ze kon vragen of ik niet een beetje over de rooie begon te raken zei ik dat alles opperbest ging. Beter kon het niet. Althans niet op dit moment en wat was het leven anders dan een aaneenschakeling van momenten? De afgelopen week had ik een marathongesprek van acht uur met een vriend die net terug was van een verre reis. Hij was vertrokken in een zwart pak van Dries Van Noten en stond in hetzelfde pak, waarop geen vlekje of kreukje te bespeuren viel, een jaar later weer in de stad. De dag erna interviewde ik Lucienne Stassaert. Tijdens het zeer geanimeerde gesprek bleef de dichter mijn glas volschenken. Toen ik wilde vertrekken en niet goed meer wist waar ik de opnames had gelaten haalde ze een pak crackers uit de kast, die we samen verorberden. De kruimels vlogen in het rond. Bij het afscheid kreeg ik een schilderij en het manuscript van haar nieuwe dichtbundel cadeau. Thuis legde ik het manuscript boven op de stapel nog te lezen manuscripten om er de volgende ochtend meteen werk van te maken. Het schilderij hing ik boven mijn bed. Ik schreef twee essays: De onkreukbaren en De edelmoedigheid van de dichter. Ondertussen had ik ook Oppenheimer en Barbie gezien. Alle dagen een roze bril en roze kleren gedragen. ‘s Avonds kookte ik zoals elke avond voor L, ook al wist ik dat L nooit zou koken voor mij, niet omdat L het niet wilde, maar omdat L het niet kon. L kon gelukkig wel eten. Anders was hij al van honger omgekomen en was de mensheid voor eeuwig verstoken geweest van de meesterwerken die hij zo goed restaureerde dat ze beter waren dan de oorspronkelijke versies zodat geen enkel museum ze nog wilde hebben omdat er aan de echtheid getwijfeld werd. Maar wat was echt en wat was fake, in het licht van elke regenachtige dag? Ook gaf ik de mussen in de dakgoot, en de kat van Y en Z, de buren, te eten. De Siamees kwam iedere dag voor het venster staan en keek miauwend naar binnen tot ik haar op de vensterbank wat tonijn uit een blik presenteerde. Ze liet me haar crèmekleurige vacht strelen tot het schoteltje leeg was. Dan sprong ze van de vensterbank naar binnen, vleide zich neer op de sofa en lag de rest van de dag, af en toe zwiepend met haar staart, te soezen en te spinnen. Als ik haar wilde buitenzetten begon ze te krabben en te blazen. De Siamees ging pas naar huis wanneer het haar beliefde. De volgende dag stond ze weer voor het venster te miauwen en gaf ik haar wat te eten zoals de mussen in de dakgoot en L die anders niet uit zijn restauratieatelier kwam, behalve om te slapen. 

Op advies van Q, een andere vriend des huizes, begon ik tussen de schrijfsessies en bij wijze van ontspanning hier en daar wat te poetsen. Sommige meubelstukken had ik al een tijdje niet meer verplaatst omdat ik altijd dacht aan wat Susan Sontag (Amerikaanse auteur, filmmaker, filosoof, docent en politiek activist) over het verplaatsen van meubelen en het schrijven had gezegd: Writing is a little door. Some fantasies, like big pieces of furniture won’t come through. Terwijl ik dus de schrijfkamer stofzuigde viel mijn oog op een dichtgeklapte tafel die al meer dan tien jaar tegen de muur stond. Ik trok de tafel opzij, van de muur weg, en zag een spin traag over de vloer kruipen. Spinnen kunnen zich meestal niet snel genoeg uit de voeten maken eens hun schuilplaats is ontdekt, maar dit dier was helemaal anders dan de doorsnee huisspin. Het bewoog zich amper voort. Het leek een oog te hebben en straalde een soort droefheid uit. Ik dacht aan de tekeningen en sculpturen van de Frans-Amerikaanse kunstenares Louise Bourgeois. Dit was een Louise Bourgeois spin. Dit oude zichzelf voortslepende, dunne exemplaar zag er hoogbejaard uit. Dat het dier zich zo lang in mijn nabijheid, op twee meter van het bed waar ik al tien jaar onder een muskietennet sliep, in leven had weten te houden, was in zeker zin aandoenlijk. Het muskietennet moest er voor de spin als een gigantisch web uitzien, waaronder iets log lag te slapen. Maar voor die gedachten goed en wel tot mij waren doorgedrongen had ik haar al opgestofzuigd. Onmiddellijk na mijn impulsieve daad kreeg ik wroeging. Ik had een zwak en bejaard dier gedood. Dat was niet nodig geweest. 

Dit alles vertelde ik aan M, omdat ik mij erg schuldig voelde sindsdien, en maar niet begreep waarom ik die ene bejaarde spin gedood had, terwijl ik honderden andere, nijdige, afzichtelijke monsters, het leven heb gered door ze in een bokaal te vangen en buiten te zetten. Het was niet te bevatten, ik kon er niet meer van slapen. M, die in Chicago opgegroeid was, had mij lang aangekeken en vertelde toen een verhaal over een gedetineerde die tien jaar in een cel van 3 op 4 meter gevangen zat en een spin als huisdier hield. De band met de spin was zo hecht geworden dat toen een medegevangene de spin van zijn eigenaar had gestolen, er tussen de gevangenen een gevecht op leven en dood uitbrak. De eigenaar sloeg zijn celmaat de hersenen in en zijn gevangenisstraf werd met enkele jaren verlengd. Ik vroeg haar wat er met de spin was gebeurd. M dacht dat ik maar eens wat frisse lucht moest scheppen. Ik deed wat M me opdroeg omdat zij uit Chicago kwam, een goed stel hersenen had van al dat kauwen, en veel beter wist hoe het plots de verkeerde kant kon opgaan, maar ondertussen sleepte de spin zich verder, een web wevend, waarin ze mijn gedachten tijdens slapeloze nachten gevangen hield. 

(Bij deze tekst zou een afbeelding van de spin van Bourgeois goed gekozen zijn maar omdat ik die nog steeds wat angstwekkend vind, leek een foto van Susan Sontag waar ze aan een tafel zit, die vermoedelijk door geen enkele deur kan, een betere optie.)

Susan Sontag. Photo by Jill Krementz

Louise Bourgeois
Arch of Hysteria 2000 with, from left, Fairy Dressmaker (1963), The Mirror (1998), and Lair (1986) at Galerie Karsten Greve, in Köln Skuptur

Plaats een reactie