Het gaat niet goed met de huidige loketbeamten. Althans, dat dacht ik op te maken uit mijn laatste bezoek aan het stadsloket terwijl ik aan het wachten was op de bezorging van een nieuwe puk-code en een bijbehorende kaartlezer. Zowel de beambten die aan de helpdesk stonden als de beambten die aan het loket hun diensten aanboden, hadden het op dat moment over wat ze tijdens de lunchpauze zouden eten. De beambte aan de helpdesk polste luidruchtig bij haar collega welk broodje ze die middag besteld had waarop die antwoordde: een Broodje Kip Andalouse. De beambte knikte goedkeurend en riep dat ze een Martino had besteld. Toen verscheen nummer 501 op het display, was ik aan de beurt en kon ik het verloop van het gesprek niet meer volgen. Met mijn nieuwe puk-code op zak ging ik naar een andere balie waar het gesprek opnieuw ging over ‘wat ga je eten straks en wat heb je gisteren gegeten’. Het onderwerp bleek zo belangrijk dat beide loketbeambten mij niet eens zagen staan, of sterker, het gespreksonderwerp diende eerst afgehandeld te worden en had duidelijk voorrang op de aanwezigheid en de vraag van de klant. ‘Ah ik weet nog niet goed wat ik straks ga eten. Gisteren waren het frietjes bij ons thuis en heb ik gewoon niets gegeten. Misschien ga ik straks op het plein een smosje halen.’ ‘Met ham en kaas?’ ‘Hoogstwaarschijnlijk wel.’

Ik kuchtte en het gesprek stokte. De stadsambtenaren zaten duidelijk niet goed in hun vel. Zelfs tijdens de werkuren, of vooral tijdens de werkuren dachten ze aan niets anders dan  aan comfortfood. Iemand moest hun uit dit lijden verlossen. ‘Als je iets doet wat je graag doet heb je meestal geen honger,’ kwam ik abrupt tussenbeiden. ‘Het is eerder zo dat je dan tijdens het werk gewoon vergeet te eten en te drinken omdat de passie en de toewijding voor het werk een mens voedt.’ De twee keken me ietwat onthutst aan. Het was overduidelijk dat het hen aan vanalles ontbrak waar zij zich tot op dat ogenblik niet bewust van waren geweest. ‘Een diep, ondergestopt gevoel van ontevredenheid en een poel van onvervulde verlangens dienen zich in een beginstadium altijd aan als een drang naar troostrijk voedsel, zoals het woord comfortfood het trouwens zegt,’ legde ik verder uit. ‘Hou het in de gaten, voor je het beseft lijd je aan boulimie.’ Ik keek ernstig van de een naar de ander, zag plots dat er een match tussen hen mogelijk was en eindigde toen heel bedaard. ‘Begin gewoon een verhouding met elkaar. Dat lost alles in een keer op.’ Geen hunkering meer naar comfortfood. De dame reikte mij woordloos de kaartlezer aan, haar collega keek naar een punt in de verte, dat de wijzers van de klok aanwees. Ik stopte de kaartlezer in mijn tas en verdween zonder de gebruiksvriendelijke afscheidsblik van de loketbediende in ontvangst te nemen. Het was half een. Lunchtijd

Over comfortfood kon ik ondertussen een woordje meespreken. Als voedingsdeskundige bracht ik de voorbije maand enkele uren per week door bij een gezin dat behoorlijk wat comfortfood kocht en consumeerde. Het behoorde tot mijn opdracht om samen met hen een verandering in hun eetpatroon te brengen en hen geleidelijk naar een gezonder leven te leiden. In het begin, toen ik deze mensen nog maar net kende en we al eens gezamelijk aan tafel zaten, at ik nog netjes de inhoud van mijn meegebrachte lunchbox leeg. Meestal waren dat vier sneetjes granenbrood belegd met kaas en als dessert enkele partjes gesneden exotisch fruit. Naarmate ik meer tijd in het gezin doorbracht moet ik last van spiegelende neuronen gekregen hebben, want ik merkte dat ik steeds meer zin kreeg in het comfortfood dat zij voor mijn ogen met veel smaak nuttigden en waartoe zij mij gastvrij als ze waren ook uitnodigden. Doch ik probeerde dit op hol slaan van de spiegelneuronen onder controle te houden en verder dan de aankoop van een appelflap bij de bakker op de terugweg naar huis ging ik niet. Jammer genoeg vonden mijn voedingstips maar weinig gehoor en ontwikkelde ik daarentegen een toenemende en onverklaarbare zin naar hun fast- en comfortfood. Het kwam tot een climax toen een van de leden van het gezin vroeger dan de anderen was thuisgekomen en alreeds ‘iets om te eten’ had meegebracht. De sympathieke puber, zat geconcentreerd over een kartonnen bakje gebogen waar onder een klodder roomkleurige saus, reepjes vlees en een berg frieten verborgen lag. De frieten zagen er niet uit als de knapperige, goudgele aardappelpartjes die wij ons bij frietjes voorstellen, maar eerder als een prak in een bakje gepropt en met een homogene saus bijeengehouden. Ik vroeg de jongen wat het voor iets was en tussen twee happen antwoordde hij beleefd als altijd: ‘Dit is een Kapsalon.’ Pardon? ‘Dit noemen wij een Kapsalon.’ ‘Ah natuurlijk!’

Wie dit gerecht bedacht had leek me een culinair barbaar. Ik zag het verband niet tussen de prak die voor mij lag en het knippen, wassen en föhnen van haar. Google verloste mij uit mijn onwetendheid. Het gerecht ontstond in 2003 toen Nataniël Gomes, eigenaar van een kapsalon in Rotterdam bij shoarmazaak El Aviva een lunchschotel liet samenstellen met daarin al zijn favoriete ingrediënten en toppings. Het hoofdingrediënt bestond uit frieten bedekt met shoarma of döner, afgetopt met kaas en onder de grill gezet, met op de gesmolten kaas nog een mix van salade en tomaten gedresseerd. Het kapsalon werd doorgaans geserveerd met knoflooksaus en sambal, natuurlijk bovenop de frieten, de shoarma, de gesmolten kaas en de sla. Stel je voor. Het gerecht werd een zodanig regelmatig terugkerende bestelling in Rotterdam dat het uiteindelijk de naam Kapsalon kreeg en vanuit Nederland ook bij jongeren in België aan populairiteit won.

‘Waar halen ze het vandaan?’ verzuchtte ik luidop.’Hier om de hoek bij Absalamah,’ antwoordde de puber. Tot mijn ontzetting voelde ik nieuwsgierigheid ontluiken naar de smaken van de frietprak en had na het plichtsbewust verorberen van mijn granenbroodjes met kaas nog een denkbeeldige honger of beter, trek in iets waarmee ik al mijn emoties en toenemend ongemak in één keer kon wegslikken. Het was koud, het regende en ik voelde me, vermoedelijk door een gebrek aan vitamine D en het onophoudelijk lawaai van de stad, zwak en afgemat. Veeleer waren het weer de spiegelneuronen die het overnamen wanneer ik een uurtje later het gezin verliet en om de hoek het Oosters eethuisje binnensprong. ‘Wat mag het zijn mevrouw?’ ‘Een kleintje met andalouse. Of nee, sorry, doe maar gewoon een Kapsalon.’

Thuisgekomen dacht ik met een opgeblazen gevoel in mijn maag – een doorsnee Kapsalon bevat 1800 kcal – verder na over het fenomeen van comfortfood. Als kind had ik nooit een lunch voorgeschoteld gekregen dat voor het comfortfood van vandaag zou kunnen doorgaan. Frietjes kregen wij maar heel af en toe. Die werden eenvoudigweg niet als eten beschouwd. Wij aten vier keer per week spaghetti en leerden met een goed gevuld bord van Mama Miracoli, zoals het een kind van bloemenouders verging, alle kwalijke emoties te vergeten. De tomatensaus, waarin enkele uren het magisch kruidenmengsel had geprutteld, bestendigde zo langzaam langs de weg van de smaakneuronen, zijn positieve werking, tot het in onze hersensellen een van zonlicht blakend, instant gelukzalig gevoel simuleerde. Ander comfortfood bestond er gewoonweg niet en het was de eerste keer dat ik met het Kapsalon een uitzondering op die regel maakte, en gelukkig: het werkte niet. Toen het kartonnen bakje leeg was, was ik vooral vervuld van een immens schuldgevoel. Maar voor een spaghetti was het dan al te laat.

Toen ging als in een tv-serie de telefoon, als om mij te verlossen van een culinaire ontreddering, en aan de andere kant van de lijn hoorde ik de stem van de dichteres Lucienne Stassaert. Zij vroeg me zomaar uit het niets of ik morgen haar haar wilde knippen. Ze was er zelf al aan begonnen maar achteraan in de nek wilde het niet zo lukken. Nu hadden de ouders van Lucienne Stassaert gans hun leven een kapperszaak gehad en was de dichteres dus opgegroeid tussen scharen, krulspelden, de geur van shampoo, plixflesjes, haardrogers en zo meer. Maar vertelde ze: ‘Elke keer ik de deur uitga om mijn haar te laten knippen, blijf ik voor het venster van de kapper staan. Ik raak er niet binnen, ik raak niet over de drempel, ik weet niet hoe het komt.’ Gans haar jeugd in een kapsalon doorgebracht! Geeft niet, antwoordde ik, ik zal je haar wel even bijknippen, ik ben natuurlijk geen kapper maar weet intussen wel alles over het kapsalon.

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s