De dame met de kersenrode laarzen

Foto: Henry Cartier-Bresson

 

Het had Charlotte Mutsaers kunnen zijn, de dame met de kersenrode laarzen, die zo gezwind de straat overstak. Ze leek een beetje op de schrijfster maar ze hield geen Fox Terrier aan de lijn. Toch bewoog zij zich voort alsof er een aangelijnde viervoeter voor haar uit liep. Alleen zag niemand wat het precies was dat haar voorttrok aan die lijn. Ze moet een jaar of zeventig geweest zijn en stak zo opvallend energiek het zebrapad over dat ze van haar leeftijd geen weet scheen te hebben. Kaarsrecht haastte ze zich met grote passen door het vizier van de stad. Gehuld in een zwarte jas, kersenrode laarzen tot aan de knie en twee touwtjes, de teugels van een papieren tas, tussen wijsvinger en duim geklemd. De wind golfde door haar in lagen opgeknipt kort ravenzwart haar. ‘Mevrouw,’ wilde ik haar vragen, ‘vanwaar die kersenrode laarzen, het elan van vrijheid dat u bij elke pas verspreidt, uw Louis Bourgeois jas? Vanwaar deze elegantie, zoals ik lang niet meer in het straatbeeld zag?’ Maar als een voorbode van de polar vortex stak de eerste gure windvlaag op, die haar in de rug nog sneller voorwaarts duwde, en mij aan de overkant van het zebrapad, voor ik haar kon inhalen, al in een andere richting blies. En voor ik haar daadwerkelijk kon vragen: ‘Mevrouw, waar gaan die laarzen met u heen? Wie heeft uw haar zo dreigend mooi geknipt?’ was ze met het aangelijnde dier alweer uit mijn gezichtsveld verdwenen.

De tijd van een kattenbelletje

 

girl with horse

 

Beste Charlotte, na veel tumult over paarden, ezels, losers en winnaars:

Toch nog maar even een kattenbelletje omdat het sinds Harnas van Hansaplast geleden is dat ik er nog eentje schreef. Ik stuur het je maar niet op omdat het uiteindelijk langer werd dan verwacht! Enkele dagen terug werd me onverwacht een bijzonder voorstel gedaan. Op het wereldwijde web las ik een advertentie waarin iemand een gepassioneerd verzorger voor vier ezeltjes zocht. Nu was ik wel op zoek naar een leuk bijbaantje maar omdat ik meer een paardenmens ben, en bij gebrek aan plaats nog steeds geen paard had, opperde ik dat ezeltjes mennen misschien een even fijne bezigheid was. En stelde me de vraag wat er op termijn het beste was: het gehinnik volgen van een paard dat ergens op een onbekende vlakte galoppeerde, of het nabije gebalk van vier ezeltjes in een wei? Het antwoord van de kandidaat-sollicitant werd pas maandagochtend verwacht. Het was vrijdagavond en ik had nog twee dagen voor de boeg om uit te puzzelen wat het zou worden.

De volgende ochtend reed ik met de fiets naar een plek, niet ver buiten de stad, om met de vier ezeltjes in hun habitat kennis te maken. Het was uitzonderlijk helder weer en vanuit de hemel landden er luid snaterend twee wilde ganzen in de ezelweide neer. Een beeld als uit een sprookje, waarin alleen Nils Holgersson ontbrak. De ezels stonden tegen elkaar aan en keken onverstoord de wereld in. Ik maakte wat klikgeluiden zoals dat gewoonlijk bij paarden gedaan wordt om ze te roepen, maar de dieren bleven onbeweeglijk voor hun stal staan. Misschien was de weide te drassig om er doorheen te lopen maar toen er na een kwartier nog geen beweging in de ezels kwam vroeg ik me af wat ik daar deed en kwam het me voor alsof er geen vier maar vijf onbeweeglijke dieren stonden. Aan de overkant van de landweg kwamen twee mannen uit een witgeschilderde, honderd jaar oude hoeve naar buiten. Een van de ezels liep onmiddellijk op hen af, maar de beide mannen stapten in hun auto en reden weg. Ik probeerde de ezel die nu een armlengte van mij verwijderd was dichterbij te lokken met dezelfde klikgeluiden als voorheen en kon net even zijn snuit aaien vooraleer hij zich omkeerde en sloom naar de stal terug wandelde.

Hadden deze ezels mij wel nodig? Was ik degene die hun stal met passie zou uitmesten, het hooi zou aanvoeren, de drinkbakken met vers water vullen (een ezel drinkt tot 20 liter per dag en dit maal vier) hun vachten kammen, keitjes en anderen onnuttige dingen uit hun hoeven krabben, de oren masseren, ze voorzichtig de halster omdoen, om hen met rieten manden bepakt langs afgronden te leiden waaruit alleen nog de echo’s van gebalk weerklonken? Beste Charlotte, ik wist het niet.

Zonder de ezels te groeten nam ik mijn fiets en vloog als een pijl uit een boog naar de vogeltjesmarkt en kocht een pak kaaskroketten bij Polle de geitenhoeder. Ineens twaalf stuks.  ‘Niet tegen elkaar leggen als je ze gaat invriezen, anders breken ze bij het ontdooien’, zei hij, om hun teerheid bezorgd.  ‘Het is om direct te nuttigen, Polle’.  ‘Ah!’ antwoordde hij en sloeg begripsvol zijn ogen ten hemel. Ik legde de kroketten voorzichtig op de bodem van mijn tas en ging er alsof ik ontzettend gehaast was, onmiddellijk vandoor. Zenuwachtig tussen de marktstalletjes laverend vroeg ik me opnieuw af wat ik met het voorstel aan moest en het gevoel een menner te zijn die het dier dat als maar voor hem uit draafde, maar niet te pakken kreeg, liet me niet los.

Ik raakte buiten adem, mijn arm was moe van de lasso draaiend in de lucht te houden en het duizelde in mijn hoofd. De buitenlucht, de ezels en de neerstrijkende wilde ganzen waren me naar het hoofd gestegen. Intussen ging er in de secretaire van mijn prefrontale cortex een lade open en hup daar schoof de naald van mijn moeders pick-up over een willekeurige plaat en denderde John Denver op een bokkende, rosse merrie voorbij. ‘Country roads, take me home, to the place I belong, West Virginia Mountain mamma, take me home Country roads.’
Denver zat stevig in het zadel en toen de plaat een paar toeren in mijn hoofd had rondgedraaid en hij in het opvliegende stof zijn dier de sporen gaf, viel er iets uit mijn rechteroog dat op een grove, schurende zandkorrel leek.  ‘All my memories, gather round her modest lady, stranger to blue water. Dark and dusty, painted on the sky, misty taste of moonshine, teardrop in my eye.’ Ik stond voor een berg witte bloemkolen, netjes uitgestald en besefte dat hoeveel rondjes Denver ook zou draaien, met een carouselpaard raakte ik nooit over deze berg heen. Maar welk dier moest het dan worden, een ezel of een paard? Een muildier was er niet. De lasso sleepte achter mij door het stof over de grond. Beste Charlotte, ik wist het niet.

Het leek me tijd voor een cappuccino bij een van de laatste Che Guevara getrouwen. Een van oorsprong Italiaanse man die enkel koffie brandde van bonen die op een eerlijke manier in Zuid Amerika verbouwd en verhandeld waren. Alles wat hij verkocht was biologisch en Fair Trade. Rijk zou hij er niet van worden maar gelukkig misschien wel. Het viel me op dat zijn gezicht spitser was dan de laatste keer dat ik hem zag. Zijn Vermeers blauwe ogen waren enkele tinten bleker dan de lucht boven zijn coffeetruck, waar het melkmeisje van de zon schuimende roomhartjes in kartonnen bekers schonk. Ik bestelde een cappuccino (er was keuze tussen gesuikerde, ongesuikerde soja-, amandel-, hazelnoot- of havermelk en marshmallows als topic) en ging in de zon aan een tafel, naast twee grasgroene, keuvelende jongens zitten.

Ze hadden het over de hipste plaatsen in de stad. Hotspots waar een barista op twintig verschillende manieren een perfecte espresso kon maken, de laatste Latte-art technieken in de vingers had, blaadjes en hartjes in minuscule kopjes macchiato achterliet en waar je, indien gewenst, ook nog een passende hippe snack bij je koffie kon krijgen. Een van de jongens vertelde dat hij plaats x niet graag meer bezocht omdat hij, als hij er rond keek, het gevoel had niet goed genoeg te zijn om zich tussen de habitués te bewegen. Zijn opmerking trof me, omdat het zo’n jongen was waarvan ik dacht dat hij net overal zijn draai kon vinden. Maar meer nog trof me het idee dat je ergens kon gaan zitten waar je voor anderen misschien niet goed genoeg was. Het was iets wat ik steeds vaker hoorde: dat mensen zich in het algemeen niet goed genoeg voelden. Ik had me graag in het gesprek willen mengen om het tegendeel te beweren, maar begreep uit eigen ondervinden dat het allemaal niet zo eenvoudig lag. Als we ons ergens niet comfortabel voelen is het misschien onze plek niet, maar dat iemand niet goed genoeg zou zijn voor zoiets banaals als ergens een koffie drinken? Het gesprek tussen de twee jongens ging verder en ik hoorde hen nog over andere vrienden praten waar het ook niet best mee ging. Dertigers die zich ongemakkelijk in hun vel voelden en waar de jongens zich echt zorgen om maakten. Aan de andere kant van de rij met tafeltjes zat een dichter die in mijn buurt woonde naar de zon te kijken.

Het werd steeds duidelijker dat we in een wereld leefden waarin een keurslijf van druk en een streven gecreëerd werd waar heel veel mensen niet meer in pasten. Hoge verwachtingen werden niet ingelost en steeds vaker zagen mensen geen enkele andere uitweg dan er zich uit te wringen op de meest tragische manier. Volgens psychoanalyticus Paul Verhaeghe was ‘loser’ vandaag het voornaamste scheldwoord op de speelplaats. ‘Omdat iedereen een winnaar wil zijn.’ Ook op de arbeidsmarkt waren holle woorden dagelijkse kost: competentie, scoren, targets, flexijobs. Voor elke baan werd een polyvalente duizendpoot gevraagd, als het mocht in regenboogkleuren of geur- en genderloos. Robocop in een maatpak, werkoverall of in een plooirok van glitter, armzalige werkkrachten voor een prikje op de menselijke slavenmarkt gekocht. Zo hielden wij allemaal samen, met een hoofd van pijn verdraaid en een schuimend bit, in een wolk van stof, de carrousel draaiend.
Beste Charlotte, dit was het leven niet.

Bedrukt dronk ik mijn cappuccino op en mijn oog viel, als volgde het van alles een natuurlijk vervolg, op de kop van een krantenartikel: ‘Drie sterren? Nee, bedankt.’ De Franse drie-sterrenchef Sébastien Bras van het restaurant Le Suquet was er als eerste in geslaagd zich uit de Michelingids te laten schrappen. Hij wilde hiermee aan het publiek duidelijk maken dat hij geen sterrenchef meer wil zijn. Bras is de zoon van een van de grootste vernieuwers van de Franse keuken die als de meest invloedrijkste chef ter wereld wordt beschouwd. De druk om op hetzelfde niveau te blijven presteren was voor de zoon onhoudbaar. Van zijn twee collega’s Bernard Loiseau en Benoît Violier wordt beweerd dat ze uit het leven stapten omdat ze de druk niet aankonden. Bras besefte dat de sterren eerder ‘een rem dan een motor waren geworden.’ De vraag of het allemaal goed genoeg voor die of die inspecteur zal zijn, doet er niet meer toe. Het zal goed genoeg zijn voor hem en de smaakpapillen van de klant. Het voor anderen goed genoeg moeten zijn, is een race die je op lange termijn nooit kan winnen en gelukkig heeft Bras dit op tijd begrepen. Zijn beslissing toont de andere kant van een medaille waar sterren van een ander firmament zijn werk even stralend zullen bekronen.

Maandagochtend, klokslag zes uur. De twee dagen die ik nodig achtte om uit te puzzelen wat het zou worden waren in gemijmer en gedraaf voorbij gevlogen.
Ik moest een mail naar de dame versturen. Een ver paard of een vier ezels balkend in een nabije wei? Zoals ik zelf kon raden bleef het antwoord uit. Puffend en zuchtend, de wanhoop nabij sloeg ik Kersebloed En Paardejam’ open en trof op de laatste bladzijden het bevrijdend signaal: ‘Als het woord vlees wordt, hinnikt het paard’. En hup weer was ik vertrokken, voor een paar uur van de twijfel gered: of het een paard of ezel zou worden deed er even niet toe, en een muilezel was er nog niet.

 

 

 

Geraadpleegde bronnen:

*Charlotte Mutsaers: Harnas van Hansaplast. Das Mag, Amsterdam 2017
& Kersebloed En Paardejam. Meulenhoff, Amsterdam 2000

*Paul Verhaeghe in De Tijd (11.02.2012) ‘We genieten ons te pletter. Maar niemand is  tevreden.’

*Bruno Vanspouwen in De Standaard (31.01.2018) Drie sterren? Nee, Bedankt

Het olifantje van Bernini (of het kuikentje van Minerva)

Houtsnede uit het boek: Hypnerotomachia Poliphili, Fancesco Colonna 1499

 

Het feest was voorbij, de porseleinen borden en kopjes stonden nog op de tafel.
Eén bord, één kopje, bleven onaangeroerd. Er kwamen twee monniken en een olifant binnen.

Ondanks de melancholie die mij overviel toen het feest weer voor een jaar voorbij was, de grijze lucht die nu al meer dan zes weken alles bedekte en de wachtkamers van de psychologen voller liet lopen dan het jaar ervoor, was ik toch weer wat opgemonterd door de komst van de kloosterlingen en Bernini’s olifant.

In het jaar 1665 vonden enkele Dominicaner monniken tijdens graafwerken in de tuin van hun klooster dat op de ruïne van een tempel was gebouwd, een Egyptische obelisk. De 5,47 meter hoge obelisk vervaardigd uit roze graniet droeg de inscripties van farao Apriës en dateerde uit de periode 589-570 v. Chr. Vermoedelijk werd hij van de stad Saïs, de toenmalige hoofdstad van Egypte, naar het Marsveld in Rome gebracht en opgesteld in de Tempel van Isis en Serapis. Paus Alexander VII, een kunstminnend geestelijke, besloot de obelisk op het plein voor de gotische basiliek Santa Maria sopra Minerva te plaatsen en schreef een opdracht uit om een basis te ontwerpen die als ondersteuning moest dienen.

Beeldhouwer en architect Gianlorenzo Bernini kreeg de opdracht de sokkel voor de obelisk te ontwerpen en liet zijn oog vallen op een olifant. Vermoedelijk liet hij zich inspireren door een illustratie uit de ‘Hypnerotomachia Poliphili, of ‘De strijd van Poliphili om liefde, in een droom’, een novelle in 1499 geschreven door Francesco Colonna, verlucht met 135 houtsneden, en uitgegeven door de drukker Aldus Manutius, een Venetiaanse humanist. In het boek ontmoet het hoofdpersonage Poliphili in zijn droom, onder andere, een olifant met een obelisk op zijn rug. In het eerste ontwerp van Bernini steunde de obelisk rechtstreeks op de vier poten van de olifant die als sokkel diende. De paus verwierp het ontwerp omdat het niet stabiel genoeg zou zijn en gebood Bernini de poten te verkorten alsof het geen kunstwerk maar een tafelblad betrof. De beeldhouwer gaf toe en in een laatste poging om zijn oorspronkelijke, elegante olifant te redden, legde hij een zadelkleed over de rug dat de korte pootjes en plompheid die het beeld uitstraalde moest verbergen.

Het beeld bleef echter plomp en het symbool van de olifant dat voor kracht en wijsheid stond en de inscriptie droeg: ‘Documentum intellige robutae mentis esse solidam sapientiam sustinere’ (Het vereist een krachtige geest om de last der wijsheid te dragen.) werd door de Romeinen spottend, il porcellino, het varkentje genoemd. Later kreeg het in het Romeinse dialect de naam Pulcino (kuikentje) van Minerva toebedeeld. Het beeld werd dus alsmaar kleiner en schattiger in de ogen van de toeschouwer.

Terwijl ik de afbeelding van Bernini’s olifant met de drukprent in het boek van Francesco Colonna vergeleek, hoorde ik uit de belendende kamer, die als keuken dienstdoet, een geweldig klap.
De ganse verdieping daverde, schudde en trilde, de plankenvloer kraakte onder mijn voeten. Het leek wel een aardbeving. Ik liep naar het raam en keek naar de overkant van de straat waar werkmannen met een kraan stalen balken in de grond aan het drijven waren. Buurvrouw Mia stond aan het raam met haar handen over de oren. Maar de trillingen kwamen niet uit de muil van de straat. Ik zuchtte en vloekte en ging naar de plek waar het onheilsgeluid vandaan was gekomen en vond in de keuken, voor de openstaande kastdeur, een grote stapel borden op de grond. De borden stonden al jaren in die kast en waren door de trilling van de grondboringen tot aan het punt opgeschoven waar de zwaartekracht het van de stapel had gewonnen en de borden als een toren naar beneden waren getuimeld.

Geen enkele schadeclaim zou het beeld van dit vernield servies ooit kunnen dekken.

Het porseleinen servies dat eerst aan mijn overgrootmoeder en daarna aan mijn grootmoeder had toebehoord kwam twee jaar geleden, naar aanleiding van een verhuizing van mijn zus, die de hoeder van ons verleden was, bij mij terecht. Zij had geen plek meer gevonden om het op te bergen en de dozen waarin de breekbaarheid van vier generaties in 36 stuks in krantenpapier verpakt zat, waren haast niet te tillen. Dus haalde ik er een aantal borden uit en borg ze op in de kast.

De borden toonden sporen van een intens gebruik maar toch bleef er binnen het witte vlak van de met fijne rozenknopjes versierde rand, die enkel het gekras van messen en vorken prijsgaf, iets stralen dat zich met geen enkel afwasmiddel weg liet spoelen. Ik hield eraan de borden iedere dag te gebruiken zoals de grootmoeders het hadden gedaan. En vroeg mij vaak tijdens het avondmaal af waar deze wondere, voor mij heilige wezens, toch heengegaan waren en onder welk gesternte ze herboren waren? Maar hoe lang ik ook van mijn bord, waarop in tijden van hoge morele nood meestal een garnaalkroket lag, vergezeld van een toefje peterselie en een schijfje citroen, naar de hemel tuurde, nooit kon ik hun schittering ontwaren. Ook niet bij de blauwe supermaan van vannacht. Het leven aan hun zijde was een doorlopend feest geweest, van ontbijt tot avondmaal. Maar zoals ieder feest was het op een bepaald uur afgelopen en waren gastvrouw noch genodigden teruggekeerd. En restte mij enkel nog het geluk van diegenen, die net als ik op een dag, nadat ze hun bord leeggegeten hadden, in het wit gekraste vlak, met guirlandes van roze bloemenknopjes en groene blaadjes versierd, een glans hadden ontdekt die onuitwisbaar de glans van gastvrijheid was. Het servies van zesendertig borden, soepkommen en terrine, de koffiekoppen en het zilveren bestek kende sinds zijn intrede in 1939, geen enkele ongenode gast. Daar was ik door de grootmoeders van overtuigd geweest als was het een onweerlegbaar wetenschappelijk feit. Mijn maag kromp ineen van heimwee bij de aanblik en mijn hart bleef maar breken tot het naast de borden in scherven aan mijn voeten lag. Zo eindigde het jaar 2017, en kwam nog voor 2018, de olifant van Bernini de huiskamer binnen.